Erfgoeddrager: Fatima

‘Altijd bezig of er iets te eten viel’

Siem Rosman moest in de oorlog, net als veel andere kinderen in die tijd, vaak van school wisselen. Hij had maar weinig les. Een keertje vroeg uit of een dag geen les is gaaf, maar jarenlang maar heel weinig school, dat vond eigenlijk geen kind in de oorlog leuk. Aan Fatima, Amani en Milan van de Singelschool in Schiedam vertelt hij dat schoolgebouwen vaak werden gebruikt door de soldaten, waardoor veel kinderen naar dezelfde school moesten. ‘Dit betekende dat je meestal alleen ‘s ochtends of alleen ‘s middags les had.’

Had u Joodse vrienden?
‘Die had ik niet. Onder de 65.000 mensen die in 1940 in Schiedam woonden, waren maar honderdvijftig Joodse gezinnen. Het was bijna toeval als je Joodse kinderen kende. Niemand had een idee van het lot dat deze mensen wachtte, zoals dat van de familie Van Praag. Het was al ver in de oorlog toen het gezin, dat schuin tegenover de school in de Nassaulaan woonde, werd weggevoerd. Mensen waren onwetend wat oorlog betreft. Toen de Duitse vliegtuigen op 10 mei 1940 kwamen, stonden we allemaal op straat. Achteraf dom, want het kon gevaarlijk zijn. Maar we hadden geen idee wat oorlog was. We wisten alleen iets door berichten op de radio.’

Zijn er ooit Duitsers bij u aan de deur geweest?
Siem: ‘Niet bij mij, maar wel bij mijn vrouw Fia.’
Fia: ‘Bij ons thuis waren ze gek op het koninklijk huis. Maar als de koningin of kroonprinses jarig waren, mocht je natuurlijk geen vlag buiten hangen. Dan hingen we in de kamer een krantenknipsel met foto’s aan de muur. We deden dit ook op 30 april 1942. Op 3 mei zei mijn vader: haal nu maar weg. Op 4 mei ‘s morgens om zes uur ging de bel. Mijn moeder keek van boven uit het raam en zag een Duitse officier en een Nederlandse agent aan de deur. ‘Openmaken!’ Mijn vader moest mee. ‘Hij wordt gegijzeld, geef hem eten mee voor een dag’, zeiden ze. Mijn vader was actief in de politiek. Hij was plaatselijk voorzitter van de partij CHU. Anderhalf jaar heeft hij gevangen gezeten. Onder meer samen met burgemeester Van Haaren. Die werd in december ‘42 vrijgelaten, mijn vader pas in december ‘43. Samen met nog honderdzestig mannen.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Ook wij aten tulpenbollen. Via de radio had de Nederlandse regering in Londen gezegd dat de spoorwegen moesten gaan staken. Zodoende reden er geen treinen meer die belangrijk waren voor het goederentransport. In Schiedam ontstond een tekort aan brandstof en voedsel. Er was geen verwarming meer, we gingen ook niet meer naar school. Ik ben eens de hele Rotterdamsedijk uitgelopen achter een Duitser aan die met paard en wagen was. Iedere keer als hij niet keek, haalde ik een paar bruinkoolbriketten van de wagen. Ik had daarvoor altijd een juten zakje bij me. Op Oudjaarsdag 1944 ben ik met mijn vader eten gaan halen, vanuit Schiedam lopend de Rotterdamsedijk uit naar Schiemond, met het pontje naar de overkant. We gingen naar Hoogvliet, tafellakens ruilen voor aardappelen. Een halve mud hadden we kunnen krijgen. Dat was flink sjouwen, want dat is 35 kilo, maar gelukkig hadden we een kinderwagen mee. De dag erna kwamen we bij het vliegveld op Rotterdam-Zuid Engelse bommenwerpers over vliegen. Die gingen echt heel laag. ‘Dit gaan we niet overleven’, dacht ik. Maar de vliegtuigen raakten ons niet. Toen bleek dat we de pont naar huis niet meer konden halen. We hebben een politieman gevraagd waar we konden overnachten. ‘Ja, bij mij op bureau’, zei die. Het werd een bijzondere jaarwisseling want de enige agent die de wacht hield ging naar huis, met ons tweeën hielden we de politiepost bezet. We hebben op de potkachel aardappels gepoft. En lekker dat dat is, zeker als je honger hebt. Om twaalf uur was het een drukte van belang, de Duitsers deden aan nieuwjaarsschieten.’

