Erfgoeddrager: Ella

‘NSB’ers hebben mijn Joodse moeder verraden’

Reini Elkerbout is geboren in 1938 en was twee jaar oud toen de oorlog begon. Haar ouders woonden in Gorinchem. Haar vader was niet-Joods, haar moeder wel. In 1943 moest ze naar haar opa en oma in Dalem. Haar werd beloofd dat haar vader en moeder haar weer kwamen ophalen, maar haar moeder is nooit teruggekeerd uit Auschwitz. Alder, Ella, Maaike en Joep van de Hannie Schaftschool in Haarlem interviewen mevrouw Elkerbout bij haar thuis. Bij de vruchtensap krijgen zij voor het eerst in hun leven baklava, dat smaakt wel!

Wanneer bent u geboren?
‘Ik ben in 1938 geboren en was dus twee jaar toen de oorlog begon. Ik had een jonger broertje, hij werd geboren toen de oorlog begon en hij was piepklein. Het was schrikken toen het ineens oorlog was. Ik woonde in Gorinchem, dat ligt vlak onder Rotterdam. Het is een soort stad als Haarlem. Aan het begin van de oorlog merk je dat het spannend is in huis. Maar als kind maak je dat gelukkig niet zo mee.’

Ging u naar school in de oorlog?
‘Ik ging niet naar school in de oorlog. Later, toen ik bij mijn opa en oma woonde, was er een kerk in de buurt. Die kerk had een zondagsschool, daar werd ik dan naartoe gebracht. Dan waren er ook wat kinderen in de buurt, die zag ik anders nooit. Mijn tantes leerden me lezen en schrijven. Toen ik eenmaal wel naar school ging, kon ik al lezen en een klein beetje schrijven.’

Kende u NSB’ers?
‘Als kind weet je dat soort dingen niet. Maar het is wel zo dat NSB’ers mijn moeder verraden hebben. Zij woonde in ons huis met haar moeder en haar zus. De buren hebben hun verraden. Zij ging toen naar een ziekenhuis in Rotterdam, want ze was zwanger, en daar hoopte ze papieren te krijgen om niet gedeporteerd te hoeven worden. Mijn jongere zusje is daar geboren.

Mijn vader kende wel NSB’ers. In Gorinchem zaten in de buurt best wel wat NSB’ers. Als kind kan je dat niet aanwijzen, dat weet je niet. Maar als Joodse moest je daar wel voor oppassen. Wij moesten altijd stil zijn als iemand uit de straat op bezoek kwam. Mensen kwamen niet zomaar langs; zij wilden kijken wat er gebeurde in ons huis. We wisten wel dat er gevaar was.’

Heeft u ondergedoken gezeten?
‘Ik had het geluk dat mijn opa en oma in Dalem woonden, een dorp vlakbij Gorinchem. Je kon daar op de fiets naartoe. De opa was de vader van mijn vader en was dus niet-Joods, hij liep daardoor geen gevaar en wij dus ook niet. Ik heb dat alleen nooit onderduiken genoemd. Tegen ons werd gezegd dat we gingen logeren. Maar we moesten daar wel heen omdat we niet in Gorinchem konden blijven.

We hadden destijds niet veel speelgoed. Na de oorlog verhuisden wij naar Amsterdam, waar ik een pop kreeg. In de oorlog heb ik wel boeken gekregen. Mijn moeder moest naar Auschwitz, maar leefde nog enige tijd. Zij zorgde er dan voor dat ik toch nog een boek voor mijn verjaardag kreeg.’

Wanneer was u het bangst?
‘Als er geschoten werd en er gevaar was, ging de hond op mij liggen om mij te beschermen. Het was een hond met hele lange oren. Mijn oma ging op mijn broertje liggen.

Een kogel is eens aan de overkant het huis in gegaan. Een meisje van mijn leeftijd die daar woonde, was geraakt en is toen overleden. Na de oorlog werd ik opgehaald door mijn vader, maar ik herkende hem helemaal niet meer.’

 

Erfgoeddrager: Ella

‘Ik heb die krijtjes heel lang bewaard’

Iza, Micah, Liyana en Ella uit groep 8B van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen meneer Henk Smit op hun eigen school. Toen de oorlog uitbrak woonde hij in Amsterdam-West, vlakbij de plek waar nu De Visserschool staat.

Hoe oud was u toen de oorlog begon en wat merkte u daarvan?
‘
Ik was zes jaar en woonde met mijn ouders op de Van Oldenbarneveltstraat nummer 10. Dit was mijn buurtje. Ik zat op een Franse school, maar de Duitsers vonden dat niks, zo’n Franse school. Dus die school werd opgeheven en toen moest ik ineens naar een andere school. Dat vond ik wel jammer, want ik vond Franse les leuk. Na 1941 mochten Joodse mensen bijna niks meer en ze hebben toen ontzettend veel Joodse mensen opgehaald.  Ik herinner me ook dat we onze ramen moesten afplakken, zodat er geen licht naar buiten kwam. Dan wisten de vliegtuigen niet waar de steden waren. Ze hadden toen nog geen GPS.’

