Archieven: Verhalen

‘Mijn opa en oma zijn later dus weer teruggekeerd naar Italië’

Amina, Enzo, Develinio en Meta van Basisschool De Kinderboom interviewen Alberto Rosa Gestaldo. (1944)  Ze ontmoeten elkaar in het Museum Amsterdam-Noord. Zijn Italiaanse familie, grootouders en later ook zijn vader, vertrokken naar Nederland om een toekomst op te bouwen.

Waar kom je vandaan? Hoe was het leven van je ouders in hun geboorteland?
‘Ik kom oorspronkelijk uit Noord-Italië, de stad Maniago, waar mijn vader vandaan komt. In die streek was toen niets, dus ook geen werk. Er was geen landbouw mogelijk. Daar heeft hij geleerd met graniet en mozaïek te werken. Behalve dat er geen werk was, was Italië toen fascistisch. Zoals je in Duitsland de Nazi’s had, had je in Italië de fascisten. Dat betekende dat iedereen moest doen wat er opgelegd werd; een soort dictatuur. In die tijd zijn om die reden veel Italianen uit dat gebied naar Nederland gekomen.
Mijn opa en oma hadden vóór die tijd, vanaf 1900, ook in Nederland gewoond en gewerkt, maar waren teruggekomen. Mijn opa raadde mijn vader in die tijd aan om ook naar Nederland te gaan.’

Waarom ging je familie naar Nederland en hoe was dat in het begin?
‘Mijn opa en oma gingen met de trein, daar deed je wel vier, vijf dagen over. Mijn opa kwam er om te werken, en mijn oma ging mee om voor hem te zorgen. Ze woonden in Scheveningen en mijn opa werkte in Den Haag. Ik denk niet dat ze Nederlands spraken, maar ze kwamen allemaal eerst bij familie terecht die daar al woonde. Daar zijn een broer en zus van mijn vader geboren. Mijn opa en oma zijn later dus weer teruggekeerd naar Italië. Daar zijn mijn vader en twee andere broers geboren.Van mijn vader weet ik dat hij geen woord Nederlands sprak. Maar later trouwde hij met een Nederlandse vrouw. Zo kwamen veel Italianen, zonder vrouw, deze kant op. Degenen die wel getrouwd waren, lieten hun vrouwen later overkomen naar Nederland. De meeste mensen die hierheen kwamen, waren granietbewerkers, schoorsteenvegers én ijsverkopers. Dat kennen jullie vast wel, Italiaans ijs. Na de oorlog lag er veel in puin, in Nederland startte de heropbouw dus er werden weer huizen opgebouwd en die hadden ook badkamers en keukens nodig en dat was nog allemaal van graniet. Mijn vader is een bedrijf gestart, eerst in onderhoud van schepen tot 1950. Daarna ging mijn vader in de bouw, er was toen heel veel werk.’

Hoe was het hier en hoe was de ontvangst?’
Ik denk dat mijn opa en oma het goed hebben gehad, want ze hebben later mijn vader aangeraden om naar Nederland te gaan! Ik ben hier dus geboren en heb een fijne jeugd gehad. Ik ben in het laatste jaar van de oorlog geboren, dus mijn hele jeugd stond wel in het teken van de oorlog. Iedereen had het er over; de erge verhalen, zeker ook over de Joodse gemeenschap, maar ook de wederopbouw. Ik speelde graag buiten, voetbalde veel. Ik ben ook nog op mijn stepje naar Volendam gestept. We verzamelden kerstbomen voor het Nieuwjaarsvuur. Het was een heel fijne jeugd. Wij hebben de oorlog overleefd, maar een jongere broer van mijn vader niet. Die is verdwenen nadat hij geweigerd had te vechten voor de fascisten.’

Mist u Italië?
‘Als ik eerlijk ben mis ik Italië niet, want ik ben hier natuurlijk geboren en ik heb een Nederlandse moeder. Ik ben grootgebracht in Amsterdam en ik vind Nederland een heerlijk land. Ik ben heel tevreden hier. Ik werd vroeger wel eens uitgescholden als spaghetti vreter. Spaghetti vind ik lekker, er zijn heel veel soorten sauzen. Maar het lekkerste Italiaanse gerecht vind ik Frito Misto, een Italiaans gerecht van diverse soorten gefrituurde vis. Ik houd eigenlijk nog meer van de Chinese keuken, of de Thai, en Marokkaans eten vind ik ook lekker en stamppot met een lekkere gehaktbal met veel jus!’

