Erfgoeddrager: Maya

‘Ik had het goed thuis en voelde me veilig’

Mevrouw Koeman is erg geïnteresseerd in de oorlog. Ze denkt er nog vaak aan en heeft krantjes, knipsels en pamfletten bewaard. Die liggen al op tafel als Feline, Maya, Jasper en David van de Bos en Vaartschool in Haarlem binnenkomen. Ze kan zich nu beter voorstellen wat een zorgen haar ouders hebben gehad in de oorlog. “Ik had het goed thuis en voelde me veilig. Als kind wist je niet zoveel over de gevoelens van je ouders.”

Hoe oud was u toen de oorlog uitbrak en waar was u toen?
‘Ik was 10 jaar toen de oorlog begon en ik woonde met mijn ouders en mijn twee broers in een groot huis in Hillegom. Mijn vader handelde in bloembollen met Engeland. Door de oorlog gingen de grenzen dicht en stopte de handel. Mijn vader ging bij zijn vader (mijn opa) op het land werken, die had een bloembollenbedrijf. Hij verdiende toen minder en daarom moesten we verhuizen naar een klein huis bij het spoor.
Ik kan me nog goed de mobilisatie herinneren. Nederland werd voorbereid op de oorlog: Jonge jongens werden opgeroepen voor het leger, ze moesten stand-by zijn. Mensen konden met een grote strik voor het raam laten zien dat ze thuis wel Nederlandse militairen wilde ontvangen. Bij ons kwamen op zondag vaak twee soldaten. Wij kinderen vonden dat leuk en spannend. De een kwam uit Harderwijk, dan ander uit Friesland. We zijn na de oorlog met ze bevriend gebleven.’

Wat deed u tijdens de oorlog?
‘Ik ging naar de Julianaschool in Hillegom en ik speelde veel buiten. We woonden vlakbij het station. Het huis van de stationschef was gevorderd door de Duitsers, er zaten Duitse officieren in. Op een dag hebben ze zomaar een jongetje van een jaar of 7 doodgeschoten. Hij was aan het spelen op de overweg, vlakbij het station. De officieren verveelden zich en schoten voor de lol. Het was echt vreselijk! Daarna hebben we niet meer bij de overweg gespeeld. Maar toch was ik niet bang. Ik had mijn vader en moeder en ik voelde ik mij hartstikke veilig.

Op een dag besloten mijn vader en mijn oudste broer dat ze gingen proberen een biels onder de rails vandaan te halen. Zo’n biels was een dik stuk hout en dat konden we opstoken in de kachel. Toen ze bezig waren aan het spoor werden ze opeens beschoten door de Duitsers vanuit de villa bij het station. Ze wisten gelukkig weg te komen, maar we waren allemaal heel erg geschrokken!’

Was u vaak bang?
‘Dat viel wel mee. Ik was nog zo jong. Voor mijn ouders en mijn oudste broer was het heel anders. Mijn oudste broer was 6 jaar ouder dan ik en hij zou in Duitsland moeten gaan werken. Dat wilde hij natuurlijk niet. Op een dag was er een razzia in onze straat. Alle mensen gaven het aan elkaar door… ‘razzia, razzia’, hoorde je. Mijn vader had een gat in de vloer van de woonkamer gezaagd en een matras in de kruipruimte gelegd. Mijn broer verstopte zich onder de vloer, er ging een kleed over het gat en mijn vader ging erop staan. Mijn jongere broertje en ik zaten aan tafel en spelletje te doen of zo. Toen kwamen de moffen met hun zware laarzen, geweren en uniformen binnen stampen. Ze vroegen aan mijn vader hoeveel kinderen hij had. “Twee”, zei hij en wees naar ons. Wij zeiden niks en ze vertrokken gelukkig weer. Moet je je voorstellen hoe eng dat was voor mijn broer die daar onder de vloer lag en voor mijn vader en moeder. Dat besefte ik pas toen ik zelf kinderen had.’

