Erfgoeddrager: Thomas

‘Omdat mijn vader was gevlucht, mochten we niet meer bij de kazerne wonen’

Kuzay, Kay, Thomas en Feije van de Klimboom in Eindhoven zijn op bezoek bij de 97-jarige Lies Vogels. Ze is nog heel kwiek en heeft bijzondere verhalen over de oorlog. Haar vader vluchtte destijds naar Engeland op de dag voordat de Duitsers Eindhoven binnenvielen. Ze bleef achter met haar moeder, broers en zussen. Ze verhuisden naar een andere plek in de stad omdat de Duitsers in de kazerne gingen wonen waar zij woonden. Hun vader was gevlucht dus mochten ze daar niet blijven. Na de oorlog ontdekt mevrouw Vogels dingen over haar moeder die ze pas begrijpt jaren na de oorlog. Haar vader keert na de oorlog gelukkig terug.

Wat gebeurde er met de marechaussee in de oorlog?
‘De marechaussee hielp vroeger de gemeentepolitie en veldwachters bij de orde in de stad. De kazerne was in de Tuinstraat, daar woonden wij met ons gezin. De marechaussees werden een dag voordat de Duitsers Eindhoven binnenvielen, gewaarschuwd en werden via de ondergrondse meegenomen naar Frankrijk. Na een maand zijn ze via Bretagne gevlucht naar Engeland, waar het veilig was. Pas 4,5 jaar later zag ik mijn vader weer terug. Mijn vader heeft ook nog zelfs de Londense bombardementen overleefd.

Die paar leden van de marechaussee die terugkeerden naar de kazerne werden op een dag beschoten door een Duitser. Ik zag dit vanuit mijn slaapkamerraam. Het was heel eng, vooral het schreeuwen van een gewonde marechaussee is me bijgebleven. Ik zat toen nog maar in de zesde klas, hetzelfde als nu groep 8.

Omdat mijn vader gevlucht was mochten we niet meer bij de kazerne wonen en verhuisden we naar een andere plek in de stad. Het was verboden om contact te hebben met mijn vader. Mijn moeder had wel stiekem een radio verstopt zodat ze toch op de radio konden luisteren naar het Engelse nieuws om te volgen wat er gebeurde. Deze zat verstopt in de kast. Eigenlijk moesten alle communicatiemiddelen ingeleverd worden zodat er alleen nieuws kwam dat de Duitsers graag wilden.’

Was het gevaarlijk voor jullie gezin?
‘Na de oorlog kwam ik erachter dat mijn moeder wapens en marechaussee-uniformen aan de ondergrondse heeft geleverd. Zo kwam ik bij een herdenking over de oorlog in Waalre waar de burgemeester sprak over een meneer Gerels die in de oorlog voor de ondergrondse werkte. Later is deze meneer Gerels verraden en is door de Duitsers opgepakt en omgekomen in een kamp.

Ik was helemaal verbaasd. Ons gezin kreeg tijdens de oorlog iedere maand en bij verjaardagen voedselbonnen van deze meneer Gerels. Omdat mijn vader was gevlucht hadden we geen inkomen om van te kunnen leven. Ik had zes broertjes en zusjes en er was bijna geen eten. De ondergrondse hielp ons met deze voedselbonnen.

De burgemeester vertelde ook dat meneer Gerels zorgde voor uniformen en wapens voor de ondergrondse om mensen te helpen vluchten. Toen pas besefte ik dat mijn moeder de ondergrondse heeft geholpen tijdens de oorlog. Mijn moeder heeft hier zelf nooit over gesproken.
Helaas kan ik het haar niet meer na vragen.

Ook herinnerde ik me dat mijn moeder zich moest melden bij de grote Duitse commandant op het stationsplein. Daar was het hoofdkwartier van de Duitsers. Ik en mijn broers en zussen dachten dat ze nooit meer terug zou komen. Het is nog steeds een raadsel hoe ze zich uit de situatie heeft weten te praten.’

Wat gebeurde er tijdens de bombardementen rond de bevrijding?
‘De bevrijding kan ik me nog goed herinneren en daar denkt ik met vreugde aan terug.
Ik was inmiddels 16 jaar toen Eindhoven werd bevrijd. Ik weet nog goed dat de Amerikanen binnen kwamen. Alle mensen waren op straat een dag na de bevrijding. Het gevoel van vrijheid en opluchting was geweldig. Ik heb samen met mijn vrienden gevierd op de Rechtestraat. Daarna zijn we terug naar huis gegaan.

Toen ik ‘s avonds terug wilden gaan naar de stad, gingen er geruchten dat de Duitsers eraan kwamen vanuit Nuenen, ik mocht daar niet naartoe. Toen ik pas een straat van mijn huis was hoorde ik de lichtkogels aankomen. De vader van een vriendinnetje haalde me naar binnen. Toen begon het bombardement op Eindhoven. Het duurde maar kort, toch stierven die dag zeker tweehonderd mensen in Eindhoven.

Ook op de Biesterweg kwam een bom op een schuilkelder. Daarin zaten twee klasgenootjes van mij, twee nichtjes. Ik had die meisjes ‘s middags nog zien feestvieren. Hun hele gezin is omgekomen. Ook mijn moeder was doodsbang geweest want die wist natuurlijk niet waar ik was. De bommen werden willekeurig boven Eindhoven gedropt.’

Was u bij de bevrijding?
‘Ik kan mij deze dag goed herinneren. Er waren zoveel mensen in de stad. Het gevoel van opluchting en bevrijding voel je maar één keer in je leven. Ik had in die tijd een handtekeningenboekje. Dit was in die tijd normaal. Je vroeg dan aan iemand zijn verjaardagsdatum en een handtekening van deze persoon. Zo heb ik deze dag allemaal handtekeningen verzameld van Amerikanen. Het boekje heb ik nog altijd in bezit.

