Archieven: Verhalen

‘We zaten op onze eigen meubels, maar ze waren niet meer van ons’

Wij interviewden meneer Waterman, die vlak na de oorlog op onze school zat. Hij vertelde dat er na de oorlog nog steeds veel antisemitisme was en dat ze hem niet meer uitscholden voor “Rotjood”, maar “RotJoop”. Want hij werd Jopie genoemd. Hij ging op boksen en sloeg van zich af. Hij wilde zijn verhaal graag met ons delen om er van te leren. Hij zei: “Jongens, scheldt elkaar niet uit, heb respect voor elkaar.”

Waar woonde uw familie?
‘Mijn familie heeft bij het Waterlooplein gewoond. Mijn ouders woonden op de Lange Houtstraat. Mijn moeder was japonnenknipster, zij knipte de modellen van de jurken, zoals die later in elkaar werden genaaid. Mijn vader werkte bij zijn zuster vlakbij het Waterlooplein in haar kapperszaak, tot ze werden weggehaald. Mijn moeder was toen zwanger van mij. Ze zijn naar kamp Westerbork afgevoerd en daar werd ik een paar maanden later geboren.’

Weet u ook wat uw familie heeft meegemaakt tijdens de oorlog?
‘Wij hadden het geluk, als je van geluk mag spreken, dat mijn vader in Londen was geboren. Mensen met een andere nationaliteit, konden de Duitsers eventueel gebruiken als uitwisselingsobject, als een soort krijgsgevangenen. Wij kwamen in Bergen-Belsen terecht.
Als mijn vader niet in Engeland was geboren, was ik ook in een vernietigingskamp vermoord. Dat idee hou je je leven lang bij je.’

Hoe was de hongerwinter?
‘Die hebben we niet hier meegemaakt. Maar je kunt van mij aannemen dat in het concentratiekamp ook grote honger was. Een keer heeft mijn vader onder een trein van de Duitsers, waar voedsel in zat, met een scherp voorwerp de vloer een stukje open kunnen maken en aardappelen gejat. We hebben gras gegeten, we hebben soep gemaakt van brandnetels. Je kreeg een stukje brood, maar daar moest je wel twee dagen mee doen. Het was te weinig om van te leven en te veel om dood van te gaan.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Wij zijn niet in Bergen-Belsen bevrijd. We zaten in het laatste transport, dat heet het Verloren Transport. Die trein reed dwars door Duitsland. Omdat iedereen wist dat de oorlog op zijn eindje liep wilden ze niets meer met die gevangenen. De trein stopte bij het plaatsje Tröbitz, in Oost-Duitsland, omdat de Duitsers er met de locomotief vandoor waren gegaan. Op een gegeven ogenblik hoorden we geen Duits meer, maar Russisch. Toen wisten we dat de oorlog was afgelopen. Maar er kwamen ook nog vliegtuigen van de geallieerden, die dachten dat het een trein was van de Duitsers. Dus die gingen ons bombarderen en beschieten. Mijn moeder vertelde dat ze ons uit die trein hebben gesleurd, het veld ingelopen zijn, in de greppel zijn gedoken, bovenop de kinderen, om te proberen die rondvliegende kogels tegen te houden. Dat is het moment geweest van de bevrijding. Dus geen bevrijdingsfeest. We zijn eigenlijk ook nooit echt bevrijd. We mochten een paar weken in dat plaatsje Tröbitz blijven. Mijn vader vertelde dat de Russen die Duitsers uit hun huisjes hebben geknuppeld en daarin mochten de oud-concentratiekampgevangenen wonen. Uiteindelijk zijn we gerepatrieerd naar Nederland.

Toen wij terugkwamen uit het kamp, werden we afgezet op het Centraal Station. We hadden niks. Alleen de kleding die we aanhadden. Geen geld, geen eten, helemaal niks. We werden afgezet en verder mochten we het uitzoeken. Mijn vader en moeder dachten: “Kom, we gaan kijken of we nog in ons huis terecht kunnen”. Wij  mochten boven komen. We mochten zitten, kregen een kopje thee uit het servies van mijn moeder en toen moesten we weer weg. Want niks was meer van ons. Mijn ouders kwamen op hun eigen woning, in hun eigen spulletjes, stoelen, banken, alles was van mijn moeder, maar ze hadden geen rechten, want die mensen hadden alles overgenomen’.

Archieven: Verhalen

‘’Toen mijn vader terugkwam uit de onderduik, wist ik niet wie die man was’’

Joop Waterman speelde vroeger, net als wij, in de speeltuin De Waag. Hij heeft, met de andere leerlingen van de Oude Schansschool, de bomen geplant de er nu staan. Onderweg naar ons toe ging hij even kijken of ze er nog staan.