Wat zijn de verschillen tussen Nederland en Italië?
‘Er zijn natuurlijk verschillen tussen Nederland en Italië, het klimaat en de mensen zijn anders, de cultuur ook. Maar binnen Italië zijn ook erg grote verschillen, Italië is wel twaalf keer zo groot als Nederland. Ook vanuit de geschiedenis is Italië een mix van verschillende culturen.Ik ken Italië eigenlijk alleen omdat ik er wel eens gewerkt heb en vakantie gehouden. Ik heb er nooit gewoond. Mijn vrouw was ook Italiaanse, maar toch; ik ben altijd weer blij als ik in Nederland ben. Als ik aan Italië denk en wat ik het mooiste vind, dan is dat de geschiedenis van het land en met name de stad Rome, met al die zichtbare overblijfselen van die grote geschiedenis. Ik houd erg van geschiedenis en om dat ook te voelen.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn Turkse familie blijft natuurlijk heel belangrijk voor me’

Feliza, Sara, Nathan en Paul van Basisschool De Poolster gaan Namiye Senol interviewen. Ondanks een groot evenement wat ze aan het voorbereiden is, maakt mevrouw Senol graag tijd voor het interview met de leerlingen. Ze ontmoeten elkaar in de bibliotheek Molenwijk in Amsterdam-Noord.

Hoe was het in Turkije om als kind op te groeien?
‘Ik woonde in een grote stad Istanbul en groeide op met mijn broertje en zusje. Mijn vader werkte op een kantoor en mijn moeder was huisvrouw. We hadden niet veel geld, maar we hoefden niet zoveel spullen als de kinderen van nu. Als ik zo terugkijk op mijn kindertijd was het prachtig. Ik woonde in een grote flat met ook een grote binnentuin. Er woonden veel kinderen van mijn leeftijd. Samen liepen we naar school en weer naar huis, ouders hoefden niet mee; het was veilig. Meestal speelden we gewoon op straat. Er waren bijna geen auto’s.  Dat was allemaal wel veertig jaar geleden hoor, nu is het heel anders in Istanbul. Het is heel druk geworden met veel auto’s, kinderen kunnen niet buitenspelen zonder begeleiding, dat is veel te gevaarlijk. Ik heb daar nog veel neefjes en nichtjes.’

 Wat is de reden dat u naar Nederland bent gekomen?
‘De reden is dat ik ging trouwen. Ik was verliefd geworden op iemand, een Irakese man. Dat was in 1999. Ik was toen 28 jaar. Een jaar later verhuisden we naar Nederland, hij had namelijk kennissen in Nederland. Het is een enorme grote verandering om naar een ander land verhuizen. Je laat alles achter. Ik vond het heel moeilijk. Ik sprak de taal niet, er was niemand waarmee ik kon praten. En ik miste mijn familie heel erg. Er waren geen vrienden of buren, echt niemand. Vooral het eerste jaar was heel zwaar. Ik kwam te wonen in Amsterdam-West en kon wel Engels praten maar al mijn buren niet. Dat waren al wat oudere Amsterdamse mensen. Ik ben vier jaar naar school geweest om Nederlands te leren. Nog steeds ben ik bezig met Nederlands leren, want een nieuwe taal leren duurt heel lang. Gelukkig is mijn man altijd heel lief voor me geweest. Hij nam me mee eropuit, dan gingen we samen fietsen. Fietsen moest ik ook leren. Dat waren gelukkig gezellige uitjes.’

Eet u nog steeds Turks eten?
‘Ik eet zeker Turks eten, maar ook ander soort eten. Bijvoorbeeld Marokkaans, Surinaams en Spaans. Ik heb veel Turkse recepten die ik maak. Turkse pizza bijvoorbeeld en Turkse dolmades, die wijnbladeren. Dat vind ik heel lekker. Mijn moeder maakte vroeger altijd brood, dus ik heb ook veel broodrecepten. Ik geef kookworkshops aan kinderen voor mijn werk, dat is mijn grote passie. Wij maken dan met de kinderen gezonde hapjes van groente en fruit. Toen ik net in Nederland kwam, moest ik zelf heel erg wennen aan het eten. Ik kon niks vinden van wat ik gewend was van uit Turkije. Maar nu is alles ook hier! Vroeger nam ik mijn favoriete eten en drinken mee uit Turkije, maar dat hoeft nu niet meer. Dat is een groot verschil tussen toen en nu.’