Jaren later heb ik per toeval twee Amerikanen uit de oorlog leren kennen die bij de bevrijding van Eindhoven waren. Deze mannen herkenden veel handtekeningen van compagnieleden. Zo ben ik via hen naar Amerika gegaan en heb ik veel soldaten leren, of kinderen van hen, die Eindhoven bevrijd hebben. Een geweldige ervaring! Ik heb zelfs Tom Hanks en Steven Spielberg leren kennen die op dat moment ‘Band of brothers’ maakten. Ik was uitgenodigd bij de première en het diner. Steven en Tom hebben ook in hetzelfde boekje een handtekening gezet.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘De Duitsers marcheerden door de straat, ze konden ontzettend goed zingen’

Joris, Tygo en Thomas van de Vossersschool op Terschelling gaan op de fiets naar de Willem Barentzkade, langs de boot, naar Janny Bergsma (99). Ze woont op een mooie plek met zicht op de havenkom en de Waddenzee. Mevrouw Bergsma woonde in Leeuwarden tijdens de oorlog.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was 14 jaar toen de oorlog uitbrak. Ik zat op de ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) en herinner me dat er ’s avonds geen licht meer mocht branden om te voorkomen dat de Engelse vliegtuigen de huizen konden zien. De Duitsers marcheerden door de straat, ze konden ontzettend goed zingen. Ook vielen ze huizen binnen, op zoek naar radiotoestellen en andere verboden voorwerpen.’

Wat vond u het ergst?
‘Mijn broertje overleed aan kinderverlamming en moest naar een barak buiten Leeuwarden omdat het een besmettelijke ziekte was. Ik kon hem niet meer zien en dat vond ik heel erg. Ik zie hem nog voor me, dat ik thuiskwam, dat hij op de grond lag te huilen van de pijn.

De bombardementen en de huiszoekingen maakten ook veel indruk op me. Ze lieten wel eens bommen vallen op het vliegveld.’

Kende u iemand die moest onderduiken?
‘Mijn vader werkte bij de spoorwegen en hij moest onderduiken toen de Duitsers hem wilden arresteren. Ook ik moest onderduiken en bracht het laatste jaar van de oorlog bij mijn tante door. Ons huis namen de Duitsers in beslag en toen we na de oorlog terugkwamen, was alles weg.’

Wat deed u het liefst in de oorlog?
‘Ik had veel plezier op de boerderijen van familieleden en ik vond het wel leuk om bonnetjes te plakken voor voedsel.’

Heeft u nog een les voor ons?
‘Na de oorlog ontmoette ik ook Duitsers die niet allemaal slecht waren en ik probeer dan ook niet alle Duitsers over één kam te scheren.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘De openheid in Nederland vind ik heel mooi, ook tussen jongens meisjes’

Lasse, Thomas en Halima luisteren naar het verhaal van Batoul Zouhair. Zij is geboren in 1965 in Agadir, een stad in Marokko. Later kwam zij naar Nederland, omdat haar vader hier als gastarbeider kwam werken. Mevrouw Zouhair vertelt over haar leven in Marokko en over hoe het was om in Nederland te wonen. De kinderen vinden het een bijzonder verhaal.

Uw vader ging eerst naar België en Frankrijk, waarom wilde hij daar niet blijven?
‘Het werk was hem niet goed bevallen en zijn broer en andere familie kwamen allemaal naar Nederland. Ze hadden contact met elkaar en zij zeiden dat het hier veel beter was. Daardoor is hij hiernaartoe gereisd. Als gastarbeider is hij hier komen werken. Daarna zijn wij gekomen.’

Was de buurt fijn toen u op uw tiende naar Nederland verhuisde?
‘De buurt waar ik kwam te wonen? Die was zeker fijn. Ik weet nog dat wij hier aankwamen en dat het donker was en dat er overal lichtjes aan waren. Het was in de winterperiode dat we naar Nederland kwamen, zo rond kerst. De mensen in de buurt waren heel erg lief. Zij zorgden goed voor ons. Wij kregen ook van hen spullen, omdat wij de kou niet gewend waren in Marokko. Ik heb in deze buurt gewoond tot mijn negentiende, daarna ben ik op mijzelf gaan wonen.’

Wat was een culturele shock voor u?
‘De manier waarop de mensen feestvieren, en ook hoe ze met elkaar omgaan. De school vond ik ook heel anders dan mijn school in Marokko. Ook de kleding natuurlijk. Mijn moeder had een hoofddoek. In die tijd waren er niet zoveel mensen die een hoofddoek droegen.

Nu vind ik het heel triest, maar ik schaamde me toen voor mijn moeder. Ze mocht me niet komen ophalen, omdat ik me schaamde voor haar hoofddoek. Ze had lange kleding aan. Daar keken mensen toch wel raar tegenaan in die tijd.’

Wat voor eten aten jullie in Marokko?
‘We hadden vaak een eenpansgerecht, dat is dus vlees met groente, en we aten couscous, dat vind ik ook heel lekker. Met brood. We aten met onze handen. We zeggen: onze handen zijn vorken en lepels. Alles heb je dan bij de hand.’

Ook als u yoghurt at?
‘Nee, geen yoghurt. Daar hebben we lepels voor. Een eenpansgerecht vind ik altijd heel lekker. Toevallig gisteren nog gemaakt. We hadden een bijeenkomst van verschillende culturen. We eten het gerecht met brood. Dat heb je met Somaliërs ook, die maken het met pannenkoeken. En ook Syriërs, zij eten het samen met brood en groenten, dat kan je heel netjes eten.’

Wat is uw favoriete muziek uit Nederland?
‘Onze buurvrouw was een fan van Elvis, dat hoorde ik vaak en vond ik prachtig. Maar ja, dat is geen Nederlands. Corrie Konings en Andre Hazes vond ik ook altijd fijn om te horen. Dat hoorde ik niet via mijn ouders, daar vonden ze niet zo veel aan, maar via die buurvrouw. Zo kreeg ik dat mee. Ik vind het wel gezellige muziek.’

