Erfgoeddrager: Benjamin

‘Wij haalden de granaten open en gebruikten het kruit als vuurwerk’

Neyo, Zafirah, Omar en Benjamin van ’t Karregat in Eindhoven gaan met de auto op bezoek bij Guus de Kok. Meneer De Kok was 5 jaar oud toen de oorlog begon. Hij woonde aan de Geldropseweg en heeft de Duitse soldaten Eindhoven zien binnenkomen en later ook weer zien vertrekken. Samen met zijn oudere broer haalde hij veel kattenkwaad uit. Vlak bij hun huis lag een militaire begraafplaats, en dat maakte de jongens natuurlijk extra nieuwsgierig…

Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden aan de Geldropseweg 229, vlakbij het oude Daf-kantoor, in een van de rijtjeshuizen die daar vroeger stonden. Ik ben daar ook geboren. De grote rondweg was er toen nog niet.

Vanuit ons huis konden we zien hoe de Duitse soldaten vanuit Duitsland via Geldrop Eindhoven binnenkwamen. Ik zat op de schutting toen er een grote Mercedes stopte. Duitse officieren stapten uit en belden aan. Ze zeiden: ‘Wasser, bitte’ tegen mijn moeder maar zij verstond geen Duits. Dus wees zij naar de wc. Een van de mannen liep door naar de keuken en vulde een keteltje met water. Dat hadden ze nodig voor de radiator van hun auto. Het was mijn eerste ontmoeting met Duitsers.’

Heeft u iets naars meegemaakt?
‘Ons gezin niet, maar we hadden contact met aardige aardappelboeren uit Geldrop. Zij kwamen altijd aardappels bij ons thuis brengen, totdat dat opeens niet meer gebeurde.

Hun zus had verkering gekregen met een Duitse sergeant. Haar broers vonden dat verschrikkelijk. Op een avond kwam hun zus niet thuis. Een van de broers pakte toen een broodmes en vermoordde de Duitse sergeant.

Daarna werden allebei de broers opgepakt. Een broer werd geëxecuteerd, de andere broer werd naar een kamp in Duitsland gebracht. Daar heeft hij het heel zwaar gehad, maar hij heeft het wel overleefd. Na de oorlog is het nooit meer echt goed gekomen tussen de zus en haar broer.’

Heeft u ook bombardementen meegemaakt?
‘Onze keuken had een plat dak, waar mijn broer en ik vaak op gingen zitten. In de avond konden we dan de vuurgevechten zien: overal werd geschoten. Rondom ons huis zijn ook veel bommen gevallen. Ik ruik de kruitdamp soms bijna nog.

Op een keer waren we aan het eten toen de Demer werd gebombardeerd, dat gebeurde tijdens het Sinterklaasbombardement in 1942. Het hele huis schudde heen en weer. Ik kroop onder de tafel en werd helemaal heen en weer geschud. Dat vergeet ik nooit meer. Het was vreselijk.

Mijn vader werd toen opgeroepen om mensen onder het puin vandaan te halen. We merkten dat wat hij daar gezien had heel heftig was, maar hij heeft er bijna nooit over gepraat.

Aan het einde van de oorlog vlogen de Spitfires (Britse jachtvliegtuigen, red.) laag over ons heen. De Duitse soldaten waren op de terugtocht en doken snel de sloten in de buurt van ons huis in om zich te verstoppen. Mijn broer en ik deden precies het tegenovergestelde: wij kropen juist in hun auto’s en stalen sigaren en chocola uit de wagens. Dat vonden we toen spannend en stoer.’

Haalde u wel eens kattenkwaad uit?
‘Mijn oudste broer en ik trokken veel met elkaar op. In onze tuin stonden dahlia’s. Als je die uit de grond trok, zat er een grote kluit aarde aan. Mijn broer en ik probeerden die kluiten naar de overkant van de weg te gooien.

Op een dag kwam er net een Duitse bus aanrijden. De kluit vloog zo de bus in! Meteen stapte er een Duitse officier uit. Mijn broer rende snel het korenveld in en ik holde naar huis.

Even later stonden de Duitsers bij ons aan de deur. Ze hadden gevraagd waar wij woonden en we kregen een flinke preek. Gelukkig begrepen ze uiteindelijk dat het een ongeluk was geweest.

Toen de Duitsers zich terugtrokken, gooiden ze veel spullen in het water. ’s Avonds gingen wij die eruit vissen. We vonden kogels en kogelbanden van mitrailleurs. Daarna gingen we de bossen in met een hamer en sloegen op de kogels, zodat ze afgingen. Tussen de gewone kogels zaten ook lichtkogels. Dan zag je ineens een felle lichtstraal door het bos vliegen.

Vlak bij ons huis, aan het Zwarte Pad, stond een villa. Aan de andere kant lag een militaire vuilnisbelt. De Amerikanen letten daar niet zo goed op. Ik zat eens in een tank op de vuilnisbelt. Overal lagen granaten. Wij haalden de granaten open en gebruikten het kruit als vuurwerk in de avond.