Hadden jullie het zwaar in de oorlog?
‘
Ik was 8 jaar en mijn moeder was veel ziek en mijn vader was veel weg, daarom kookte ik vaak. Dat heeft mijn moeder mij geleerd. Ik was enig kind. Later in de oorlog was er geen gas meer. Toen moest ik een potje met eten op de houtkachel warm maken.  Maar er was geen hout, dus hakte ik de planken van de wandkast in onze kamer in stukjes, om toch vuur te kunnen stoken. We ruilden ook veel met andere mensen, bijvoorbeeld wat groente tegen wat aardappelen. In de zomer kochten we dan groenten, dat was goedkoop en die maakten we in en bewaarden we in speciale kruiken. Ik heb nog zo’n kruik bewaard. Later in de oorlog was er steeds minder eten.’

Zijn er ook erge dingen gebeurd in de oorlog?
‘We hadden een hondje, die moest een keer een behoefte doen en mijn moeder heeft hem toen in de tuin gelaten, want ik was er niet om hem uit te laten. Toen is hij gewoon door iemand meegenomen en opgegeten. Mensen hebben ook bloembollen gegeten. Bij ons thuis was het gelukkig niet zo erg. Maar ik heb soms wel honger gehad. Alles was op rantsoen.  Ik herinner me nog dat als je een klein plakje kaas op je boterham had, dat je dat dan steeds verschoof, zodat je aan het einde nog een beetje kaas op je brood had. Dit noemden we ‘schuifkaas’.’

Hoe heeft u de hongerwinter overleefd?
‘Toen er steeds minder te eten was, ben ik in januari 1945 buiten Amsterdam zonder mijn ouders bij een boer gaan wonen, in de Wieringermeer. Ik werkte mee op het land en dat vond ik fijn. Ik moest mest scheppen. Dat vond ik lekkere ruiken, vreemd genoeg. Maar het was zo koud buiten en de mest dampte flink, dat was lekker warm. Mijn vader is ook nog een keer vanuit Amsterdam langs geweest om eten te halen, tarwe om broden te bakken.’
‘Sommige dingen waren niet fijn: ik moest bijvoorbeeld van de boerin me elke vrijdag in een teil wassen, met ijskoud water, dat vond ik vreselijk. Toen de oorlog bijna was afgelopen hebben de Duitsers de Wieringermeer onder water gezet, dus moest ik nog een paar weken naar een ander gezin.  Ik ging pas eind juni terug naar huis.  Al mijn vrienden waren broodmager na de oorlog. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en heeft niet lang meer geleefd. Ik ben op 10 november jarig en kreeg toen krijtjes als cadeau, want ik hield veel van tekenen.  15 november overleed mijn moeder. Ik heb die krijtjes heel lang bewaard.’

 

 

Erfgoeddrager: Ella

‘Kitty was heel blond en zag er helemaal niet Joods uit’

Met de auto rijden Ella, Sepp, Rocher en Bobbie naar Bergen waar Gerrit Sijpheer woont. De gps geeft de verkeerde richting aan, maar na wat heen en weer rijden arriveren de leerlingen van de Kennemerpoort in Alkmaar bij het huisje van meneer Sijpheer. Met een warme lach opent hij de deur. ‘Daar zijn ze eindelijk!’ En met een sapje installeren ze zich in de huiskamer.

Wat deden uw ouders in het verzet?
‘Mijn ouders vonden dat je mensen die in nood zijn moet helpen, zoals ook nu dat je vluchtelingen uit oorlogsgebieden toelaat en helpt. Tijdens de oorlog waren mijn ouders bezig met het onderbrengen van Joodse mensen zodat ze uit handen van de Duitsers bleven. Ook werd bij ons in de kelder een illegaal krantje gedrukt, de verzetskrant.’

Hoe was het om onderduikers in huis te hebben?
‘Er waren zes Joden tegelijkertijd ondergedoken, maar in totaal hebben we denk ik twaalf onderduikers gehad die bij ons verbleven tijdens de oorlog. De eerste onderduikster was een meisje van 13 jaar, Hannie. Zij ontfermde zich over mij. We sliepen samen op zolder in een eenpersoonsbed. Zij werd als een zus voor mij. Daarna kwam een Joods jongetje: David Waterman die 12 jaar was. David kon alleen naar buiten als de kust veilig was. Dan riepen we ‘Pim Kieviet!’ En dan kwam David naar buiten. De naam David mochten we niet roepen want dat was een Joodse naam. Er waren veel Joodse kinderen die onderdoken omdat ze anders werden opgepakt en vergast werden in de vernietigingskampen.

In ons huis waren meerdere verstopplekjes voor als de Duitse soldaten kwamen, zoals een grote kelder onder het huis die we dicht konden maken. Ook waren er vluchtroutes in huis zodat de onderduikers naar buiten konden als er gevaar was. Heel soms kwamen er Duitse soldaten naar ons huis, maar mijn moeder praatte ze altijd weer weg.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Mijn vader had een baan waarmee hij bij alle boeren kwam en van hen kreeg hij vaak wat eten mee. Ook hadden wij een grote tuin waar we bieten en aardappelen verbouwden. En omdat mijn ouders bij het verzet zaten kregen ze ook eten van het verzet. We hadden dus altijd genoeg te eten, ook voor alle onderduikers in ons huis.