Wat vindt u niet leuk en wat vindt u leuk aan de Nederlandse cultuur?
‘Te veel alcohol vind ik niet leuk, daar ben ik mee opgevoed. Maar de openheid vind ik heel mooi, de vrijheid, ook tussen jongens meisjes. Het maakt niet uit of je een jongen of een meisje bent. Ik neem eigenlijk veel van de Nederlandse cultuur en ook veel van de Marokkaanse cultuur over. Daar ben ik zelf uit gevormd.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘Moeder kwam met een revolver in de rug mijn slaapkamer binnen’

Thomas, Roos en Isa van basisschool De Handreiking wonen alle drie in Eindhoven, in stadsdeel Woensel, waar ook Wil Docters (1937) verbleef tijdens de oorlog. Hij was 3 jaar toen de oorlog begon en woonde in de Frankrijkstraat op nummer 59. Tegenwoordig woont deze piekfijn geklede man met zijn charmante vrouw in Sint-Oedenrode, waar de kinderen gastvrij worden ontvangen met een kopje thee en een koekje.

Waarom is uw vader wel ondergedoken en de rest van uw gezin niet?
‘Ik ben zelf niet Joods, omdat mijn moeder niet Joods was. Je krijgt het Jodendom door van je moeder. Mijn vader was wel Joods en heeft zo’n 15 maanden ondergedoken gezeten. Mijn moeder bleef achter met zeven kinderen. Ze is heel erg ziek geweest in die tijd.

Ik en mijn broers en zussen zijn later ondergebracht bij verschillende familieleden en kennissen in de buurt en zagen elkaar niet meer. In het gezin waar ik zat, was ook een zoon. Hij was één jaar ouder dan ik en had veel speelgoed, dat weet ik nog goed. Pas toen mijn vader alweer thuis was, kwamen we erachter dat hij bij de slager had gezeten, zo’n 500 meter verderop.’

Wat herinnert u zich van de avond dat de NSB’ers binnenkwamen?
‘Ik lag in mijn bed en hoorde een grote auto stoppen. Er werd aangebeld, lawaai klonk. De mannen die binnenkwamen, gaven zich uit voor Duitsers. Ze zochten mijn vader, maar vader was toen al ondergedoken en moeder was alleen met alle kinderen. Ze wilden alles meenemen wat van waarde was.

De brandkast stond in mijn kamer. Moeder kwam met een revolver in de rug mijn slaapkamer binnen, ik weet het nog als de dag van gisteren. Die mannen hielden de revolver tegen mijn neus en riepen: ‘Slapen!’ Ik was zo bang, ik was pas 7 jaar. Ze namen alles mee: geld, twee bontjassen, Perzische tapijten en alle zilverwerk.’

Uw broertje is doodgereden na de bevrijding. Hoe is dat gebeurd?
‘Eindhoven was al bevrijd, het noorden nog niet. Militaire tanks met Amerikanen en Engelsen reden dag en nacht door de straten. Iedereen was blij. Mijn vader was ook alweer thuis. De tanks reden niet hard en tussen de wagens zat best wat ruimte. Als je naar de overkant van de straat wilde, kon je er vlug tussendoor. Langs de kolonne reed een Amerikaanse jeep met hoge snelheid om de straten af te sluiten, zodat de tanks door konden rijden.

Ik stond voor het raam, mijn twee jaar jongere broertje buiten op de stoep. Ik zie hem nog staan op het trottoir… hij steekt over en wordt geschept door de jeep. Hij heeft nog een paar uur geleefd, hij was pas 5. Later kwam de Amerikaan nog om zijn excuses aan te bieden maar dat hielp natuurlijk niets.’

Wat gebeurde er nog na de oorlog?
‘Het was 16 december 1944 en de oorlog was al bijna drie maanden voorbij. Mijn zusje en ik liepen via een zandpad naar de kiosk op de Woenselse markt. Daar speelden we met veel andere kinderen. We hoorden een vliegtuig aankomen, deze draaide om de Petruskerk en maakte een raar geluid. Alle kinderen werden bang en gingen naar huis.

Mijn zusje en ik liepen langs een boerderij en op dat moment viel de bom op de Gildelaan, heel dichtbij. De klap was zo hard dat we door de luchtdruk tegen de grond gingen. Er viel een dakpan op de schouder van mijn zusje, daar heeft ze nog lang last van gehad.’

Wat herinnert u zich van uw neefjes Edo en Lexje?
‘Voor de oorlog kwamen mijn vaders zus, tante Bets, haar man Flip en neefjes Edo en Lexje elke zondag bij ons op bezoek. Zij woonden in Gestel. We speelden mens-erger-je-niet en het vlooienspel. Zij waren wel Joods en werden uit hun prachtige huis aan de Staringstraat 29 gezet. Ze moesten in een veel kleiner huisje gaan wonen op Gagelstraat 47, tegenover het PSV-stadion.

Oom Flip werkte als ingenieur bij Philips en werd naar Vught gestuurd om daar bij Philips te gaan werken. Hij dacht dat hij daar beschermd zou worden en een goede baan zou krijgen. Tante Bets heeft wel even ondergedoken gezeten, maar heeft zich toch met de kinderen bij haar man gevoegd. Later zijn ze via Westerbork naar een concentratiekamp in Duitsland gedeporteerd. Ze zijn nooit meer teruggekomen.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘Langzaam werd de zee rustig, maar ik bleef erg bang’

Guus, Livia en Thomas van basisschool ’t Karregat in Eindhoven gaan Charlotte Johann interviewen. Zij is in 1952 op 6-jarige leeftijd vanuit voormalig Nederlands-Indië naar Nederland gekomen. Wat haar verhaal extra bijzonder maakt is dat ze slechtziend is en dat ze als kleuter de reis naar het verre, onbekende Nederland alléén gemaakt heeft. Mevrouw Johann staat ze al op te wachten in de deuropening van haar knusse aanleunwoning. Prominent in de kamer staat een dierbaar voorwerp uitgestald: de koffer die ze als klein meisje bij zich had op de boot naar Nederland.