Tijdens de gevechten lagen ook granaten die eruitzagen als dennenappels. De geallieerden gooiden die in schuttersputjes waar Duitse soldaten zich verstopt hadden. De volgende dag zagen wij die granaten nog liggen. Wij schopten er gewoon tegenaan, omdat we niet wisten hoe gevaarlijk ze waren. Ze leken voor ons net op dennenappels. Maar toen werden we gepakt door een Britse militair. Hij nam ons mee en liet in een weiland zien hoe zo’n granaat ontplofte. Toen pas begrepen we waar we eigenlijk mee gespeeld hadden.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Mijn tante nam ons mee op excursie naar de plantages en vertelde er over’

Op een zonnige middag bezoeken Leo, Benjamin en Lara van basisschool de Talisman in Eindhoven Gisèle Mambre. Ze is in 1970 geboren in Willemstad, de enige stad van Curaçao. Op haar achttiende vertrok ze naar Nederland om te studeren. Nu woont ze al meer dan dertig jaar in Nederland, langer dan ze ooit op Curaçao heeft gewoond. Ze werkt als journalist, schrijft verhalen en zit in de gemeenteraad van Eindhoven, waar ze de inwoners van de stad vertegenwoordigt.

Hoe was het om op te groeien in Curaçao?
‘Ik ben in het ziekenhuis in Willemstad geboren. Het klimaat is er altijd warm, zo rond de veertig graden. Als kind was mijn jeugd heel vrij en speels. Alle stranden waren toegankelijk, iedereen kon overal naartoe. Dat is nu een beetje veranderd, het eiland is veel toeristischer geworden en daarmee ook commerciëler.

Wij woonden in de stad, maar er woonden ook familieleden op het platteland. Zij woonden in houten huizen of in een soort hutten met een dak van maïsbladeren. Op Curaçao zijn ook veel landhuizen. Dit zijn grote huizen van rijke Nederlanders die vroeger mensen tot slaaf maakten. De meeste van die huizen worden nu niet meer bewoond. Sommige zijn gekocht door de families van vroegere tot slaaf gemaakten. Zij maakten er vooral musea van zodat de verhalen over het slavernijverleden kunnen worden doorverteld.’

Wat weet u over uw voorouders?
‘Ik heb drie van mijn vier grootouders gekend. We trokken veel naar de familie van mijn moeder, dus ik ben meer opgevoed met de verhalen van die kant. Mijn oma paste ook vaak op ons en heeft ons echt grootgebracht met haar verhalen.

Van mijn overgrootouders weet ik heel weinig. Die zijn nog wel tijdens de slavernij geboren, maar daarover is bijna niets opgeschreven. Er zijn geen archieven met verhalen die ik in kan kijken. Dat komt heel vaak voor.

Ik heb meegedaan aan een serie van de Volkskrant over het opzoeken van je voorouders. Ze hebben mensen geholpen door uitgebreid archiefonderzoek te doen naar familielijnen. Ze hebben de namen weten terug te vinden van drie vrouwen in mijn voorlijn, dat zijn mijn zogeheten voormoeders. Op Curaçao kun je namelijk alleen dingen over de moeders vinden. Dat komt omdat vroeger alleen werd bijgehouden of een vrouwelijke tot slaaf gemaakte een kind kreeg. Wie de vader was, werd niet opgeschreven.

Drie namen, dat is alles wat ik heb. Meer niet, want er werd verder niet bijgehouden hoe ze leefden of wat ze hebben gedaan. Dat vind ik jammer. Je probeert iets in te vullen, maar je mist echt iets. Ik schrijf zelf verhalen, en op basis van wat we weten over de slavernij probeer ik me een beeld te vormen van hoe het voor mijn voorouders heeft kunnen zijn. Maar het is niet gebaseerd op de echte waarheid van hun leven.’

Kreeg u vroeger les op school over de geschiedenis van Curaçao?
‘Op school kregen we vrijwel alleen maar geschiedenisles over Europa, hetzelfde onderwijs als in Nederland. Niet veel over de slavernij en bijna niets over het eiland zelf. Maar ik had een tante die geschiedenislerares was. Die vond geschiedenis heel belangrijk en vertelde ons altijd veel verhalen over het slavernijverleden van Curaçao. In de grote vakantie maakte ze vakantiereisjes met mij, mijn nichtjes en neefjes, mijn broertje en zusje. Dan gingen we op excursie naar de plantages op het eiland en vertelde ze er van alles over. Dat is een van de leukste en fijnste herinneringen van mijn jeugd. Dankzij mensen als mijn tante heb ik veel meer geleerd dan wat ik op school heb meegekregen.’

Hoe was het om naar Nederland te komen?
‘Ik kwam naar Nederland om te studeren. Op het eiland kon dat niet. De meeste jongeren gingen in die tijd naar Nederland. Ik wilde het liefst naar Amsterdam, maar dat mocht niet van mijn moeder, zij vond het te groot. Ze wilde dat ik ergens naartoe ging waar ook familie van me was. Mijn neef studeerde in Zwolle en in de buurt woonden ook wat neven en nichten van mijn moeder. Vandaar dat ik in Zwolle ben terechtgekomen.

Het was moeilijk om mijn thuis en familie achter te laten, maar tegelijkertijd ook leuk. Ik was 18 jaar en wilde nieuwe dingen ontdekken. Achteraf ben ik ook heel blij dat ik in Zwolle terechtgekomen ben. Het is echt een prachtige stad. Ik ben in Zwolle eerst naar de lerarenopleiding gegaan. Dat heb ik twee jaar gedaan. Toen ontdekte ik dat het niet per se is wat ik wilde doen. Daarna ben ik geswitcht naar journalistiek.’

