Archieven: Verhalen

‘Ik zag dat er hier scholen zijn voor dove kinderen’

In een prachtig Afrikaans gewaad komt meneer Demba naar OBS Wereldwijs in Amsterdam Zuidoost waar Amayah, Saad, Christopher en Arya uit groep 7B hem van alles vragen over het land waar hij geboren. Ze praten ook over zijn geloof, want net als Saad is meneer Demba Moslim. En Amayah en Arya willen graag weten hoe Mauritaans klinkt.

Hoe zag uw geboorteland eruit?
‘Ik ben in 1951 geboren in Mauritanië. In een dorpje Bmagen, 400 km van de hoofdstad vandaan.   Mauritanië ligt in Afrika en grenst aan Senegal, Mali, Westelijke Sahara, Algerije en Gambia. Er wonen maar vier miljoen mensen. We hebben vier talen Peul, Wolof, Soninke en Haratin. Maar elke dorp heeft ook een eigen taal. Het was vroeger een kolonie van Frankrijk, dus er wordt ook Frans gesproken. De helft van het land is een hele grote woestijn. En de andere helft is bos. Ik had drie broertjes en een zusje. Wij zijn Moslim en gingen naar de Koranschool. We zaten wel met tachtig kinderen in één klaslokaal. Jongens en meisjes zaten in aparte rijen maar zaten wel bij elkaar in de klas.’

Hoe oud was u toen u vertrok en waarom vertrok u?
‘Ik was 23 jaar toen ik naar Frankrijk ging om daar te werken. Ik had wel werk kunnen vinden in Mauritanië, maar ik verdiende daar heel weinig. Ik had een collega, die in Frankrijk werkte, en die verdiende meer. Dus toen dacht ik: ‘Ik ga naar Frankrijk. Daar kan ik ook meer geld verdienen. Ik kan dan ook nog zorgen voor mijn moeder en vader en kinderen.’ Daarna ging ik naar Duitsland en daarna naar Nederland. Ik werkte in een bloemenveiling, maar dat vond ik niet leuk en toen stopte ik daarmee. Nu werk ik als marktkoopman. Ik koop kunst in Afrika om vervolgens door te verkopen in Nederland. Ik sta bijvoorbeeld iedere maandag op de Noordermarkt in het centrum van Amsterdam.’

Hoe vond u het toen u in Nederland aankwam?
‘Toen ik hier in Nederland kwam, vind ik het vreemd om zo veel fietsten zien. Nederland is vol met fietsen. Vooral in de stad.’

Was het lastig om Nederlands te leren?
‘Ja, het was heel lastig. Ik ben nu bijna 40 jaar hier, maar ik kan niet goed Nederlands spreken. Ik ben met een Nederlandse vrouw getrouwd. Ik zag hier in Nederland dat er scholen waren speciaal voor dove kinderen. Dat was er in mijn land niet. Als je doof geboren werd, had je heel weinig kansen daar. Je telde niet mee in de samenleving. Samen met mijn vrouw heb ik in Mauritanië een school opgericht voor dove kinderen. Mijn vrouw heeft dertien kinderen geadopteerd.’

Voelt u zich meer thuis hier of in Mauretanië?
‘Als ik hier ben, voel ik me hier thuis. Alleen als het winter is, wil ik wel graag naar de Mauretanië. Als ik in Mauretanië ben voel ik me daar thuis.  Als het daar 45 graden is dan wil ik weer terug naar Nederland.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik vond dat Suriname werd uitgebuit’

Atilla, Joshey, Nélida en Jaylin uit groep 7B van OBS Wereldwijs in Amsterdam-Zuidoost mogen op school mevrouw Cynthia Pools interviewen. Dat is bijzonder want mevrouw Pools is de schoonmoeder van de juf! Ze laat vergeelde foto’s van vroeger zien en ze heeft een kunstwerkje van bauxiet meegenomen. Het is een vis gemaakt in het dorp Moengo, waar mevrouw Pools is geboren.

Wat is uw geboorteland?
‘Ik ben geboren in Suriname. In het dorpje Moengo in het Marowijne district. Dat dorpje werd gebouwd speciaal voor de werknemers, die bauxiet gingen ontginnen. Het is eigenlijk een bauxietstadje. En wat is bauxiet? In Suriname vonden ze in het begin van de twingtigste eeuw een mineraal in de grond en dat heet bauxiet. Daar maken ze aluminium van. Aluminium wordt veel gebruikt in de vliegtuigindustrie bijvoorbeeld, maar ook in de bouw en transportindustrie. Mijn vader werkte bij SURALCO, de Surinaamse Aluminium Company, het bedrijf dat van bauxiet aluminium maakt. En daar groeide ik op. We hadden een heel groot erf met kippen en ganzen. Allerlei dieren, want dat vond mijn vader leuk. Ik groeide op in een gezin met acht kinderen. Ik was de vijfde. Mijn moeder kon heel goed koken en bakken. Haar ouders hadden een bakkerij in Moengo. Ze verkochten daar broden en gebakjes. Als je een heel groot gezin hebt met acht kinderen, dan is brood kopen eigenlijk best duur. Dus mijn moeder leerde ons al heel snel hoe je brood moest bakken. Wij bakten iedere zaterdag zelf onze broden.’