Kende u mensen die bij de NSB zaten?
‘Ik kende Kitty, een Joods meisje dat zat ondergedoken bij de familie Vrasdonk. Kitty was heel blond en zag er helemaal niet Joods uit. Zij bracht krantjes rond. Tegenover de familie Vrasdonk woonde een man die bij de NSB zat. Hij vond het altijd zo leuk dat zij krantjes rondbracht dat hij haar aanbood zijn fiets te gebruiken. Ze zei natuurlijk nooit tegen hem dat ze Joods was, maar na de Bevrijding heeft ze hem dat wel verteld.

Wat is het meest ingrijpende dat u mee heeft gemaakt?
‘
Op een dag speelde ik met vriendjes toen er een Duitse soldaat met een groot geweer op zijn rug kwam aanlopen. We hadden geleerd om bang te zijn voor de Duitse soldaten, dus ik rende hard naar huis. Ik vond het heel eng. De deur bij ons was altijd op slot omdat we Joodse onderduikers in huis hadden, dus ik bonkte hard op de deur. Toen mijn moeder opendeed kwam net de Duitse soldaat de hoek om lopen. Hij kwam naar me toe en zei: heb je honger? Ik kreeg een dubbele boterham met kaas en zei: dank je wel, rotmof. Toen begon de Duitse soldaat te huilen. Mijn moeder vroeg hem wat er aan de hand was en hij vertelde dat zijn dorpje in Duitsland was platgebombardeerd en zijn vrouw en zoontje waren omgekomen. Toen troostte mijn moeder, de verzetsvrouw met Joodse onderduikers achter de deur, de Duitse soldaat. Op dat moment, zo klein als ik was, besefte ik de waanzin van dat wat oorlog is.

Nu zie je dat ook weer gebeuren: in Palestina worden hele dorpen platgebombardeerd en in Oekraïne komen mensen om door geweld.’

Erfgoeddrager: Ella

‘De krokodillen konden ruiken wie je bent, Papoease mensen deden ze niets’

Thomas Kho is kind van een Chinese vader en Papoease moeder en komt uit Nieuw-Guinea. Als jongste van het gezin en geboren in 1944 hoorde hij van zijn oudere broers en zussen en van zijn ouders over de jaren veertig. In de jaren vijftig maakte hij zelf een moeilijke tijd mee door de oorlog in Indonesië. Uiteindelijk besloot hij in 1962 naar Nederland te gaan. Aan Adnan, Amina, Ella en Raahim van de Rivierenschool in Amsterdam-Zuid vertelt hij over zijn leven.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren op het eiland Biak, dat vroeger bij Nieuw-Guinea hoorde en nu bij Indonesië. Een rotseiland, dat in de Tweede Wereldoorlog door de Japanners was bezet. In 1944, het jaar dat ik geboren werd, werden we bevrijd door de Amerikanen. Daarna volgden weer andere oorlogen. Oorlog is vreselijk. Mijn familie heeft het zwaar gehad. Tijdens bombardementen verstopten ze zich in een grot. Mijn vader bleef met mij, ik was nog een baby, achter in ons huis. Dat huis was omringd door krokodillen. Die deden ons niets. Die konden ruiken wie je bent en Papoease mensen deden ze niets. Japanners waren niet veilig voor deze dieren.’

Wat gebeurde er toen de Japanners weg waren?
‘Toen kwamen de Nederlanders in Indonesië vechten. Indonesië was al lange tijd een kolonie van Nederland, de Indonesiërs hadden er niks te zeggen. Het land wilde na de oorlog onafhankelijk worden, loskomen van Nederland. Halfbloed bewoners, van Nederlandse en Indische ouders, moesten het land verlaten en mochten kiezen of ze naar Nederland of naar Nieuw-Guinea zouden gaan.’

Waarom kwam u naar Nederland?
‘Het ging steeds meer rommelen tussen Nederland en Indonesië. Vanuit Indonesië werden soldaten naar Nieuw-Guinea, dat bij Indonesië hoorde, gestuurd. Er volgden bombardementen. Chinezen werden bedreigd; we waren voorbereid te vluchten. Weet je, als je vlucht, ben je in één klap arm. Alles moet je achterlaten. In 1962 ging ik naar Nederland; andere familieleden gingen naar Australië. Mijn moeder bleef alleen achter, omdat ze niet weg wilde.’

Waar bent u hier gaan wonen?
‘We hebben een tijd in het Beethovenhotel in Amsterdam gewoond. Elke dag gingen we de stad in om Chinees te eten. Uiteindelijk hebben we een huis gekocht, in Slotermeer. Ik heb een gelukkig leven. Ik ben getrouwd met een vrouw die uit Zuid-Korea komt. We hebben samen twee zoons. Het geloof is ook heel belangrijk voor me. En het idee dat we allemaal hetzelfde zijn als mens. Het zijn de dictators die oorlog maken.’

Erfgoeddrager: Ella

‘De meesten waren aardig’

Hidde, Anna, Ella en Femke van Christelijke Basisschool ’t Jok in Hoorn bezoeken meneer Piet Cupido en zijn vrouw. Hij is de opa van Hidde. Aan de overkant van de straat staat een boerderij. Daar woonde meneer Cupido eerst. Nu woont Hidde daar met zijn ouders, broertje en zusje.