Hoe is het leven hier in Nederland?
‘Ik vind het fijn dat ik hier heb kunnen studeren en werken. Alles wat ik heb willen doen, heb ik hier kunnen doen. Maar ik vind het soms jammer dat ik vaak een van de weinige zwarte mensen ben. De meeste mensen in mijn omgeving lijken niet op mij. Als ik op Curaçao ben, zie ik vooral mensen die op mij lijken. In de gemeenteraad van Eindhoven ben ik de enige zwarte vrouw. Er zijn wel mensen van andere nationaliteiten, maar dat je een van de weinigen bent van een andere afkomst, dat merk je wel.’

Heeft u te maken gehad met racisme en nare opmerkingen?
‘De eerste keer dat ik een nare opmerking kreeg, was ik heel boos. Inmiddels ga ik er soms ook wel eens met humor mee om. Soms zeggen mensen: ga terug naar je eigen land. Dan denk ik: dit ís mijn land. En als ik terug zou gaan naar mijn eigen land, is het nog steeds Nederland, want Curaçao hoort bij Nederland. Dat snappen ze dan niet.

Maar soms is discriminatie ook subtieler. Niet meteen: ga terug naar je eigen land. Maar meer van: oh, jij zit ook in de gemeenteraad? Alsof ik dat niet zou kunnen. Of: oh, heb je ook gestudeerd? Dat zijn ook nare opmerkingen, gebaseerd op de aanname dat ik bepaalde dingen niet zou kunnen. Ze zeggen het dan niet zo direct, maar ze bedoelen het wel. Dat soort opmerkingen zijn soms gemener dan de directe uitspraken.’

Gaat u ook naar de herdenking van de slavernij?
‘Zeker, elk jaar. Op 1 juli wordt herdacht dat de slavernij officieel is afgeschaft in 1863. Dat heet Ketikoti, wat letterlijk ‘verbroken ketenen’ betekent. Dat is voor mij een belangrijke dag. Samen met anderen heb ik in het Parktheater een Ketikoti-herdenking opgezet, nog voordat het officieel door de gemeente werd opgepakt. Vanaf 2023 wordt het officieel gevierd, maar daarvóór waren wij er al mee bezig. Mensen gingen vroeger altijd naar Amsterdam om het te vieren, maar nu hebben we in Eindhoven onze eigen gelegenheid. Daar ben ik trots op!’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘We hadden geluk dat we het hadden overleefd maar we waren niet gelukkig’

Benjamin, Nyle, Jaliyah en Lael van de Amsterdamse Rivierenschool schuiven bij Loes van Weezel aan tafel. De ouders van mevrouw Van Weezel waren Joods, maar ze zijn niet in een kamp geweest en hebben de oorlog overleefd. Ze spraken later nooit over deze tijd. Tijdens de oorlog hebben haar ouders ondergedoken gezeten in Arnhem, en zij zelf zat daar in de buurt.

Hoe was het begin van de oorlog?
‘Ik ben geboren op de Vrijheidslaan, in augustus 1940, toen was het al oorlog. Ik heb daar tot ik anderhalf jaar was gewoond. In het begin van de oorlog konden mijn ouders nog wel een beetje een normaal leven leiden. Ze konden uitgaan en met vrienden naar het strand gaan. Maar met de tijd mochten Joodse mensen steeds minder, niet eens op een bankje in het park zitten bijvoorbeeld. Ze werden steeds meer buitengesloten. Maar ze wisten niet precies hoe erg het allemaal was, omdat er geen beelden van waren, zoals nu via tv of internet. Ze moesten ook allemaal een ster dragen.

Ik wil jullie meegeven dat je nooit mensen mag buitensluiten. Dus ook niet pesten op school, als iemand een ander geloof heeft of ergens anders vandaan komt. Daar is geen enkele reden voor. Net als met de Joden. Die hadden helemaal niets gedaan.’

Bij wie zijn jullie ondergedoken?
‘Bij ons in de buurt woonde een vrouw, Mieke, die vanaf haar balkon op het balkon van mijn moeder kon kijken. Ze wist dat mijn ouders Joods waren. Mieke wilde heel graag kinderen, maar haar man niet. Op een dag sprak ze op straat mijn moeder aan. ‘Mevrouw, als ik de kinderen voor u kan nemen dan doe ik dat.’ Mijn moeder schrok heel erg, maar toen het gevaarlijk werd is mijn zus toch bij Mieke gaan wonen.

Mijn ouders gingen onderduiken in de buurt van Arnhem. Ik huilde dag en nacht. Dat was erg gevaarlijk en toen hebben ze mij toch ook naar mama Mieke gebracht. Dit was natuurlijk een heldendaad van Mieke, want zij liep zo ook heel veel gevaar. Het was verboden om Joden in huis te nemen en ook zij kon naar een concentratiekamp worden gestuurd.’

Hoe was het om na de oorlog weer terug te gaan naar uw ouders?
‘Dat was best vreemd want ik had bijna 3,5 jaar bij mama Mieke gewoond. En toen opeens woonden we weer bij onze ouders. En Mieke vond het heel erg moeilijk, ze was dol op ons, wilde ons graag houden. Maar goed, we hoorden natuurlijk toch bij onze ouders. Ons hele gezin heeft de oorlog overleefd.

