Archieven: Verhalen

’Mijn opa kon niet lezen en schrijven’

Mevrouw Sandra Felter is 61 jaar. Ze was 8 jaar toen ze naar Nederland kwam. Aan Lois, Noah, Yenheva en Veny  uit groep 8 van basisschool Polsstok vertelt ze haar verhaal. Ze heeft ook een paar angisa’s meegenomen en een boek over de verschillende boodschappen, die er verscholen zaten in de manier waarop een angisa gevouwen werd tijdens en na de slavernij.

Hoe woonde u in Suriname?
‘Ik woonde samen met mijn vader en moeder, mijn twee zusjes en een jongere broer in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. We hadden een huis op een groot erf. En schuin achter ons huis stond nog een huis waar mijn tante woonde met haar kinderen. We speelden altijd met elkaar. Ons huis had twee slaapkamers en een ruime voorzaal.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘Dat was een beslissing van mijn ouders. Mijn vader wilde heel graag een betere toekomst voor zijn kinderen. Een toekomst anders dan zijn toekomst was geweest. Mijn vader kwam hier eerst in december om alles gereed te maken. Daarna kwamen wij in februari 1971 met het vliegtuig naar Nederland. Wij moesten alles achterlaten. We konden geen meubels meenemen, alleen ieder een koffer. Mijn moeder was zwanger van mijn jongste broertje.’
‘Onze hond Hector merkte dat er iets ging gebeuren. Dat we weggingen en niet meer terug zouden komen. Hij heeft tot aan de hoek van de straat achter de auto aangerend toen wij naar het vliegveld gingen. Dat was hartverscheurend, ook voor ons, want wij wisten dat we Hector nooit meer zouden zien. Ruim een half jaar daarna, schreef mijn tante ons dat Hector was overleden. Waarschijnlijk van verdriet.’
‘Het was hartje winter en er lag een dik pak sneeuw toen we in Nederland aankwamen. Ik droeg alleen maar een zomerjurkje. Maar op Schiphol waren er gelukkig allemaal mensen met zakken vol warme kleding. Ik kreeg voor het eerst winterlaarzen aan. Die had ik nog nooit aangehad. En een muts op en wanten aan.’

Waar kwam u terecht in Nederland?
‘We kwamen terecht in een pension bij het centraal station in de Warmoestraat op nummer 24. Op de begane grond woonde de broer van mijn vader met zijn vrouw en kinderen, dus mijn oom en tante en nichtjes en neefjes. En op dezelfde afdeling, waar wij woonden, woonde mijn andere oom. We sliepen in stapelbedden. Mijn ouders sliepen in de woonkamer in een opklapbed.’
’Ik weet nog dat ik mijn nichtjes en neefjes, met wie we altijd speelden op het erf in Suriname, in het begin heel erg miste. Na anderhalve week zei ik tegen mijn jongere zusje: ‘Weet je wat, we gaan heel even naar Suriname, op het erf met onze nichtjes spelen. En daarna komen we weer terug’. Mijn zusje vroeg: ‘Weet je wel waar het is?’ Ik kon me nog herinneren dat we vanaf het centraal station naar ons huis waren gelopen dus ik dacht gewoon, we lopen naar het Centraal Station en daarachter is Suriname. In onze huiskleding gingen we de straat op. Het was hartje winter, dik pak sneeuw en we kwamen niet verder dan de hoek. Want op de hoek was een café en daar kwam een blonde dame, met blauwe ogen het café uitgerend en vroeg: ‘Zeg meiden, waar gaan jullie heen?’ Wij zeiden: ‘We gaan naar Suriname.’ Ze bracht ze ons naar het politiebureau Warmoestraat en even later kwam mijn vader ons halen. Mijn vader begreep meteen dat wij heimwee hadden. Hij was gelukkig niet boos.’

Wat is het verhaal over uw opa?
‘Mijn opa heeft in het oerwoud van Suriname per ongeluk zijn vinger eraf gehakt. Helemaal eraf. Hij is toen gevonden door indianen, de Inheemse bevolking. Ze hebben hem meegenomen en verzorgd. Met kruiden hebben ze de vinger weer vastgemaakt aan zijn hand. En wel zo goed dat mijn opa weer gewoon zijn vingers kon bewegen. Dus ook de spieren hebben ze weer genezen. Jaren later, toen mijn opa al in Nederland woonde, kwam hij terecht in een ziekenhuis, omdat hij ziek was. Daar was het arts die vroeg wat er gebeurd was met zijn vinger was. Mijn opa vertelde het verhaal over de Inheemsen, die hem met kruiden weer hebben genezen. De artsen wilden weten wat voor soort kruiden, want dit hadden ze nog nooit gezien! Maar dat wist mijn opa niet.’
’Mijn opa kon niet lezen en schrijven, want zijn opa en oma mochten in slavernij niet leren lezen en schrijven. Ze moesten maar gewoon dom blijven. Als ze zouden leren lezen en schrijven, dan zouden ze slim worden en dat was gevaarlijk. Mijn opa’s ouders wilden best graag leren, maar ze moesten na de afschaffing van de slavernij nog tien jaar doorwerken. Toen mijn opa werd geboren, zagen ze niet echt het nut in van een scholing. Dus zodoende kon mijn opa niet lezen en schrijven. Hij was ook bij ons inNederland. Mijn zusje en ik speelden vaak schooltje en mijn opa vroeg: ‘Kunnen jullie mij ook leren mijn naam te schrijven?’ Dat vonden we prachtig natuurlijk. Na het overlijden van mijn ouders heb ik nog een paspoort van mijn opa gevonden met zijn handtekening. Maar dan met een heel bibberend handschrift geschreven. Ik was heel trots op hem!’