Hoe was het dat u als enige naar Nederland moest?
‘Vanaf mijn geboorte ben ik heel slechtziend. Ik ben geboren met staar, die ze toen niet konden verhelpen. Op 2-jarige leeftijd kreeg ik mijn eerste operatie in Surabaya. Dat was best wel zwaar, vooral voor mijn ouders. Laten we het nou maar doen, straks is ze helemaal blind en ziet ze helemaal niks meer, dachten ze. Ik moest van Surabaya naar Amsterdam om in Nederland te worden geopereerd, maar het lukte niet om met het gezin in één keer over te komen. Je weet als 6-jarige kind nog niet wat je overkomt… Ze zeiden me doodleuk: ‘Je gaat met de boot, onder begeleiding van lieve zusters van het Rode Kruis’. Ik werd de boot op geholpen, maar mijn ouders moesten terug. Dat is natuurlijk best wel eng. De eerste dagen was ik behoorlijk zeeziek, huilerig en hysterisch, want waar waren papa en mama? Alle mensen op de boot, inclusief het personeel, waren ontzettend lief voor mij. Ik mocht overal rondscharrelen en iedereen hield me in de gaten. Toch zielig: zo’n bijna blind kleurtje dat overal tussendoor probeert te kruipen. Ik werd echt hartstikke verwend. Op schoot, snoepje hier, knabbeltje daar. Ik vergat inderdaad mijn heimwee.

Tot we in de Golf van Biskaje kwamen. Daar heb je hele hevige stormen en toen kwam ik er eindelijk achter dat ik helemaal alleen stond. Waar waren pa en ma ? Dat was mijn eerste hele enge ervaring, want we moesten achter de patrijspoorten blijven, we konden niet naar het dek. Ik zag hele rare bewegende muren van grijs-zwart. Ik kan het je moeilijk uitleggen, maar als kind is het een nachtmerrie. Langzaam werd de zee rustig, maar ik bleef erg bang en een heel gesloten kind tot aan Amsterdam.

In Amsterdam werd ik opgevangen door vreemden. Twee vreemde mensen gingen met mij met de taxi naar Utrecht, naar het ziekenhuis, om mijn ogen te laten opereren. De lucht was hartstikke grijs en het regende ook nog. Hollandser kan het natuurlijk niet, hè. En toen werd ik in Utrecht in het ziekenhuis geopereerd. Nog een nachtmerrie ervaring…’

Daarna kwam u in een kindertehuis, hoe was dat?
‘Ik ben eerst opgevangen door ooms en tantes. Later, in maart 1953, kwamen mijn ouders naar Eindhoven. Ik ben toen met de stoomtrein naar Eindhoven gegaan. Het was heel even vreemd om mijn ouders weer te zien, maar het wende snel. We kwamen in een kamp met Indiërs en Molukken terecht, en in oktober van dat jaar zijn we naar Helmond verhuist

In februari 1954 ging ik met mijn ouders met de bus naar het blindeninstituut Grave. Het vroor dat het kraakte, ik had het koud. Ik kwam terecht in een groep van dertig kinderen, in de leeftijd van 6 tot 18 jaar. Ik was al heel erg gewend aan mijn Indisch gezin en mijn broers en mijn zussen in Helmond. Dan kom je ineens in zo’n klooster en dan moet je van alles. Ik moest wennen aan het eten, aan de kleffe witte boterhammen die ik kreeg. Ik gooide ze altijd stiekem weg in de vuilnisbak of gaf ze aan de eendjes. Daar ben ik stevig voor gestraft.

Al die kinderen moest ik leren kennen. Vriendinnetjes begonnen me te beschermen, ik was de enige buitenlander. In het begin werd ik uitgescholden, maar dat was vrij snel over. Van pesten heb ik gelukkig maar weinig gemerkt. Ik kwam in het bijzonder onderwijs omdat we als slechtzienden hulpmiddelen nodig hadden. We kregen het normale rekenen en schrijven, maar ook heel veel muziek en improvisatietoneel. Dat was wel echt heel erg leuk. Ik heb nooit een hekel gehad aan school. Ik heb wel veel heimwee gehad tot met 14e aan toe. Vaak was ik ziek, niet alleen van de griep. Vooral in de winter, dus ik heb veel school gemist. Ik heb daar de basisschool en de middelbare school gehad. Voor mijn oogstaar was geen goede bril te vinden, dus ik was altijd met een loep aan de slag. Lezen vond ik heel leuk, dat was mijn geluk. Ik heb alles op alles gezet om de leuke vakken goed in me op te nemen.’

Wat is u bij gebleven uit het koloniaal verleden ?
‘We waren Indische Nederlanders, zoals we nu genoemd worden. We spraken Nederlands en een beetje Maleis door elkaar. Mijn vader was in dienst van de Nederlandse regering. Mijn ouders hebben tot 1942 altijd goede betrekkingen gehad met de inlanders. Ze hebben weinig nadeel ondervonden van het koloniale verleden, voor hen was het allemaal romantisch en leuk. De echte inlandse bevolking werd achtergesteld met baantjes en school. Ze mochten niet naar de Nederlands-Indische school, terwijl ze net zoveel verstand hadden als de Nederlandse kinderen. Het koloniale heeft wel veel gebracht wat betreft aanleg van wegen en spoorwegen. Mijn ouders hadden twee man inlands personeel in dienst: een baboe (een kindermeid en werkster) en een wasvrouw. Zij kwamen nooit zomaar bij ons binnenlopen, er was wel een afstand. Dat was het nadeel van het kolonialisme, we werden altijd gezien als gezaghebbende. Dat was natuurlijk vaak ook zo.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘We moeten de slavernij ook een keertje laten rusten’

Joyce van Dijk en Tjin Asjoe wonen samen in een bejaardenhuis voor Surinamers, tegenover het multiculturele ouderencentrum De Hudsonhof. Admiraal de Ruyterschoolleerlingen Annabel, Kira, Thomas en Benyamin interviewen hen bij hen thuis, op de bovenste etage. Een dubbelinterview!