Heeft u honger gehad?
Nee. Mijn vader teelde groeten en aardappelen. Mijn opa had schapen en wij hadden een geit en konijnen in de schuur. Mijn vader slachtte af en toe een konijn en dan renden wij op school met zo’n konijnenpootje achter de andere kinderen aan om ze bang te maken… De geit hebben we ook opgegeten. Mijn oudste broer heeft wel honger gehad. Hij moest onderduiken in Haarlem. Omdat wij eten genoeg hadden, kwam de zoon van de mensen waar mijn broer zat ondergedoken eten bij ons halen. Mijn moeder maakte dan een enorme schaal gekookte aardappelen en die at die jongen helemaal op! Ik heb er wel van geleerd dat ik nooit eten weggooi.’

         

Erfgoeddrager: Maya

‘Op een dag kwamen er soldaten, de angst van mijn moeder zal ik nooit vergeten’

Bram Claassen woont in Maarssenbroek en heeft tijdens de oorlog in de Bestevaerstraat 177-2 gewoond. Daar hebben we afgesproken.  In het zonnetje vertelt Bram aan Mimoune, Arlena, Maya en Lakisha van de Multatulischool wat hij allemaal heeft meegemaakt.

Hoe was het begin van de oorlog voor u?
Ik was 7 jaar toen de oorlog begon. Ik was als kind alleen met mijn ouders.  In het begin van de oorlog hebben we geen nare dingen meegemaakt. Hier woonden allemaal vriendjes van mij. We gingen kijken naar de Duitsers, we wisten niet eens wat dat waren.  De Duitsers kwamen hier met motor en zijspan aan en die reden allemaal over de Admiraal de Ruiterweg. Dat was voor mij het begin van de oorlog. Ik zag als jongen hier veel gevechten in de lucht, dat vond ik alleen maar spannend. Soms werd er een geraakt, dan zagen we een vliegtuig brandend naar beneden komen. In de straat vielen de granaatscherven.

Wat deed u met uw vriendjes?
Wij ging lopend naar Sloterdijk, dat was toen een heel klein dorpje en daarachter was land met suikerbieten. Die werden opgehaald met paard en wagen. Dan sprong een van ons stiekem achter op de kar en dan gooiden we die bieten eraf. Mijn vader maakte er dan suiker en stroop van. Soms waren we heel bang want als de soldaten ons zagen dan kwamen ze met hun geweren achter ons aan.

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
Op een dag kwam mijn vader thuis, het was 1943 en hij had een Joodse jongen bij zich van 17 jaar oud. Hij heette Nico zei mijn vader. Zijn hele familie was al afgevoerd naar Duitsland. Hij kwam uit Amsterdam-Noord en was gevlucht uit de Jodenbuurt. Mijn moeder schrok en riep: “Hoe kan je dat nu doen?” Maar Frank mocht toch blijven. We moesten hem wel ergens verstoppen.  In deze huizen was in de woonkamer een hele diepe kast. Mijn vader maakte daarin een schot met planken en als de Duitsers kwamen moesten we Frank erin stoppen. Op een dag kwamen er soldaten, de angst van mijn moeder zal ik nooit vergeten. Gelukkig kwamen ze voor 1 hoog en niet voor ons.

Wat is er met de onderduiker gebeurd?
Frank hield erg van toneel spelen en als mijn ouders er niet waren dan ging hij verkleed voor het raam staan. Alle buurtkinderen stonden dan te kijken. Ze riepen heel hard: “Nog een keer! Nog een keer!” Mijn ouders wisten niet dat hij dit deed en ik durfde het niet te vertellen. Toen hebben de buren mijn ouders gewaarschuwd. Mijn vader heeft hem naar een ander onderduikadres gebracht met de tram. Na de oorlog heb ik ontdekt dat hij eigenlijk Izaak Komkommer heet, dat is een typisch Joodse naam, maar bij ons heette hij Dick Scheffer want je moest je naam veranderen. Hij is later een hele bekende acteur geworden die in allemaal films zoals Flodder heeft gespeeld en in toneelstukken.

Fotografie: Saskia Gubbels

Hoe was het laatste jaar van de oorlog voor u?
Het laatste jaar van de oorlog zijn mijn ouders en ik helemaal naar Friesland gefietst, naar kennissen. 180 km in totaal. Dat was een hele spannende tocht want de vliegtuigen schoten op de Duitsers die langs ons reden. Dan doken we snel de greppel in.  Bij onze kennissen hadden we veel geluk, ze hadden zelfs vlees en eieren. Dat hadden we in Amsterdam allang niet meer.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892