Was u bang tijdens de oorlog?
‘Als kind was ik helemaal niet bang. Ik heb natuurlijk wel angsten gehad. We hadden een klein karretje in de oorlog, een vierwielertje. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader weggehaald werd, maar ik weet wel dat we terugkwamen van het Waterlooplein en naast ons was een grote schutting van hout. Daar stond mijn moeder op een gegeven moment te huilen en met haar hoofd tegenaan te rammen. Ik zat in dat karretje. Hij is weggehaald in 1942 en is een maand of vijf, zes weggeweest. Toen is hij teruggekomen en meteen daarna is hij ondergedoken.
Ik weet ook nog dat we over de Tugelaweg liepen. Rechts was een groene berm en links waren huizen, ik zat weer in hetzelfde karretje. We liepen voorbij een huis, de voordeur was eruit, de ramen waren eruit, de gordijnen wapperden. Mijn moeder begon verschrikkelijk hard te huilen en liep meteen door, want daar woonden familieleden en die waren allemaal weggehaald. Dat soort dingen, dat waren de angsten, die heb ik altijd bij me gehouden.’

Heeft u nog voorwerpen uit de oorlog?
‘Ik heb een foto van waar mijn vader ondergedoken zat. En dat is wel grappig. Mijn vader heeft ondergedoken gezeten bij een dame van lichte zeden.
Hij moest ook wel te eten krijgen, want ‘tante’ Zedie had niets te eten. Dus mijn ome Jan, ging daarnaartoe, als hij eten had gehaald bij de boeren. Maar ja, hij moest ook naar binnen.
Een vrouw in de straat zag dat en ging naar mijn tante Netje toe: “Je man gaat vreemd.” Mijn tante, die natuurlijk wist waarom haar man daarnaartoe ging zei: “Ik vind het prima, als hij maar bij me blijft”. Mijn vader heeft daar, als gelovige Jood, vreemde tijden meegemaakt. Daar werd pas na de oorlog over gepraat. Er kwam een keer visite, dat waren ook Joodse mensen. Ze zaten zo onbetamelijk te lachen en toen hoorde ik dat allemaal.’

Herinnert u zich de bevrijding?
‘Ik heb de bevrijding meegemaakt, nog steeds met hetzelfde rare wagentje. We gingen met z’n allen naar de Dam en er waren heel veel mensen. Ik zag helemaal niks, want ik zat beneden in het karretje. Ineens begonnen ze te schieten. Er brak een verschrikkelijk paniek uit, mijn moeder gillen en iedereen begon te rennen. We kwamen uiteindelijk uit in de Nes. Mijn moeder bonkte tegen iedere deur, nergens werd opengedaan. Toch ging er een deur open, in de Nes kon je erin, liep door het hele huis en dan kwam je uit op de Oudezijds Voorburgwal. Op het Waterlooplein was mijn moeder nog steeds aan het gillen. Maar bij de Korte Houtstraat stonden mensen die ons tegenhielden. We konden niet meer verder, want de Duitsers schoten hier ook, vanaf de Amstel, door de Korte Houtstraat heen naar de Jodenbreestraat. Daar zijn nog mensen doodgeschoten.

Mijn vader zat ondergedoken, maar op een gegeven moment was mijn vader er weer. Althans, er was een man in huis: “Dat zal dan wel mijn vader zijn,” nam ik aan. Ik heb niet zo’n moment gehad van: “Mijn vader is thuis!” Want ik wist niet wie die man was.’

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘’U kunt Judith van Geens niet zijn, die is dood.’’

Wij interviewden Judith Waterman-van Geens. Ze is vlak na de oorlog geboren, maar door haar naam draagt ze de oorlog altijd als een handtasje bij zich. De vader van Judith heeft tijdens de oorlog in de Rapenburgerstraat gewoond, samen met zijn vrouw en hun dochtertje die op 8 januari 1943 werd geboren. Over het korte leven van haar half-zusje heeft Judith een erg mooi boekje gemaakt dat we ook van haar hebben gekregen. En er is ook een filmpje over haar gemaakt, dat we samen met haar hebben gekeken: ‘Er was een zusje’.