 Zijn uw ouders weleens in Nederland?
‘Zeker. Sterker nog, ze zijn net drie maanden hier geweest! Mijn dochter ging trouwen, dus ze kwamen over voor de bruiloft. Daar hebben ze meteen een lange periode aan vast geplakt. Daar heb ik ontzettend van genoten. Lekker samen zijn, samen koken, samen eten. Het doet me goed dat zij ook mijn leven hier kennen, want inmiddels ben ik wel volledig ingeburgerd. Ik heb mijn eigen vriendinnen, mijn eigen activiteiten, mijn eigen bezigheden. Maar mijn Turkse familie blijft natuurlijk heel belangrijk voor me, dus het is een rijkdom voor mij om mijn ouders hier op bezoek te hebben, en dan ook nog voor zo’n lange periode! Daar ben ik heel dankbaar voor.’

Archieven: Verhalen

‘Nederland mijn droomland, ik voel me hier thuis en hoef nergens anders heen’

Farouk, Pepijn, Anastacia en Salome van Basisschool De Poolster nemen plaats aan de tafel bij Zorka Gostinirovitis. Ze stelt hen eerst een paar vragen. Hoe ze heten? Waar ze van houden? Hoe oud ze zijn? Daarna starten ze met het interview.

Hoe was het leven in Bosnië?
‘Mijn vader was heel streng. Ik mocht niet sporten, niet spelen. Het enige wat ik deed was werken, altijd maar werken. Tot ik mezelf de vraag stelde: wat heeft dit eigenlijk voor zin, als ik nooit eens iets leuks kan doen? Ik had geen mooie kleren, ik kon niet uitgaan… Iedereen daar was ouder dan ik en nam beslissingen over mij. Ik kon helemaal niet bepalen wat ik zelf wilde doen of laten. Er bestond niet zoiets als een keuze: ga ik vandaag wel of niet werken of ga ik mijn bed uit ja of nee? Nee, ik moest gewoon. Gelukkig gaf mijn vader me toestemming om via een arbeidsbureau op zoek te gaan naar ander werk op een nieuwe plek.’

Hoe was uw reis naar Nederland?
‘Eigenlijk wilde ik naar Duitsland gaan om te werken, maar dat ging niet door. Toen kwam er via dat arbeidsbureau iets voorbij in Nederland en ik had over Nederland horen zeggen dat het een land van bloemen was, dus toen dacht ik: ik ga wel. Mijn vader gaf me een boekje met raad. Hier stond bijvoorbeeld in hoe ik me moest gedragen in het buitenland en wat ik moest doen als ik ziek werd. Maar toen ik eenmaal ging, moest ik alles natuurlijk zelf uitvogelen. Ik ging met het vliegtuig en vond het geweldig om zo hoog boven het land te zweven. Ik ging naar Veenendaal, waar ik al vrij snel ziek werd en zelfs het ziekenhuis in moest. Ik kende helemaal niemand, maar het leuke was dat ik in het ziekenhuis snel vrienden maakte. Toen voelde ik me direct thuis.’

Hoe heeft u uw man ontmoet?
‘Ik heb mijn man ontmoet in een hotel waar ik toen werkte als chef. Hij was daar tuinman. Toen hij eens mee ging naar Bosnië, zei hij: dit is mijn droomland! Hij was zo dol op Bosnië, mijn thuisland, dat toen hij overleed, ik hem naar Bosnië heb gebracht. Op zijn grafsteen staat: ‘Hier wil jij blijven. Blijf maar hier.’ We hebben samen twee dochters gekregen en ik ben nu oma van twee kleinkinderen. Voor mij is Nederland mijn droomland, ik voel me hier thuis en hoef nergens anders heen. Ik heb hier veel vrienden en houd van koken, van bakken en eten. Ik eet van alles, van Nederlandse stamppot tot Surinaams tot Bosnische gerechten… Het was wel even wennen hoor, dat het in de Nederlandse cultuur niet vanzelfsprekend is dat je gasten uitnodigt aan tafel! Dat is in de Balkan heel anders en natuurlijk in veel meer culturen.’

Heeft u nog advies voor ons?
‘Ik zeg altijd: als je iets wilt, dan moet je er gewoon voor gaan. Hoe gek het ook klinkt, wat andere mensen er ook van vinden… Als jij ergens in gelooft, als jij ergens van droomt, dan kan je dat waar maken. Het gaat alleen niet vanzelf, je moet wel je best doen. Je bereikt geen grote dingen door stil te zitten. Het helpt om een plan te maken en je daar op te focussen. Niet alles gaat vanzelf, daar moet je rekening mee houden. Maar als je doorzet en het lukt, dan kan je trots op jezelf zijn.’

