Erfgoeddrager: Nine

‘Ineens zaten er drie Italianen in onze schuur’

Liam, Nils, Nine en Rosalynn hebben van tevoren flink vragen voorbereid en zijn helemaal klaar om Cees Nieuwenhuize het hemd van het lijf te vragen. Hij ontvangt de leerlingen van ’t Honk in Kapelle hartelijk in zijn woonkamer en biedt ze paaseitjes aan. Tijdens het interview komen ze erachter dat zijn neef de achterbuurman is van Rosalynn, dat is toevallig! Meneer Nieuwenhuize was bijna 5 jaar toen de oorlog begon.

Hadden jullie veel honger tijdens de oorlog?
‘Bij ons op het dorp was er gelukkig geen gebrek aan eten. Er was overal landbouw, tuinbouw en iedereen had een eigen tuintje. We hadden zelf een varken voor het vlees, drie geiten voor de melk en kippen voor de eieren. We hadden wel een gebrek aan kolen, het was moeilijk om daaraan te komen, dus moesten we altijd hout stoken in plaats van kolen. Hout ging natuurlijk wel veel sneller dan kolen, maar gelukkig hadden we hout genoeg op de boerderij.’

Moest u gewoon naar school?
‘Ik was natuurlijk nog te jong om naar de lagere school te gaan, maar ik ging naar de kleuterschool, die was op het dorp, die is er nu nog. De Duitsers hadden de school afgepakt, want ze moesten ergens verblijven. Dus wij werden tijdens de oorlog ondergebracht in de consistorie van de kerk. We waren daar ook niet met heel veel leerlingen en we hadden altijd les van dezelfde juf, juffrouw Minderhout.

We gingen ook maar weinig naar school, twee dagen en dan ook niet meer dan een uur of drie. Verder was je vrij, maar dat betekende ook dat je niet zoveel kon leren. Buiten schooltijd speelden we allemaal buiten, bijvoorbeeld op de markt.’

Hoe werden jullie bevrijd?
‘De Duitsers hadden een aantal Italianen gevangengenomen. Op 3 september begon de bevrijding en trokken de Duitsers weg richting Brabant en toen zijn de Italianen gevlucht. Zij waren natuurlijk op zoek naar onderdak. Mijn vader moest in de avond nog wat werk doen en ineens zaten er drie Italianen in de schuur, die vroegen of ze daar een tijd mochten verblijven. Mijn vader heeft dat aangedurfd en uiteindelijk zijn ze 53 dagen op de zolder in de schuur gebleven!

Mijn vader, moeder en de buren hebben geholpen om ze eten te geven, drie keer per dag. Eén dag stonden de Duitsers aan de overkant van de weg met allemaal auto’s en durfde mijn vader het niet aan om ze eten te geven, bang om gepakt te worden. Toen hebben ze het een paar dagen zonder eten moeten doen. Gelukkig duurde dit maar twee dagen.’

Hoe ging het verder?
‘Als er geen school was, dan werkten wij altijd in de schuur van meneer Mol. Op een vrijdagmorgen gingen we naar de schuur, maar ineens stonden de Duitsers er. We zijn maar snel weer naar huis gegaan.

Ineens begonnen ook hier gevechten. De Canadezen schoten granaten vanaf Zeeuws-Vlaanderen richting Kapelle. Een granaat kwam op de Kerkstraat terecht en een bij ons. De hele nacht werd er geschoten en ook veel vernield in ons dorp.

Op zaterdag 20 oktober zijn we bevrijd. In de middag stond er op het marktplein ook een Canadese tank en gingen we met z’n allen naar de markt toe om naar de tank te gaan kijken, met de Canadezen erin.’

Erfgoeddrager: Nine

‘Och die arme jongens, zei mijn moeder’

Olle, Nine, Dide en Julian van de Matthieu Wiegmanschool gaan op bezoek bij Leen de Rover, die acht jaar was toen de oorlog begon. Hij woonde toen aan de Oosterweg 35 in Bergen. Een jaar na de oorlog werd de familie geëvacueerd.

Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik was acht, een kind dus nog. Je zag de Duitsers met wapens over straat lopen. Dat herinner ik me nog goed. En ook dat we in 1941 geëvacueerd werden, naar Heiloo. Daar gingen we minder vaak naar school. We waren vaak rondom het huis aan het spelen. Later kwam er een noodschool. Ik weet nog dat we de vliegtuigen over zagen komen. Overdag de Engelsen, ’s avonds de Amerikanen. Vanuit IJmuiden gingen ze schieten en daar was ik bij met mijn moeder. Toen een keer eentje geraakt werd, zei mijn moeder: “Och die arme jongens”. Er waren er twee uitgesprongen; de rest is waarschijnlijk overleden. Natuurlijk was dat eng, maar het stond best wel ver van ons af.’