U bent ook nog tegen het einde van de oorlog naar Broek op Langendijk, in Noord-Holland, gegaan omdat er te weinig eten was. Hoe was dat?
‘Met vijftig kinderen scheepten we in, in een schuit met stro op de bodem. We waren twee dagen onderweg. Bij Amsterdam lagen we stil om te slapen. Aangekomen meerden we aan achter de kerk, waar de gezinnen kwamen om de kinderen af te halen. Ik was de oudste, dus mijn ouders hadden gezegd dat ik op mijn broertjes moest letten. Maar toen bleek ik ingedeeld in een ander dorp dan zij. Ik heb net zo lang gepraat tot ik kon ruilen met een ander gezin om toch bij hen in de buurt te blijven. In Broek op Langendijk was het die periode aardig weer, we kregen wel wat lessen van de hoofdonderwijzer, maar hadden ook veel tijd om bootje te varen en vogeltjes te kijken. En voor 3 cent kon je een boek lenen. Ik heb lekker zitten lezen.’

Erfgoeddrager: Fatima

‘’Op een dag zag ik hoe twee vliegtuigen die overvlogen, op elkaar schoten’’

Fatima, Ricardo, Erik en Laslo van de Montessorischool in Amsterdam-Noord vonden het bijzonder dat Hans van ’t Veer zo gemakkelijk over de oorlog kon vertellen. Want ze weten dat sommige mensen helemaal niet willen praten over deze tijd. Aan het einde van het interview kreeg Hans van ‘t Veer wel ‘vochtige ogen’, zag Erik.

 

Hoe kwamen jullie aan eten in de oorlog?
“Mijn vader had een slagerij in de Van der Pekstraat en dan ruilde hij wel eens stiekem vlees voor andere levensmiddelen, zoals aardappels, meel, bonen of fruit. Wij aten veel bonen. Vaak aten er andere mensen mee met ons. Soms zaten er ook Joodse mensen aan tafel. We hadden allemaal een stamkaart met bonnen zodat je eten kon ophalen. Daarmee kreeg je suiker en meel en andere etenswaar. Maar dat was erg weinig.”

Maakte u ook grappige dingen mee in de oorlog?
“Ja hoor, het was gelukkig niet alleen maar ellende. Door de bombardementen in 1943 op onze buurt waren er in de Van der Pekstraat allemaal kraters ontstaan, die bij regen vol met water liepen. Daar zwommen we met de buurtkinderen in, samen met de ratten. Mijn ouders werden dan wel boos op mij. Ik herinner me ook wel gebeurtenissen die ik als jongen best spannend vond. Op een dag zag ik hoe twee vliegtuigen die overvlogen, op elkaar schoten. Een van de piloten kwam met behulp van een parachute op het dak vlakbij ons huis terecht. Het was een Engelsman. Hij bleek zijn beide benen te hebben gebroken. De Duitsers hebben hem uiteindelijk in een vrachtwagen meegenomen.”

Hoe heeft u de bevrijding gevierd?
“De Canadezen en de Engelsen gingen naar De Dam om te paraderen. Mijn vader moest gewoon werken dus die kon niet mee. Wij kinderen kregen een reep chocolade… heel bijzonder want zoiets hadden we nog nooit gehad. De chocolade en ook al het andere eten, zoals blikken met voedsel, waren aan parachutes bevestigd en werden dan uit vliegtuigen naar beneden gegooid. En al dat eten konden de mensen weer bij onze slagerij kopen. In Amsterdam-Noord vierden we de bevrijding met een feest bij een platenwinkel op het Gentiaanplein. Na de bevrijding werd alles trouwens snel weer opgebouwd. Door de bombardementen van 1943 was er best veel schade in de buurt. Wij hadden een bom voor en een bom achter het huis gehad, en ook de ruiten waren er bij ons uit.”

