Erfgoeddrager: Milou

‘In de Hongerwinter aten we suikerbieten – dat vond ik zo vies!’

We zijn nog maar net binnen als mevrouw Hannie Schepers-Oosterhof Angel, Mehmed en Milou van de Boomgaard een heel oud doosje geeft. Nieuwsgierig maken ze het open. Er zit heel oud geld in, maar ook kogels, scherven van granaten en een bom en een stukje van een vliegtuig dat was neergestort. Hannie heeft heel veel spulletjes uit de Tweede Wereldoorlog bewaard en overal kan ze wat bij vertellen.

Hoe voelde u zich in de oorlog?’
‘Ik was 10 toen de oorlog begon. Ik wist wel dat de oorlog begonnen was, want dat hadden we op de radio gehoord en mijn moeder vertelde het ons. Maar we speelden ook gewoon buiten: diefie met verlos bijvoorbeeld. En als er een bom ontploft was, gingen we de straat op om scherven te zoeken. Dat vonden we leuk. Als het alarm ging dan moesten we naar binnen. Dat was om te waarschuwen dat er vliegtuigen aan kwamen die bommen konden gooien. Wij hadden thuis een kelder voor de fietsen en daar gingen wij schuilen. Er waren acht gezinnen in ons portiek en die kwamen allemaal bij ons in de kelder. Ik vond dat wel gezellig. Je beleeft het als kind toch anders. Het was niet allemaal kommer en kwel.’ 

Heeft u ook nare dingen meegemaakt?
‘Natuurlijk maakte je ook nare dingen mee. Ik had drie joodse kinderen in de klas. En op een dag waren die er gewoon niet meer. Die waren opgepakt en ik heb ze nooit meer gezien. Wij hadden joodse vrienden en die woonden in een deel van de stad dat helemaal afgezet was met een hek. Wij mochten er in en er uit, maar zij niet. Als je in de bioscoop zat, ging ineens het licht aan en dan werden alle deuren bewaakt door Duitse soldaten. Je kon nergens naar toe. Ze waren dan op zoek naar jongens van 18 jaar en ouder. Die moesten naar Duitsland om te werken in de werkkampen. Het begon voor ons pas echt naar te worden in september 1944. Er was geen gas, geen elektriciteit en geen zeep. We stonken allemaal! Er was ook geen eten meer. We moesten tulpenbollen en suikerbieten eten. En dan vond ik niet lekker. De suikerbieten vond ik het ergste. Toen ik later na de oorlog langs de suikerbietenfabriek reed, zei ik altijd tegen mijn man: “Rijd snel door.” Ik vond het zo stinken. Ik heb nog een poesie-album waarin familie en vrienden gedichtjes schreven. Met iets kleins waren we al blij.’

Hoe wist u dat de oorlog afgelopen was?
‘Dat hoorden we via, via, maar we vonden het moeilijk om te geloven. In september 1944 dachten we al dat de oorlog afgelopen was. Mijn vader was in feeststemming en iedereen was blij. Maar toen bleek dat de oorlog helemaal nog niet voorbij was. Dus toen we het opnieuw in mei 1945 hoorde, bleef mijn vader gewoon in bed liggen. Maar toen het echt waar bleek te zijn, gingen we natuurlijk allemaal naar buiten en feestvieren en dansen.’

           

Erfgoeddrager: Milou

‘Ga maar tegen je vader zeggen dat de oorlog is uitgebroken’

Marie Jongbloed, geboren in 1935, woont nog steeds in het huis waar zij de oorlog heeft meegemaakt. Samen met haar ouders en negen broers en zussen woonde ze hier destijds, waar soms ook nog een paar ooms en neven kwamen schuilen. Adam, Shona, Milou en Midas van De Boomgaard interviewden haar over de periode 1940-1945.

Heeft u ondergedoken gezeten?
‘Nee, ik niet, wel ooms en neven. Ze hadden in onze woonkamer boven de schuifdeuren, een open ruimte gemaakt. Daar konden zo drie ooms en neven in. Als de moffen dan binnen kwamen om te kijken of hier nog jonge jongens waren die in Duitsland konden werken als werkkracht, waren die hier niet te vinden.’