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik mocht mijn eigen taal niet spreken, Koerdisch’

Op de Daltonschool de Poolster in Amsterdam-Noord interviewen Giano, Philippine en Vyeisha Mustafa Ayranci. Hij is geboren in het Koerdische dorp Celep in Turkije en kwam op zijn 18de naar Nederland. De drie interviewers moeten even op gang komen, maar al snel komen de vragen.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Het was onveilig in mijn eigen land. Ik mocht mijn eigen taal niet spreken, Koerdisch. Dat vond ik zo oneerlijk. Iedereen zou zijn of haar eigen taal moeten spreken. Natuurlijk is het fijn om in Nederland allemaal Nederlands te spreken, maar als jij geboren bent in Suriname dan is het toch logisch dat je ook Surinaams wilt spreken, net zoals dat je ook Surinaams wilt eten? Ik vind dat een recht en heb daar ook altijd voor gestreden. Ik streed ook voor vrouwenrechten. In Turkije was ik door mijn activisme niet veilig meer, dus toen ben ik op de trein gestapt naar Nederland. Ik kwam aan in Amsterdam en hoorde in de buurt van het station twee mensen Turks praten. Die sprak ik aan en zij hebben me geholpen aan onderdak op de Albert Cuypstraat. Vanaf de Albert Cuyp liep ik ‘s nachts eens richting de Heinekenbrug. Er kwam een vrouw op een fiets langs, in een jurk en ze floot. Toen dacht ik: dit is een land waar een vrouw ‘s nachts fluitend over straat kan en zich veilig voelt? Dit is een land dat bij mij past, hier wil ik wonen! Sinds die tijd ben ik trots op Amsterdam.’

Was het moeilijk om de Nederlandse taal te leren?
‘Ik heb de Nederlandse taal binnen drie maanden geleerd. Op mijn werk hebben mijn collega’s me gigantisch geholpen. Ik had één collega, Henk, die probeerde altijd met me in gesprek te gaan om me te helpen de taal te leren. Hij zei: ‘Mustafa, dit is een tafel, dit is een telefoon.’ Zo ging het best snel. Ook kreeg ik een Turks-Nederlands woordenboek van mijn collega’s cadeau. Het eerste Nederlandse woord dat ik leerde? ‘Goeiemorgen’. En toen: ‘Hoe gaat het?’. De ‘g’ was wel altijd moeilijk hoor.’

Hoe was de cultuur in Turkije?
‘In 1956 werden alle Grieken weggejaagd uit Turkije omdat het Nationalisme groeide. Religie speelt daarbij een grote rol. Het overgrote deel van de bevolking is moslim. Ook Christenen en Armeniërs werden weggejaagd. In Nederland is relatief veel vrijheid. Hier mag je een Islamitische school oprichten, maar in Turkije hebben veel Koerden in de  21ste eeuw, nu dus, nog steeds geen scholing. Vroeger was Nederland wel een stuk toleranter dan nu. Terwijl er zoveel rijkdom is! Amsterdam kent 180 nationaliteiten. Er is zoveel verschillend eten, zo veel verschillende muziek. Dat is toch prachtig om allemaal met elkaar te delen. Daarom zijn jullie ook zo belangrijk, want jullie zijn de toekomst. Blijf zelf nadenken, kom op tegen discriminatie, en geniet van de rijkdom die we rijk zijn met elkaar.’

 

Archieven: Verhalen

‘134 betekende: wegwezen! Dan renden alle onderduikers weg’

Senne, Nuka, Robin en Loa rijden vrolijk met de auto naar de 89-jarige Marc Driessen, die midden in het centrum van Bergen woont in een heerlijk licht huis. Hij staat de kinderen al op te wachten en is blij dat ze er zijn. De interviewers van de Roland Holstschool schuiven aan de tafel en meneer Driessen zorgt voor wat te drinken wat lekkers. Hij vertelt graag en begint meteen zijn verhaal.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Op 10 mei stonden de piloten op het vliegveld in Bergen te kijken naar het oosten, ze verwachtten dat ze vanuit daar zouden worden aangevallen. Maar de Duitse bommenwerpers waren opgestegen in Bremen en vlogen via een bocht vanuit het westen over het vliegveld in Bergen en gooiden het hele vliegveld in puin.