Hoe zag het gezin van uw vader eruit tijdens de oorlog?
‘Mijn vader was in de oorlog getrouwd met zijn eerste vrouw. Ze kregen een dochtertje.  Toen werden ze opgepakt en moesten ze naar Vught. Dat was een Nederlands concentratiekamp. Zijn vrouw en kind werden op het transport naar Sobibor gezet. Mijn vader moest naar Auschwitz. Dus er is een klein zusje geweest van vijf maanden, die in Sobibor meteen is vermoord met haar moeder. En dat zusje heette Judith van Geens en ik heet ook Judith van Geens. Dat is mijn hele verleden, dat mij achtervolgd. Dat hadden mijn ouders natuurlijk nooit mogen doen. En de problemen die dat geeft als je bijvoorbeeld een paspoort moet aanvragen: dan zeggen ze: “Judith van Geens is dood.”’

Heeft u familieleden verloren tijdens de oorlog?
‘Ja, heel veel. Mijn vader kwam uit een gezin van twaalf kinderen. Hij had twee zusjes, die waren gemengd getrouwd, dus die hoefden niet weg in de oorlog. Mijn vader is met de rest van de familie weggevoerd. Hij kwam helemaal alleen terug. Iedereen is vermoord. Ooms en tantes, broers en zusters. Mijn vader zei altijd: “Ik ben teruggekomen om het door te vertellen.”’

Wat is er met uw moeder gebeurd?
‘Mijn moeder zat in Friesland ondergedoken met mijn broer, die in 1943 was geboren. Ze was getrouwd met een niet-Joodse man en die man wilde nog een baby, maar mijn moeder wilde dat niet middenin de oorlog. Toen zei hij: “Als we geen tweede kind nemen verraad ik dat je Joods bent en dat we een Joods kind hebben”. Toen is mijn moeder in de nacht op de fiets gestapt en met mijn broer naar Friesland gefietst. Ze blondeerde haar gitzwarte haar en is weggegaan. Ik weet er heel weinig van, mijn moeder sprak er niet over, want wat mijn vader had meegemaakt was het ergste.’

Is uw vader vrijgelaten of uit het kamp ontsnapt?
‘Mijn vader zat in Auschwitz en van Auschwitz moest hij naar Buchenwald lopen. Dat noemen ze een dodenmars. Ze liepen met duizenden mensen. Onderweg gingen natuurlijk heel veel mensen dood. In Buchenwald moest hij heel hard werken. Toen het concentratiekamp bijna werd bevrijd, moesten ze weer gaan lopen. Dat heeft hij twee keer moeten doen. Uiteindelijk werden ze onderweg bevrijd. Hij kwam met de trein terug in Amsterdam. Maar er was niemand.
Mijn vader kende mijn moeder van voor de oorlog uit de buurt, toen ze nog klein waren. Mijn moeder zag mijn vader op het Centraal Station en zij heeft hem mee naar huis genomen. Dan moet je iets gaan opbouwen. En daar ben ik dan uitgekomen.’

Heeft u ook nog spullen van de oorlog?
‘Ik heb hier een heel bijzonder doosje. Daarin zit een Davidster, die is van mijn moeder geweest. En een persoonsbewijs, met een J van Jood. Er zit een vingerafdruk op.
Ik heb ook twee hele oude trouwboekjes. Ze vergaan bijna. Een is van mijn moeder en een boekje van mijn vader en zijn eerste vrouw. Er staat in: Dochter Judith, geboren 1943.
Ik heb het doosje met de spullen gevonden toen mijn ouders waren overleden. Ik heb er slapeloze nachten van gehad.’

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Het korte leven van Hans Goudsmit’

Meneer John Löwenhardt ontving ons in het Nationaal Holocaust Museum. Hij vertelde daar over zijn zoektocht naar het verhaal van Hans Goudsmit. Beginnend met alleen een naam op een gedenksteen in Menaldum, waar hij sinds kort in de buurt woont, heeft hij allemaal stukjes van de puzzel verzameld en zo kunnen reconstrueren wat er met de Amsterdamse Hans Goudsmit is gebeurd.

Getrouwd in de oorlog
‘Hans Goudsmit werd geboren in 1921 in Kampen. Op tweejarige leeftijd verhuisde hij naar Amsterdam waar zijn vader een slagerij op de Oude Schans – De Kamper Vleeschhouwerij – begon, dat is vlakbij jullie school. Hij was negentien toen de oorlog begon en trouwde twee jaar later, in de zomer van 1942. Dat is best een rare tijd om te trouwen, maar Hans had daar een goede reden voor.’