Waarom ging u naar Nederland.
‘Toen ik 17 jaar was, had ik mijn middelbareschooldiploma gehaald. Ik kreeg als cadeau van mijn ouders een ticket om op vakantie te gaan naar Nederland. Samen met mijn moeder en nog een zusje, kwamen wij in 1977 naar Nederland. Mijn broer woonde daar al. Ik ben niet meer teruggegaan. Ik ben hier gebleven.’

Waarom bent u niet teruggegaan?
‘Ik wilde eigenlijk een economische studie gaan doen in Suriname. Ik had daarvoor al een beurs aangevraagd en ook al gekregen. Het was dus helemaal niet de bedoeling dat ik zou blijven. Maar ik was best wel kritisch over de Surinaamse regering. Ik zag bijvoorbeeld dat andere landen veel profiteerden van alle grondstoffen, die Suriname bezat en rijke mensen steeds rijker werden en arme mensen steeds armer. Ik vond dat Suriname werd uitgebuit. Daarom wilde ik econoom worden. Ik besprak dat ook met mijn broer. En toen zei hij: ‘Als je het beter wil begrijpen, kun je beter in Nederland gaan studeren en daarna teruggaan naar Suriname.’

Weet je nog wat u dacht toen u Nederland voor het eerst zag?
‘Het is heel gek, want ik kwam hier in augustus. Dan is het eigenlijk best wel warm. Maar ik vond het hier koud. In Suriname was het warmer. En alles was grijzig herinner ik me. Maar het spannende begon pas op het moment, dat we werden opgehaald door mijn broer. We reden met de auto vanaf Schiphol naar zijn huis in Amsterdam. En toen dacht ik: ‘Wat zijn er veel huizen en wat staan die huizen allemaal dicht op elkaar.’ In Suriname was ik gewend aan veel ruimte om me heen. Grote erven, noemen ze dat in Suriname. En nu stapten we binnen bij mijn broer en we gingen trappen op. Onder je woonde iemand en boven je woonde ook nog iemand. Dat vond ik eigenlijk wel een beetje raar.’

 Wat is nou typisch Suriname?
‘In Suriname was het zo dat als jij een vriendin of een nichtje of neefje hebt die het moeilijk heeft, dat je ouders dan zeggen: ’Laat die maar bij ons komen wonen’. Ik had daardoor heel vaak naast mijn broers en zussen, ook nog een neef of een nichtje of iemand, die helemaal geen familie was bij ons wonen. Dus zo kwam het dat wij niet met de acht kinderen, maar soms wel met tien kinderen waren. Sommigen zijn heel lang bij ons gebleven, wel jaren.’

Waar voelt u zich het meest thuis?
‘Toch in Nederland. Op sommige momenten wou ik dat ik in Suriname was. Bijvoorbeeld met de jaarwisseling. Dat wordt daar altijd heel groot gevierd. Sinds ik hier woon, ben ik er twee keer geweest met oud en nieuw. En de reden waarom ik niet vaak kan gaan is, omdat ik ook een juf ben, maar dan op de middelbare school. En dat betekent dat ik in december, net als jullie, maar twee weken vakantie heb. En in december zijn die tickets naar Suriname heel duur.’

Archieven: Verhalen

‘Ik zit echt tussen twee landen in’

Mevrouw Azra Shah woont heel dicht bij basisschool Wereldwijs dus Mirza, Rafaël, Shasmeen en Sofie uit groep 7B kunnen er heen lopen. Bij de deur doet iedereen zijn schoenen uit. Mevrouw Shah heeft veel lekkere en ook gezonde dingen klaargezet dus de ontmoeting heeft een goed begin.

Uit welk land bent u geëmigreerd?
‘Ik kom uit Pakistan. En in Pakistan heb je een gedeelte dat Kashmir heet. Dus ik kom oorspronkelijk uit Kashmir. Ik kom uit een gezin van tien kinderen. De meeste zijn meisjes en één jongen. Toen ik acht jaar was ben ik naar Nederland gekomen. Mijn vader kwam eerst en mijn moeder met zes kinderen kwam later. Mijn vier jongste zusjes zijn in Nederland geboren.’

Hoe was uw jeugd in Pakistan?
‘Ik herinner me dat ik veel buiten met klei speelde. En in water. We hadden allemaal kleine meertjes daar vlak bij ons huis, dus daar gingen we vaak spelen. Er waren ook schommels. Ja, dat herinner ik me. Ik zat ook op school, want ik weet nog vaag dat mijn oma ons daar altijd heen bracht en weer ophaalde. In Pakistan draag je een uniform naar school. Dus alle meisjes droegen een witte kameez, dat is een lange blouses en een witte salwar. Dat is een wijde broek. De sjaal heeft in iedere klas een andere kleur. Jongens en meisjes zitten in aparte klassen.’

Waarom koos u Nederland in plaats van Pakistan?
‘Mijn vader had niet echt een baan in Pakistan. Hij had wel een gezin, waar hij voor moest zorgen. En dus heeft hij met een groep vrienden besloten om naar Europa te gaan om hier te gaan werken. Ze zijn lopend en liftend vanuit Pakistan in Griekenland terecht gekomen. En vanuit Griekenland naar Nederland gekomen. Hoe precies weet ik niet, maar ze hebben me echt gezegd lopend. Het had ook makkelijk een ander land kunnen zijn, maar ze zijn in Nederland terecht gekomen. Toen mijn vader eindelijk een beetje gesetteld was, kwamen wij in 1979.’