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Blijf tori praten’

In een lokaal van basisschool Polsstok in Amsterdam-Zuidoost interviewen Chenoah, Jessica en Madelynn uit groep 8 mevrouw Nellie Bakboord. Mevrouw Bakboord is geboren in Suriname en verhuisde op haar 11de, met haar moeder en broertjes en zusjes, naar Amsterdam. Ze vertelt over haar leven in Suriname en hoe het was om in Nederland te komen wonen, 60 jaar geleden.

Hoe vond u het om in Suriname op te groeien?
Heerlijk. Echt heerlijk. Gewoon, omdat ik in de leukste straat van Paramaribo woonde, dat vind ik. Iedereen kan zeggen: ‘Nee mijn straat is veel leuker’, maar het is wel waar. Het was een straat met grote gezinnen, heel veel kinderen. Wij hadden een groot erf met fruitbomen. We hadden appels, birambi, sapotille, guave. We hadden honden, lieve honden. Niemand durfde zomaar op het erf te komen, ze hapten echt naar je benen, naar je kuit, omdat dat het lekkerste plekje is. Als mensen kwamen, in plaats van te bellen, zeiden ze heel hard ‘klop klop klop’.

Was het moeilijk om met een groot gezin naar Nederland te verhuizen?
Mijn moeder heeft het perfect gedaan. Als ik eraan terugdenk, vraag ik me af hoe ze dat eigenlijk gedaan heeft? Zeven kinderen, niemand had een paspoort. Ze moest voor alle zeven kinderen een paspoort aanvragen. Wij waren allemaal te jong om te helpen. Wij zijn zestig jaar geleden vertrokken uit Paramaribo. We zijn meteen in Amsterdam komen wonen, vlakbij de Albert Cuypmarkt. We woonden bij een hospita. Er was geen douche! In Suriname douche je minstens één keer per dag. Als je hier komt en je kan niet douchen, dat was echt een drama voor ons! We moesten naar een badhuis en dan moest je betalen. Als je te lang douchte kwam iemand kloppen. Een jaar later moest je met een muntje betalen. Dan had je betaald voor tien minuten douchen en daarna ging het op koud. Dan ging je echt wel eruit. Er was geen speeltuin, die was te ver, dus spelen was voor ons op straat. We hadden vriendjes en vriendinnetjes in de straat, dus het was wel heel gezellig.’

Hoe voelde het om vanuit Paramaribo te verhuizen naar Nederland?
Ik vond het heel moeilijk, want je verlaat de leukste straat van Paramaribo, je laat je vriendjes achter en je buren. De Chinese winkel op de hoek, waar ik, zodra ik twee cent had gevonden, naartoe rende en voor een cent een snoepje kon kopen. Al dat soort dingen laat je achter je. En je weet niet waar je naartoe gaat. Maar als je hier naartoe komt, zijn het ook allemaal nieuwe en mooie en spannende dingen. We kwamen in een straat wonen, waar je in één minuut lopen bij de patatzaak was. Als ik terugkijk, ben ik soms een beetje jaloers op de mensen, die niet weg zijn gegaan, die hun basisschool hebben afgemaakt, die naar de middelbare school zijn gegaan. Maar ik heb er andere dingen voor teruggekregen. Andere vrienden hier op de middelbare school.’

 

Heeft u racisme meegemaakt?
‘Ik heb het wel meegemaakt, maar hoe leg ik het uit. Soms is het heel duidelijk. Dan staat er verboden voor Surinamers. Nou, dat is zo racistisch. In de jaren zeventig waren hele wijken gesloten, Surinamers mochten daar niet wonen. De woningbouw mocht geen woningen geven aan Surinamers. Het stond echt gewoon in de krant. Dat is het toppunt van racisme.’
‘Persoonlijk is er één ding dat me bijgebleven is uit mijn studententijd. Toen zei één van die studenten tegen mij: ‘Ik vind jou zo vreselijk aardig’, voor mij ben jij geen Surinamer. Ik ben boos geworden! Hij zegt: ‘Hoezo word je boos?’. Ik zeg: ‘Hoor je niet wat je zegt? Je zegt eigenlijk dat een Surinamer een vreselijk iemand is, geen aardig iemand, en omdat ik aardig ben, ben ik dus geen Surinamer’. Ik moest het hem echt uitleggen.