We hebben geluk gehad maar we waren niet gelukkig. Mijn moeder was erg getraumatiseerd door alles wat er tijdens de oorlog is gebeurd. En ik zelf merk nog altijd dat ik bang ben als iemand weggaat en mij achterlaat. Na de oorlog kregen we gelukkig een huis en is mijn vader zijn eigen herenmodezaak begonnen.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Ben jij mijn vader?, vroeg ik. Als jij Alex heet, ben ik jouw vader, zei hij’

Benjamin, Vosse, Roos en Bo zijn goedgehumeurd op weg naar de 86-jarige Alex Waslander. Ze hebben zich goed voorbereid en zin in het interview, ook al zijn sommigen wel wat zenuwachtig… Als ze aankomen bij zijn woning, zien ze hem al op het balkon zitten, heerlijk in het zonnetje. Aan de leerlingen van de Roland Holstschool in Bergen vertelt meneer Waslander zijn oorlogsverhaal.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren op Surabaya, op Java, in Nederlands-Indië. Mijn vader werkte er als marinier en had een contract voor 5 jaar. Dat contract liep in 1939 af en mijn moeder, mijn zusje en ik gingen alvast terug naar Nederland met een heel groot schip. De reis duurde wel 5 weken en ik herinner me vooral dat er een speelruimte was waar we veel lol hadden.

In Nederland gingen we in Den Helder wonen. Maar kort daarna brak de oorlog uit en moest mijn vader nog 5 jaar op de Javazee blijven. Wij moesten vervolgens meerdere keren verhuizen. Dat was zwaar, raar en moeilijk. Op mijn identiteitsbewijs staan al mijn verhuizingen. We gingen naar Den Helder, naar Egmond, naar oma in Winschoten, naar een oom in Apeldoorn, naar Koedijk en naar Bergen.

Hoe was de Hongerwinter?
‘We hadden geluk dat we toen in Koedijk zaten, waar we bij boer Tinus Schoen mochten inwonen. Eigenlijk moest al het eten naar de Duitse soldaten, maar hij kon altijd wel iets achteroverdrukken, aardappelen en platters, suikerbieten.

Wat was het engste dat u meemaakte?
‘In Koedijk, woonden we aan het kanaal. Door het kanaal voeren kanoneerboten die schoten op Engelse vliegtuigen in de lucht, dat gebeurde elke dag, en dat was heel eng om te zien en te horen.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘De Canadezen hadden ons bevrijd. Ze kwamen in een optocht langs Alkmaar en Den Helder en deelden bij de Fjortbrug chocoladerepen uit. Ik vond de chocola vies en heel vreemd, ik kende het niet…’

Uw vader was er niet in de oorlog. Hadden jullie wel contact?
‘We leefden altijd met het idee dat hij misschien nooit zou terugkomen. Omdat hij bij de marine zat, kreeg je iedere maand een brief van de marineleiding waarin stond dat hij nog leefde. Daar stond dan onder ‘groeten van Jacob’, dat was mijn vaders naam. Maar we mochten niet terugschrijven.

Een keer in de maand kon je via Radio Kootwijk contact hebben met Nederlands-Indië, van tevoren kreeg je bericht wanneer je mocht bellen en dan moesten we naar Apeldoorn en kon je 6 minuten met elkaar praten via de radio.

Ik was 9 jaar toen mijn vader terugkwam en had al van de politie gehoord dat hij zou terugkomen. Ik zat op een dijkje en zag een man lopen met een grote plunjezak. Ik vroeg hem: ‘Ben jij mijn vader?’ En hij zei: ‘Als jij Alex heet, ben ik jouw vader’.’

Vertelde uw vader verhalen over de oorlog daar toen hij terug was?
‘Nederlands-Indië werd in de oorlog overweldigd door de Japanners. Mijn vader heeft meegevochten op de Javazee, in een onderzeeboot. Hij heeft vreselijke dingen meegemaakt die hij niet wilde vertellen, hij wilde alles het liefste vergeten.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Boven café De Zilveren Spiegel zaten onderduikers verborgen’

Benjamin, Ramses, Olivia en Maryam van de Asvo-school in Amsterdam interviewen Saskia Meijer, die het verhaal van haar familie vertelt. Haar oom, tante en vader woonden in de oorlog op het Kattengat in het centrum van Amsterdam. Zij hadden daar een café waar veel Duitsers kwamen, maar bovenop de zolder zaten Joodse onderduikers verstopt.

Uw oom en tante hadden een café in de oorlog: wat weet u daarvan?
‘Het café was van ome Jan en tante Wies. Zij hadden twee cafés in het centrum van Amsterdam, in de Warmoesstraat en op het Kattengat. Mijn oom en tante woonden boven het café op het Kattengat. Eén van de vrouwen die bediende, was een Oostenrijkse. Zij was al lang voor de oorlog naar Nederland gekomen, maar zij sprak Duits. Omdat zij Duits sprak, kwamen er Duitse soldaten naar het café. Dan konden ze met haar praten. Ik denk dat ze het aan de ene kant heel eng vonden dat er Duitse soldaten in het café kwamen, aan de andere kant was het een goede dekmantel. Mijn oom en tante hadden namelijk onderduikers op zolder. Het is een heel oud pand, een woning uit de 17de eeuw. De Gouden en Zilveren Spiegel heten ze. Mijn oom en tante hadden de Zilveren Spiegel. Je had eerst het café, dan de eerste en tweede verdieping en daarboven had je een hele grote zolder. Daar zaten de onderduikers. Dat was natuurlijk gevaarlijk, maar omdat er zoveel Duitse soldaten beneden zaten, was het ook wel veilig. Ze kwamen dan niet zo snel op het idee om daar te gaan zoeken voor onderduikers. Ik neem aan dat mijn oom en tante wel bang zijn geweest. Het was best wel dapper om onderduikers in huis te nemen.’