Wat herinnert u zich van de reis?
‘We moesten met het vliegtuig. Ik was 8 jaar, maar ik was heel bang toen ik het vliegtuig zag. Ik had nog nooit een vliegtuig gezien. Ik wou niet mee en zei tegen mijn moeder: ‘Ik ga niet in dat ding.’ Toen zei mijn moeder: ‘Als je er niet in gaat, dan kan je niet mee en laat ik je achter.’ Dat wilde ik natuurlijk ook niet. Dus ik ben maar gekomen. Eenmaal in het vliegtuig vond ik het geweldig.’
‘Toen we in Nederland landden, voelde het alsof ik op een andere planeet was terechtgekomen. Je bent klein en je kijkt naar een heel andere wereld. In Pakistan is er altijd zon. Daar heb je geen hoge flats. Het is er heel dun bevolkt, je hebt hier en daar een huisje en heel veel groen. In Kashmir zag je af en toe een auto en hier zag ik voor het eerst een roltrap en een metro. Alles was anders, maar als kind wen je heel snel. We gingen wonen in Amsterdam-Zuidoost in de K-Buurt in een flat die is er nu niet meer. Ik ging naar basisschool Onze Wereld.’

Wat was lastig in Nederland?
‘In die tijd, in de jaren ‘80, waren er waarschijnlijk niet veel buitenlandse mensen hier. Dus toen ik nieuw op school aankwam, samen met mijn zusje van zes, wist de hele school daarvan. Echt alle kinderen en alle mensen van de school wisten dat wij nieuw waren. Ze kwamen allemaal naar ons toe. We kregen stickertjes, dus dat vond ik heel leuk! Maar ik sprak de taal niet. Dat was wel apart. Je weet niet hoe je bepaalde dingen moet zeggen. Onze juf was een bijles juf. We werden door haar uit de klas gehaald en zij leerde ons dan allerlei Nederlandse woorden. Ze nam ons ook mee naar haar huis, dus ik leerde haar en haar hele gezin goed kennen. We gingen we bij haar patat eten en zo. Daar heb hele leuke herinneringen aan.’

Is uw man ook Pakistaans?
‘Ja, ik wilde eigenlijk nooit trouwen. Mijn vader zei: ‘We moeten even voor Azra een man vinden’. Maar ik zei dat dat niet hoefde. Maar toch ontmoette ik in Pakistan vriend van mijn vader. Hij was professor en gaf ook les in Kashmir. Het heeft wel even geduurd, want er was best wel een cultuurverschil tussen hem, opgegroeid in Kashmir en ik opgegroeid in Nederland. Moest ik hem wel hierheen halen? We moesten echt wennen. Mijn man heeft ook heel veel moeite gehad met de taal. Maar uiteindelijk hij heeft het toch snel geleerd. Hij praat wel met een accent. Ik was 30 jaar toen ik ging trouwen. Ik heb maar één kind, terwijl ik zelf uit een groot gezin kom. Dat vind ik voor mijn zoon wel jammer.’

Welk land vindt u leuker? Nederland of Pakistan?
‘Dat vind ik heel moeilijk. Als ik daar ben, mis ik Nederland en als ik hier ben, mis ik Pakistan. Ik zit echt tussen twee landen in. Als ik daar bent, is niet alles is zo vanzelfsprekend. Als je boodschappen gaat doen, moet je eerst discussiëren over de prijs, want de buurman betaalt wat anders. Er is altijd wel iets. En omdat het nu in de stad heel druk is, ben je soms een halve ochtend kwijt om even naar een kantoor te gaan bijvoorbeeld. Als je een nieuw paspoort nodig hebt, kan het best maanden duren, omdat er iets niet klopt en de ene ambtenaar het niet toelaat en de andere wel. Dus je krijgt niet alles direct voor elkaar.’

Archieven: Verhalen

‘Het is zo stil op straat hier’

Sadé, Zara, Mimi en Néomy uit groep 7A van OBS Wereldwijd interviewen mevrouw Veronica van de Kamp. Mevrouw Van de Kamp komt naar de school met een grote tas met Ghanese beeldjes erin, die ze aan de leerlingen laat zien. Ook heeft ze traditionele Ghanese kleding aan en sieraden mee. Ze vindt het moeilijk om Nederlands te spreken, dus interviewen de leerlingen haar in het Engels.

U komt uit Ghana, maar u heeft een Nederlandse naam, hoe komt dat?
‘Mijn naam in het Ghanees is Veronica Nana Ama Datibia Boafo. ‘Nana’ betekent dat ik van een koninklijke familie kom in Ghana. ‘Ama’ betekent dat ik op een zaterdag geboren ben. In Ghana, krijg je automatisch de naam van de dag in de week dat je bent geboren. Elke dag is er een naam. Maar hier ben ik Veronica van de Kamp, omdat ik met een Nederlandse man ben getrouwd.’

Hoe was het in uw land, Ghana?
‘Heel goed. Ik heb een goed leven gehad in Ghana. Ik was secretaresse van een heel grote firma. Ik verdiende goed. Ik kwam hier alleen maar op vakantie, ik wilde Europa zien en ik kende hier iemand, waar ik op bezoek ging. Toen was er een feest, waar ik voor werd uitgenodigd, en daar ontmoette ik mijn man. We begonnen met elkaar te praten en we werden verliefd. Ik bleef hier bij hem. In het begin was het niet makkelijk, ik moest me aapassen aan zijn cultuur. Ik was ook snel zwanger, dat gaf wel uitdagingen, want mijn eerste kind kreeg epilepsie toen hij drie maanden oud was. Dus ik had een kind met speciale zorg. Maar ik heb nergens spijt van. Ik houd van mijn leven. Ik zou niets veranderen. Het was een mooi huwelijk en ik houd van mijn kinderen.’