Wat was uw grootste angst tijdens de oorlog?
‘Bombardementen. Je moet je voorstellen, de ramen waren afgeplakt met tape in ruitjes zodat de ramen niet zouden spatten als er een bom zou vallen. Maar je kreeg dus ook niet veel mee, want je kon niet meer naar buiten kijken. Op nummer 35 woonde destijds een NSB’er, meneer Ys, die vernaaide alles. Hij stond op straat te juichen bij een overwinning van de Duitsers en hij was verdrietig als de Engelsen overkwamen, echt waar. Meneer Ys stond altijd te schreeuwen, wat precies zullen we maar niet herhalen. Mijn vader zei toen: “Als die man nog een keer zijn mond open doet, gooi ik mijn werkbout op zijn kanis.” Meneer Ys wilde dat de Duitsers de macht zouden overnemen.’

Hoe was de bevrijding?
‘Er werden allerlei wedstrijden georganiseerd door mensen hier in de buurt. Ik kon het hardste lopen van de straat. Aan de overkant woonde ene meneer Henk Prent, hij was de winnaar van de Reinier Claeszenstraat, en zo kreeg je ook een winnaar van alle andere straten. Op een gegeven moment had je een finale. Dat waren leuke feesten. Er werden ook vrouwen opgepakt die met de moffen hadden geheuld. Dan kwamen ze die jonge vrouwen ophalen. “Jij bent met een mof geweest”, riepen ze dan en dan werd hun hoofd kaalgeschoren. Voor mijn zuster Loeki kwamen ze ook de trap op. Mijn vader had zo’n grote zilveren schaar liggen, die kon je loshalen en dan was het net een dolk, zo groot. Maar toen die knullen de trap opkwamen om mijn zuster op te halen zei mijn moeder tegen die jongens: “Als je nog één trede naar boven komt!” Die jongens gingen dus maar snel weg toen ze mijn ouders met die stukken schaar in de hand zagen staan. Ik vond het zielig voor die vrouwen. Als je later groot bent zal je dat wat beter begrijpen en wij vrouwen begrijpen dat denk ik beter dan mannen. Iets verderop in de straat stond een stalling voor de jeeps van de Duitsers. Daar stonden ook karren vol met eten, en als jij nou een moeder bent van twee of drie kinderen en je kunt dat eten krijgen door met zo’n Duitser naar bed te gaan. Die vrouwen die werden kaalgeschoren, die stonden wel voor hun gezin.’

           

Erfgoeddrager: Milou

‘Ik was verschrikkelijk bang dat mijn vader gepakt zou worden’

‘De Duitsers deden verschrikkelijke dingen, maar toen de soldaten hier binnen kwamen lopen zagen ze er ook heel indrukwekkend uit’, horen Milou Dihan en Bloeme van mevrouw Scholte. Zij vertelt ze over hongertochten, haar gesneuvelde buurjongen, wat vrijheid eigenlijk betekent en hoe je het kunt behouden. En ze vertelt over de leuke dingen uit de oorlogstijd:  het bevrijdingsfeest bijvoorbeeld, dat voor haar éxtra feestelijk uitpakte.

Hoe wist u dat de oorlog écht begonnen was?
‘Dat merkte ik toen de Hollandse soldaten werden opgeroepen. Die werden ondergebracht in mijn school. Ik kreeg vanaf dat moment les op een andere school, voor halve dagen.

Die Hollandse soldaten hebben er maar kort gezeten. De echte oorlog, waarbij gevochten werd tussen de Duitse en Nederlandse soldaten, duurde maar even. Mijn buurjongen is tijdens die gevechten gesneuveld. Ik was 13 en hij was vijf jaar ouder dan ik – ik kende hem dus niet zo goed maar ik weet nog goed hoe hij heette: Henk Jansen.

Na de Nederlanders kwamen er Duitse soldaten in mijn school. Die Duitse soldaten waren heel netjes. Bij de Nederlanders hingen hun ‘puttees’, de beenwindsels die ze droegen, te drogen aan de ramen. Bij de Duisters zag je zoiets nooit. Ze zagen er heel mooi uit en deden erg vriendelijk -we waren bijna trots op ze. Toen wisten we nog niet wat er zou komen. We waren natuurlijk nog kinderen.’