Uw familie zat dus in het verzet?
‘Mijn oom en tante hadden in ieder geval contact met mensen uit het verzet. Mijn vader woonde ook bij ome Jan en tante Wies in huis. Hij was jong wees geworden en had vijf zussen die veel ouder waren. Hij wist natuurlijk van die onderduikers af. In de oorlog had je voedselbonnen nodig toen er minder eten kwam. Met die bonnetjes kon je boodschappen doen. Maar mensen die in onderduik zaten, kregen die bonnen niet meer. Maar er moest natuurlijk wel eten gekocht worden. Daar zorgden de mensen van het verzet voor. Soms werd een onderduikadres te gevaarlijk, en dan moesten mensen van de ene plek naar de andere. Dan kon je aangehouden worden. Je moest altijd een persoonsbewijs bij je hebben in de oorlog. Er stond een foto op, een vingerafdruk, stempels, gegevens… Als je Joods was, stond er naast de foto een grote zwarte J. Als jij niet opgepakt wilde worden, had je dus een vervalst persoonsbewijs nodig waar de J niet op stond. Later moest je altijd een Davidster dragen. Het moest echt vastgenaaid worden op je kleding. Zodra je naar buiten ging, moest het te zien zijn. Die sterren betaalde je zelf, die kreeg je niet gratis.

Mijn vader wist dus wel dat mijn oom en tante in het verzet zaten. Mijn vader kennende zal hij ongetwijfeld mee geholpen hebben als er bonnen moesten worden opgehaald of een vervalst persoonsbewijs ergens naartoe gebracht moest worden.’

Wat is er gebeurd met uw neef Piet?
‘Onze familie is niet Joods, dus gelukkig is er bij ons niemand gedeporteerd en gestorven. In de familie is ook niemand naar Duitsland gestuurd om te werken. Maar mijn neef heeft gewoon pech gehad. Hij was de zoon van ome Jan en tante Wies. Zij hadden twee kinderen, Wijntje, genoemd naar oma, en Piet. Piet was een tiener toen de oorlog begon. In de laatste jaren van de oorlog mocht je ‘s avonds niet buiten zijn na 8 uur, maar mijn neef deed dat wel. Hij kwam toen Duitse soldaten tegen en waarschijnlijk rende hij weg. Toen hebben ze hem toen neergeschoten.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Mijn ouders lieten op de vuilnisbelt briefjes voor elkaar achter’

Als kind mocht Janneke Roos (1946) niet buitenspelen in Indonesië want dat vonden haar ouders te gevaarlijk. In 1957 kwam ze met haar familie met de boot naar Nederland. Ze vertelt over haar leven aan Trijntje, Benjamin, Quinten en Kaat van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Tanjung Pinang, Indonesië, vlakbij Singapore. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten mijn ouders in Japanse concentratiekampen op Sumatra. Zij zaten gescheiden, in mannen- en vrouwenkampen. 3,5 jaar hebben ze in zo’n kamp gezeten, los van elkaar. Eigenlijk mochten ze geen contact hebben, maar dat deden ze wel. Er was een postkantoor tussen de kampen in, maar dat was gewoon de vuilnisbelt. Daar lieten ze kleine briefjes achter, zodat ze met elkaar konden communiceren. In 1946 ben ik geboren, net na de Tweede Wereldoorlog.’

Wat deed uw familie in Indonesië?

‘Na de Tweede Wereldoorlog zijn mijn ouders in Indonesië gebleven. Mijn vader werkte voor Rijkswaterstaat als ingenieur en hij is gevraagd om te blijven omdat het land in puin lag.
Toen ik 2,5 jaar oud was, zijn wij naar Nederland gegaan met verlof. Mijn vader had toen een jaar vakantie. Daarna zijn wij weer teruggegaan naar Indonesië, want mijn vader was gevraagd om een irrigatieproject te bouwen. Toen gingen we naar Tegal. Indonesië was al onafhankelijk geworden, dat gebeurde in 1949. Daarna was alles in Indonesië Indonesisch, terwijl wij daarvoor in het Nederlands les kregen op school.’

Hoe was het leven in Indonesië?
‘
Wij leiden een geprivilegieerd leven, wij hoorden bij de elite. Wij hadden bijvoorbeeld wel
 vier bedienden in huis. Mijn broertje en ik mochten in Indonesië niet echt buiten spelen.
 Het was te gevaarlijk. Verschillende groepen waren tegen elkaar aan het vechten. De nationalisten, de communisten en de islamisten. De nationalisten waren aan de macht, en wilden één groot Indonesië hebben. Andere groepen hadden daar andere ideeën over. Er was continu wel wat. Wij waren als Nederlandse kinderen herkenbaar anders, en wij konden dus gekidnapt en uitgeruild worden. Daarom mochten wij niet buiten spelen.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Mijn ouders gaven elkaar een kus en zaten naast elkaar in stilte’

Tineke van der Woude-Zulver ontvangt Libi, Benjamin en Louis hartelijk in haar appartement met bonbons, cakejes en iets lekkers te drinken. De leerlingen van basisschool ’t Karregat in Eindhoven hebben hun vragen goed voorbereid en voor ze beginnen, vertelt mevrouw Van der Woude-Zulver dat er geen rare vragen zijn: alles mag gevraagd worden. Ze vertelt hoe prachtig en zorgeloos haar leven was als kind in Nederland-Indië. Als ze 12 wordt, begint de oorlog en twee jaar later gaat haar hele familie naar een Japans kamp. Pas na ruim drie jaar worden ze vrijgelaten en mogen ze terug naar Nederland. Ze is dan 19 jaar oud.