Was u bang van de Duitsers?
‘Ik was eigenlijk nog te jong om te begrijpen wat er precies aan de hand was. Af en toe gebeurden er wel rare dingen, maar de slechte Duitsers waren niet op het eiland. Sommige waren krengen, maar de meesten waren aardig.’
‘De Duitsers hebben heel veel wegen aangelegd tijdens de oorlog om bij de bunkers te komen. De boeren moesten dan cement rijden en zand rijden voor de Duitsers. Als je goochem was, ging je eerst steenkolen halen van West en de kar bij je huis leegkiepen en dan daarna pas voor de Duitsers gaan rijden.’
‘Mijn moeder had een kruidenierswinkeltje en zij kon heel goed met overweg met de Duitsers. Vader reed voor de Duitsers en kreeg daar zelfs een paar centen voor.’

Deden de Duitsers ook gemene dingen?
‘Ieder jaar moest je een koe van zoveel kilo inleveren, dus er moest wel een beestje zijn om in te leveren. Tegenover waar nu de Jumbo is, kon je de koe laten wegen. Als het te weinig was, moest je er iets bij doen. Wij hadden een grote os. Dat was een rauwe rakker. Die hebben we eerst maar voor de kar gedaan. Aan het einde van de oorlog hebben we die rakker maar meegegeven.’
‘Er waren zo’n dertig paarden gevorderd door de Duitsers. Ik ging kijken met mijn vader, want ik hield enorm van paarden. De dieren gingen daarna op een schuit mee naar Duitsland. Als je een paard niet af wilde staan, zetten de Duisters wel een geweer op je.’
‘Een buurman werd aan het einde van de oorlog door de Duitsers in een klein huisje opgesloten. Het was dichtbij school. Hij wilde iets niet doen wat ze hem hadden opgedragen. Hij kreeg wel te eten, maar het was gewoon een kleine gevangenis.’

Heeft u ook mooie herinneringen aan de oorlog?
‘Ik vond het prachtig dat er zoveel paarden met karren langsreden. Er waren nog weinig auto’s. Alleen de buurman had een auto, want die was veearts en had een auto nodig en mocht deze tijdens de oorlog ook houden.’
‘Die veearts heeft veel gedaan voor de voedselvoorziening van het eiland. Hij was voedselcommissaris en hij had drie dochters. Die stuurde hij op de Duitsers af zodat het allemaal wat makkelijker ging.’

Erfgoeddrager: Ella

‘In paniek heeft hij hun baby’tje aan de buren gegeven’

Ella, Dawoed, Wannes en Lolita van O.B.S. de Corantijn in Amsterdam-West gaan op bezoek bij mevrouw Marja Ruijterman. Zij heeft de oorlog niet zelf meegemaakt, vertelt de verhalen door van haar moeder. Die was15 jaar toen de oorlog begon en ze woonde toen in Amsterdam-West.

Wat kunt u over uw moeder vertellen?
‘
Mijn moeder woonde op de Ten Kate markt. Ze had een Joodse vader en een niet Joodse moeder. In 1941 zijn haar ouders gescheiden en is haar vader getrouwd met een Joodse vrouw. Dat werd het een heel Joods gezin. Deze vrouw had al een kindje van 3 jaar en samen kregen ze nog een baby’tje in 1943. De oorlog was volop aan de gang.’
‘Mijn moeder had een zusje van een jaar jonger. Ze mochten niet naar hun vader toe. Hun moeder was boos op de vader, maar omdat ze zo dol op hem waren gingen ze stiekem toch naar hem toe. Ze vonden het leuk omdat kleine kindje en de nieuwe baby te zien. Op een dag ging mijn tante en mijn moeder naar hun vader toe en ze zagen dat de ramen waren ingeslagen, de buren zeiden: ‘Ze zijn opgepakt en weggebracht’. Mijn tante rende nog snel naar de plek waar alle Joodse mensen naar toe werden gebracht en ze zag nog net dat er een vrachtwagen werd uitgeladen met mensen en zij zocht haar vader, maar ze werd door een grote Duitser weg getrapt. Daarom hebben ze hun vader niet meer gezien, want hij en zijn gezin werden naar het concentratiekamp gebracht. En daar zijn ze om het leven gebracht.’
‘Op het laatste moment, vlak voordat hun vader werd weggehaald, heeft hij in paniek zijn baby’tje aan de buren gegeven in de hoop dat zij het zouden opvoeden totdat ze terug zouden komen. Maar die buren waren bang geworden omdat het in die tijd heel gevaarlijk was om een Joods kindje in huis te hebben en daarom hebben ze de baby aan de Duitsers gegeven. En de Duitsers hebben de baby weer naar de Joodse crèche gebracht. Uit die crèche zijn heel veel kinderen gered geworden door mensen die helden waren. Zo ook mijn tante, het baby’tje, die is bij een gezin terecht gekomen en zij is daar opgegroeid.’