Waarom kwam u naar Nederland?
Joyce: ‘Ik was een avontuurlijk kind. Toen ik tien was, kreeg ik van mijn vader een abonnement op het meisjesblad Tina. Ik las een oproepje van een Nederlands meisje dat een penvriendin zocht en daar heb ik op gereageerd. Toen ik klaar was met school besloot ik naar haar toe te gaan. Ik ben nooit meer teruggegaan. Haar ouders waren lieve Nederlandse mensen. Ze werden mijn pleegouders, omdat ik nog niet volwassen was.‘
Tjin: ‘In Suriname ging ik een keer op de kermis naar een waarzegster en die vertelde me dat mijn geluk overzee was. Ik had daar verder helemaal niet meer aan gedacht, maar op mijn 23ste hoorde ik dat Nederland arbeiders nodig had voor de scheepsbouw. Ik heb jaren geld gespaard en ben op mijn 28ste naar Nederland gegaan. Ik woon hier nu al weer zestig jaar.’

Wat is het verschil volgens u tussen Suriname en Nederland?
‘Suriname is warmer natuurlijk, het is daar elke dag zomer. Als kind is het ideaal om in Suriname op te groeien. Je bent er heel erg vrij. In Nederland moet je heel veel rekening met anderen houden. In Suriname waren alle vrouwen je tante en alle mannen je oom. Er waren zo veel ooms en tantes die op je letten. Terwijl ze geen bloedverwanten zijn. Als je buurvrouw tegen je zei “dat mag je niet doen” dan luisterde je daar ook naar.
In Suriname mocht je geen Surinaams praten. Ik kreeg straf van mijn moeder als ik dat deed; van mijn vader mocht het wel. Op school moesten we ook Nederlands praten en we kregen ‘vaderlandse’ geschiedenis, niet over Suriname maar over Nederland. We kregen foto’s te zien van sneeuw, al hadden we dat nog nooit in het echt gezien.’

Heeft u voorouders die te maken hebben gehad met slavernij?
Tjin: ‘Mijn voorouders waren slaven. Van mijn moeder hoorde ik dat haar ouders op de plantages moesten werken. Zoals vroeger hier de Turken naartoe kwamen om te werken, kwamen in Suriname de Chinezen om te werken. Zo heb je allerlei culturen in Suriname en die leven goed samen. En daarom heb ik een Chinese achternaam.’
Joyce: ‘Mijn moeders moeder was een kind van een slavin. Mijn vader was blank en mijn oma’s voorgeschiedenis had haar geleerd dat alle blanken slaven hielden. Na de afschaffing van de slavernij is de opa van mijn vader naar Suriname geëmigreerd om er als boer te werken. Maar mijn oma had nog steeds het gevoel dat blanke mensen allemaal slavenhouders waren. Als kind van een blanke meneer was dat lastig, maar toen ze mijn vader goed leerde kennen, was het wel in orde. Hij had er niks mee te maken en ook zijn vader had er niks mee te maken. Slavernij mag je nooit vergeten, maar mijn gevoel zegt, laat het ook een keertje rusten. Mijn oma heeft de pijn van haar voorouders gevoeld, maar zijn we niet toe aan een stukje vergeving? We moeten door met ons leven. Je moet blijven herdenken. En de verhalen moeten wel verteld worden. De regering moet zijn verontschuldiging aanbieden en dan is het klaar. Een mooi museum met alles erover, dat is ook belangrijk.’

Wat vindt u van de onafhankelijkheid van Suriname?
‘Ik vind dat de onafhankelijkheid Suriname geen goed heeft gedaan. Toen we nog afhankelijk waren, zorgde Nederland voor van alles. Na de onafhankelijkheid moesten we het zelf doen, maar dat lukte de politiek niet. Er is veel meer armoede dan voor de onafhankelijkheid. Ik moet wel zeggen dat Suriname de onafhankelijkheid als enige land gevierd heeft zonder bloedvergieten. Het was één groot feest. Alle bevolkingsgroepen waren één. Alles ging goed, maar daarna… Iedereen wilde rijk worden in dit jonge land. Maar Suriname is nog steeds een heerlijk land, een mooi land. Ik ga er nog vaak naartoe. Op het moment dat het vliegtuig landt, heb ik al het gevoel: ik kom thuis. Ik heb twee thuisen. Als ik hier ben, praat ik over thuis daar en als ik daar ben praat ik over thuis hier. De meeste Surinamers doen dat.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘Ik schrik nog elke eerste maandag van het luchtalarm’

Stijn, Livia, Thomas en Gyani zitten in de gezellig ingerichte woonkamer van mevrouw van der Woerd met een glaasje knaloranje sap dat volgens Thomas smaakt als een smoothie. In het midden staat voor de Dongeschoolleerlingen een schaaltje paaseitjes, waar iedereen er één (of twee!) van mag pakken. Ria van der Woerd was vier jaar toen de oorlog begon, maar herinnert zich nog veel. Bovendien heeft ze een enorm fotoboek om in te bladeren.