Wat vond u van Nederland?
‘Ik vond het een mooi land, maar wel koud. En het eten vind ik niet lekker. Haring bijvoorbeeld. Wij eten nooit vis die niet gekookt is. Haring is niet gekookt of gebakken. Mijn man zei; ‘Je moet het proeven’. Ik heb het nooit geprobeerd. Maar gelukkig is hier veel eten te koop en ik kook voor mezelf op de Ghanese manier. Mijn man hield niet van Ghanees eten. Het enige Ghanese eten, dat hij lustte, was pindasoep en rijst.’
‘Het is rustig hier. In Ghana groeten mensen elkaar veel op straat en ze toeteren vanuit de auto als ze bekenden zien, hier kan je dat niet doen, dus het is zo stil op straat hier. En weet je wat grappig is? De matches hier heten ‘lucifers’. In Ghana is Lucifer een satan. Dus mijn man kocht lucifers en ik was in de war, ik wilde niet iets in huis hebben dat Lucifer heet. Het was de naam waar ik last van had. Lucifers noemen wij ‘matches’, Later begreep ik dat lucifers gewoon matches zijn.’
‘Nu ben ik gewend hier in Nederland en ik doe heel veel. Ik organiseer bijvoorbeeld het Kente Fugu festival op Kwaku, daar promoten we de Ghansese cultuur.’

Hoe reageerden uw ouders toen u vertelde dat u in Nederland wilde blijven?
‘Ze waren niet blij. In het begin waren ze bang. Geen enkele ouder wordt blij van een verhaal als het mijne. Ik kwam hier iemand tegen en ik bleef gewoon bij hem. Maar toen realiseerden ze dat ik gelukkig was, waren ze blij voor mij.’

Mist u Ghana soms?
‘Ja, ik mis Ghana. Home sweet home. Ik ga elk jaar naar Ghana en dan ga ik altijd alleen. Maar ik kom altijd weer terug naar Nederland, want mijn kinderen wonen hier. Ze zijn hier opgegroeid. Ze zijn half-Nederlanders, half-Ghanese. Dus dit is nu ook mijn thuis. Wat ook meespeelt, is dat mijn oudste kind in een rolstoel zit, hij kan niet lopen, hij kan niet praten. Dus hij heeft zorg nodig. Wat hij nodig heeft, hebben we niet in Ghana. Dus mijn man bleef meestal hier om voor hem te zorgen. Dat is het goede aan Nederland. Als ik dit kind in Ghana had gekregen, zou het moeilijker zijn. Hier is er veel hulp en ondersteuning.’

Kwamen uw ouders wel eens naar Nederland?
‘Ik verloor mijn vader, voordat ik op reis ging en ik verloor mijn moeder toen ik zes weken in Nederland was. Ja, dat was erg moeilijk. Als ik aan mijn moeder denk, dan huil ik nog steeds. Die pijn gaat nooit weg. En in 2017 verloor ik mijn man. Vooral voor mijn kinderen is het erg moeilijk. Elke keer met kerstmis missen ze hun vader, want met kerstmis waren we altijd samen. En mijn schoonmoeder, de oma van mijn kinderen, is twee jaar geleden overleden. Dus er is veel verlies. Vorig jaar zaten we met z’n vieren aan de eettafel met kerstmis. Zonder papa en zonder oma. Ik doe mijn best voor mijn kinderen, maar ik neem nooit de plaats van hun vader in.’

In het begin zei u dat u van een koninklijke familie komt, wat betekent dat eigenlijk?
‘Mijn vader en moeder zijn de leiders van verschillende steden, zij zijn de eigenaren. En ik als oudste dochter, zou de ook de leider worden als mijn ouders overlijden, maar ik heb gezegd dat ik het niet wilde. Het is te veel verantwoordelijkheid.’

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Hier in Nederland is veel meer te doen’

Mika, Stanley, Youness en Shahram uit groep 7A van OBS Wereldwijs interviewen Mevrouw Shiel Jibodh in een kamertje op hun eigen school. Ze is geboren in Suriname en was 28 jaar toen ze, in 1979, naar Nederland emigreerde.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Suriname in het Nickerie district. We waren met acht kinderen; vijf jongens en drie meisjes. Ik groeide op met mijn vier oudere broers. Mijn twee jongere zusjes waren nakomertjes, die kwamen pas veel later. Ik ben dus als een prinsesje opgegroeid. Ik hoefde niet veel te doen. Mijn broers deden bijna alles. Dat is lekker. We woonden in een groot huis op hoge neuten. Dat betekent op palen waar je onder kon spelen. We hadden ook een hond, hij heette Molly. Maar in Suriname blijven honden niet binnen in huis. Ze zijn altijd buiten. Ik speelde meestal buiten met mijn nichten. Mijn hele familie woonde in de buurt. Mijn ouders waren best streng. Ik mocht niet zoveel. Mijn moeder was heel voorzichtig met mij. Je weet maar nooit wat er kan gebeuren. Ik mocht bijvoorbeeld nooit ergens logeren of naar de bioscoop. Ik ging ook zelden naar het strand. Stranden in Suriname zijn niet zo mooi. Ze hebben veel modder.’