Wat is het engste dat u heeft meegemaakt?’
‘Toen er op een gegeven moment geen brandstof meer was om te koken en om de kachel aan te maken moesten we hout stelen. Dat was steeds minder goed te vinden omdat iedereen het nodig had. Mijn vader besloot daarom met mij naar een villa in Wassenaar te gaan waar een aantal Duisters waren ingetrokken. Omdat niemand die tuin in durfde lag er veel hout. Ik was verschrikkelijk bang dat mijn vader gepakt zou worden en ben daarom maar gaan bidden – ik was katholiek opgevoed namelijk. Dat maakte mij toen wel wat rustiger. Gelukkig is mijn vader niet gepakt en konden we met flink wat sprokkelhout naar huis. Ik was achteraf heel trots op hem.

We zijn ook een paar keer op hongertocht gegaan richting Alkmaar. ‘We gaan naar de Noord’ zeiden we dan. Je hoopte bij de boeren dan eten te kopen. Op het laatst was dat moeilijk. Er was een keer een boerin die zei: ‘je krijgt niks meer want als ik het je hier geef, wordt het verderop voor heel veel geld verkocht’

Soms pakten de Duisters het eten ook af. Zeker van de mannen. Mijn vader had dat door en toen we bij de pont kwamen waar de Duisters stonden zei hij dat ik de handkar moest nemen met het eten. We hadden geluk; omdat ik een meisje was, mocht ik doorlopen.’

Wat is vrijheid voor u?
Vrijheid is niet dat je maar alles kan doen wat je wilt. Je moet ook rekening houden met een ander. Ik denk dat we onze vrijheid kunnen behouden en oorlog kunnen voorkomen als wij daar wat meer bij stilstaan en als we ons vriendelijk blijven gedragen tegen elkaar. Als je bijvoorbeeld zelf aardig doet tegen iemand, zelfs als hij niet zo aardig doet tegen jou, dan merk je dat die ander vaak ook wat aardiger wordt.  Ik denk dat iedereen dat eigenlijk in zijn hart wel weet.’

Waren er ook leuke dingen in de oorlog?
Natuurlijk was de bevrijding voor iedereen heel leuk. Maar voor mij was het extra leuk. Er waren allemaal dansfeestjes. Daar ging ik graag naar toe want ik had leren dansen van de buurvrouw. Op een gegeven moment hoorde ik een jongen achter me zeggen: ‘als jij dat blondje niet vraagt, dan doe ik het’. En met die jongen ben ik ook getrouwd!’

 

    

Erfgoeddrager: Milou

‘Namen werden er nooit genoemd’

Henk Brands is 99 jaar en was dus al volwassen toen de oorlog begon. In verzorgingstehuis Insula Dei in Arnhem vertelt hij aan Lieven, Milou, Lara en Marijn van basisschool De Vallei over zijn verzetswerk en de bevrijding.

Werkte u al toen de oorlog begon?
“Op mijn 21e zat ik bij de Koninklijke Marechaussee, een onderdeel van defensie. Dat mocht niet van de nazi’s. Alles werd met de bezetting van Nederland ‘Rijkspolitie’. De eerste jaren van de oorlog was er geen verzet, alles was een beetje rommelig ook. In 1942 begonnen het verzet en de weerstand pas echt goed. Er waren speciale verzetsgroepen, distributiekantoren werden overvallen en voedselbonnen werden verdeeld. Ook ik deed mee.’

Wat deed u in het verzet?
‘Ik bracht Engelse piloten die hier met hun vliegtuig waren geland naar de kazerne in Doetinchem. Daar werden ze in cellen gestopt omdat de Duitse soldaten daar nooit zouden kijken. Ik vond het allemaal wel interessant. Op een dag werd aan mij en mijn verkering gevraagd of we bonnen durfden weg te brengen. Dat durfden we wel. Ik bracht, altijd in mijn uniform, wel duizend bonnen met de trein naar Amsterdam, naar een speciaal adres op een boot, vlakbij het station. Ik moest iemand met een witte muts opzoeken. Die zag ik staan. Onder tafel wisselden we dan tassen uit. Er werden nooit namen genoemd. Dan kon je elkaar ook niet verraden als je opgepakt zou worden door de Duitsers. Ik weet nog steeds niet wie die mensen met wie ik spullen uitwisselde zijn geweest.’