Vanuit ons huis keken we zo naar de bombardementen op het vliegveld: ik zag grote rookpluimen boven het vliegveld. Mijn vader vond het te link worden omdat we daar pal tegenover woonden en bracht ons naar een vriend, waar we in de kerk konden logeren. Dat was lol, we klommen op de preekstoel.’

Uw vader had een fabriek in Alkmaar; hoe was dat?
‘Mijn vader had een conservefabriek, waar ze in de zomer alle groenten in blik stopten en verkochten in de winters. Ook maakten ze er met wortels een vitamine A-pasta, dat ging naar chocoladefabriek Ringers, en die maakten er pilletjes van.

De Duitse soldaten vroegen mijn vader of hij eten wilde maken voor hen, maar dat weigerde hij. Hij bouwde de fabriek om tot gaarkeuken en verzorgde eten voor de hele omgeving. Op het laatste moment waren er alleen suikerbieten, wortelen, bloembollen en aardappelen, daar maakten ze dan een pap van.

Het eten ging dan naar uitdeelstations met paard en wagen. Mensen kregen bonnen waarmee ze eten konden halen.

In de fabriek waren ook een heleboel onderduikers. Dat was best link, maar ze hebben ze nooit kunnen ontdekken. Alle belangrijke mensen in de fabriek hadden een eigen nummer. De huistelefoonkastjes hingen overal, je draaide dan een nummer om iemand iets door te geven. Maar 134 betekende: wegwezen! Dan renden alle onderduikers naar een speciale plek in de fabriek.’

Wat weet u nog van school?
‘Mijn school was een heel eind lopen. Je kon geen schoenen meer kopen dus ik liep op klompen; daar stapte je in met een leren voetje. Zomers liep ik op kleppers, een houten zooltje met een bandje eroverheen.

Ik herinner me dat het rieten dak van de Bosschool door een lichtkogel werd geraakt en in de brand vloog. Ook herinner ik me Jetty Hamburger, een Joods meisje dat bij mij in de klas zat. Zij was er ineens niet meer, haar plek in de klas was leeg, dat was wel vreemd. Later hoorde ik dat ze opgepakt was.’

Archieven: Verhalen

‘Uren hebben mijn broer en ik aren staan malen in de koffiemolen’

Hans, Isaiah, Ize en Yinka fietsen in de zon naar het huis van Jaap Staadegard die in een pittoresk straatje in Bergen woont. Hij verwelkomt ze hartelijk en ook zijn zoon en schoondochter zijn er met thee en lekkers. De leerlingen van de Roland Holstschool beginnen het interview bij hem thuis, maar hij wil ook graag op de fiets om de kinderen dingen te laten zien.

Hadden jullie genoeg eten in de oorlog?
‘In 1943 was er geen eten meer, en daarom ging ik geregeld met mijn broers en zussen aren zoeken. Als we thuiskwamen met de aren, ging mijn vader ze dorsen om er korrels van te maken. Die gingen mijn broer en ik dan malen in een koffiemolen zodat we meel hadden om plat brood mee te bakken. Uren hebben mijn broer en ik staan malen.’

Kende u NSB ers?
‘Een zoontje van een NSB’er zat bij mij in de klas. Op een dag hadden vrienden en ik folders gezocht die door Engelsen uit de vliegtuigen werden gegooid met informatie over de oorlog. We deelden ze uit op school.

De zoon van de NSB’er nam ook folders mee naar huis, maar toen hij thuiskwam vroeg zijn vader van wie hij ze had gekregen. ‘Van Jaap en zijn vrienden’ zei hij. Nou, toen kwamen de Duitse soldaten bij ons in de klas om ons op te halen en moesten we naar de Ortzcommandant. Die sprak ons streng toe. We hadden zo n grote angst. Wat zou er met ons gebeuren? Maar wij waren nog kinderen dus wij moesten als straf konijnenstammen zoeken voor zijn konijnen. Dat heb ik vier dagen gedaan.’

Kende u onderduikers?
‘Veel jonge mannen werden opgeroepen om in Duitsland in fabrieken te gaan werken omdat alle Duitse jonge mannen in de oorlog meevochten. Een heleboel Nederlandse mannen wilden dat natuurlijk niet, ook mijn broers niet, en veel van hen doken onder. Mijn broers kenden meerdere onderduikadressen. Als het bericht kwam dat er een razzia kwam, doken zij onder in een kelder van een boerderij in de buurt.’