Waar werkte u?
‘Ik werkte op een school als juf voor de klas. Mijn man werkte voor de Surinaamse televisie, hij was eigenlijk technicus. Hij deed veel dingen daar. Hij kon zo op de mast klimmen en dingetjes vastmaken. Dat soort dingen deed hij.’

Waarom bent u weg uit Suriname gegaan?
‘Nou, om eerlijk te zijn, Suriname is een heel mooi land, maar het ging niet zo goed in Suriname na de onafhankelijkheid. Mijn hele familie was hier al heen verhuisd. Ik wilde niet alleen achterblijven. Dus wij zijn in 1979 ook naar Nederland vertrokken. Ik was al wel een keer eerder naar Nederland geweest een jaar daarvoor, dus ik wist al een beetje hoe het hier was. Ik was 28 jaar toen ik hier aankwam. Mijn zoon was toen drie en de tweeling was anderhalf jaar. Het was natuurlijk even wennen. Kijk hier is het altijd warm-koud, warm-koud, winter, zomer, noem maar op. Daar moest ik wel aan wennen. Ik hoefde de taal niet te leren, want in Suriname spraken we alleen maar Nederlands.’

Wat voor werk deed u in Nederland?
‘Toen ik pas hier was, heb ik op verschillende scholen gewerkt. Als juf deed ik invalwerk, dus in heel Amsterdam. Noord, oost, zuid, west, de pijp, overal heb ik gewerkt.’

Welk land vindt u leuker Suriname of Nederland?
‘Ik vind ze allebei leuk. Suriname heeft een lekker klimaat, dus je bent meer buiten. Maar hier in Nederland is er veel meer te doen. Ik zou niet echt meer terug hoeven. Ik woon nu ook al langer in Nederland, dan dat ik in Suriname woonde. Ik ben inmiddels ook met pensioen en ik hou erg van reizen. Zolang ik nog goed kan lopen en goed kan zien, wil ik graag nog zo veel mogelijk landen bezoeken. Ik ben al geweest in Nepal, Brazilië, Cuba, Venezuela India, Nieuw-Zeeland, China, Vietnam en heel veel andere landen. Mijn volgende reis is naar IJsland.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘We gingen op zoek naar een beter leven’

Kael, Romairon, Anas en Isaac uit groep 7A van OBS Wereldwijs in Amsterdam- Zuidoost interviewen mevrouw Mable Setsoafia. Zij komt uit Ghana en was 28 jaar toen ze naar Nederland kwam. Ze kan wel Nederlandse verstaan, maar spreekt het niet zo goed. Het interview gaat dus half in het Nederlands en half in het Engels.

Waar komt u vandaan?
‘Ik ben geboren in het Zuidoosten van Ghana, in een plaats die Volta heet, maar ik heb ook in de hoofdstad Accra gewoond. In Ghana wonen nog broers en zussen van mij. Mijn vader was een leraar, mijn moeder een handelaar, ze verkocht drinken en eten. Mijn ouders zijn nu overleden. Hij overleed voordat ik naar Nederland kwam, mijn moeder overleed toen ik al in Nederland was. Ik kon niet naar haar begrafenis, want ik kon niet reizen, omdat ik nog geen Nederlandse verblijfsvergunning had. Dat was erg verdrietig.’

Hoe leefde u daar?
‘Het was niet slecht, ik ging naar school. Het leven daar is wel wat moeilijker dan hier in Nederland. Je kan hier makkelijker een baan krijgen, in Ghana is dat moeilijker. Soms heb je wel je school afgemaakt, maar kun je toch geen werk krijgen. Dus na school kreeg ik een man en twee kinderen, een zoon en een dochter, en we gingen reizen en op zoek naar een beter leven. Mijn man ging eerst alleen, daarna kwam ik ook en later kwamen ook de kinderen. Toen ik uit Ghana kwam, ging ik eerst naar Libanon, in het midden-oosten, daar was een vriendin van mij. Daarna gingen we samen naar Griekenland, zo konden we Europa inkomen. Mijn man was al in Nederland. Hij had al een baan en een verblijfsvergunning, dus ik ging naar hem toe.’

Wat vindt u het leukst aan Nederland?
‘De mensen zijn vrij en staan open voor iedereen. Ook is de gezondheidszorg hier goed geregeld, zoals de ziekenhuizen. Ik kan hier makkelijk werk vinden als ik naar het uitzendbureau ga. Dus hier is dat een beetje makkelijker dan in Ghana. Maar in Ghana is het ook fijn, ik hou van het Ghanese eten. Eén keer per jaar ga ik daarnaartoe. Ik heb daar nog ooms en tantes. In Afrika hebben we grote families. En als ik naar Ghana ga, neem ik altijd Ghanees eten mee terug, want hier is dat duur.’