Erfgoeddrager: Fatima

‘Ik zag de ene na de andere jongen uit de goederentrein springen en dacht: ‘dat kan ik ook wel!’’

Karel Hibbel was 18 jaar in de oorlog, en daarmee oud genoeg om in Duitsland aan het werk te worden gezet. Hij vertelt ons dat hij inderdaad op een dag werd opgepakt en op de trein naar Duitsland werd gezet, maar al snel wist te ontsnappen. Wij vinden het best dapper dat hij zomaar van een rijdende trein sprong.

Hoe kwam het dat u werd opgepakt ?
“Ik was met een paar jongens in de Damstraat om onze werkeloosheidsuitkering op te halen, toen we hoorden dat er in de buurt een razzia was. We verstopten ons snel in een fietsenzaak, maar na een paar uur ramden de Duitsers op de deur. De eigenares van de zaak die had geholpen om ons te verbergen, moest toen wel de deur opendoen. Een van de jongens van ons groepje probeerde nog via een wc-raampje te vluchten, maar werd neergeschoten door een Duitser en viel meteen op de grond. Ik zie het nog voor me. Met z’n vijven werden we naar het Damrak gebracht. Bij het Beursgebouw moesten we wachten op een schip dat ons naar Duitsland zou brengen. Maar dat schip kwam niet, en daarop besloten de Duitsers dat we dan met de trein naar Duitsland zouden gaan.”

Toen zag u uw kans schoon. Hoe was het moment dat u van de trein sprong?
“Ik had nog maar één gedachte: naar huis, terug naar mijn vrouw met wie ik net was getrouwd. De ene na de andere jongen zag ik uit de goederentrein springen en toen dacht ik: ‘Dat kan ik ook wel’. Je moest alleen zorgen dat je niet tegen een paal aan sprong. Ik heb een aantal koprollen gemaakt tot ik onderaan een dijk tot stilstand kwam. De Duitsers hadden onze schoenen afgenomen omdat ze dachten dat we dan niet zo snel zouden vluchten. De hele weg terug naar Amsterdam liep ik op blote voeten.”

Was het gevaarlijk om thuis te komen?
“In de oorlog was er spertijd, dus na acht uur ’s avonds mocht niemand meer buiten zijn. Het was allang acht uur geweest en de pont over het IJ ging niet meer, dus ik besloot naar mijn schoonouders te lopen. Zij woonden in de Uilenburgstraat, in de Jodenbuurt. Ik moest daarom dwars door de stad lopen, heel gevaarlijk. Mijn schoonvader mocht mij eigenlijk niet: ik was bankier en hij een schippersman. Maar toen ik die avond bij hen aanklopte, vloog hij me om mijn nek en gaf me er een paar zoenen bij. Vanaf toen sprak hij nooit meer een kwaad woord over mij.”

Erfgoeddrager: Fatima

‘Nog altijd eet ik m’n knäckebröd tot de laatste kruimel op’

Fatima, Yasmine en Sura uit groep 8 van de Rosa Boekdrukkerschool snuiven de geur van oma op bij binnenkomst. Het huis van de 87-jarige Netty Buijse ademt vroeger. Binnenkort neemt ze afscheid van Amsterdam en van het huis waar ze 52 jaar heeft gewoond. Twee straten verwijderd van waar ze opgroeide en als tiener de oorlog meemaakte.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
Eigenlijk ging het leven gewoon door. Er was in het begin nog van alles, wel gingen brood en suiker op de bon. Daar kon je beperkt van kopen. De Duitsers eisten veel ervan op. Ik begon het ook te merken toen de leerlingen van een school aan de Admiraal de Ruyterweg bij ons, op de Willem Hovyschool aan de Jan Riebeekstraat, introkken. Zij hadden les in de ochtend, wij in de middag. Zo had je steeds minder les. En er was steeds minder eten. Dan fietste ik naar de boeren in de polder; meestal kon ik wel wat te eten regelen. En mijn moeder kon er altijd wel wat van maken. Van suikerbieten maakte ze koffie en pannenkoekjes.