Beschermd door een Sperre
‘Hans en zijn oudere broer Abi werkten bij hun vader in de slagerij. Alle joodse slagerijen – maar ook bakkers bijvoorbeeld – moesten op last van de Duitsers sluiten, op zesenveertig winkels na, waaronder die van Hans’ vader. De slagerij werd in juli 1942 tot ‘joods lokaal’ bestempeld. Ze mochten alleen aan Joden leveren, want tot de mensen gedeporteerd werden, moest ze toch eten, was de gedachte. Het hele gezin Goudsmit kreeg daardoor een zogenoemde ‘Sperre’, een officieel document waarop stond dat je voorlopig niet gedeporteerd hoefde te worden. Doordat Hans en zijn broer Abi met hun verkering trouwden, gold die Sperre ook voor hun vrouwen.’

Represailles
‘Uiteindelijk werd Hans ook naar Westerbork gedeporteerd, maar hij is later weer vrijgelaten. Dat is best bijzonder en hoe dat kwam weet ik niet. Hans is toen ondergedoken in Blija, een Fries dorp. Helaas werd hij ontdekt. Op de nacht van 3 september 1944 is hij door de Duitsers opgepakt en naar de gevangenis in Leeuwarden gebracht. Zondag 19 november 1944 is Hans doodgeschoten, als represaillemaatregel voor een actie van het Friese verzet. Drie onschuldige slachtoffers werden gekozen, Hans en twee andere mannen: Dirk de Vries en Jan Zorn. Hun lichamen moesten 24 uur blijven liggen om de bevolking af te schrikken. Pas later is Hans in Menaldum op de protestantse begraafplaats begraven.’

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Platgedrukt in de mensenmassa’

Meneer Kees Stuyfersant woont nog steeds in hetzelfde huis als waar hij met zijn ouders en broertje en zusje woonde tijdens de oorlog. Hij herinnert zich de verdwaalde bommen die op en rondom de Recht Boomssloot vielen en in het water van de Oude Waal. Hij liet ons zien waar het gebeurde. De scherven van granaten die hij toen verzamelde heeft hij bewaard. We mochten er ieder één uitkiezen en meenemen!

Mooi glimmend
“Eén keer zijn er op en rond ons huis vier bommen gevallen. Alle ramen waren kapot en het ledikantje van mijn zusje Ansje lag vol met scherven. Ze mankeerde niks. Een buurvrouw kreeg een scherf in haar longen. Ze is er negentig jaar mee geworden.
Als kind ging ik graag op zoek naar scherven. Vanaf de marinewerf , op de plek waar nu het Scheepvaartmuseum is, werd met luchtafweerkanonnen door de Duitsers geschoten tegen de Engelsen die overvlogen. ‘s Nachts hoorde je de scherven van ontplofte granaten op de grond kletteren. De volgende dag gingen we dan eerder van huis, om op weg naar school scherven te zoeken. Granaten, en ook de scherven ervan, glommen heel mooi. Als de zon scheen zag je ze in de verte al liggen. Na de oorlog had ik twee blikken met scherven verzameld!”

Kinderverzet
“Als kinderen zongen we verzetsliedjes. Sommige liedjes ken ik nog. Dat was voor ons de manier om verzet te plegen:

Een Engelse torpedo, jaha
Die voer eens langs de Duitse kust
Ze gingen aan de Führer vragen
Of hij zure bommen lust
In de heldere maneschijn
Bombarderen we Berlijn
En dat vindt de Führer helemaal niet fijn!”

7 mei op de Dam
“Met mijn achtjarige broertje Reggie ging ik op 7 mei 1945 naar het bevrijdingsfeest op de Dam. Opeens werd er geschoten door Duitse soldaten en ontstond er paniek. Iedereen rende weg en in het gedrang werd mijn broertje uit mijn hand gewrongen, terwijl ik met de massa mee naar het Damrak werd gesleurd. Daar gingen we plat op de grond liggen. Ik kreeg het benauwd en kon nog net schreeuwen: ‘Help, ik stik!’ Opeens werd het licht om me heen, iedereen rende weer verder. Ik ben naar huis gerend en kwam zonder glazen in mijn bril aan. Mijn moeder was erg in paniek maar opeens ging de bel: daar stond Reggie, onder het bloed. ‘Ik heb niks!’ zei hij. Het bloed was van iemand anders. Wij waren ongedeerd.”

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Van Alphenschool’

Wij interviewden meneer Paul Rowold. Hij vertelde over zijn oom Leo Piller. Zijn oom was Joods en docent in opleiding op de joodse Van Alphenschool, wat nu onze school is. Gelukkig kon Leo Piller onderduiken en overleefde de oorlog. Jaren later heeft meneer Rowold zijn oom kunnen interviewen en daarom kon hij veel over zijn levensverhaal vertellen.