Wat voor eten hebben ze in Ghana?
‘Een populair gerecht is ‘fufu’, dat eet iedereen. En waar ik vandaan kom, eten ze ook iets dat heet ‘applè’ het is van mais gemaakt. Als kind at ik ook graag rijst en verschillende andere Ghanese gerechten. Bijvoorbeeld een gerecht van rijst en bonen, dat noemen we ‘waché’. Als ontbijt eet ik daar maispap, dat noemen we ‘koekoe’. In Nederland eet ik brinta als ontbijt. En ik drink in de ochtend thee, Ghanezen drinken geen koffie.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik moest naar de gevangenis, omdat ik illegaal was’

Mevrouw Gloria Torres komt op bezoek op OBS Wereldwijs in Amsterdam Zuidoost, waar ze wordt geinterviewd door Fallon, Emmanuella, Skylar, Eljada, Selah uit groep 7a. Ze kwam als volwassen vrouw van 30 jaar naar Nederland, omdat ze voor haar man moest vluchten.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Ecuador. Dat ligt Zuid-Amerika. Het land is genoemd naar de evenaar, die het land doorsnijdt. Ik had twee broers en een zus. Ik ben de middelste. Ik trouwde toen ik achttien jaar was. Voordat we trouwde, was mijn ex-man nog heel goed voor mij. Maar toen we getrouwd waren, raakte ik al snel zwanger en toen ging het mis. Hij was echt een macho man en ik werd vaak geslagen door hem zonder rede. Als ik het eten niet op tijd op tafel zette bijvoorbeeld of als ik de uien te dik had gesneden, dan sloeg hij me gewoon. Ik wilde wel scheiden, maar ik ben Christelijk en van mijn geloof mag ik niet scheiden. Het was echt een probleem. Ik moest bij die man blijven. Het was afschuwelijk. Ik kreeg drie kinderen.’

Wanneer realiseerde u zich dat u echt weg moest bij deze man?
‘Op een dag was ik aan het werk in een kledingwinkel en mijn vriendin zag dat ik een blauw oog had. Zij zei: ‘Ik ga je helpen. Je bent een goede vrouw, je moet bij hem weg. Ik neem je mee naar Nederland, want daar woon ik en daar kun je werken. Zij heeft me geholpen.’
‘In het begin was het heel moeilijk in Nederland. Ik had geen paspoort, geen verblijfsvergunning. Ik was illegaal. Ik ging naar de kerk, ik moest veel huilen. Toevallig kende ik daar iemand. Hij zei: ‘Kom helpen, verzorg mijn kinderen.’ Andere vriendinnen zeiden: ‘Kom schoonmaken in ons huis.’ Dat ging ik doen. Op een vrije dag zat ik in de metro en de politie kwam mij controleren. Ik wist niet wat ze zeiden, omdat ik toen geen Nederlands begreep. Ze vroegen naar mijn vervoersbewijs. Dat had ik en kon ik ook laten zien. Ze vroegen ook naar mijn paspoort en daarin zagen ze dat ik al langer dan drie maanden in Nederland verbleef. En dat mocht niet. Ik moest naar de gevangenis, omdat ik illegaal in Nederland was en daarna terug naar mijn land. Toen ik eenmaal terug was dacht ik: ‘Ik probeer het gewoon nog een keer. Ik spaar weer voor een ticket en ga terug. Maar ik wilde dit keer wel een verblijfsvergunning, want ik wilde graag in Nederland blijven. Heel toevallig leerde ik hier al snel mijn nieuwe man kennen, een Egyptenaar. We zijn getrouwd en hij heeft mij geholpen aan mijn verblijfsvergunning. Eén voor één heb ik toen mijn drie kinderen over laten komen. Eerst de jongste die was toen acht jaar en als laatste de oudste.’

Wat was uw eerste impressie toen u voor het eerst naar Nederland kwam?
‘Nederland was een paradïjs voor mij. Alle straten waren helemaal schoon. Ik vond alles mooi. Ik zag hier in Nederland ook geen verschil tussen de arme mensen en rijke mensen. Iedereen droeg een spijkerbroek en schoenen. In mijn land is dat anders. Iedereen kijkt naar wat je aan hebt en hoe je eruitziet. Wel miste ik het eten van Ecuador heel erg en dan vooral cavia. Dat vind ik zo lekker, maar dat eet je hier niet.’
‘Nederland is een vrij land. Dat is ook goed, hè. Jullie hebben veel geluk dat jullie hier geboren zijn. Hopelijk pakken jullie alle kansen. Ga studeren, studeren, studeren, want dan groeien jullie en worden sterk en zelfstandig. Laat jullie ouders trots zijn op jullie! Zij hebben veel opgegeven om hier naar Nederland te komen. Ben ze dankbaar.’

Zou u nog in Ecuador willen wonen?
Ik ga om de twee jaar terug naar Ecuador. Mijn ouders hebben voor mij een huis in Ecuador. Mijn plan is nu dat ik nog vier of vijf jaar hier werk en dan krijg ik pensioen. Met dat bedrag kan ik heel goed en rustig leven in mijn land. Als het hier winter is, ga ik naar daar en in de zomer kom ik dan weer naar hier. Ik hou van Nederland. Ik zeg elke dag: ‘Dankjewel voor Nederland. Jullie doen alles voor mij en ook voor mijn kinderen.’

Archieven: Verhalen

‘Iedereen was wit en had lange neuzen’

Shannelle, Natalie, Teyana en Nore uit groep 7A van OBS Wereldwijs in Amsterdam Zuidoost ontvangen meneer Ronoastro op school. Hij woont vlak naast de school en kan tussen zijn werk door tijd maken om even langs te komen, want hij heeft een drukke baan. Zijn eigen kinderen zijn nu in de twintig, maar hebben ook hier op school gezeten, dus hij vindt het leuk om de school weer even te zien.

