Aankomst in mijn buurt
‘Ik zocht vooral veel contact met andere Spaanse mensen’
Kian, Maureen, Phillipe, Serhan ontmoeten Rosario Bueno
Nicole, Ocker, Fien en Anna uit groep 8B van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam hebben meneer Henk Smit geïnterviewd. Toen de oorlog begon was hij zes jaar oud. Hij heeft veel herinneringen aan die tijd.
Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Ik was nog jong, zes jaar Ik herinner me ook het geluid van de laag overvliegende vliegtuigen. Vooral ‘s nachts, ik werd er dan wakker van. Ik vond dat heel vreemd maar begreep nog niet zo goed wat er aan de hand was. In het begin leek de oorlog nog mee te vallen, maar na 1941 mochten Joodse mensen bijna niks meer. Ze moesten ook in hun eigen wijk blijven, de meeste joden woonden in de buurt van het Waterloopplein. Ik woonde zelf met mijn ouders op de Van Oldenbarneveldtstraat nummer 10. Dat was mijn buurtje. Ik zat op een Franse school maar de Duitsers vonden dat maar niks, een school waar je Frans leert. Dus die school werd opgeheven en toen moest ik ineens naar een andere school, dat vond ik heel jammer.’
Hoe zag uw leven eruit tijdens de oorlog?
‘Ik was acht jaar en enig kind. Mijn moeder was veel ziek en mijn vader was veel weg. Daarom kookte ik vaak zelf. Later in de oorlog was er geen gas meer. Toen moest ik een potje met eten op de houtkachel warm maken. Maar er was geen hout, dus hakte ik de planken van de wandkast in stukjes, om toch vuur te kunnen stoken. Ik moest soms ook even naar een pleegezin als mijn moeder erg ziek was. Later was er steeds minder eten. Mensen aten tulpenbollen. We ruilden ook veel met andere mensen, bijvoorbeeld wat boter tegen wat meel. Ik weet nog dat we een hondje hadden, die moest een keer buiten een behoefte doen en toen is hij gewoon door iemand meegenomen en opgegeten. Er was ook gebrek aan kleding, ik heb toen op klompen gelopen. En je had ‘schuifkaas’, zo noemden we dat, dat was maar een heel klein stukje kaas. Dan schoof je dat over je boterham tot dat je bij de laatste hap nog net een lekker stukje kaas had.’
Hoe was de Hongerwinter?
‘Toen er steeds minder te eten was, ben ik in januari 1945 buiten Amsterdam bij een boer gaan wonen, in de Wieringermeer. Daar ontdekte ik dat boerenmensen helemaal niet dom zijn, zoals men in de stad wel eens beweerde. De boer had drie zoons, die waren ouder dan ik. Ik hielp tijdens de oorlog ook mee op de boerderij en moest vaak mest scheppen. Dat vond ik niet erg want het was erg koud. Soms ging ik midden op de mesthoop staan, daar kwam warmte vanaf. De boerin was een beetje hard. Ik moest me bijvoorbeeld elke vrijdag wassen in een teil met ijskoud water. Dat vond ik vreselijk. De boer was heel aardig, ook voor andere mensen. Er kwamen soms mensen uit Amsterdam, die geen eten hadden helemaal naar onze boerderij toe gefietst. Soms zaten er ’s avonds heel veel mensen aan tafel en die bleven allemaal slapen. De volgende dag gingen ze weer verder en kregen ze wat tarwe en aardappelen mee. Mijn vader is ook nog een keer langs geweest om wat eten mee te nemen. Daardoor wist ik dat mijn ouders nog leefden.’
Hoe was de bevrijding?
‘Ik heb eigenlijk niets van de bevrijding meegemaakt, want ik ging pas eind juni terug naar huis. Ik was blij om mijn ouders weer te zien. Maar mijn moeder lag in het ziekenhuis en heeft helaas niet lang meer geleefd. Ze stierf vijf dagen na mijn verjaardag, dat vond ik heel erg, die datum vergeet ik nooit meer.’