Bankier wordt docent
“September 1941 werden alle Joodse kinderen door de Duitsers verplicht om naar een joodse school te gaan. De scholen die al joods onderwijs hadden voor de oorlogmoesten zoveel mogelijk Joodse leerlingen opnemen. Voor de andere kinderen werden haastig joodse scholen opgericht. de scholen kregen meestal een nummer. De Van Alphenschool was ‘Joodse school 1’.
Mijn oom was eigenlijk helemaal geen leraar. Hij werkte bij een bank op het Waterlooplein, maar werd daar ontslagen omdat hij Joods was. Vanwege een tekort aan Joodse leerkrachten is hij omgeschoold en werd na zijn ‘kwekelingtijd’ op de Van Alphenschool tijdelijk docent op een lagere school in de Dapperbuurt.”

Tijdelijk voor de klas
“Elke dag liep Leo van huis naar zijn school. Joden mochten niet meer rijden met de tram, hun fietsen waren afgepakt. Op de terugweg naar huis moest hij snel zijn, want het was anderhalf uur lopen en voor ‘spertijd’ moest hij binnen zijn.Een half jaar heeft hij maar les kunnen geven,want het leerlingaantal in de klas werd steeds kleiner. Mijn oom vertelde me over een jongetje in zijn klas dat vrolijk riep: ‘Meester, wij gaan naar Polen!’
Leo is ondergedoken, samen met zijn zus, (mijn moeder) en zijn ouders. De Nederlandse politie ging bij zijn (niet-Joodse) vrouw in Amsterdam langs om te informeren waar Leo was. Zij blufte: ‘Jullie hebben hem toch al lang weggehaald!’”

Vechten zonder kogels
“Als ik mijn oom vroeg wanneer hij echt bang is geweest, vertelde hij over mei 1940, toen de oorlog begon. Hij was soldaat in Limburg en heeft daar de Duitsers binnen zien komen. Gevochten heeft hij nauwelijks, want ze hadden geen kogels. ‘Toen ben ik echt bang geweest, daarna nooit meer,’ vertelde hij.”

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Kinderen in de klas zeiden dat ik ongeluk bracht’

Wij interviewden Rietje in cafe Hegeraat op de Noordermarkt. Na afloop hebben wij haar allemaal even een knuffel gegeven.

Hoe begon de oorlog?
‘Er waren ineens een heleboel soldaten met grote laarzen aan, op straat. Dat was heel angstig, omdat ik nog klein was. De familie kwam bij elkaar bij mijn oma op de hoek van de Goudsbloemstraat. Ze waren met zes zussen en twee broers. De man van mijn tante Bet, was zeeman op de grote vaart en kon dus niet meer terug naar Nederland, hij is de hele oorlog weggeweest. Als kind besefte ik eigenlijk niet hoe erg het was, maar zag dat iedereen om mij heen in paniek was. Mensen waren in tranen, ze waren in de war, omdat Nederland eigenlijk neutraal was.’

Ging u naar school in de oorlog?
‘Ja. Ik zat op school op de Lindengracht. Als er vliegtuigen overvlogen en er werd gebombardeerd, dan zat de meester onder de tafel en wij onder de banken. Dat hielp dus helemaal niets. Als er granaten insloegen, dan vloog het glas naar binnen.

Ik had een vriendinnetje en die kwam voor het eerst op school. Het was een heel schattig meisje en ze kwam naast mij zitten in de klas. We werden echt vriendinnen. Op een ochtend was ze er niet. Ze was ziek geworden en omdat er geen medicijnen in de oorlog waren is ze overleden. Dat was een hele klap voor mij. Ik mocht naar haar begrafenis. Daarna kwam er een ander meisje naast mij zitten. Met haar was ik ook vriendinnetjes. Mensen hadden niet echt een gasfornuis in de keuken en zij was buiten op een primus een pannenkoekje aan het bakken, toen is dat ding in de brand gevlogen en dat meisje ook. De meester heeft op school gebeden dat ze mocht overlijden, omdat ze anders een monster zou zijn. Ze is toen ook doodgegaan. Vanaf die dag wilde niemand meer naast mij zitten. Ze zeiden dat ik ongeluk bracht.’

Heeft u iets gemerkt van haat tegen Joden?
‘Mijn oom was half Joods, zijn vader was Joods, zijn moeder niet. Toch moest hij een ster dragen. In het begin was er niet zoveel aan de hand, maar later moesten hij en zijn vader ook onderduiken.’