Hoe herinnert u zich de bevrijding?
‘Ik zat in die tijd ondergedoken bij mijn vriendin. Zij hadden ook Duitsers in huis. Op een dag zeiden zij ‘We gaan weg!’ en marcheerden terug naar Duitsland. Een half uur later hoorden we mensen aankomen, we schrokken ontzettend. Kwamen de soldaten weer terug? Maar het bleken de Canadezen te zijn! Nederland was bevrijd! We waren blij, vooral ook met de chocola en sigaretten die werden uitgedeeld.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Milou

‘We moesten de spullen uit de zakken van de omgekomen soldaten halen’

Herman Barink was 15 toen de oorlog uitbrak. Hij woonde met zijn ouders en zus aan de Utrechtseweg. Zij hebben allemaal de oorlog overleefd. Aan Lieven, Lara, Milou en Marijn van basisschool De Vallei vertelt de 90-plusser over het onderduiken en de graven die hij voor omgekomen soldaten moest maken.

Heeft u honger gehad in de oorlog?
‘Nee, maar alles was wel op de bon. Dan kreeg je één brood per week, een beetje boter, een beetje suiker. Mijn vader maakte die bonnen stiekem, op het politiebureau. Ik moest ze dan wegbrengen. Ik wist altijd meteen bij mensen: jij deugt niet, jij deugt wel. Ik wist van iedereen wie goed of fout was. Als het veilig voelde, gaf ik snel de bonnen door.
Op een dag kwamen de SS’ers mijn vader en mij ophalen omdat we ons niet gemeld hadden om te werken voor de Duitsers. Maar wij waren al weg, ondergedoken in een kerk. Bovenin, terwijl onder ons de soldaten liepen. Soms zaten we daar wel met tien mensen verstopt. De pastoor wist ervan. We zijn nooit gevonden. Later hebben we op verschillende boerderijen ondergedoken gezeten.’ 

Wat is het ergste dat u hebt meegemaakt?
‘Ik heb veel Engelse soldaten moeten begraven. Dan kwamen de Duitse soldaten naar ons toe en zeiden: ‘Mitkommen!’ Meelopen dus. Moesten we kuilen graven voor de omgekomen Engelse soldaten. We werden gedwongen eerst hun spullen, zoals sigaretten, uit hun zakken te halen. Die waren voor de nazi’s. Daarna werden ze in een kuil gegooid. Later ben ik naar het gemeentehuis gegaan om te vertellen over de graven. De Engelse soldaten zijn toen opgegraven en waardig herbegraven op de Airborne begraafplaats.’

Wat weet u nog van de bevrijding?
‘Ik zat toen in Hilversum. Ik herinner me dat er chocola uit de lucht kwam vallen, vanuit vliegtuigen gedropt door de geallieerden. Ik ging ermee naar mijn opa. Die zei dat we het nog niet mochten opeten. Het was teveel voor ons. Dat waren we niet gewend. We hadden al een hele tijd heel weinig gegeten en zeker geen vette dingen. De chocola aten we pas weken na de bevrijding op.’

Erfgoeddrager: Milou

‘Morgen ga je door de pijp, zeiden ze in het kamp tegen me’

Willem Wilbrink was 15 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde toen met zijn ouders aan de Amsterdamsestraatweg. In woonzorgcentrum Insula Dei in Arnhem vertelt hij aan Lieven, Lara, Milou en Marijn van basisschool De Vallei over zijn verzetswerk en zijn werkzaamheden in kamp Dachau.

Hoe kwam u in het verzet terecht?
‘Op een dag stond een grote groep Duitse soldaten bij ons in de straat. Verderop, bij het station, waren zojuist een paar treinen ontspoord. De soldaten renden snel naar het station, om te halen wat er te halen viel. Hun auto’s stonden nog bij ons voor de deur. Willemse, mijn buurman die in het verzet bleek te zitten, zei tegen mij: ‘In die auto ligt een mitrailleur. Haal ‘m er even uit!” En dat heb ik gedaan. Toen kreeg ik het vertrouwen van de anderen. Vanaf dat moment kwamen er regelmatig mensen uit het verzet naar mij toe om te vragen of ik een ‘boodschapje’ kon doen. Dan ging ik, op mijn fietsje, ergens naartoe.’

