Erfgoeddrager: Sarah

‘Meester Moreu was een NSB’er’

Wij zijn Illias, Mavuto en Sarah en we zitten in groep 8. We interviewden Joop Polman. Hij woonde met zijn moeder, zijn grootvader en zes broers en zussen vlakbij waar nu het Dijkgraafplein is. Er waren daar toen boerderijen en tuinderijen. Zijn vader zat ondergedoken. Joop woont nu aan de Lutkemeerweg tussen de paarden in een manege.

Uw vader had een kolenbedrijf. Hoe kwam het dat hij ondergedoken zat?
De kolen kwamen aan bij de Nederlandsche Antraciet Handelsmaatschappij bij de Havenstraat. Mijn vader haalde daar kolen af en leverde die ook af bij de bakkerij van de Duitsers. Daar moest hij de zakken met kolen binnendragen en leegstorten. Met die lege zakken liep hij terug door de bakkerij en dan pikte hij een paar broodjes mee. Die stopte hij zo in die vieze kolenzakken. Een keer had hij 21 broodjes meegenomen. Hij deelde ze uit aan zijn collega’s van de Antraciet Handelsmaatschappij. Een van die collega’s was een NSB'er die hem heeft verraden. Toen is hij ondergedoken.

Waar heeft u op school gezeten?
Ik zat op de School met den Bijbel aan de Osdorperweg. Die staat daar nog steeds, alleen zit er nu een moskee in. Meester Willemsen was het hoofd van de school. Meester Moreu was op de hand van de Duitsers. Hij was lid van de NSB. We noemden hem meester mof. We moesten groenten voor hem meenemen omdat wij buiten tussen de tuinders woonden. We hebben toen met zijn drieën een grote zak brandnetels geplukt en aan hem gegeven. Hij was boos, maar wij dachten: wilde brandnetels kun je eten. Ik heb ze zelf ook gegeten.

Wat deed u in de oorlog?
Ik ging naar school en moest na schooltijd thuis helpen. We deden van alles om aan eten te komen. Er werd nog wel eens stiekem geslacht, een paard, schaap of varken. We mochten een keer twee paardenkoppen komen halen. Nou, dat was een buitenkansje. Ik ging naar de Uitweg en kreeg de koppen mee in mijn fietsmand. Toen ik terug ging, was het acht uur geweest. In de oorlog mocht je na acht uur ‘s avonds niet meer op straat. Duitse soldaten hielden mij aan. Van de officier moesten twee soldaten mij naar huis brengen. Ze namen mijn fiets netjes tussen zich in en brachten me lopend thuis. Ze hebben NIET in de mand gekeken. Mijn moeder kreeg een standje omdat ze mij buiten had laten lopen. Dit gebeurde in 1944. Dat vergeet je van je levensdagen niet. Het vlees werd van die koppen afgehaald en dat werd gebraden en onder het vet gezet in glazen weckpotten. We hebben er inderdaad nog lang van gegeten. 

Boerderij Jan van den Broek, bij Ortelliuskade
Tijdens het interview

Erfgoeddrager: Sarah

‘Moeder stond in de deuropening te bidden’

Wij zijn Sarah, Maria, Rik en Abe, 11 jaar oud. We interviewden mevrouw Schouten. Ze was zeven jaar oud toen de oorlog begon. Ze had vijf broers en twee heel wijze ouders. Ze vertrokken uit Amsterdam voordat de Hongerwinter begon en konden veel mensen helpen. 

Zagen uw ouders de Hongerwinter aankomen? 
"Mijn vader zag al aan het begin van de oorlog dat het mis zou gaan in Amsterdam. In 1941 ontplofte een blindganger op de Bilderdijkkade, hier twee straten verderop. Onze bedden vlogen van de luchtdruk een stukje de lucht in. Toen zijn er ook nog bommen gevallen op de Blauwburgwal en er is een vliegtuig neergestort op het Carlton hotel. Dat was verschrikkelijk want onze schuilkelder was in het Bilderdijkpark, veel te ver weg om op tijd te kunnen schuilen. De mensen waren zo ontzettend bang. Ze holden in en uit de huizen van angst. De kinderen gilden. En wat deed mijn moeder? Ze ging rustig in de deuropening staan met de kinderen en begon te bidden. De mensen uit de straat die niet geloofden kwamen ook met gevouwen handen bij ons staan. 
In 1943 werd het m’n vader te heet onder de voeten. Toen hebben mijn ouders van hun spaargeld een oud boerenhuis gekocht in Spierdijk, vlak onder Hoorn. We verhuisden er heen.” 