Wat deden uw ouders voor werk en waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Dat vind ik zo grappig als kinderen dat vragen. Mijn vader was architect en mijn moeder verpleegkundige. We woonden in de Rijnstraat, in het laatste blok tussen de Uiterwaardenstraat en de Kennedylaan, vlak bij het hoekje. Ik ben daar geboren. Toen ik vier was begon de oorlog. Mijn ouders vertelden dat aan mij en mijn drie broers. In het begin, zeker in deze buurt, merkte je er niet veel van. Je ging gewoon naar school. Met de tijd werd het slechter. Op een gegeven moment konden we niet meer naar school – ik zat op de Zuiderschool in de Geulstraat en later op jullie school, de Dongeschool – en er was minder te eten. Mijn moeder moest in de rij staan voor eten. We hadden wel het voordeel dat we boven een bakker woonden. Hij deed af en toe voor ons brood, kapotte koekjes en taartjes in een mandje, dat we aan de achterkant naar beneden voor hem lieten zakken. Later in de oorlog kon dat niet meer. Toen was alles op. Mensen gingen eropuit, kijken of ze ergens nog aan eten konden komen. Mijn vader had een speciaal treinpasje waarmee hij nog kon reizen. Hij kende iemand die bij de treindienst werkte. Mijn vader was ook veel ouder dan de vader van mijn vriendinnetjes, omdat hij al eerder getrouwd was geweest, en had wit haar. Ze hebben hem nooit opgepakt, waarschijnlijk omdat ze hem te oud vonden. Met de trein ging hij dan op zoek naar eten. Kwam hij thuis met een tas vol met witte en bruine bonen en erwten. Die gooide hij op een laken en die moesten mijn broers en ik dan uitzoeken. Hij is ook wel eens thuisgekomen met een kapotte bril en een kapot gezicht, omdat ze zijn rugzak hebben geprobeerd te stelen. Wel had hij meel bij zich. Daar kon je deeg van maken; de bakker deed het voor ons in zijn oven. Van de bonnen die je dan had.’

Deden uw ouders verzetswerk?
‘Ik weet het niet zeker. Het enige dat ik weet, is dat er op een gegeven moment een grote man bij ons naar de wc ging. Mijn moeder zei dat het een vriend van mijn broer Hans was, maar hij bleek ondergedoken te zitten bij ons op de zolderkamer. Daar mochten we uiteraard niet over praten. En later heb ik er ook niet meer naar gevraagd. Ik weet bijna wel zeker dat ze verder ook nog wel verzetswerk hebben gedaan. Mijn moeder heeft tijdens de razzia’s ook een papier op de deur van onze Joodse onderburen geplakt met daarop ‘Roodvonk’. De Duitsers waren als de dood om die ziekte op te lopen. En mijn moeder ging ook zieken in de buurt helpen, vanuit haar verplegersachtergrond. Helaas zijn de Duitsers later teruggekomen om de onderburen alsnog op te halen. Ik zie nog zo de buurvrouw de steile trap af komen, met haar nachtspiegel (de pispot) tegen zich aangeklemd. Ze was slecht ter been en liep heel voorzichtig. Het laatste stuk kreeg ze een trap van een soldaat, waardoor ze viel. Ik stond onderaan de trap toe te kijken. Mijn moeder riep me snel naar binnen. “Ben je helemaal gek geworden!” zei ze. Dat was wel een van de ergste dingen die ik in die tijd heb gezien. En dat er een V1 in de Lekstraat en Vechtstraat is gevallen. Van het geluid van het alarm schrik ik nog altijd iedere eerste maandag van de maand.’

Heeft u mensen gekend die naar een concentratiekamp zijn gestuurd?
‘Helaas wel. Ik had in de straat een Joods vriendinnetje, Stella, dat vaak bij mij thuis kwam spelen. Op een dag zei ze dat ze wegging en vroeg ze of ik haar ring – een zilveren ringetje met een blauw steentje – wilde bewaren. Ze wist niet waar ze naartoe ging. Ze is nooit meer teruggekomen. Net als de kinderen van de visboer, waar ik ook mee buiten speelde. Veel later na de oorlog was er een fototentoonstelling, over de mensen die niet terugkwamen, op de Kennedy- en Rooseveltlaan; en later in het Stadsarchief. Ik ging op zoek naar informatie over Stella, maar kon helaas niks vinden. Ik had alleen nog een foto van haar. Toen ik dit verhaal voor de eerste keer vertelde voor dit project, nu vijf jaar geleden, vroeg de fotografe of ze de foto mocht lenen. Zij heeft toen uitgezocht wat er gebeurd was met Stella en haar achternaam achterhaald. Ze vertelde me ook dat Stella een nakomertje was en vijf oudere broers had.’

Hoe was de Hongerwinter?
Dat was verschrikkelijk. Mijn moeder was wel heel creatief met koken. Ze maakte gebakken tulpenbollen en die waren heerlijk. Ze smaakten naar gegrilde courgette of aubergines. Suikerbieten raspte ze ook, maar die vond ik niet lekker. Wij waren thuis niet echt zoetekauwen. Aan het einde van die winter gingen we naar de gaarkeuken met een pannetje. Daar kreeg je soep van aardappelschillen. Daar moest je een uur later al van naar de wc. Ook was er niks meer om vuur mee te stoken. We hadden geen gas, alleen een potkacheltje. Daar kon je van alles ingooien. Mensen gingen daarvoor bomen kappen. Ik wilde dan zo graag mee met mijn broers als ze eropuit gingen, maar dat mocht niet. Op een gegeven moment stond er geen boom meer in de straat. En ook de duikplanken en de deuren van de kleedhokjes in het zwembad moesten eraan geloven.’