Heeft u iets meegekregen van het verzet?
‘Mijn ooms waren communist en hadden illegale krantjes. Op een nacht hadden ze op alle peperbussen op de Lindengracht, aanplakbiljetten van het verzet geplakt. Toen zijn de Duitsers gekomen in overvalwagens en vroegen wie dat gedaan had. Niemand zei natuurlijk iets. Toen gingen ze alle huizen in, trappen op en brachten alle mannen naar buiten. Die moesten met hun nagels alle pamfletten van die peperbussen afkrabben. Hun nagels zaten helemaal onder het bloed. De Duitsers onderzochten meteen alle huizen of er nog onderduikers zaten.’

Hoe was het in de hongerwinter?
‘Aan het eind mocht een groep Amsterdammertjes naar Texel om aan te sterken.
Mijn moeder bracht mij naar dekschuiten achter het Centraal. Ik voelde mij heel alleen en moest huilen. Op Texel werden we ondergebracht bij mensen. Maar op Texel brak een zwaar gevecht uit, wat ze nu de Vergeten Oorlog noemen. Op het eiland zaten Russen (Georgiërs) die met de Duitsers hadden gevochten. Toen de Duitsers de oorlog aan het verliezen waren, moesten de Georgiërs met de Duitsers vechten tegen de Geallieerden, maar dat wilden ze niet meer en zijn in opstand gekomen. Er ontstond een bloedig gevecht. Ik moest mij verstoppen en mocht niet meer naar buiten. Er was helemaal geen communicatie tussen Amsterdam en Texel, dus mijn moeder wist helemaal niet dat er zo erg gevochten werd.  De Texelaars, die Georgiërs in huis verstopten, werden ook doodgeschoten. Deze strijd begon in april en eindigde pas nadat iedereen in Nederland al bevrijd was. Ik heb de bevrijding in Amsterdam dus niet meegemaakt. Ik was pas in juni thuis. Er zijn heel veel Georgiërs en Texelaren doodgegaan. Ook vier van de Amsterdammertjes die naar Texel waren gekomen om aan te sterken, werden gedood.’

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Zenden voor het verzet’

Wij interviewden Helma Brouwers op de zolder van de Eerste Leliedwarsstraat 21. Op dat adres woonden toen meneer en mevrouw Taylor, die Pierre Coronel toestemming gaven om voor het verzet te zenden vanuit hun huis.

Wat deed Pierre Coronel hier tijdens de Oorlog?
‘Pierre Coronel kwam hier steeds maar heel kort, want hij mocht niet heel lang uitzenden, want de Duitsers hadden peilauto’s. Met de radio heb je golven door de lucht en daarmee kon je ze makkelijk vinden. Uit voorzorg zenden ze niet alleen op één plek, maar op allemaal verschillende adressen in Amsterdam. Ze hebben met die zender, die heette de Arend, wel 2000 berichten gezonden in de tijd van een jaar. De neef van Theo Thijssen, Jan, was degene die een heel netwerk had opgezet voor het verzet en hij had de Raad van Verzet opgericht en hij had overal zenders. Die hadden ze ergens gejat.’

Was het niet heel gevaarlijk?
‘De eerste keer dat ze zijn gingen zenden met de Arend, zijn ze allemaal opgepakt en gefusilleerd. Ook de mensen waar de zenders stonden. Meneer en mevrouw Taylor gaven toestemming om hier te zenden. Dat was ook voor hun heel gevaarlijk, gelukkig zijn zij niet opgepakt. Toen heeft het verzet meer voorzorgsmaatregelen genomen. Een van die veiligheidsmaatregelen was: telkens vanaf een andere plek zenden. De zender kreeg op het laatste moment pas je te horen waar hij moest gaan zenden. Iemand anders ging dan met een koffertje met de zender naar het adres. In dat koffertje werden ook allerlei dingen gedaan zodat je niet zag wat het was. Ze verstopten de zender bijvoorbeeld in een krant. Vaak was het een koerierster die zich had verkleed als verpleegster. Dames werden minder vaak als gevaarlijk gezien. Het leek of ze een röntgenapparaat bij zich hadden. Dan zeiden ze dat ze snel naar het ziekenhuis moesten en werden ze vaak doorgelaten. Die zender bleef hier natuurlijk niet staan, want dat was veel te gevaarlijk.