Wist uw moeder dat het baby’tje nog leefde?
‘Mijn moeder hoorde pas na de oorlog wat er allemaal was gebeurd. Ze konden eindelijk weer naar de radio luisteren en toen hoorde ze op de radio dat hun zusje nog leefde. Mijn moeder en haar zusje zijn er meteen naartoe gegaan, maar die familie wilde niet dat dat ze zou weten dat ze Joods is dus ook niet dat ze zusjes heeft. Maar toen ik 4 jaar was, werd er op een dag aangebeld, mijn moeder deed open en opeens hoorde ik een enorm geschreeuw en toen bleek het haar zusje te zijn en de baby was inmiddels 16 jaar. Ze had ontdekt dat ze Joods was. Haar opvoedouders hadden nooit gezegd dat ze niet van hun was en dat ze eigenlijk zusjes had. Maar omdat ze gepest werd op straat en uitgescholden werd voor Jodin, had ze altijd het gevoel dat er iets niet klopte. Ze is in de kasten gaan kijken en ze heeft papieren gevonden waarin stond dat ze eigenlijk Sara Dresden heette. En niet Maria. Haar ouders dachten ook Joden zullen wel niet deugen want waarom zijn er anders zes miljoen Joden vermoord? Dus Sara had ook het idee dat Joden slechte mensen waren. Niet wetende dat ze er zelf eentje was. Dus toen ze het ontdekte was ze erg geschrokken en dacht dat zij ook slecht was. Maar ze is wel op zoek gegaan naar mijn moeder en mijn tante en dat was natuurlijk fantastische dat ze elkaar weer zagen.’

Welk familielid heeft het nog meer overleefd?
‘
Tante Engeltje. Zij was de enige overlevende zus van mijn opa. De rest is allemaal vermoord. Zij is uit het concentratiekamp Westerbork gered. Ze is gered met een voddenkar. Er zijn wat spullen over haar heen gelegd. Zodat niemand haar zag. Tante Engeltje haar broer, mijn opa dus, was voddeman en de familie vond dat maar niks. Dat vond tante Engeltje in het begin ook, maar toen ze gered was uit het concentratiekamp door een voddenkar dacht ze daar anders over. Jaren later vonden we een doos met brieven en kaarten die vanuit Westerbork waren geschreven naar de familie en daar zaten ook gedichten en briefjes in van Tante Engeltje. Bij een gedicht stond: ‘Lieve Sem, duizendmaal mijn excuses dat ik je heb geminacht om je voddekar want een voddekar heeft mij gered uit Westerbork.’

Zie hoe een Mens groot kan zijn
Die een Voddepak heeft gesleten
Vergiffenis Sem
Miljoenen keer ik mij voor u schaamde
u bij de Voddekar zag staan en
zelf met een Voddekar mij hiermee mijn leven redde
Een Voddekar door miljoen veracht heeft mij uit de gaskamer gebracht.

‘Tante Engeltje was erg verdrietig dat haar hele familie was vermoord. Dat kon ze niet aan. Ze liep na de oorlog altijd door Amsterdam met heleboel tasjes en soms kwamen we haar tegen. Ik was toen nog een klein meisje. Dan begon ze eerst heel lief te praten en kreeg ik een zoen op mijn wang en dan opeens begon ze te schelden. Alsof wij de nazi’s waren alsof wij haar familie hadden vermoord. Ze kon niet meer goed denken. In haar huis had ze allemaal beeldjes staan, die hadden allemaal een naam van haar verloren familie. Die stofte ze af en praatte ermee.’

 Heeft de oorlog voor uw ouders invloed gehad op bepaalde keuzes?
‘
Mijn vader was meubelstoffeerder en hij kon na de oorlog een baan krijgen bij een vliegtuigmaatschappij om de vliegtuigstoelen te bekleden, maar toen hij hoorde dat je dan ook gevechtsvliegtuigen moest bekleden, heeft hij dat niet gedaan. Ook al kon hij veel meer verdienen. En ik mocht ook nooit met pistooltjes spelen. Leuk een klappertjespistool maar mocht niet. Deed ze denken aan de oorlog.’


 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Ella

‘Ik schrok het meest van mijn vader die bang was’

Het regent pijpenstelen als Job en Andy vanaf De Hasselbraam naar het huis van Helly van Loon gaan. Hun klasgenootje Ella is ziek en kan helaas niet mee. Als ze het wooncomplex binnengaan, komen ze Peter Buddemeijer tegen, die ook al jaren verteller bij Oorlog in mijn Buurt is. Helly wacht de kinderen bij de deuropening op en verwelkomt hen hartelijk. Helly werd geboren op 1 september 1939, de dag dat de Duitsers Polen binnenvielen. Ze woonde toen met haar ouders, oudere broer en drie oudere zussen aan de Genestetlaan. Haar vader was Tsjechisch en werkte voor de Bata, waar hij later directeur werd.

Wat herinnert u zich nog van het Sinterklaasbombardement?
‘Ik was nog heel klein en was die dag met mijn vader wandelen. Ik moest dan altijd zijn pink vasthouden, zodat ik niet wegliep. We liepen bij de Tongelreep. Daar stonden grote populieren. Opeens vlogen er vliegtuigen over; heel laag, net boven de toppen van de bomen. Dat was een lawaai! Ik schrok verschrikkelijk. Maar ik schrok eigenlijk nog het allerergste van mijn vader. Want mijn vader was bang! Hij pakte me op en rende met me naar huis. Dat moment, en zijn angst, vergeet ik nooit meer. Mijn zussen waren op de zondagschool in de Ten Hagestraat, vlak bij de Catharinakerk. Tijdens het bombardement viel daar het orgel naar voren en zo naar beneden. Ook boekhandel Van Pierre was geraakt en stond in brand. Mijn tante is op de fiets gesprongen om mijn zussen op te halen. Ze ging dwars door de stad, tussen al die brandende gebouwen. Ze zag allemaal bebloede en huilende mensen.’