Vonden uw ouders dat wel goed?
‘Mijn ouders waren wel een beetje ongerust, maar ze wisten niet alles, hoor. Mijn vader begreep het ook wel en gaf zachtjes z’n toestemming. ‘Maar wees voorzichtig met wat je doet’, zei hij.
Op een dag ging het toch mis. Ik moest een pakje wegbrengen en werd aangehouden door de politie. Waar ik naartoe moest, vroegen ze. ‘Naar Eden’. Wat gaat u daar doen? ‘Een pakje afgeven.’ Toen zei de Duitser: ‘Aufmachen!’ In het pakje zaten twee revolvers. Ik werd opgepakt en naar de Utrechtseweg in Arnhem gebracht. Van daaruit ben ik naar kamp Dachau vervoerd waar ik een jaar heb doorgebracht.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt?
‘Dat concentratiekamp was heel zwaar voor mij. Ik had er een baantje in de fabriek en moest vliegtuigonderdelen maken. Als we naar de fabriek liepen, kwamen we langs een suikerbietenveld. We probeerden soms eentje stiekem te stelen, want we hadden enorme honger. Een gevaarlijke onderneming, want als ze dat ontdekten, werd je beschoten. Eén keer ben ik gepakt met een biet. Die had ik in mijn broek verstopt. ’Je hebt gestolen van de staat,’ zeiden ze. ‘Morgen ga je door de pijp!’ Ik wist dat dat niet goed was. Toen mocht ik kiezen: of ik moest in de Oostenrijkse gaskamers werken of in Dachau als lijkenopruimer aan het werk. Ik koos voor het laatste. Negen maanden lang heb ik toen dode mensen naar de verbrandingsoven gebracht. Ik was pas 16 jaar…’

Hoe heeft u de bevrijding meegemaakt?
‘Aan het eind van de oorlog kwam ik bij een boer te werken. Door mijn tijd in het kamp was ik heel mager; ik had bijna geen kracht meer. Bij de boer kreeg ik goed te eten en knapte ik op. En toen kwamen de Amerikanen ons bevrijden! Lopend zijn we naar Nederland teruggegaan. Dat was nog een hele tocht en veel gedoe omdat nog niet heel Nederland bevrijd was. Onderweg sliepen we overal, onder andere een keer op het altaar in een kerk. Stiekem liftten we ook een stuk mee met een Engelse soldaat, verborgen onder een dekzeil. Zo kwamen we uiteindelijk in Arnhem terecht, maar daar woonde niemand meer. Iedereen was geëvacueerd. Mijn huis lag helemaal in puin. Mijn broer woonde in Ede, daar ben ik toen naartoe gelopen. Onderweg reed iemand op een fiets tegen mij aan. Wat was dat nou, dacht ik. Het was mijn broer! Hij had me herkend omdat ik een Duits petje van hem indertijd had meegenomen uit ons huis. Zo wist hij dat ik het was.
Na de oorlog heb ik nog jaren hulpgoederen naar Polen gereden. Polen waren vreemden voor ons maar ze kwamen om ons te beschermen. Ze hebben hun leven opgeofferd om ons de vrijheid te brengen.’

Willem Wilbrink is benoemd tot ereburger van Polen; meer hierover is hier te lezen.

 

 

 

Erfgoeddrager: Milou

‘De angst van mijn ouders’

Wij interviewden meneer Van Hassel over het leven in de Indische buurt tijdens de oorlog. We waren erg onder de indruk van zijn verhaal. Zijn eerste echte levensherinneringen staan helemaal in het teken van de oorlog.

Was de oorlog erg aanwezig in de Indische buurt?
“De eerste twee jaar viel het mee, maar toen Duitsland begon te verliezen in Oost-Europa, eind 1942-1943, werden de Duitsers steeds chagrijniger en strenger. ’s Avonds moesten alle lichten uit en moest je de ramen afplakken. Anders konden ze je de straat op sleuren en kon je meegenomen worden. Als we na spertijd geweerschoten hoorden, dachten we: ‘Er zal wel iemand te laat nog buiten zijn.’ Dan hoopte ik dat die persoon niet getroffen zou zijn. Ik weet nog dat wij een balkonnetje hadden dat uitkeek op het perron van het Muiderpoortstation. Ik kon zien hoe militairen in zwart uniform met hun geweerkolven Joden beestenwagens in sloegen. Daarna werden de deuren dichtgegooid. In mijn herinnering heb ik weleens een hand tussen de deur gezien. Mijn moeder sleurde mij naar binnen, het was gevaarlijk, je mocht niet kijken van de Duitsers. Vanaf het Muiderpoortstation werden de Joden naar Westerbork afgevoerd.”