Hoe vond u het daar? 
"Ik miste Amsterdam wel. De dorpskinderen gedroegen zich heel anders en moesten niets van ons hebben. Toen het voedseltekort in de stad steeds erger werd, kwamen de Amsterdammers naar ons toe. Eerst op fietsen, later met handkarren. Het was acht uur lopen naar Spierdijk! Die mensen vielen voor de deur om van de honger. Mijn moeder kon dat niet aanzien en riep de mensen binnen. Ze had een grote pan met pap op het vuur staan en stapels boterhammen. Dan zeiden die mensen: ‘Mevrouw, wees blij dat u hier woont. U weet niet half hoe slecht we het hebben.’ 
Mijn opa woonde nog in de stad en had ook vreselijke honger. Mijn vader is hem op de fiets gaan halen. Opa sloeg zijn armen om de middel van mijn vader en zo zijn ze samen naar Spierdijk gefietst. Drie keer stopten ze om te rusten. Opa zei dan: ‘Simon, zijn we er nu al?’ Wij stonden allemaal voor de deur te wachten en toen kwam mijn vader op de fiets, slingerend van vermoeidheid, met opa achterop. Opa heeft nog achttien jaar bij ons gewoond, tot zijn 96e. 

Bent u na de oorlog in Spierdijk gebleven? 
"Nee, we zijn met het eerste schip over het IJsselmeer teruggegaan naar Amsterdam. Er was daar een blijdschap die van de hemel is. De mensen groetten elkaar op straat. Ongelooflijke feesten werden georganiseerd in de Hugo de Groot- en de Frederik Hendrikstraat. Er werd ‘s avonds gedanst hier op het Hugo de Grootplein. De Amerikanen leerden ons de Hokey Pokey. En dan had je nog de Schotten met die leuke geruite baretten. Het was gezellig, er werd gelachen…. Dat was echt feest!”

Mevrouw Schouten
Tijdens het interview

Erfgoeddrager: Sarah

‘Kamer bij een Duitse hospita’

Wij waren op bezoek bij meneer Rietveld, die al 97 jaar oud is. Hij was helemaal niet bang tijdens de oorlog. Hij vertelde ons over de dwangarbeid, waarvoor hij ging onderduiken bij zijn ouders op de boerderij. We kwamen erachter dat mijnheer Rietveld erg van schaken houdt. Na afloop van het interview mochten we een potje tegen hem schaken. Hij zei tegen ons dat hij niet zo goed was, maar hij heeft ons echt ingemaakt. 

Herinnert u zich nog het begin de oorlog?
“De eerste jaren van de oorlog was er nog niet veel aan de hand. Alles ging gewoon door en veel mensen verdienden zelfs meer geld dan voor de oorlog. De Duitse soldaten die door de straten liepen zagen er keurig uit, ze marcheerden en zongen mooie liederen. Ik was daar toch wel van onder de indruk. In 1944 ging ik in de Rivierenbuurt wonen, in de Slaakstraat. De buurt voelde leeg. Veel van de Joodse mensen die daar eens woonden, waren weggehaald. Ik huurde een kamer bij een Duitse hospita.”

Kende u Joodse mensen?
“Tijdens de oorlogsjaren werd mijn collega Bep Salomons weggehaald. Ze werkte bij ons op kantoor en was goede vriendinnen met mijn latere vrouw Tootje. Nog zie ik voor me hoe ze samen stiekem naar me keken, en dan maar giechelen. Ik kende Bep goed, maar had toen niet door dat ze stiekem een beetje verliefd op me was. Op een gegeven moment mocht ze als Joodse vrouw niet meer werken. Ik heb haar nog één keer thuis bezocht. Bep en haar moeder zaten daar, ongerust en angstig. Ze wisten niet wat ze te wachten stond. Ik had een kaars voor haar meegenomen. Dat was eind 1942, vlak daarna werd Bep gedeporteerd. Ik heb haar nooit meer terug gezien.”

Hoe was de bevrijding voor u?
“Na de oorlog werden vrouwen, die met Duitse mannen waren omgegaan, kaalgeschoren en op karretjes door de stad gereden. Dat vond ik verschrikkelijk. De mensen liepen ernaast en schreeuwden naar die vrouwen en lachten ze uit. Maar, wat hadden die vrouwen misdaan? Als je verliefd bent, dan kan je daar toch weinig aan doen. En mijn Duitse hospita werd na de bevrijding meteen opgepakt en kwam in de gevangenis terecht. Ik ben daar toen gaan praten en zorgde ervoor dat ze weer vrij kwam. Ze woonde al heel lang in Nederland en had niets misdaan.”

Kinderen interviewen Bert Rietveld