Wat herinnert u zich nog van de bevrijding?
‘Dat de tanks hier over de Aalsterweg Eindhoven binnenkwamen. Mijn moeder, die net aardappeltjes aan het bakken was, heeft toen het gas uitgedraaid, mijn broertje in de kinderwagen gezet en is met mij aan de hand naar de Stratumsedijk gerend om de tanks te zien. Er werd gejuicht en gejubeld. Mensen zaten op de tanks. Het was feest! Al snel konden de tanks niet verder omdat de route naar het noorden van Nederland versperd werd. Zo konden ze bij Best niet direct het kanaal over, omdat de bruggen daar opgeblazen werden door de Duitsers. Die hebben daar nog flink gevochten tegen de Engelsen en Amerikanen aan de andere kant van het kanaal. De Bata schoenenfabriek, waar mijn vader directeur was, lag daar aan het kanaal. Op een nacht zijn een paar Duitse soldaten stiekem met een bootje over het water gevaren en hebben er schoenen gepikt. Mijn vader ging daarop met een bootje naar de overkant, naar de Duitse commandant, en zei hem wat de soldaten hadden gedaan. Die commandant vroeg hem of hij er alsjeblieft geen werk van wilde maken. “Anders moet ik hen doodschieten”. Op diefstal kon de doodstraf staan bij de Duitsers. Hij gaf mijn vader twintig gulden voor de gestolen schoenen. Wij zijn later in Batadorp gaan wonen, in de buurt waar gevochten is. Daar zag je op de hei nog veel graven van onbekende soldaten en uitgebrande tanks. Je mocht daar niet komen, omdat er landmijnen lagen, achtergelaten door de Duitsers. Soms gingen kinderen daar toch stiekem spelen. Een jongen uit mijn klas is daarbij zijn oog verloren, toen hij op een landmijn stapte.’

Wat herinnert u zich nog van het bombardement op 19 september?
‘Dat was de tweede dag van de bevrijding. We waren allemaal buiten op straat aan het feest vieren en spelen. Om een uur of acht waren er ineens allemaal oranje bollen aan de hemel. De kinderen riepen: “Oranje boven, Oranje boven!” Maar mijn vader, die het vanuit huis zag, klopte op het raam en riep: “Naar binnen! Naar binnen!” Hij wist dat het lichtkogels waren. Dat waren kogels die de Duitsers voordat ze gingen bombarderen afvuurden, zodat ze konden zien waar ze de bommen konden gooien. Wij zijn toen snel naar binnen gegaan en meteen door naar de tuin, waar mijn vader eerder een loopgraaf had gegraven. Om ons heen werden alle munitiewagens van de Engelsen gebombardeerd. Ik deed mijn vingers in m’n oren, want het was me een lawaai. Dat kun je je niet voorstellen. Verschrikkelijk! Toen mijn kleine handen moe werden, heeft mijn tante haar vingers in mijn oren geduwd. En zo ben ik in slaap gevallen. Midden in de nacht zijn we weer het huis ingegaan. Het kraakte overal van het glas. Alle ruiten waren gesprongen en dat glas was allemaal in het gras terechtgekomen en kraakte onder onze voeten, krsj, krsj. We deden heel zachtjes want we wisten niet of de Duitsers nog in de buurt waren. De volgende dag gingen mijn zussen en broer in de stad kijken wat er kapot was en bomscherven zoeken. Mijn broer vond een granaat. Hij vertelde het niet aan mijn ouders en nam het mee naar zolder om het daar uit elkaar te halen. Hij had hem in de draaibank gestopt en met een schroevendraaier probeerde hij hem te ontmantelen. KNAL! Dat gaf een ontploffing! Hij had een scherf in zijn been en moest geopereerd worden. Engelse en Amerikaanse chirurgen deden dat. Na de operatie ging er verband om, maar het bleef pijn doen. Toen bleek, dagen later, dat de scherf er nog inzat! Die domme verpleegster had de scherf mee verbonden. Hij heeft nu nog een enorm litteken op zijn been.’

Was u ook wel eens bang in de oorlog?
‘Ja. Op een dag liep ik met mijn vriendinnetje Philippine van school naar huis. Van de Akkerstraat naar school moesten we helemaal door de Elzent lopen. Op een veldje waren de moffenmeiden, die wij toen zo noemden, aan het exerceren. Een officier zei wat ze moesten doen. Ineens brulde hij iets in het Duits en de vrouwen richtten allemaal tegelijk hun geweer op ons. Ik deed het in mijn broek van angst. Ik was heel bang dat mijn moeder boos zou zijn, maar dat was ze gelukkig niet.’

Erfgoeddrager: Ella

‘Het boek heeft veel tranen van Ronny gekost’

Mirjam Elias is de auteur van Het verlaten hotel, een verhaal gebaseerd op de ervaringen van Ronny, haar man Ronald Sweering. ASVO-leerlingen Ella, Jitte en Stefano zijn bij haar thuis om haar te interviewen. Daar is ook een grote vitrinekast met Indiaantjes, die Ronny kreeg als hij bij zijn oma moest slapen als in zijn slaapkamer paspoorten werden vervalst. Tijdens het gesprek staan er koekjes en fruit op tafel, geserveerd op de borden uit het hotel van de ouders van Ronny.