Heeft u wel eens een vliegtuig zien neerstorten?
‘Ik herinner me dat ik ‘s morgens wakker werd door een hevige klap doordat een vliegtuig naast ons neerstortte. Heel eng was dat. De piloten die de klap overleefd hadden, belden bij ons aan, maar mijn moeder durfde ze niet binnen te laten uit angst dat mijn broers zouden worden opgepakt.

In het weiland stonden ook allemaal palen verbonden met draad en aan sommige hingen granaten. Dat was om parachutisten tegen te houden die naar beneden kwamen. Als zij dat draad raakten, gingen er granaten af.’

Heeft u wel eens iets gevaarlijks meegemaakt?
‘Op een dag was ik met mijn vader aan het werk op het land, een plek waar de tram Bello langsreed. Bello werd regelmatig beschoten en toen we daar bezig waren, begonnen vliegtuigen boven ons ineens te schieten. We doken weg achter de tram Bello om onszelf in veiligheid te brengen.’

Archieven: Verhalen

‘Als mijn vader mij niet had vastgepakt, had ik hier nu niet gezeten’

James, Eef, Anelot en Marsil gaan met de auto naar Egmond-Binnen en nemen de vragen voor het interview al rijdend nog even door. Ze hebben zich heel goed voorbereid op het interview met de 86-jarige Jaap Kramer en zijn vrouw. Het echtpaar ontvangt de leerlingen van de Roland Holstschool hartelijk in hun fijne huis; ze schuiven aan de lange tafel en het interview kan beginnen.

Wat merkte u van de oorlog als u buiten speelde?
‘Soms schoten geallieerde vliegtuigen auto’s van de Duitse soldaten van de weg, die dan in de sloot terechtkwamen. Op een keer speelde ik buiten toen de geallieerde vliegtuigen begonnen te schieten op een auto…ik schrok me rot! Mijn vader zag het gebeuren, greep mij vast en gooide me in de voortuin van ons huis. Ik hoorde de kogels in de steeg ernaast vallen. Als mijn vader mij toen niet had vastgepakt, had ik hier nu niet gezeten.

Die angst dat iets kon gebeuren was er altijd.’

Heeft u iets engs meegemaakt?
‘Op een dag stond ik thuis voor het raam. Er kwam een man langslopen met een lange leren jas. Hij liep ons huis voorbij, maar even later hoorde ik een paar knallen en zag ik die man heel hard weer teruglopen. Hij had iemand in de straat doodgeschoten.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Mijn vader had een grote tuin, dus daar haalden we eten uit. Ook ging mijn vader lopend naar Bakkum of Akersloot vanuit Limmen om bij de boer een fles melk te halen voor ons gezin. Verder aten we suikerbieten. Mijn moeder maakte er mooie figuurtjes van in de hoop dat wij ze lekker zouden vinden, maar het was heel vies.’

Vragen aan mevrouw Kramer:

Waar maakte u de oorlog mee?
‘In Castricum, maar wij mochten niet meer in ons huis blijven vanwege de bouw van de Atlanktikwall, wij moesten naar Alkmaar. In Alkmaar zag ik heel veel soldaten komen. Ik ging tussen de soldaten lopen omdat ik het er zo prachtig vond uitzien, ze marcheerden zo mooi. Een meneer heeft mij er toen tussenuit gepakt.’

Hadden jullie contact met Duitse soldaten
‘Mijn vader had voor mensen die wilden vluchten een ruimte onder de werkplaats. Eens toen hij iemand hiernaartoe bracht, kwam er net een Duitse soldaat aan. Mijn vader dacht: als hij maar niets heeft gezien… Maar het was een hele jonge man die aan het huilen was. Mijn vader begon een gesprek met hem en hij vertelde dat zijn vrouw een kindje kreeg en dat hij daar niet bij kon zijn omdat hij verplicht soldaat moest zijn.

Mijn vader heeft toen een oude fiets van mijn opa zwart geschilderd en de fiets meegegeven aan de soldaat. Zo jongen, zei hij, ga jij maar naar huis, dan kun je ‘s nachts fietsen. We hebben nooit meer iets van hem gehoord dus we denken dat hij het niet gered heeft.’

Archieven: Verhalen

‘Nederlandse soldaten kwamen vaak een kopje thee drinken bij mijn ouders’

Vrolijk fietsen Tobias, Bruno, Naomi en Louise door de weilanden van Bergen naar Schoorl. De interviewers zingen en zeggen iedereen die ze tegenkomen gedag. Na 20 minuten fietsen komen de leerlingen van de Roland Holstschool na wat zoeken aan bij een grote villa waar Han Meijer (86) woont. Hij was al op ze aan het wachten, ze gaan snel beginnen!