Tijdens het zenden hadden ze mensen buiten staan, die keken of er een peilwagen kwam. Hij mocht niet langer dan 20 minuten zenden. En telkens op een andere golflengte. Ze zonden met een kristal. Als ze aan het zenden waren, moesten ze op een bepaalde golflengte komen. En die golflengte moesten ze ook verwisselen. Pierre Coronel wist niet wat hij zond. Ze gebruikten codes. Deze zender hebben de Duitsers ook nooit gevonden, toch heeft Pierre Coronel het niet overleefd.’

Hoe is hij uiteindelijk toch gepakt?
‘In de hongerwinter ging er heel veel mis met de stroomvoorziening en de zenders die allemaal in de stad stonden waren haast niet meer te gebruiken, want dan zat je te wachten op een boodschap en dan kwam er niets. Dat was veel te gevaarlijk. Jan Thijssen, die toen Lange Jan werd genoemd, kende iemand, die in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis werkte. In een ziekenhuis hebben ze aggregaten, daarom was een ziekenhuis een veilige plek. Dus ze zijn vandaar in de kelder gaan zenden. Op die plek was op een gegeven moment een inval. Pierre Coronel was aan het zenden en je ziet op foto’s dat Pierre Coronel altijd een pistool bij zich had. Hij was niet bang, hij was een worstelaar. Hij was al eerder opgepakt door de Duitsers, want iedereen die jong was moest gaan werken voor de Duitsers en hij is twee keer ontsnapt. Gewoon door een paar mensen ondersteboven te slaan. Dus toen die Duitsers binnen kwamen, heeft hij meteen om zich heen geschoten en hij heeft minstens twee Duitsers gedood, maar er waren er meer en eentje heeft hem toch door het hart geschoten.’

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Wij organiseerden van alles wat de Duitsers verboden hadden’

Wij vonden dat mevrouw Bongers er nog heel jong uitzag. Ze is al 95!

Hoe was het in uw buurt in de oorlog?
‘Tijdens de oorlog woonde ik op de Rozenstraat. Vlakbij de Prinsengracht was Ons Huis, dat was een buurthuis. En daar hebben we verschrikkelijk veel plezier van gehad, want dat was zogenaamd neutraal terrein. Alles werd verboden in de oorlog: padvinderijen, de AJC, alles waar een anti-Duits luchtje aan zat. Maar Ons Huis in de Rozenstraat, daar kwam iedereen samen, want wij konden zelf alles organiseren: declamatiewedstrijden en we lieten schrijvers komen.

In 1941, was de laatste avond van de vierdaagse met de Ons Huis Jongerenbond. Daarna kon het niet meer. Die avond was het begin van mijn vriendschap met mijn man. Hij hield zelf niet zo van wandelen, maar hij zei: “Ik breng je wel even naar het punt van vertrek”. En hij haalde mij later op. Die avond heb ik voor het eerst een kusje van hem gehad. Toen was ik 18. Na de oorlog zijn we getrouwd.’

Heeft u veel gemerkt van de hongerwinter?
‘We aten suikerbieten. Die kon je krijgen bij de groenteman, als ze het nog hadden, dat moest je dan klaarmaken. Eerst schillen en schaven op een schaaf, dat kon je dan op het vuur zetten, als je vuur had. Want de kolen gingen allemaal naar Duitsland.

Mijn moeder had van een blik een kacheltje gemaakt, met ontluchtingsgaatjes. Die suikerbietenpulp mengde ze dan met meel, als ze meel had, tot een deeg. Ze had een vetpannetje dat smeerde ze in met wat je nog aan vet had en dan die suikerbieten erdoor, dat maakte het zoet natuurlijk. Daar maakte ze een soort ontbijt van. Want wij moesten wel naar onze baas.

Toen de oorlog eenmaal aan de gang was werkte ik bij een hele chique zaak, bij Hirsch op een mantelatelier, mijn zus werkte daar ook. Toen het Dolle Dinsdag was geweest, hebben de Duitsers het hele gebouw, alles wat erin stond hebben ze eruit gesloopt, meegenomen, de mooie stoffen die daar waren, want het was de duurste zaak van Nederland, werd allemaal naar Duitsland gevoerd. En ik moest naar een korsettenfabriek. En alles wat er gemaakt werd ging naar de Duitsers.’