Kunt u vertellen hoe het was toen uw vader opgepakt was?
‘We hoorden verhalen over mensen die in kampen werden gezet en de dreiging van de Japanners was overal aanwezig. Er was een avondklok en steeds minder vrijheid. Op een dag kregen we te horen dat mijn vader thuis moest blijven omdat hij opgehaald zou worden. Mijn moeder had wat droge levensmiddelen klaargemaakt en in een rugzak gepakt, maar we wisten niet waar hij naartoe zou gaan.

‘s Avonds stopte er een open vrachtauto voor ons huis. We wisten meteen wat er ging gebeuren. De militairen belden aan en zeiden dat mijn vader mee moest. We namen kort afscheid. Hij gaf ons alle vier een zoen, aaide de hond over zijn kop en zei tegen de hond: ‘Radja, pas goed op die meiden’. Daarna stapte hij op de vrachtwagen en reed weg. We stonden achter de voordeur, zonder man, en het voelde verschrikkelijk. Het duurde maanden voordat we iets van hem hoorden en wisten waar hij was.’

Hoe kwamen jullie in een Japans kamp?
‘We kregen de opdracht om naar het kamp in Jakarta te gaan. Met een becak, een fietstaxi, vertrokken we. We konden niet veel meenemen, dus mijn moeder verkocht alles wat we kwijt konden om wat geld te hebben. In het kamp kregen we een klein huisje toegewezen. Er was nauwelijks ruimte, maar we moesten het accepteren. We hadden een tweepersoonsbed waar we met drie mensen in sliepen en een veldbed voor mijn oudste zus. We leefden drieënhalf jaar zo, en zaten vaak buiten op stoeltjes als het weer het toeliet. Iedereen zat in dezelfde benarde situatie en we moesten gewoon doorgaan.’

Hoe werden jullie bevrijd?
‘De bevrijding kwam onverwacht en werd aanvankelijk niet geloofd door de geïnterneerden vanwege eerdere valse geruchten. Na vele teleurstellingen hoorden we eindelijk van de echte bevrijding, maar we mochten het kamp nog niet uit. Op een dag kwam een meisje naar mij toe en zei dat mijn vader aan de poort stond. Ik geloofde het eerst niet, maar ging toch kijken. Toen ik hem zag, herkende ik hem bijna niet vanwege zijn veranderde uiterlijk.

Mijn vader riep mijn naam en vroeg meteen naar mijn moeder. Ik ging terug naar onze barak, waar mijn moeder zat te breien. Voorzichtig vertelde ik haar dat er mannen aan de poort waren en dat mogelijk mijn vader erbij was. Mijn moeder was heel verzwakt en woog op dat moment enkel 33 kilo, ze kon het nauwelijks geloven. Die dag ontmoetten mijn ouders elkaar weer. Ze gaven elkaar een kus en zaten naast elkaar in stilte. Vanwege alle gebeurtenissen en hun zeer verzwakte toestand, konden ze niet echt blij zijn.

Na de bevrijding konden we het kamp nog steeds niet verlaten omdat de situatie buiten het kamp heel gevaarlijk was. Mijn vader kon ons af en toe bezoeken. We moesten aansterken en wachten tot er transport beschikbaar was om ons naar Nederland te brengen. Uiteindelijk, in februari, zes maanden na de bevrijding op 15 augustus, konden we vertrekken naar Nederland.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘We zaten binnen en deden helemaal niks, vijf jaar lang’

Benjamin, Dana, Faye en Soufiane interviewen Willy Gerard-Verschuur. Voor de leerlingen van de Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid heeft ze foto’s meegebracht van haar gezin van voor de oorlog, ze zien er daar nog heel goed uit. ‘Dat was na de oorlog wel anders’, zegt ze. Ze was één jaar toen de oorlog uitbrak.

Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik was nog natuurlijk nog maar heel klein, maar toen ik drie was verhuisden we van Hellevoetsluis naar Amsterdam omdat mijn ouders graag dichterbij de familie wilden wonen. Achteraf niet handig, want in Hellevoetsluis hadden we een grote tuin met bieten, worteltjes en appelbomen. En we konden niet naar buiten, we hebben de hele oorlog binnen gezeten, nooit buiten gespeeld, dat was te gevaarlijk. We deden wel spelletjes binnen, een soort landjepik bijvoorbeeld. Maar verder zaten we gewoon binnen en deden we helemaal niks, vijf jaar lang. In de Hongerwinter bleef er niet veel van het huis over. We hadden geen hout en het was koud, dus mijn vader begon op zolder alles wat brandbaar was eruit te slopen voor in de kachel.’

Heeft uw familie ook gevaarlijke dingen meegemaakt?
Mijn vader zat bij het verzet, maar wat hij deed, bleef geheim. Ik herinner me dat hij een keer een pannetje eten van het verzet naar huis bracht. Hij zou daarna weer ergens naartoe gaan. Opeens werd er op deur gebonsd en riepen ze: ‘Verschuur, Verschuur, binnenblijven want we zijn verraden!’ Later bleek dat er vanwege een beraamde aanslag op de Duitsers als vergelding dertig mannen op de Apollolaan zijn doodgeschoten. Daar staat nu een monument voor. Omdat mijn vader het pannetje soep even thuis kwam afgeven, is hij daaraan ontkomen.’