Hoe ging het eraan toe in de oorlog?
‘Er was een groot tekort aan eten en daarom gingen de mensen naar de boeren om eten te vragen. Veel kwamen uit Schoorl, Bergen, maar de mensen die uit Amsterdam, Leiden en Den Haag kwamen, hadden vaak dagenlang gelopen met een handkar. Dat was een enorme opgave.

Mensen die hierheen kwamen, moesten onderweg slapen. Vaak sliepen ze langs de weg, maar ook bij mensen in schuren. Bij ons sliepen mensen in het hooi bij de geiten want wij hadden geen plek in ons huis.’

Wat merkte u van de oorlog?
‘In Schoorl stond een radartoren boven op het duin. Via deze radar konden ze vijandelijke vliegtuigen traceren en beschieten. Op de radartoren werd daarom regelmatig geschoten. De hulzen van de kogels daalden neer in onze tuin; die vonden we dan in het gras.

In de oorlog was er een soldatenkamp op de plek waar nu het Zandspoor is in Schoorl. Eerst zaten daar Nederlandse soldaten en er werden ook Engelse piloten opgevangen. Zij kwamen vaak een kopje thee drinken bij mijn ouders. Als ze dan te laat terugkwamen en het kamp al dicht was, kropen ze onder het prikkeldraad door. Later namen de Duitse soldaten het kamp over en na de oorlog werden de NSB’ers in het kamp gezet.’

Wat deden uw ouders in de oorlog?
‘Mijn vader moest onderduiken omdat hij was opgeroepen om te werken in Duitsland. Als er een razzia kwam op zoek naar mensen die onderdoken, hoorden we dat via via en dan kroop hij in de turfkoker. Beneden hadden wij een haardvuur waar wij turf stookten. Bij een razzia kroop hij de turfkoker in, dat kon hij omdat hij zo mager was, en dan ging hij tussen de twee verdieping in liggen. Hij hoorde dan de Duitse soldaten boven hem over de zolder lopen.’

Archieven: Verhalen

‘We hadden wel negen onderduikers in huis’

Op een zonovergoten dag fietsen Evy, Emma, Rasmus en Foss naar het huisje van Gerrit Sijpheer in Bergen. Hij verwelkomt ze warm en hij heeft allerlei lekkere dingen klaargezet voor de leerlingen van de Roland Holstschool. Daar hebben ze zin in!

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren vlakbij de Eerste Bergensche Boekhandel aan de Oude Prinsweg en verhuisde later in de oorlog naar de Notweg. Mijn vader was hoofd luchtbeschermingsdienst. Hij moest de toren van de Ruineker beklimmen en bovenop de klokkentoren kijken of er vijandige vliegtuigen aankwamen.

Ook werkte hij bij het gemeentelijk elektrabedrijf, dat ervoor zorgde dat heel Bergen stroom had. Daarom mocht hij ook in Bergen blijven toen de andere bewoners werden geëvacueerd. Veel Bergenaren moesten vertrekken omdat de Duitsers hun huizen nodig hadden voor de soldaten die bouwden aan de Atlantikwall en het vliegveld.’

Wat deden uw ouders verder in de oorlog?
‘In onze kelder werd De Waarheid, een verzetskrant, gedrukt. Dat deden ze met een stencilmachine, een soort kopieermachine waarbij je de vellen door de machine draaide. Hier waren veel mensen bij betrokken; mensen die artikelen aanleverden, ze stencilden en die de krantjes stiekem verspreidden. Ook onderduikers hielpen mee met het drukken van de krant. Het krantje was van belang voor anderen zodat ze wisten wat er gaande was en hoe de oorlog verliep.

Van alles wat verkeerd ging, kregen Joden de schuld van. Ze mochten niets meer en moesten een Jodenster dragen. Ze werden opgejaagd en opgepakt. Daarom vluchtten velen of doken onder. Mijn vader en moeder vonden dit zo erg dat ze gingen helpen. We hadden daarom wel negen onderduikers in huis. Het was best wel druk in huis: Bob, Anita , David, Kitty en Hannie.

Hannie was ons eerste meisje dat zogenaamd kwam logeren en bij ons onderdook. Zij zorgde altijd voor mij, dat was voor haar afleiding. Ze kon niet naar school maar ze kon wel buiten spelen. Mijn moeder had een kunstje bedacht om haar er niet Joods uit te laten zien. Ze waste haar haren met waterstofperoxide en dan kreeg ze knaloranje haar en kon ze naar buiten.’