Wanneer vertelde uw man het verhaal voor het eerst aan u?
‘Tussen de bedrijven door, bijvoorbeeld als we in de auto zaten. Dan zagen we een konijntje in het weiland en dan praatten we daarover en dan begon Ronny ineens te huilen. Dan vertelde hij dat hij zijn onderduikvriendje Willy indertijd twee konijntjes had gegeven om hem gezelschap te houden. Dan stapten we uit en zaten we heel lang te praten. Mijn schoonvader, Ronny’s vader dus, heeft mij gevraagd het verhaal over zijn hotel te schrijven. Zo is het begonnen. Toen ben ik gaan zoeken naar informatie. Dat was moeilijk, omdat al veel mensen overleden waren. Het is geen geschiedenisboek geworden, ik heb het geschreven door de ogen van een kind én in de tegenwoordige tijd, zodat het net is of je erbij bent.’

Wij vinden het een heel mooi boek, dus dat is wel gelukt. Hoe lang heeft u eraan gewerkt?
‘Af en aan, ongeveer zeven jaar. Ik ben heel blij dat jullie het mooi vinden, want het heeft veel moeite gekost, en veel tranen van Ronny.’

Wat was het moeilijkste?
‘Dat Ronny er nooit meer over heeft gepraat. Hij had alles verdrongen, omdat het te erg was. Zelf heb ik ook erg veel gehuild tijdens het schrijven. Maar het was ook heel fijn om te doen. Het is een soort puzzelen. Soms vertelde Ronny wat, zoals ‘Dat kwam door de muur…’. Dan vroeg ik door en vertelde hij dat er in de school een muur gebouwd was om de Joodse kinderen te scheiden van de anderen. Op een dag vertelde hij over het jongetje aan de overkant, de ondergedoken Willy die helemaal alleen in de kelder woonde. Hij was pas twaalf. Ronny was acht. Zo’n verhaal had ik nooit kunnen bedenken. Ik las wel eens stukjes voor aan kinderen en die vonden het verhaal van Willy het mooist. Maar Ronny werd altijd kwaad. “Zo was hij niet, ik zou nooit met dat jongetje willen spelen,” zei hij dan boos. Hij wist niet eens meer hoe Willy eruitzag, want hij had moeten beloven dat hij er nooit een woord over zou vertellen, dus hij had het diep weggestopt. Toen ben ik gaan zoeken naar Willy en ik heb hem gevonden. Dat wil zeggen, zijn familie, want Willy is in de oorlog vermoord.
Ronny had ooit foto’s van het huis van Willy gemaakt en zelfs dat wist hij niet meer, maar ik wel. We vonden de foto’s en toen hadden we het huisnummer. En later vonden we een oud telefoonboek. Het was een hele speurtocht. Later ontmoetten we Willy’s familieleden, neefjes en nichtjes, en toen had ik een idee hoe Willy was en ik ben meteen gaan schrijven. De volgende morgen las ik het Ronny voor en zei hij: “Ik zie hem weer voor me, zo was hij echt!” En hij begon zich toen heel veel te herinneren. Als mensen heel nare dingen meemaken vinden ze het moeilijk erover te praten. Soms hebben ze zelfs geen herinnering meer. Gelukkig is het toch gelukt en daarom kunnen jullie het lezen en deze verhalen doorvertellen, zodat we nooit zullen vergeten wat er gebeurd is.’

   

 

 

Erfgoeddrager: Ella

‘We liepen op blote voeten door de sneeuw naar Friesland’

Frans, Norah en Ella bezoeken mevrouw Nuijten, in haar gezellige woning heeft ze een parkiet Coco. Mevrouw Nuijten was twaalf jaar toen de oorlog begon en ze woonde op de Sperwerstraat. Ze woonde met haar moeder, haar oudere broer en drie jongere zusjes.

Kan u zich het begin van de oorlog nog herinneren?
‘Ik kan me de eerste dag van de oorlog nog goed herinneren. Ik was op 6 mei twaalf jaar geworden en op 10 mei vlogen de Duitse vliegtuigen over om de Hoogovens te bombarderen. Er reed een tank door de straat! Het was oorlog.

Onze buurman was een oude opa, hij had een radio. Stiekem gingen we via de tuin achterom bij hem naar binnen en dan luisterden we naar de Engelse zender. We moesten heel goed opletten dat niemand het kon horen. Dan hoorde we onze koningin “Willemientje” dat was heel spannend. Zo hoorden we hoe het ging met de oorlog. De buurman bewaarde de radio onder de grond in de tuin.’

Was u wel eens bang?
‘Ik was altijd bang voor het luchtalarm. Dan moest je snel vluchten naar een schuilkelder. Op een dag was ik met een vriendin op stap. Opeens kwamen er vliegtuigen die bommen gooiden. Snel doken mijn vriendin en ik onder de brug, vlakbij de Amsterdamse poort. Vanuit onze schuilplek zagen we zo, de bommen voorbijkomen. Ze kwamen vlakbij in de Amsterdamse buurt terecht. Een lawaai en een stof. Het was heel eng.’