Hoe lang heeft u in Suriname gewoond?
‘Ik was negen toen ik naar Nederland kwam. Dat was het jaar 1975, het jaar dat Suriname onafhankelijk werd van Nederland. Suriname was van Nederland en toen ineens niet meer, maar mijn ouders wilden Nederlander blijven. Daarom zijn ze naar Nederland verhuisd. We kwamen met het vliegtuig. Dat ging zonder tussenstop van Suriname naar Nederland. Het was negen uur vliegen.’

Wat vindt u van Nederland?
‘Leuk. Als kind leerde ik hier schaatsen en rolschaatsen, dat had je niet in Suriname. En ik ging hier fietsen. Wat ik ook fijn vind, is hoe de mensen zich gedragen. In Suriname is het ’t recht van de sterkste. Daar wacht men bijvoorbeeld niet in de rij, maar dan gaan ze naar voren dringen. Hier behandelt iedereen elkaar netjes en met respect. Suriname is wel een mooi land, maar je hebt daar niet zoveel mogelijkheden. Het land zelf is erg corrupt, dus je komt niet vooruit. Corrupt is dat je heel veel moet betalen om dingen voor elkaar te krijgen. Of mensen doen veel illegaal. Hier heb je dat niet, je hoeft niet te wachten of mensen te kennen om dingen voor elkaar te krijgen, hier ga je gewoon naar de balie en je wordt geholpen.’

Wat vindt u van het Nederlandse eten?
‘Slecht, want Nederland heeft geen kookcultuur. Patat, bal gehakt en verder koken ze alleen maar, ze gebruiken geen verschillende methodes, zoals wij hebben. Het enige wat ik wel lekker vind is andijvie stampot met een klein beetje sambal.’

Zijn uw ouders ook Surinaams?
‘Ja, die zijn daar geboren. Ook de vader van mijn moeder is daar geboren en de vader van mijn vader is uit Indonesië naar Suriname toe gegaan. Hij was een contractarbeider voor vijf jaar. Dat betekent dat hij vijf jaar zou gaan werken op plantages in Suriname en daarna weer terug naar Indonesië zou gaan. Maar toen werden ze genept door kapitein Wessels. Die heeft al het geld meegenomen en het goud en is naar Nederland teruggevaren, daarom kon mijn opa niet terugkeren naar Indonesië.’

Toen u voor het eerst in Nederland kwam, wat was uw eerste indruk?
‘Iedereen was wit en had lange neuzen. Ik vond iedereen lelijk en het water rook naar chloor. Maar ik ben nu wel gewend, ik ben uiteindelijk wel met een Javaans-Surinaamse vrouw getrouwd. Zo ging ik toch een beetje terug naar mijn wortels, maar we hebben elkaar hier in Nederland ontmoet en we hebben hier kinderen gekregen. Mijn kinderen hebben ook op deze school gezeten. We zijn gewoon Nederlands. Ik verdien hier mijn brood, ik ben inspecteur bouw en gebruik. Ik inspecteer winkels en horeca.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik vraag me soms af waar ik dood wil gaan’

Melle, Rajiv, Talha, Evan uit groep 7A van OBS Wereldwijs in Amsterdam Zuidoost ontmoeten mevrouw Colleen Armstrong op hun eigen school in een piepklein kamertje. Mevrouw Armstrong heeft een mooi geborduurde kaart van Brits-Guiana bij zich, want daar komt ze vandaan. Op de kaart laat ze zien waar ze heeft gewoond en hoe ze later naar Suriname was gereisd.

Hoe oud was u toen u naar Nederland bent gekomen?
In Nederland ben ik gekomen toen ik 33 jaar was. Waar ik ben geboren, in Brits-Guiana, praten ze Engels, want Brits-Guiana was vroeger van de Engelsen. Ze hebben daar de mensen uit West-Afrika naartoe gebracht, dat noemen ze de Creolen, die kwamen daar om te werken als slaaf en later zijn er de contractarbeiders uit India gekomen, dat noemen ze de Hindoestanen. Mijn moeder is Hindoestaans en mijn vader is Creools en Indiaan, dus ik ben gemixt.’

Vond u het moeilijk om in Nederland te gaan wonen?
‘Nee, ik vond het moeilijker om van Brits-Guiana naar Suriname te gaan. Voor ik naar Nederland kwam, ging ik naar Suriname. Ik was 14 jaar toen ik naar Suriname ging. Suriname had een andere taal en cultuur, dus ik moest daar wel aan wennen. Om daar te komen moest ik een dag reizen en daarna een grote rivier oversteken. Dat was een hele spannende tijd voor mij, want ik was ook nog heel jong. In Suriname ben ik met een Nederlander getrouwd, met hem ging ik naar Nederland. Dus ik ben hier voor de liefde gekomen. Toen was ik heel happy en ik kon een nieuw leven opbouwen. Ik heb hier drie kinderen gekregen. Ze zijn naar school gegaan en naar de universiteit, dus daar ben ik trots op. Waar ik wel aan moest wennen, is dat alles zo snel gaat hier.’

Heeft u broers of zussen?
‘Ja, ik heb negen broers en zussen. We woonden op het platteland, dat was leuk en we hadden het goed. We gingen daar naar de lagere school, we hadden een fijn leven met veel buiten spelen. We konden niet doorstuderen, er was alleen een lagere school, dat was wel een probleem. Mijn broers en zussen wonen nu allemaal nog in Brits-Guiana, waar ik ben geboren. Ik ben de enige, die weg is gegaan. Ik ben ook later nooit naar een universiteit gegaan, maar ik heb wel veel geleerd, gewoon door mijn hoofd te gebruiken.’