Hoe herinnert u zich de Hongerwinter?
“Mijn ouders kwamen van boerenfamilies uit Brabant. Tot de Hongerwinter hadden we genoeg te eten, we konden de grote rivieren nog over en kregen van de familie eten mee dat je kon bewaren, zoals bonen en aardappelen. Maar in de Hongerwinter mocht je blij zijn als je ergens twee aardappelen kon halen. Mijn broer Sjaak moest onderduiken om niet van straat gepikt te worden voor de Arbeitseinzats. Hij moest binnenblijven, maar ik weet nog dat hij een keer naar een boer ging in Noord-Holland. Die avond kwam hij niet op tijd thuis, na spertijd was hij er nog niet. Ik kan de angst van mijn ouders nog voelen, in de spertijd pakten de Duitsers iedereen op, ze maakten soms een fuik om het eten te onderscheppen waar mensen uren of dagen voor hadden moeten lopen. Mijn vader is Sjaak toch gaan zoeken. Hij bleek een lekke band te hebben die hij niet had kunnen repareren in het donker. Hij kon ook niet fietsen met een lekke band, met het geratel over de keien verraadde je jezelf.”

Wat is het ergste dat u meemaakte in de oorlog?
“Mijn ouders en ik liepen over de Linnaeusstraat toen uit de Vrolikstraat een patrouille kwam van de Grüne Polizei, op de fiets, met één oudere gewapende man – duidelijk de leider, en een aantal jonge jongens. Ze begonnen zonder uitleg fietsen te vorderen, iedere fietser die langskwam moest zijn fiets afgeven. Toen kwam er een man op een transportfiets, met dikke banden en zo’n rek voorop. Die reed gewoon door alsof hij het niet hoorde, misschien hoorde hij het ook echt niet. Ik zie het nog: die oude Duitser pakt zijn geweer, richt hem en schiet zo de man van zijn fiets, vlak voor mijn neus. Ik zie hem vallen. Een traumatische ervaring, ik heb er lang niet over kunnen praten. Totdat 12 jaar geleden Theo van Gogh vermoord werd op de Linnaeusstraat, 40 meter van de plek waar die man van zijn fiets geschoten werd. Dat maakte zo’n indruk op mij. Sinds die tijd kan ik het verhaal vertellen.”

Erfgoeddrager: Milou

‘Uit huis gezet door onderduikgezin ’

Marian Smook woont nu in een huis aan de gracht en ze verzamelt olifantjes. Maar tijdens de oorlog moest ze onderduiken. Haar niet-Joodse vader scheidde van haar Joodse moeder. Eerst was ze daar heel boos om, maar nu kan ze hem wel een beetje begrijpen. Dat vonden we heel bijzonder, en knap.

Waar woonde u toen de oorlog begon?
“Ik woonde met mijn ouders in de Pijp, in de Govert Flinckstraat. Ik was enig kind en liep elke dag van huis naar school in de Rivierenbuurt. Dat was ver lopen! Ik liep dan door de Van der Helststraat en de Maasstraat. Maar in de oorlogsjaren liep ik liever om. Want anders moest ik langs de gaarkeuken (die zat op de plek waar nu het benzinestation zit). En als ik daar langs liep en de geur van eten rook, viel ik flauw van de honger.”

Was u bang in de oorlog?
“Ja, er was honger, soldaten op straat en mijn moeder was Joods. Ze moest een Jodenster dragen en mocht nergens komen. Mijn vader was niet-Joods en daardoor waren we wel veiliger. Totdat vader in 1944 besloot om bij ons weg te gaan. Hij kon het niet aan om met een Joodse vrouw getrouwd te zijn. Opeens dreigde het gevaar aan alle kanten. Ik was zo verdrietig. En zo bang. Mijn moeder en ik moesten onderduiken. Ik was 10 jaar toen mijn moeder onderduikplekken voor ons had gevonden. Zij in Amsterdam en ik in Ommen. We namen afscheid. We zwaaiden. En toen zag ik haar niet meer..”