Hoe was de Bevrijding voor u en waren er feestjes?
‘We hadden eerst Dolle Dinsdag, in september 1944. We dachten dat we bevrijd waren. Op het kruispunt tussen de Uiterwaardenstraat en de Rijnstraat werd een vuur gemaakt en daar zagen we vanaf ons huis de mensen rondom dansen. Maar al snel bleek dat we te vroeg hadden gejuicht, dat we nog niet bevrijd waren. Toen ruim een half jaar later de echte bevrijding was, geloofden we het eerst niet. Iedereen haalde wel voorzichtig zijn vlag tevoorschijn en hing die uit het raam. Niet meer aan de stok, want die waren allemaal al in de kachel gegooid. Er werden vrijheidsfeesten gevierd. Voor een verkleedwedstrijd had mijn moeder voor mij een pierrotkostuum gemaakt. Daar won ik de vierde prijs mee. Een stel dat als bruidspaar verkleed was, kreeg de eerste prijs. Dat vond ik oneerlijk, want dat vond ik zo gewoontjes. Na die tijd konden we weer naar school, maar er was niet veel. Er waren geen potloden bijvoorbeeld. We moesten met een griffel op een leitje schrijven.’

 

 

Erfgoeddrager: Thomas

‘Ik heb een geweldige jeugd gehad in Suriname’

Het online-gesprek met Irene Gefferie verliep niet helemaal vlekkeloos: Demi, Rachel, Danilo en Thomas van Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam-Zuidoost moesten er eerst voor zorgen dat de internet verbinding goed werkte. Maar toen dat gelukt was en ze eenmaal aan de praat raakten, merkten ze hoe aardig mevrouw Gefferie is. Ze is geboren in Paramaribo, in Suriname, en op latere leeftijd naar Nederland verhuisd.

Hoe was haar jeugd, vragen we.
Mevrouw Gefferie vertelt dat ze een geweldige jeugd heeft gehad in Suriname. Ze werd opgevoed door haar moeder en oma. Ze werd lekker verwend, maar ze was ook een liefdevol kind. Ook was ze een beetje een ondeugend meisje; ze was altijd de eerste die uit de klas werd gestuurd. Ondanks dat bleef ze haar best doen en haalde ze goede cijfers. Maar het belangrijkste is dat ze met heel veel geluk en vreugde kan terug kijken op die tijd.

We vragen haar wat ze vindt en weet van de slavernij.
Ze antwoordt dat ze heeft gereisd naar een eiland waar ze hele ellendige dingen zag: een overwoekerd gebied waar vroeger slavernij plaatsvond. De gedachte ging rond in haar hoofd dat haar voorouders daar misschien moeten hebben geleefd. Die gedachten doen veel pijn. We werden een beetje stil tijdens dit verhaal. Ze zei dat in haar gezin wel werd verteld over de slavernij omdat we onze geschiedenis moeten weten.

Vanwege de liefde is zij op 1 juli 1971 naar Nederland verhuisd. Op die dag wordt ook het traditionele Surinaamse feest Keti Koti gevierd. Keti Koti is een jaarlijkse feestdag ter viering van de afschaffing van de slavernij en dat raakt haar. Omdat het ook haar koloniaal verleden is. Ze vertelt dat er festivals zijn, maar ook bezinningsdagen en dat mensen bij elkaar komen om erover te praten.

Spreekt ze nog veel Surinaams?
Mevrouw Gefferie vertelt dat ze vaak Surinaams spreekt in Nederland en ze heeft ook veel Surinaamse vrienden, familie en kennissen. Alleen wordt de taal tussen de verschillende bevolkingsgroepen niet altijd goed begrepen en wordt het soms anders bedoeld dan ze denken. Ze vertelt ook dat je niet altijd alles kan zeggen, dat sommige dingen dubbele betekenissen hebben. Ze vindt het apart dat je niet altijd overal in je eigen taal mag spreken. Ze zegt dat iets voor haar soms vanuit het Surinaams beter te weergeven is. En dat als je iets in je eigen taal bespreekt, het krachtiger overkomt.

Erfgoeddrager: Thomas

‘Horen die kinderen bij u? Dan heb ik geen plek voor u!’

Fit als een hoentje stapt Cors Janssen van zijn fiets. Twee kinderen staan hem al op te wachten om hem naar het technieklokaal te brengen in de Van den Brinkschool in Wageningen. De chique theekopjes staan al klaar. Mila staat te popelen om de eerste vraag te stellen. Ze steekt al van wal, maar dan grijpen Aylen, Simon en Thomas in. Ze moeten zich eerst nog voorstellen aan meneer Janssen.

Hoe ging de evacuatie in Wageningen aan het begin van de oorlog?
‘Het was al langer bekend dat dit zou gebeuren, dus alles was geregeld. In de haven lagen veel rijnaken voor vervoer van alle mensen. Per schip gingen zo’n vierhonderd man aan boord, hutjemutje. Het waren grote stoeten mensen die naar de haven gingen. Voorheen werd steenkool en erts in die schepen vervoerd. Ze waren wel schoongemaakt, maar niet zo goed dus we werden met z’n allen heel vies. We vertrokken op 10 mei en kwamen op 13 mei aan in Streefkerk. We hadden een kinderwagen met kleren mee. Op een adres in Kinderdijk konden we ons melden. Mijn moeder belde aan en een vrouw deed open. Ze vroeg: ‘Horen de kinderen bij u?’ ‘Ja’, zei mijn moeder. ‘Dan heb ik geen plek voor u’, was het antwoord. Daar stond mijn moeder, met de kinderen. Gelukkig kwam de buurvrouw naar buiten, die had al evacuees, maar wij mochten er wel bij.’

Merkte u veel van de oorlog en bezetting in de buurt waar u woonde?
‘Al voor de Duitsers er waren, hadden we schade aan het huis. Ik woonde bij de Dijkgraaf in de buurt. Daar stonden hele grote populierenbomen. Nederlanders hadden er dynamiet omheen gedaan om de bomen op te blazen. Die kwamen over de weg te liggen als versperring tegen de Duitsers. Bij het opblazen was het gedreun zo hard dat de ruiten uit de ramen vlogen. Het was een afschuwelijk begin van de oorlog. Later was er een bombardement in het Rode Dorp. Wij woonden aan de rand van die wijk. Ik sliep aan de achterkant van ons huis en keek uit over de wijk. Op een nacht viel er een V1 bom. De hele achterkant van ons huis was verwoest. Ik heb het niet gehoord of gezien, want ik sliep rustig door. Door alle schade in het huis was mijn deur geblokkeerd en kon niemand naar binnen. Het was bovendien hartstikke donker. Mijn ouders waren bang dat ik dood was, omdat ik zo stil was na zo’n enorme aanslag. Uiteindelijk lukte het mijn vader de deur van mijn slaapkamer in te trappen, en van dat lawaai werd ik wakker.’