Weet u iets over het verzet?
Tijdens de oorlog kwam er steeds meer verzet. Er werden identiteitskaarten vervalst, mensen hadden soms andere namen. Vaak wisten mensen niet elkaars echte naam. Hoe minder je wist, hoe minder je kon verraden als ze je zouden ondervragen. Zeker als kind was er veel geheimzinnigheid. Zo weet ik pas sinds vorig jaar dat mijn vader, die op de Admiraal de Ruyterschool werkte, op de zolder daar kinderen had laten onderduiken. Terwijl ik daar wel eens was geweest toen ik hem ergens mee hielp!

Hadden jullie honger?
Echte honger heb ik niet gehad, mijn ouders wel. Op de school van mijn vader was een gaarkeuken, maar het eten werd steeds minder; er was alleen nog soep van water met uien. Ik was toen al weg. We kenden een jongen, Henk, die iets moest regelen buiten de stad. Wat, dat wist je dus niet. Hij vroeg mijn oudste zus mee als beschermengel. Als ie dan werd aangehouden, kon ie zeggen dat ie haar moest wegbrengen, dan werd ie misschien niet opgepakt. Ze wilde niet, toen ben ik meegegaan. Er was zo weinig hier te eten en te doen, dat ik naar Friesland ging. En zo kon ik, veertien jaar oud, met hem mee. Het was een lange tocht met de fiets en het was koud in januari 1945. Onderweg had ik een lekke band en ging ik verder met een band met stro. Dat reed best lekker, al maakte het heel veel lawaai.

Heeft u ook iets leuks meegemaakt tijdens de oorlog?
Ik heb een hele mooie herinnering van Tweede Kerstdag. We liepen over de Admiralengracht naar de Bethelkerk bij het Balboaplein. We kwamen aangelopen in het donker en de hele kerk was van binnenuit verlicht. Die lichtzee was prachtig! En ik herinner me de gezellige avonden met spelletjes. Mijn drie jaar oudere zus had een vriendengroep en uitgaan was er niet bij. Daarom kwamen ze thuis samen. Mijn vader had, al was papier schaars, zelf spelletjes gemaakt. Bij een van de spelletjes prikt iemand zonder te kijken een letter in de krant. Bijvoorbeeld de d. Dan moest je allemaal zoveel mogelijk steden en dorpen met de letter d opschrijven. Maar vaker waren er dus nare dingen. De zoon van de schooldirecteur van de Admiraal de Ruyterschool werd doodgeschoten, van hem hangt een plaquette in de hal van de school. We zagen door de verduisterde ramen heen het licht van een bombardement bij het Willemina Gasthuis, het ziekenhuis bij de Overtoom. Mensen hadden geen kolen en haalden blokjes uit de tramrails om maar hun kacheltje te kunnen stoken en sloopten de huizen van weggehaalde Joden. En er was honger. Jaren haalde ik heel vroeg boodschappen, omdat ik altijd nog onbewust het idee had dat het op zou zijn. Nog altijd eet ik met een natte vinger elke kruimel van m’n knäckebröd!

Brandeisfotografie.nl

Erfgoeddrager: Fatima

‘Er was geen grotere daad van liefde mogelijk, dan te ontkennen dat ik bestond’

Rozette Kats is geboren in de oorlog. Als baby van Joodse ouders werd ze met acht maanden bij andere mensen ondergebracht waar ze opgroeide als hun dochter. Aan Fatima, Nikki en Roukaya van basisschool Oscar Carré vertelt ze haar verhaal.