Hoe erg was voor u de Hongerwinter?
‘Dat was echt vreselijk. Je kon wel eten halen bij de gaarkeuken, maar dat was altijd een soort aardappelsoep, maar dan van suikerbiet, aangelengd met water. Dat werd een grijs papje. Mijn broertjes en zusje aten het gewoon. Ik nam een klein hapje, omdat dat moest van mijn moeder, maar dat kwam er meteen weer uit. Mijn broertje Freddy is een keer flauwgevallen van de honger. Hij zat de hele tijd op en neer te wippen op zijn stoel van de honger, en zei steeds: ‘Boterhammen, boterhammen, boterhammen’. En opeens, ploep, zakte hij zo naast me op de grond. Ik riep mijn moeder, maar ik viel zelf ook. Lagen we samen flauwgevallen van de honger op de grond. We hebben echt vreselijke veel honger geleden. Soms hoor ik weleens een kind zeggen: ‘Ik heb honger’, maar dan heb je gewoon zin in eten. Want als je echt honger hebt, voel je helemaal niks meer.’

Waren er ook leuke dingen tijdens de oorlog?
‘Mijn oudste broer was altijd heel erg lief voor de kleintjes. Hij was twaalf en kreeg op de middelbare school ’s middags warm eten. Stiekem nam hij dan een paar kapucijners of bonen in zijn broekzak mee voor ons kleintjes. Alleen zaten ze helemaal onder die haartjes van de kleding, omdat ze zolang in zijn broekzak hadden gezeten. Mijn moeder waste de kapucijners af en dan werd het verdeeld. We stopten ze zo snel als we konden in ons mond, tot alles op was. Mijn broertje vond dat niet goed en mijn moeder zei tegen hem dat hij ze dan eerst moest tellen en verdelen. Toen kregen we er steeds twee, want hij wilde dat wij van elke kapucijner toch een beetje zouden genieten, daarom verdeelde hij ze zo. Dat zijn leuke dingen, al is het heel erg dat we zo’n honger hadden.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Mijn zus Greetje werd in de Hongerwinter heel erg ziek’

Met hun lijstje met bijna twintig vragen gingen Benjamin, Filippa, Lawi en Rosa van de Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid op weg naar Ans Bon in Zuidoost. Ze werden hartelijk ontvangen door mevrouw Bon die al op de uitkijk stond en ze tegemoet kwam lopen. In de kamer stond de appelsap al klaar.

Wie woonden er allemaal in uw huis in de oorlog?
‘Toen de oorlog uitbrak hadden mijn ouders al mijn broer Henk en zus Greetje. Ik werd in september 1940 geboren. We hadden geluk dat er nog een broertje kwam later in de oorlog want daardoor hoefde mijn vader niet naar Duitsland om te werken. Mijn moeder moest wel een bewijs van de dokter halen dat ze echt in verwachting was. In de Hongerwinter werd mijn zus Greetje die toen 7 was, heel erg ziek. Ze is in november 1944 overleden aan difterie. Wij kinderen mochten niet mee naar de begrafenis en moesten bij de overburen blijven. In die tijd werden kinderen overal buiten gehouden. Ik zie nog voor me dat de paard en wagen voor kwam rijden en dat de kist met haar erop werd getild. Ze reden zo de stad uit voor de begrafenis.’

Hadden jullie thuis genoeg eten tijdens de Hongerwinter?
‘Wij hadden net als heel veel mensen bijna niets te eten thuis. Twee weken nadat mijn zusje was overleden stuurden mijn ouders, met hulp van pastoor Kunst, mijn broer en mij naar een boerenfamilie in Noord-Holland. Op een avond toen het donker was ging ik achterop de fiets bij mijn vader naar het water voor de Heineken Brouwerij bij de Weteringsschans. Ook mijn broer ging mee op de fiets met een koffertje kleren. Daar in het water lag een grote schuit waarmee wij kinderen naar Noord-Holland werden gebracht. Toen we er aan het wachten waren, zat ik een beetje te wiebelen op de koffer en viel ik opeens in het koude water. Mijn vader haalde me er snel uit en ik werd kletsnat naar de stuurhut gebracht en daar werd in een soort bedstee gezet. Ik kreeg een beker hete melk. Ik weet nu nog precies hoe het proefde, en ik vind het nog steeds heerlijk. Die val in het water was een geluk bij een ongeluk.

Bij de boerenfamilie in Wieringermeer heb ik een half jaar gewoond. Mijn broer woonde ook ergens in de buurt op een boerderij en hij kwam één keertje bij ons op bezoek. Dat vond ik heel leuk, ook dat hij een aankleedpoppetje mee had voor mij. Zo’n poppetje van papier dat je uit kan knippen en waar je kleertjes omheen kan vouwen.

Aan het einde van de oorlog, toen de Duitsers op verliezen stonden, hebben ze de dijk doorgebroken en kwam het water van het IJsselmeer naar de polder. We moesten snel vluchtten, weg van de boerderij, en gingen met paard en wagen naar een hoger gedeelte om veilig te zijn voor het water. Daar woonden we in een grote schuur met daarin een bedje voor mij. Wat ik me nog goed herinner is de vele pissebedden onder alle tegels.’