Werd u goed verzorgd bij uw onderduikadressen? 
“Het eerste gezin waar ik onderdook, had een dochter met het Syndroom van Down. De ouders hadden mij uitgekozen omdat zij zo hoopten dat ik een vriendinnetje voor dat meisje zou worden. Maar ik speelde met de andere kinderen en hun dochtertje stond weer in haar eentje. Dat namen die ouders mij zo kwalijk dat ze mij op een avond boos de deur uit hebben gezet.
Toen heb ik heel hard gegild. En, ik had geluk, de buren hebben mij toen in huis genomen en daar heb ik het goed gehad. Na de oorlog kwam mijn moeder me weer halen. Ik schrok enorm. Mijn moeder was in mijn herinnering een prachtige vrouw. Maar in 1945 was ze heel erg vermagerd: daar stond een gerimpeld, grijs vrouwtje voor me. Dat was mijn moeder niet.. Ik schrok zo dat ik dialect ging spreken met mijn onderduikouders. Daarna kwam het gelukkig wel weer goed. Samen gingen we terug naar Amsterdam.” 

Interview met Marian Smook

 

Erfgoeddrager: Milou

‘Er is gelukkig nooit aangebeld’

Het is ijskoud, maar wel zonnig als Jarod, Milou en Aya vanaf de Meidoorn in de Chasséstraat helemaal naar de rand van het Rembrandtpark lopen. Aan de Orteliuskade wachten Ab en Ali Kool, al sinds 1946 een setje. Ali gaat thee zetten en oefent hard op de namen van de kinderen. Ab schuift zijn stoel aan tafel om alles zo goed mogelijk te horen en haalt meteen allerlei spullen tevoorschijn. Tussendoor wordt er even gepauzeerd, want dan komen de koekjes op tafel.

Hoe was het om op straat te lopen tijdens de oorlog?
Ik ben geboren in 1928, dus ik was aan het begin van de oorlog een jaar of twaalf. Daar aan de overkant waar het nu park is, hield de stad op, daar waren tuinderijen. Er is een heleboel anders in de buurt, er is meer gebouwd en de mensen zijn ook anders. In eerste instantie ging het leven in de oorlog een beetje door, maar vanaf 1941 konden de Duitsers zich niet meer inhouden. Mijn grootste wens was dat het afgelopen was. Er was altijd spanning en je moest altijd oppassen. Als het luchtalarm ging, moest je meteen van straat af. Ali woonde op drie hoog in deze buurt; haar benedenbuurman had bankjes neergezet om te schuilen. Je moest je persoonsbewijs laten zien. Die moest je altijd bij je hebben. Er waren van die grote schijnwerpers die vliegtuigen probeerden te vangen, maar dan werden we wel gebombardeerd. De volgende morgen gingen we dan granaatscherven zoeken, daar heb ik er nog een van.

Heeft u in Duitsland moeten werken?
Familieleden van mij wel. Vier ooms moesten naar Duitsland om te werken. Mijn vader kreeg eerst ook een oproep, maar hij mocht blijven omdat hij in de telefonie werkte. In 1944, ik was inmiddels zestien jaar, was ik zelf aan de buurt om te gaan werken in Duitsland, maar ik heb mij niet aangemeld. Ik heb een luik gemaakt naast mijn bed, het kleed stond half omhoog en als ik mij daar moest verstoppen dan viel het dicht met het kleed erover heen. Er is gelukkig nooit aangebeld. Mijn ooms werkten in wapenfabrieken, die zijn gebombardeerd. Een oom is toen omgekomen door een granaat in zijn been.

Had u veel honger tijdens de oorlog?
Kijk daar kregen we deze bonnetjes voor, die kon je dan ruilen voor een pannetje met eten. Dat kun je je  nu niet meer voorstellen. Op het laatst was er helemaal geen eten meer, alleen nog maar suikerbieten en bloembollen. Honger voelt heel raar, je maag is leeg. Meestal gingen we maar vroeg naar bed, zeker toen er ook geen kolen meer waren. Mensen gingen dood van honger, we konden ze niet eens meer begraven. Mijn vader had zijn fiets mogen houden. Hij probeerde eten te krijgen bij de boeren, maar soms stonden er onderweg Duitsers om het weer af te pakken. Een keer was hij voor de Duitsers aan het werk en zag daar een grote schaal met gehaktballen liggen, die heeft hij toen opgegeten en de hond de schuld gegeven.

Hoe was de bevrijding?
Na de bevrijding was het feest in de binnentuin. Je kon weer alles doen waar je zin in had. Er was een gevoel van vrijheid. Alle mensen kwamen ook weer naar buiten. Naast Ali zaten Engelse piloten ondergedoken, dat hebben ze nooit geweten. De liefde tussen mij en Ali is ontstaan na de oorlog, toen we beide bij de AJC zaten. Toen hebben we alles ingehaald wat tijdens de oorlog niet kon.