Kunt u zich iets herinneren van de oorlog?
Een paar beelden. Het meeste heb ik gehoord. Ik ben geboren in 1942, mijn ouders waren Joods. Er waren toen al veel maatregelen om het normale leven van Joden moeilijk te maken. Overal waar het leuk was, zoals parken, zwembaden, speeltuinen, bioscopen, was het verboden voor Joden. Ook moesten in mijn geboortejaar alle Joden van zes jaar en ouder een gele ster op hun kleding dragen. Een Davidster, al duizenden jaren het symbool van het Joodse volk. Die Nazi’s zetten daar op een hele nare manier het woord ‘Jood’ in. Puur pesten en vernederen was dat. Je moest ze kopen voor 4 cent – dat was veel geld – en ze zelf op elk kledingstuk waarmee je buiten gezien kon worden, naaien. Niet met een veiligheidspeld, nee naaien. Dat was ook weer pesten.

U bent niet bij uw ouders opgegroeid, waarom niet?

Mijn ouders waren ze met mij als baby op enkele adressen ondergedoken. Het werd te gevaarlijk en met acht maanden ben ik naar een kinderloos echtpaar in de Zeeliedenbuurt gebracht. Hele  goede mensen, met het hart op de goede plek. Ik ben daar mijn hele jeugd blijven wonen. Ze noemden mij Rita en schreven die naam in hun trouwboekje, op de plaats waar eerder de naam van hun tweede overleden zoontje had gestaan. Vlak na mijn komst, werden mijn ouders opgepakt. Ze werden naar Westerbork gebracht, waar ze een zoontje kregen, mijn broertje dus. Vanaf daar zijn ze op transport gezet, zogenaamd om hard te werken ‘in het Oosten’. Maar ze gingen dus naar Auschwitz, waar ze zijn vermoord. Later ontdekte ik dat mijn moeder bij aankomst in Westerbork had aangegeven dat ze geen andere kinderen had. Er was geen grotere daad van liefde mogelijk; zo wilde ze mijn leven redden. Door te ontkennen dat ik bestond. Zoals ze me eerder had weggegeven aan onderduikouders, in de hoop dat die mij beter zouden beschermen dan zij op dat moment zelf kon.

Wist u dat uw pleegouders niet uw echt ouders waren?
Op mijn zesde verjaardag heb ik het hele verhaal gehoord. Mijn pleegvader vertelde het me en zei dat ik altijd bij hen mocht blijven. En dat we er verder niet meer over moesten praten.
Ik werd een heel braaf kind, uit angst dat ik anders niet mocht blijven. Ook bij vriendinnetjes was ik braaf, bang dat ze er achter zouden komen dat ik niet was voor wie ik me uitgaf. Praten is altijd mijn advies nu bij problemen. Als je geen ‘nee’ durft te zeggen, kun je je niet ontwikkelen tot wie je eigenlijk bent. Dat duurde bij mij lang. Ik kreeg contact met een oom in Vaals, maar op mijn vragen gaf hij geen antwoord. Toen ik 42 jaar was en hij heel ziek was, besloot ik nog één keer ernaar te vragen. Hij zei niks en gaf me een tas met een album erin waarop ‘prehistorie’ stond. Dat was een fotoalbum met foto’s van familie die hij is verloren. Mijn vragen waren te pijnlijk voor hem. Wel gaf hij me een foto van mijn ouders. Het album kreeg ik niet na zijn dood. Toen ik er uiteindelijk om vroeg, vertelde mijn tante dat niemand er naar omkeek en dat het album niet was bewaard. Daar werd ik zo ziek van dat ik in therapie ben gegaan. Tien jaar later vertelde de jongste zoon van mijn oom op een verjaardag dat hij het album uit de container heeft gered en op zolder bewaarde!

Bent u blij met uw pleegouders?
Mijn pleegvader meldde zich na de oorlog bij het Rode Kruis om te melden dat Rozetje Kats, ik dus, bij hen was. Er is toen in de rechtbank om mij gevochten. Mijn oom werd voogd, maar ik bleef bij mijn onderduikouders. Mijn pleegouders hadden mijn ouders gevraagd wat ze moesten doen als mijn ouders de oorlog niet zouden overleven. Mijn ouders hebben gezegd: “Zorg voor haar alsof het je eigen kind is”. Dat hebben mijn pleegouders verklaard in de rechtbank dat hebben zij ook echt gedaan. Het waren gewone mensen, maar ook helden. Samen met mijn pleegbroer, die na de oorlog is geboren, heb ik hen geëerd door hun de titel ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’ te laten geven door Israël. Mijn eigen ouders hebben we ook geëerd, want zij hebben mij in veiligheid gebracht. We hebben erna een groot feest gegeven.