Moest u ook naar de boeren?
‘Ik ben helemaal naar Drenthe gelopen. Net buiten Amsterdam, bij de sluis, lagen we al in een greppel langs de weg omdat er Engelse jagers overvlogen. Het liep goed af en zonder verdere avonturen bereikten we Hilversum. We liepen maar. En via Hilversum naar Baarn. eerste dag zijn we helemaal in Nijkerk terecht gekomen. Daar woonde een tante van een meisje met wie ik op het atelier was. Ik was zo moe dat ik naast mijn stoel ging zitten. Na een goed ontbijt gingen de volgende morgen weer vroeg op pad, richting Nunspeet, waar mijn zus weer een adresje wist. En zo zijn we helemaal naar Diever gegaan. Die vrouw in Diever dacht dat we wel een paar weken zouden blijven, maar op 1 maart ging de IJsselbrug dicht. En dan kwam je niet meer thuis, dat was de enige verbinding met Noord Holland.’

Heeft u de schietpartij op de Dam meegemaakt?
‘Mijn vader stond bij de kerk, mijn zusje en ik stonden aan de andere kant van het paleis, tegenover de Raadhuisstraat. Dus wij zagen wat er gebeurde. En ineens begonnen ze te schieten vanuit de Grote Club. Mijn vader moest zich verwijderen van waar hij stond bij die kerk en hij zei: “Ik ben over mensen heen gestapt, ik weet niet of ze dood waren of leefden”.

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘’

Wij interviewden ‘Ome’ Jan Bosman in het buurthuis op de Elandsgracht waar hij nog steeds vrijwilligerswerk doet.

Hoe was voor u het begin van de oorlog?
‘Ik ben van huis uit een Jordanees. Toen de oorlog begon was ik 14 jaar. Ik werkte al als schilders knecht. Ik was bij mijn vorige baas weggegaan, hij had niet zo veel werk meer en toen ben ik bij een andere schilders baas terechtgekomen. Hij had op de Prinsengracht over de Noordermarkt in die keldertjes een werkplaatsje. Ik moest op zaterdagmiddag de werkplaats opruimen. Ik was daar mee bezig en ineens lag ik, na een grote explosie, midden tussen de verfpotten op de grond. Wat was er gebeurd? De Duitsers hadden een bom laten vallen op de Blauwburgwal. Door de explosie ben ik gewoon op de grond gesodemieterd. Je was verbijsterd, je wist niet wat er gebeurde, want het was oorlog.
In het begin van de oorlog hebben we er niet zo veel van gemerkt. Ik zat, ondanks dat ik 14 was, in de wielervereniging en we zouden een week erop in Rotterdam de kampioenschappen van Nederland fietsen. Daar zijn we op de fiets naartoe gegaan met een man of zes, maar toen we in de richting van Rotterdam kwamen, was er geen Rotterdam meer. Het was helemaal weggebombardeerd. Het was één rookpluim. We konden die nacht nergens slapen, uiteindelijk vonden we onderdak in een zuurkoolfabriek, daar mochten we slapen.’

Heeft u veel gemerkt van de oorlog?
‘Tot mijn 16de heb ik een beetje rustig kunnen leven. Tot ik opgepakt werd. Ik werd met hele groep jonge mensen naar het dorpje Maarum, Groningen gestuurd. Daar moest je met lorries, dat zijn een soort treinen, zand van de ene kant naar de andere kant brengen, want aan de ene kant was te veel zand en aan de andere kant was te veel water en dat moest gedicht worden. Je leefde in een kamp, met allemaal mannen. ’s Winters of ’s zomers, maakte niet uit, om 6 uur je bed uit, dan moest je sporten, dan ontbijten en dan moest je weer naar het werkkamp.

Op een zeker moment werd het werkkamp opgeheven, omdat er geen werk meer was. Toen werd ik naar een munitiekamp gebracht bij Apeldoorn, bij Hoog Soeren. Daar moesten wij bunkers bouwen, want daar moesten Duitsers hun munitie bewaren. Daar was het hotel Oranjeoord, daar aten en sliepen we. Al onze burgerkleren werden in beslag genomen en we kregen een uniform. Het was geen Duits uniform, maar ook geen Nederlands uniform. Je kon zien dat je nergens meer inpaste.

Een keer moesten wij ’s avonds verzamelen, er werd getoeterd en geroepen. Alle groepen werden bij elkaar gezet, tot er ineens een Duitse militaire auto aan kwam rijden. Hij reed abnormaal hard en hij reed een van onze jongens aan, die was in één keer dood. Die chauffeur was zijn macht kwijt. Wat ik het ergste daarvan vond: er kwam een organisatie die overleden mensen transporteerde, zeg maar een ambulance van de Duitse Wehrmacht. Ze hadden een kist bij zich en daar stopten ze die jongen in, maar hij paste niet in die kist. Wat deden die Moffen? Ze gingen zo bovenop zijn knieën staan en toen vloog de bodem van de doodskist eraf.’

foto’s: Marieke Baljé

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892