Waarom bent u weggegaan?
‘Ik had een droom. Ik had foto’s gezien van sneeuw en daar wilde ik in spelen. Ik wilde gewoon weg van het platteland en een beetje avontuur hebben. Toen ben ik eerst naar de stad gegaan. Een nicht van mij woonde in Suriname, toen ben ik van de stad naar haar in Suriname gegaan. Ik moest over de rivier met een boot, zo ben ik naar Suriname gekomen.’

Bent u nog wel eens teruggeweest naar Brits-Guiana?
‘Ik ben pas weer teruggegaan. Ik ben nu net twee maanden terug in Nederland. Ik was blij om mijn broers en zussen weer te zien, maar ik voel me anders dan hen. In Nederland ben ik gewend om vrij te zeggen wat ik wil, maar daar zijn ze dat niet gewend. Ik vond het soms wel moeilijk om met ze om te gaan na al die jaren.  Maar het was wel fijn om ze allemaal weer te zien. Ik was daar met kerst en toen aten we Pepperpot, dat is een typisch kerstgerecht van Brits-Guyana. Dat zijn verschillende soorten vlees met een saus gemaakt van cassave. Het is oorspronkelijk een gerecht van de Indianen. En er zit natuurlijk een beetje peper in. Maar de Hollandse stamppot vind ik ook lekker.’
‘Toch denk ik erover om terug te gaan naar mijn land, mijn jongens zijn nu groot, ze zijn het huis uit en ik ben alleen. Dus ik vraag me soms af waar ik dood wil gaan. En dan is het antwoord ‘thuis’. En mijn thuis is daar in Guiana. Dus het kan zijn dat ik over een paar jaren terugga.’

Archieven: Verhalen

‘In mijn denken en doen, was ik helemaal Nederlands’

Sebastiaan, Albert, Jairo en Georginio uit groep 7A van OBS Wereldwijs in Amsterdam-Zuidoost lopen naar buurthuis No Limit, waar zij mevrouw Asha Ramkisoensing ontmoeten. In het buurthuis staan verschillende tafeltjes en er zitten wat mensen. We zoeken een rustig plekje op. Mevrouw Ramkisoensing is geboren in Suriname en was 13 jaar toen ze met haar ouders naar Nederland kwam.

Hoe was het op school in Suriname?
‘In Suriname zat ik op een meisjesschool. Dus je had jongensscholen en meisjesscholen in Suriname. De school heette de Bernadette School, het was een strenge, katholieke school. We moesten iedere ochtend bidden voordat we begonnen en ook weer voordat we naar huis gingen. Wat het me heeft meegegeven is discipline. Dat is dat je goed kan volhouden. Ik heb heel veel discipline geleerd.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Suriname was een kolonie van Nederland, dat betekent dat Nederland de baas was over Suriname. Toen Suriname onafhankelijk werd van Nederland waren mijn ouders een beetje bang dat er rellen zouden ontstaan. Er waren daar namelijk twee grote bevolkingsgroepen daar; de Hindoestanen en de Creolen. En ze dachten dat de mensen met elkaar zouden gaan vechten. En in Nederland was het veilig, dus toen heeft de helft van de bevolking van Suriname ervoor gekozen om hier naartoe te komen. Ook mijn ouders kozen om naar Nederland te gaan. Dus ik ben eigenlijk gekomen toen bijna de helft van de Surinaamse bevolking hier naartoe kwam. En daarna ben ik hier gebleven en ben ik verder naar school gegaan en heb ik gewerkt.’

Wilt u terug naar Suriname?
‘Ja, ik ben ook teruggegaan toen ik veertig was. En ik was toen zo blij dat ik in het land was waar ik geboren ben. Ik heb het gekend tot mijn dertiende. Het was een paradijs voor mij. Toen ben ik daar zeven jaar gebleven. Ik kon werken en heb hele leuke dingen gedaan. Maar ik ben toch weer teruggekomen, want ik merkte dat ik heel Hollands was geworden. Dus ik was wel Surinaams geboren. Maar in mijn denken en doen, was ik helemaal Nederlands. Op een gegeven moment begon ik Amsterdam te missen, waar ik ook mijn hele leven geleefd had. En toen kwam ik terug, dat is nu acht jaar geleden.’

Wat vond u van Nederland toen u net hier was?
‘Ik vond het heel spannend. Ik was dertien jaar, nog beste jong. Ja, ik vond het heel spannend. Een hele andere cultuur, hele andere mensen. We kwamen in de Bijlmer te wonen. En toen hadden we hier ook weer heel veel Surinamers om ons heen. Ik leefde in twee werelden; in mijn Surinaamse wereld en in mijn Nederlandse wereld. En in die twee werelden, daar bewoog ik in. Ik ging soms mee met het ene en dan weer mee met de andere. Dus ik moest me steeds aanpassen.’

Wat vond u van het eten in Nederland?
‘Het was heel anders dan in Suriname. Je weet dat wij Surinamers een hele lekkere keuken hebben, hè? Je hebt Hindoestaans eten, je hebt Javaans eten, je hebt Afrikaans eten, je hebt echt Chinees, je hebt heel veel soorten eten. Dus Surinaams eten is heel lekker. Aan Nederlands eten moest ik echt wennen. Maar omdat ik met mijn hele familie hier was, at ik nog veel Surinaams. Pas later ging ik Nederlands eten ontdekken.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892