Heeft u mensen verloren tijdens de oorlog?
‘Ik gelukkig niet. Wel is de oom van mijn vrouw omgekomen in de oorlog. Neergeschoten, vlak voor het was afgelopen. Na de oorlog hebben ze nog het tafeltje gevonden dat hij in de gevangenis bij zich had. Hij tekende graag en ook onder het tafeltje had hij een klein tafereeltje getekend; een huis met een tuin erbij. Mijn oudere broers zijn gelukkig veilig thuis gekomen.’

Wat deed u na de oorlog
‘Toen hingen de vlaggen natuurlijk uit. Als tieners deden we soms levensgevaarlijke dingen. We maakten bommetjes van kruidstaafjes uit de granaten die er nog lagen. Die bommetjes schoten we op de koeien. Kwajongenswerk natuurlijk. Van onze ouders moesten we ‘sorry’ zeggen tegen ome Willem, de boer. Ook gingen we fikkie stoken in de bunkers ’s nachts. Kwamen we pas in de ochtend weer thuis.’

       

Erfgoeddrager: Nine

‘Ouders weggehaald ’

Nanny Spier was nog heel klein toen haar ouders werden weggehaald. Ze bleef met haar zusje achter. Ze is er nooit achter gekomen waarom niet ook zij zijn weggehaald. Misschien waren het wel goede Duitsers, of had die Duitser ook een klein kindje…? Nu hangt bij haar thuis in de woonkamer een glazen kastje, met daarin het bloesje dat ze droeg toen ze ging onderduiken. 

Als u terugdenkt aan de oorlog, waar denkt u dan als eerste aan? 
“Dan denk ik aan dingen die niet leuk waren. Dat ik mijn ouders kwijtraakte. Dat ik knallen hoorde van bombardementen. Dat soort dingen. We woonden in Scheveningen, maar toen de oorlog begon, moesten we van de Duitsers verhuizen naar Amsterdam. Wij zijn in de Rivierenbuurt terechtgekomen, in de Rijnstraat. Toen we daar drie weken waren, kwamen de Duitsers bij alle huizen aanbellen of de deur intrappen. Alle Joden moesten mee. Ik was toen 4 jaar. Mijn ouders werden meegenomen. Ze hadden ons ook wel gezien. Maar mijn zusje en ik bleven achter. Ik begreep niet waarom ze ons niet meenamen. Veel liever wilden wij bij onze vader en moeder blijven.”

Wat hebben jullie toen gedaan?
“Mijn zusje was dertien en ik was vier. Wat moesten we? Mijn zusje droeg een Jodenster. We konden niet met de tram of met de bus. Maar we hadden een tante in Amsterdam Oost. Mijn zus heeft mij bij de hand genomen en met z’n tweetjes zijn we naar Oost gelopen. Nou, vanaf de Rijnstraat is dat een heel eind. Die oom en tante waren gelukkig thuis en zij hebben ons opgevangen. Een aantal maanden konden we bij hen blijven, maar zij waren ook Joods, dus uiteindelijk moesten we daar weg. Toen zijn mijn zusje en ik ondergedoken. We kwamen terecht in ’s Gravenpolder, een dorpje in Zeeland.”

Vindt u het moeilijk om over de oorlog te praten? 
“Ik heb er moeite mee gehad, vroeger. Naderhand leer je daar meer over praten, als je wat ouder bent. Dan is de pijn er ook een beetje af. Ik heb wel nog steeds een hekel aan lange stenen trappen. In de Rijnstraat, waar we van de Duitsers moesten wonen, heb je allemaal stenen trappen voordat je op de eerste etage bent. Ik ging na de oorlog een keer op bezoek bij iemand met net zo’n trap, toen kreeg ik zo’n naar gevoel. Hoe klein ik tijdens de oorlog ook was, onbewust voelde ik: ‘Het is helemaal niet leuk hier. Ik wil hier weg.’ Ik ga zo’n trap niet op.”

Kinderen interviewen Nanny Spier

 

Niet alle verhalen zijn online

Momenteel zijn helaas niet alle verhalen te lezen op onze website, we werken er hard aan om de volledige verhalencollectie van In mijn Buurt weer online en beschikbaar te hebben. Ben je op zoek naar een specifiek verhaal? Dan kun je ons mailen via info@inmijnbuurt.org.