Was u vaak bang in de oorlog?
‘Bang? Dat weet ik niet meer. Wel was ik heel boos toen mijn zusje was overleden. En boos en verdrietig omdat alle aandacht en liefde van mijn vader en moeder naar haar gingen. Het voelde voor mij een beetje alsof ik vergeten was. Voor mijn ouders was het heel erg want hun dochter was dood en twee andere kinderen waren op het platteland. Ze waren alleen in huis met de baby. Ook na de Bevrijding, toen iedereen blij was en gelukkig, bleven zij met een grote leegte in hun hart achter. Mijn moeder heeft het veel jaren gekost om erover heen te komen. Ze sprak later weleens met ons over de oorlogstijd. Zoals over de dag dat ze naar de groenteboer liep en in de Mesdagstraat staande werd gehouden door een Duitse politie. Ze moest blijven staan en toekijken hoe Joodse mensen uit een huis naar buiten werden gehaald en meegenomen. Dat vond ze vreselijk. Tegenover ons woonde de familie Mulder en na de oorlog kwamen daar uit hun woning opeens twee Joodse meisjes. Niemand uit de buurt wist dat ze daar ondergedoken hadden gezeten. Dat was maar goed ook want zo konden ze niet verraden worden als mensen ondervraagd werden.’

Erfgoeddrager: Benjamin

‘Wij woonden in de Dintelstraat, en daar zijn 135 Joden opgepakt’

Benjamin, Bram, Eva, en Zoë gaan Arend Meijer (1946) op school interviewen. Meneer Meijer vindt het leuk om naar de Dongeschool in Amsterdam-Zuid te komen, want vanuit het kamertje waarin hij wordt geïnterviewd, kijkt hij uit op de school waar hij zelf vroeger zat. Dat was de gereformeerde kweekschool. De leerlingen maakten zich nog eerst even wat zorgen of hij wel genoeg te vertellen zou hebben, omdat hij na de oorlog is geboren. Maar dat bleek al snel wel goed te zitten.

Wat weet u van uw vader over hoe hij de oorlog is doorgekomen?
‘Mijn vader was gymleraar, maar toen de oorlog begon had hij dienstplicht, dus hij was opgeroepen om te gaan vechten tegen de Duitsers. Je moet je realiseren, je leeft in vredestijd en opeens is het oorlog. Hij had geen tijd om te wennen aan dat idee, maar moest wel ook al wilde hij dat niet. Hij zat bij de marine. Op een nacht werden ze al om 4 uur gewekt. Niemand zei wat er aan hand was. Ze trokken hun uniform aan en hoorden toen dat de Duitsers hadden aangevallen. Ieder kreeg een geweer en vijf kogels. Toen heeft mijn vader het Rotterdamse bombardement gezien.

Opeens was hij weer thuis. De kinderen mochten hem niet zien. Hij lag in de slaapkamer, de deur was dicht. Mijn broer weet niet hoelang dat geduurd heeft, maar toen hij kennelijk weer een beetje was gekalmeerd, mochten ze hem zien. Hij was helemaal overstuur. Hysterisch. Na de oorlog kon hij er niet over praten. En iedere keer als de oorlog op televisie voorbijkwam, dan schoot ie weer in een astma-aanval. Ik kende hem niet anders dan als iemand die heel moeilijk ademhaalt. Hij heeft dus nooit verteld wat ‘ie daar meegemaakt heeft. Later hebben mijn broers en tante mij dit verteld.’

Waar woonden jullie toen?
‘Hier in de Dintelstraat. In het stukje Dintelstraat waar wij woonden, tussen de Geleenstraat en de Nieuwstraat, daar woonden 151 Joden, van wie er 135 zijn opgepakt. Twintig hebben de oorlog overleefd. Van dat ene kleine stukje straat zijn meer dan honderd mensen opgepakt en weggevoerd. Mijn broers en zussen wisten dat die huizen werden leeggehaald als die mensen eruit waren.’

Heeft uw hele gezin de oorlog overleefd?
‘Ja, ik heb twee broers en drie zusters en ze hebben het allemaal overleefd. Alleen een neef van mij niet. Zijn vader had een boekhandel en hij zelf zat in het verzet; hij bracht krantjes rond en regelde voedselbonnen. Die neef is verraden en opgepakt. Eerst is hij naar Scheveningen gebracht, daar zat een grote gevangenis. Toen is hij in Kamp Amersfoort terechtgekomen, en vandaaruit in Neuengamme, een concentratiekamp in Duitsland, vlakbij Hamburg. En daar is hij vermoord. Naar hem ben ik genoemd. Hij heette ook Arend.’

Weet u ook wie de persoon was die uw neef heeft verraden?
‘Ja, dat was Miep Oranje. Zij zat eerst bij het verzet, maar werd opgepakt door de Duitsers en gemarteld, en toen is ze doorgeslagen. Ze is een spion voor de Duitsers geworden. Ze is teruggegaan naar haar groep en heeft ze allemaal verraden.’

Heeft ze na de oorlog nog straf gekregen?
‘Niemand kon haar meer vinden. Ze hebben overal gezocht, maar ze is gewoon verdwenen. Er zijn verschillende theorieën over haar verdwijning: ze zou door het verzet zijn doodgeschoten op een plek waar ze nooit is gevonden. Of ze zou met een Amerikaanse officier getrouwd en naar Amerika verdwenen, of met een Britse militair naar Afrika zijn gegaan. Ze hebben haar in ieder geval nooit meer gevonden.

Ik had een nichtje, een zus van oom Arend, die heel haar leven naar haar heeft gezocht. Toen ze nog niet waren opgepakt, was ze ook een vriendin van haar. Ja wás. Nadat ze iedereen had verraden, natuurlijk niet meer.’

Waar denkt u aan tijdens de 2 minuten stilte?
‘Aan mijn neef, die ik nooit gekend heb. In januari 1945 is hij overleden. Hij was 20 jaar.’