Wilt u nog iets vertellen?
‘Op dit moment zijn er ook veel mensen op de vlucht voor oorlogen en er zijn veel mensen die hulp nodig hebben. Dat is de moeilijkheid waarin je komt te verkeren. Wat doe jij als er iemand aan de deur komt die hulp nodig heeft: help je hem of haar?

Weet je, als je zoals vroeger vaak hoort en leest in de kranten dat Joodse mensen niet deugen en verkeerd zijn, gaan mensen dat geloven. Dat was destijds de reden dat veel mensen niet wilden helpen. Het is heel belangrijk om onderscheid te maken tussen wat anderen vinden en zeggen en dat wat jij zelf vindt en denkt. Het is heel belangrijk om altijd goed na te blijven denken en je eigen hart te volgen.’

Mijn vader zei altijd: er is maar één land dat is de wereld en er is maar één volk en dat zijn mensen.’

Archieven: Verhalen

‘We gingen de vliegtuigen tellen en wie de meeste Tommies telde won’

Muze, Hannah, Wonne en Miles gaan de 96-jarige Annie Stoop interviewen. Ze woont in Bergen en ze is de enige en oudste vrouw die wordt geïnterviewd. De leerlingen van de Roland Holstschool moeten even zoeken naar het adres, maar dan vinden ze het. Mevrouw Stoop heeft sapjes in huis gehaald en de kinderen krijgen een koekje uit een trommeltje dat ze kreeg toen de oorlog begon.

Hoe begon de oorlog voor u ?
‘Op 10 mei 1940 hoorden we heel veel lawaai en toen zei mijn vader: het is nu oorlog! Het lawaai dat we hoorden, kwam van de bommen die op het vliegveld werden gegooid.’

Hoe was het eigenlijk in de oorlog voor u?
‘De eerst tijd was het niet zo erg, er was nog genoeg eten en je merkte niet zo veel van de oorlog, maar het werd steeds erger. Mandarijnen en sinaasappels kwamen normaal gesproken per schip uit het buitenland, maar die kwamen nu niet meer. Thee en koffie kwamen uit de warme landen, en dat kwam dus ook niet meer. Alles ging op de bon; je kreeg een kaart met bonnetjes waarmee je eens in de week iets kon kopen.

Ik woonde aan de Loudelsweg, tegenover de snackbar. Toen het oorlog was, trokken de Duitse soldaten in de Adriaan Roland Holstschool, en in een ander gebouw naast ons kwamen SS’ers. Dat waren gemene Duitsers. En het huis naast ons werd een munitiedepot, dat voelde niet zo veilig.’

Woonde u de hele oorlog in Bergen?
‘Nee. De Duitse soldaten bouwden de Atlanktikwall. Die liep vanaf Noorwegen, langs Denemarken, Nederland, België en Frankrijk. Het was een grote wal langs de kustlijn om te voorkomen dat de Amerikanen en Canadezen er aan land konden gaan. In Bergen waren daarom veel Duitse soldaten en die moesten allemaal ergens wonen. De Nederlanders moesten weg. Sommigen gingen naar familie, anderen gingen ergens in een schuur wonen.

Alles kwam leeg te staan, maar wij bleven stiekem toch. Alleen moest ik vanaf toen naar school in Alkmaar. Als we dan naar school fietsten, vlogen er vaak heel veel vliegtuigen over, die noemden we Tommies. We gingen ze tellen en wie de meeste Tommies telde won. We fietsten vlak langs het vliegveld en op een keer zagen we de bommen in Bergen vallen, whoo! Als ze maar niet op ons huis vallen, dachten we. We bleven wel gewoon fietsen, het hoorde bij je leven toen.’

Wanneer bent u weggegaan uit Bergen?
‘De buurvrouw kwam ons op een gegeven moment vertellen dat we echt weg moesten uit Bergen. Ze had gehoord dat het te gevaarlijk werd. We vluchtten met zijn allen. Mijn moeder voorop bij de buurman op de fiets omdat ze niet kon fietsen, met dekens en kleding. We gingen naar Krabbendam, daar woonden de ouders van onze buren waar we mochten verblijven in een klein boerderijtje.

In Krabbendam zagen we hoe alles op het vliegveld in de lucht vloog. Kort daarna zijn we naar Amsterdam gegaan, naar familie. We kwamen er in de Hongerwinter terecht, dat was heel erg.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892