Brandeisfotografie

De kinderen krijgen na afloop een knuffel en worden uitgezwaaid. Als ze de hoek om gaan richting school kijken ze nog één keer om… Ab e  n Ali staan nog steeds te zwaaien.

Erfgoeddrager: Milou

‘Ik snapte niet waarom ik alleen achter de vitrages naar de Duitsers op straat mocht kijken’

Broer en zus Jannie en Frits Möller maakten allebei de oorlog mee. Aan Lina, Milou en Julie van de Olympiaschool vertelden ze over de buurman die bij de NSB zat, over hun angsten (Jannie meer dan Frits), over de stinkende vis en de broeder in de zak en over de truc met de fiets.

Hoe wisten jullie dat de oorlog was uitgebroken?
Jannie: Dat kon ons niet ontgaan; de benedenbuurman was een NSB’er. Hij rende naar buiten en stond juichend op straat, zo blij was hij. Ik speelde buiten en zag een luchtgevecht boven Schiphol. Ik rende naar m’n moeder en vertelde wat ik had gezien. Ze riep in paniek heel hard: “Het is oorlog, het is oorlog!” en daarmee was het onbekommerd buitenspelen jarenlang voorbij.

Moesten jullie oppassen voor die buurman?
Frits: Er was altijd een kans dat de buurman dingen zou zien of horen die hem niet aanstonden, dus moesten we extra voorzichtig zijn. Soms waren er onderduikers bij ons, maar dat ontdekten wij pas als ze weer wegwaren. We hadden ook een speelgoedkist in bewaring van een Joods jongetje. Die stond verstopt in de kast en erin kijken was streng verboden: hoe meer we zouden zien of weten, hoe groter de kans dat we erover zouden praten.
Jannie: Het jongetje heeft zijn kist nooit meer opgehaald…
Frits: De buurman hield alles in de gaten. Dus toen iedereen zijn fiets bij de Duitsers moest inleveren, reed mijn vader met veel poeha de straat uit, zogenaamd om zijn fiets in te leveren. Hij kwam zonder fiets terug. Wat niemand wist, is dat hij hem om de hoek uit elkaar had gehaald en de onderdelen had verstopt. Eén voor één smokkelde hij ze weer terug het huis in. Een paar maanden later toen er bijna geen eten meer was in Amsterdam, bracht m’n vader ons naar familie in Noord-Holland: op de fiets die hij stiekem weer in elkaar gezet had!

Hoe was het in de Hongerwinter?
Jannie: Er was bijna geen eten meer. Mensen moesten naar de gaarkeukens om eten te halen. Mijn vader werkte bij het Rembrandtplein en ging tijdens zijn lunchpauze in de Herengracht vissen. Hij had gewoon een hengeltje in zijn bureau. Als hij geluk had, ving hij een paar visjes. Die nam hij dan mee naar huis en dat stonk enorm. Hij werd boos als we dan een beetje kritisch keken. Frits herinnert zich nog ‘de broeder in de zak’: alle etensrestjes werd met meel en water in een kussensloop gedaan en dat werd gekookt. Het was een grote smakeloze homp maar warm en met een beetje suikerbietenstroop was het toch beter dan niets.

Was u bang in de oorlog?
Frits: Ik was heel jong nog en wist niet beter. Onze ouders probeerden het thuis altijd zo gezellig mogelijk te maken. Vooral mijn moeder . Echte angst kende ik niet. Als er Duitse soldaten door de straten marcheerden of als een paardenkoets met Duitsers langsreed, vond ik dat leuk en stond ik pontificaal voor het raam. Ik snapte niet waarom ik dat alleen vanachter de vitrages mocht bekijken.
Jannie: Ik was wel vaak bang. Mijn grote angst was dat mijn vader niet thuis zou komen. Dat hij opgepakt zou worden en naar Duitsland moest om te werken. En als hij op de fiets ver buiten Amsterdam de kou in ging om eten te halen, dan zat ik de hele dag voor het raam op hem te wachten. Bang dat hij van uitputting neer zou vallen. Ik was pas weer gerust als hij er weer was en dat gebeurde gelukkig altijd.  

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892