Hoe kwam u aan eten?
‘In de hongerwinter heb ik samen met mijn zusje Jeanne van negen jaar, hongertochten gelopen. Het was een ijskoude winter en we hadden alleen houten kleppers aan onze voeten. Iedere keer ging het bandje stuk en moest ik het maken om verder te lopen. Toen ben ik op blote voeten door een meter sneeuw naar het noorden gelopen tot aan Friesland. We kregen een rode kool en daar was ik zo blij mee. Maar op de afsluitdijk was er een Duitse controle en die soldaat pakte het kooltje van me af. We waren versteend van de kou.’

‘Aan het einde van de oorlog moesten we ons huis uit. We werden ondergebracht in een piepklein huisje waar wij met vijf kinderen in een bovenhuis zaten en beneden een gezin met acht kinderen zat. Het was veel te krap. We sliepen met z’n allen bij elkaar. Het was zo koud en er waren geen dekens want die hadden we moeten inleveren. Van een jutezak maakten we een dekentje en daar lagen we dan onder. Omdat het zo koud was, zijn we naar ons oude huis gegaan en daar hebben we de kastdeuren en houten panelen losgemaakt en meegenomen. Die zaagden we in stukjes om de kachel te laten branden. We deden alles om het maar een beetje warm te krijgen.’

‘Op een dag kwam ik met mijn zusje uit Zandvoort gelopen. We waren bij de Leidsevaart op de brug, toen een Duitse soldaat ons tegen hield, we mochten niet meer verder lopen. En toen gebeurde iets vreselijks: er werden tien mensen tegen de muur gezet en doodgeschoten. Wij moesten verplicht kijken en konden niet stiekem weglopen, want dan schoten ze je neer. Ik ben dit mijn leven lang niet vergeten.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Ella

Met een groep blije mensen stonden we ze op te wachten

Theo Hoetink en zijn partner begroeten Tobias, Mingus, Ella en Yasmine aan een tafel vol boeken en foto’s, waarop nog nét een plekje is voor wat schaaltjes chips en pakjes drinken. Hij vertelt de leerlingen van De Zonnewijzer in Diepenveen over de winkel van zijn ouders, alle bewoners van hun huis en over de bevrijding.

Wat was uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Ik was pas 3 jaar toen de oorlog begon, maar ik herinner me nog dat de Duitse soldaten te paard in Diepenveen aankwamen. Een paard was zó wild of geschrokken dat hij het gangetje tussen deze twee huizen in stormde. Het scheelde maar weinig of hij was bij ons door het raam gegaan. Hij stopte nog net voor de vensterbank!”

Uw ouders hadden een kruidenierszaak; hoe was dat?
‘
Mijn ouders waren in 1936 begonnen met hun kleine kruidenierswinkel. Die zag er natuurlijk heel anders uit dan de supermarkt van nu. Alle spullen werden los verkocht en in papieren zakken gedaan. In de oorlog waren er maar weinig goederen te verkopen en alles was op de bon. Dit was bedacht om de etenswaren eerlijk te verdelen. Ik zal jullie die bonnen laten zien… Er waren bonnen voor suiker, boter, aardappelen; eigenlijk voor álles. De bonnen die de klanten bij ons inleverden, plakte mijn moeder op grote vellen. Een keer was ze zó moe van het werk en daarna nog het plakken van de bonnen, dat ze er bovenop in slaap viel. Toen ze wakker werd, plakten de bonnen aan haar gezicht.

‘Mijn vader moest eens boodschappen bij meneer Cohen. Die vertelde hem dat hij zijn huis uit moest, omdat de Duitsers de woning nodig hadden. Meneer Cohen en zijn zoon Arnold kwamen daarna bij ons in huis. Bij ons woonde ook nog een meisje uit Rotterdam omdat er in Rotterdam veel te weinig eten was. Bovendien woonden er een paar Duitsers bij ons in huis. Ze hadden hier een kantoor dat ’s nachts zelfs bewaakt werd. Als het donker werd, moest mijn vader spijkerwacht lopen. Dan moest hij met een groepje mannen de spijkers opruimen die de verzetsmensen daar hadden neergelegd. De spijkers zorgden natuurlijk voor lekke banden in de Duitse auto’s.’

Wat was de belangrijkste gebeurtenis in de oorlog?
‘De bevrijding natuurlijk! De Canadezen kwamen vanuit Deventer naar ons toe. We stonden hen met een hele grote groep blije mensen op te wachten, hier voor het huis. Bij de splitsing reden ze de verkeerde kant op. Arnold Cohen rende heel hard door het bosje naar de Canadezen toe en liet ze omkeren, zodat ze wél bij ons langs reden. Ze deelden chocola en sigaretten uit. Wat waren we blij! Kijk maar naar deze foto, waar 99 feestvierders op staan. Hier heb ik ook nog een foto waarop je de gevangengenomen Duitsers ziet, aan de Boxbergerweg hier in het dorp.

‘Van onze Duitse logés hebben we eigenlijk helemaal geen last gehad. Toen de bevrijders eraan kwamen, hadden ze wel haast om te vertrekken. Ik heb nog een echte sabel van hen gekregen, want dat was te lastig om mee te nemen, maar die moest ik van mijn vader aan Arnold Cohen geven.’