Kende u mensen die zijn omgekomen tijdens de bominslag?
‘Ja, er woonden veel kinderen waar ik mee naar school ging. De hele buurt achter ons was weg, er waren 29 doden. Het was afschuwelijk. Al die mensen die je hoorde lopen, gillen en puin slepen. Dat was een van de verschrikkelijkste dingen die ik heb meegemaakt. Mijn vader was op het moment van de bominslag buiten. Hij kreeg puin en glas in zijn ogen en heeft nog een tijdje in het ziekenhuis gelegen. Maar verder zijn wij er als gezin heelhuids vanaf gekomen.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘De rechter had besloten: deze kinderen horen bij elkaar’

Om 11 uur ‘s ochtends hebben Sam, Nouk, Reinder en Thomas van OBS De Weidevogel, een digitale afspraak met Marian Schaap. Ruim op tijd zitten alle partijen klaar om het gesprek in te gaan. Jammer dat het niet bij haar thuis kan, want de kinderen zien een gezellige huiskamer en een vrolijke en vlotte mevrouw Schaap verschijnt in beeld. Ze steekt direct van wal: ‘Hallo daar ben ik!’ Ze is geboren in 1944 en heeft zelf niet heel bewust de oorlog meegemaakt. Maar toch heeft ze een bijzonder verhaal te delen.

Hoe is uw zusje bij uw ouders terecht gekomen?
‘In Zaandam was een boekhandelaar, meneer Brinksman, die leider was van het verzet in de Zaanstreek. Mijn ouders waren lid van de Protestantse Kerk, waar het verzet groot was, en daar kwam hij ook. Mijn ouders hebben bij hem aangegeven dat ze onderduikers wilden, ook al wisten ze toen nog helemaal niet wat er met de Joden gebeurde. De ouders van mijn Joodse pleegzus – ik noem haar mijn zus en ze is anderhalf jaar ouder dan ik – werden opgehaald door de Duitsers. Mijn zus was toen 10 maanden oud en zou meegaan met haar ouders. Maar op het laatste moment bedacht haar moeder zich en bracht ze haar dochtertje, gewikkeld in een dekentje met het trouwboekje van haar ouders en een foto van haar met haar moeder, bij de buren. Haar moeder heeft ook nog een briefje uit de trein gegooid, waarop stond dat ze blij was dat ze het liefste niet bij zich had. De Duitsers wisten niet dat er ook nog een baby’tje was, dus zo is mijn zus gered en via het verzet bij mijn ouders gebracht. Onvoorstelbaar, ineens hadden ze een baby’tje van tien maanden die ze niet kenden, nachtenlang heeft mijn moeder haar handje vastgehouden.’

Mevrouw Schaap houdt een foto van haar zus als baby voor de camera. ‘Kijk, zien jullie haar? Schattig hè? Het is net een pop! Mijn moeder heeft de foto destijds laten maken, zodat de biologische ouders van mijn zus bij terugkomst na de oorlog zouden kunnen zien hoe hun dochtertje zich in die jaren van baby tot kind had ontwikkeld. Maar haar ouders zijn bij aankomst in Sobibor direct vergast.’

Wist u dat zij niet uw echte zusje was?
Als kind wist ik niet beter dan dat mijn zus gewoon mijn zus was. Toen ik een jaar of 12 was zag ik een papier op tafel liggen met de naam van mijn zus erop, maar met een andere achternaam. Op school en overal hadden we altijd dezelfde achternaam. Dat zij zwart haar had en ik blond was, was te verklaren: onze vader heeft donker haar en moeder licht haar. En ja, we verschilden veel, zij is klein en ik ben groot, maar goed ze was mijn zus. Tot die dag dat ik ineens een andere achternaam zag. Ik schrok en ben vragen gaan stellen aan mijn moeder, en zij vertelde in stukjes uiteindelijk het hele verhaal. Het was teveel om in één keer te vertellen. Uiteindelijk hoorde ik dus ook dat haar vader en moeder en haar hele familie, op één oom en oudtante na, zijn vermoord in vernietigingskampen.Ik kon me écht niet voorstellen dat ze dood waren. Dat kan toch niet? Mensen die niks gedaan hebben!

Na de oorlog kwam er een rechtszaak over de voogdij, haar enige oom (die de oorlog had overleefd), wilde dat ze bij een vriend van haar ouders zou komen te wonen. Kijk, deze foto is gebruikt bij de zaak.’ Mevrouw Schaap laat een oude zwart-wit foto zien waar drie kinderen op staan: haar zus, zijzelf en haar broertje. Haar zus houdt de hand van haar broertje vast. ‘De rechter had besloten: deze kinderen horen bij elkaar. Ze was gewoon onderdeel van het gezin, ze was de oudste dochter.’

Wat deed uw vader?
‘Mijn vader werkte bij Fokker. Fokker was in Duitse handen overgegaan en dat werd hem door heel veel mensen kwalijk genomen, omdat hij in feite voor de Duitsers werkte. Maar hij werkte op de administratie en zodoende kon hij daar zien wie er een oproep van de Duitsers kon verwachten. Hij kon die mensen inlichten, zodat ze konden onderduiken. Mijn vader vond dat heel moeilijk. Het heeft hem pijn gedaan dat mensen zo over hem dachten. Hij was goudeerlijk.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892