We hoeven niet allemaal helden te zijn, maar je moet je bewust zijn van het feit dat mensen dit gedaan hebben. Je moet zorgen dat dit nooit meer gebeurt, door zelf het goede voorbeeld te geven.

Fotografie: Mirjam Schut

Erfgoeddrager: Fatima

‘’Op de zolder zat een Engelse seiner verstopt’’

Thea Hoff woonde tijdens de oorlog op de Kamperfoelieweg, niet zo ver van de basisschool De Klimop waar ze kwam vertellen over haar oorlogsjaren in Noord. Hussain, Fatima, Harry – die haar interviewden – vonden het knap dat ze helemaal niet bang was om erover te praten. Alles wat Thea Hoff zei, was interessant, vond Fatima. En ze vonden het leuk dat ze dankzij haar verhalen nieuwe woorden leerden. Nu weten ze bijvoorbeeld wat een ‘gijzelaar’ is.

 

Woonden er Joodse mensen bij u in de buurt?
“Ja, een paar straten verderop woonde een Joods echtpaar dat bevriend was met mijn ouders. Ik kwam er vaak spelen omdat ze een leuke zwarte poes hadden. We deden ook wel boodschappen voor hen omdat ze niet meer bij de winkels bij ons in de buurt mochten komen. Ze konden ergens onderduiken, maar die meneer zei over zichzelf dat ie nogal een ‘driftharses’ was. Hij was daarom bang dat hij de mensen waar hij zou onderduiken, in gevaar zou brengen. Dat wilde hij niet. Zijn vrouw wilde hem niet alleen laten. Op een avond zijn ze opgehaald en nooit meer teruggekomen. Na de oorlog kon mijn vader nog familie van hen opsporen. Hij wilde graag de boeken teruggeven die hij van het Joods echtpaar had geleend want misschien was dat wel het enige dat nog over was van hen. Zo hoorde hij dat ze in twee verschillende kampen zijn omgebracht.”

Kende u mensen die deel uitmaakten van het verzet?
“In het huis waar ik later ging wonen, ook aan de Kamperfoelieweg, zat op de zolder een Engelse seiner verstopt. Dat is een soort spion die geheime boodschappen kon doorgeven aan anderen. Op een zondagmorgen kwamen grote vrachtwagens door de straat. Dat viel wel op want de Kamperfoelieweg was in die tijd nog een rustig, doodlopend straatje. Achter die vrachtwagens reed een auto met opvangapparatuur en lange antennes. Kennelijk hadden ze een spoor van de seiner gevonden en zochten ze hem nu. Ze hebben heel Floradorp doorkruist, maar hem niet gevonden. Gelukkig maar want anders zou niet alleen hij maar ook de bewoners van het huis waar hij was verstopt, zijn opgepakt. Ze waren in ieder geval doodsbang. De volgende dag is hij verdwenen.”

Uw huis stond niet zo ver van Asterdorp. Wist u wat er gebeurde in Asterdorp?
“In Asterdorp werden eerst ‘asocialen’ opgevangen, mensen met weinig geld. Daarna kwamen er Joden die uit hun eigen huis waren weggehaald. Elke dag liepen er schoolkinderen uit Asterdorp langs ons huis. Zij moesten namelijk helemaal bij de Floraweg naar school. Op een dag zei mijn moeder: ‘Nou lopen er nog maar tien kinderen ’s morgens langs’. Een paar dagen later merkte ze op: ‘Nu zijn het nog maar drie kinderen’. En nog een tijdje later zei ze: ‘Ik heb vandaag geen kinderen meer zien langskomen’. Dat vonden we heel erg want we wisten dat die kinderen waren opgepakt en waarschijnlijk waren getransporteerd naar Westerbork.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892