Heeft u een levensles voor ons?
‘Blijf tori praten. Vooral ook met je moeder, met je vader, met je grootouders. Vraag aan ze hoe het vroeger was. Wat deden jullie? Bel je oma op, of stuur haar een app en zeg ‘oma, zullen we na het eten tori praten?’. Tori komt van story. Ik heb het gedaan met mijn moeder. Ik denk dat ze tachtig was. Ik heb tegen haar gezegd: ‘Ik wil tori met je praten over toen jij 14 jaar was. Is er iets gebeurd dat indruk op je gemaakt heeft? Iets dat je nooit van je leven meer zult vergeten?’ Toen vertelde ze een verhaal, dat is levensgroot geworden. Ze kwam altijd bij een tante van haar, daar ging ze vaak een weekendje naar toe. En er waren drie jongens, die gingen ook altijd naar hun tante, dat was bij de buurvrouw. Maar ineens kwamen die kinderen niet meer.  En in Suriname leer je als kind dat je geen vragen hoort te stellen. Pas later hoorde ze dat de drie jongens en hun vader zijn opgepakt. Want het was tijdens de tweede wereldoorlog en de vader van de jongens was Duits.’
‘Dat verhaal heb ik opgeschreven en toen heeft iemand het gelezen en hij heeft gezegd: ‘Ik ken deze jongens, ik ken dit verhaal. Eén van die jongens leeft nog en woont in de buurt van Amsterdam’. Hij wist ook zijn achternaam. Ik ben in de telefoongids gaan zoeken en vond die achternaam in Uithoorn. Toen heb ik gebeld, een vrouw neemt op en ik vertel het verhaal en ze zegt: ‘Je praat over mijn man!’. Ze roept hem. Ze zegt: ‘Kom snel!’ Mijn moeder is hem gaan opzoeken en ze zien elkaar—zij is tachtig, hij is zevenentachtig—en ze pakken elkaar vast. Wat een emotie! Zie je wat er gebeurt als je gaat tori praten.’

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘In ons gezin hebben we alle kleuren’

Celeste, Manicha en Gigi uit groep 8 van basisschool Polsstok in Amsterdam-Zuidoost ontmoeten de 71-jarige mevrouw Josette Panka. Mevrouw Panka woont alweer tien jaar in een gezellige aanleunwoning van een woonzorgcomplex. Snel zet ze wat stoelen om haar keukentafel. Aan de muur hangt een klok in de vorm van Suriname. Die is bijna vijftig jaar oud.

Waar ben u geboren?
‘Ik ben in Suriname geboren, mijn ouders ook. Mijn vader ging naar Curaçao, om daar te gaan werken in een olieraffinaderij. Veel Surinamers zijn voor werk daarnaartoe gegaan en zo zijn wij daar ook terecht gekomen. Ik was toen zeven jaar. We waren thuis met acht kinderen, mijn twee jongste zusjes zijn opgevoed door een tante van mijn moeder.’

Hoe was het om op te groeien in Curaçao?
‘In het begin was het best moeilijk, ik moest erg wennen. Maar gelukkig was het op Curaçao ook altijd warm. Er was ook veel hetzelfde als in Suriname. We praten allemaal Nederlands. Op school leerden we ook precies hetzelfde als in Suriname. Je leerde niet over de geschiedenis van Suriname of Curaçao. Het ging allemaal over Nederland. Dus ik wist precies waar alles hier in Nederland lag. Ik kende alle rivieren, alle provincies met hun hoofdsteden. Ik had nooit veel vriendinnen. Eigenlijk was ik altijd aan het lezen en puzzelen, van die kruiswoordraadsels. Ik was natuurlijk altijd samen met mijn broertjes en zusjes, dus dat was al gezellig.’
‘Ik kan me 30 mei 1969 nog goed herinneren. Ik was toen 15 jaar en zat die dag gewoon op school, maar je voelde dat er iets groots aan de hand was. Het was echt een beetje een donkere dag, zeg maar. Iedereen was bang. Het begon met een staking bij de olieraffinaderij Shell. Werknemers waren het niet eens met de werkomstandigheden en de lage lonen. Een grote stoet mensen sloot zich aan en trok naar de binnenstad. De staking werd een volksopstand. Heel veel winkels zijn toen in brand gestoken in de binnenstad van Willemstad. De school ging dicht, wij werden naar huis gestuurd.’

Waarom bent u eigenlijk naar Nederland gegaan?
‘Mijn moeder wilde weg van Curaçao, omdat ze het niet meer zag zitten met mijn vader. Ze wilde naar Nederland met mijn jongste zusje, die toen 10 jaar was. Toen heb ik gezegd: ‘Nou, dan ga ik ook mee’. Ik was twintig, net klaar met de HAVO. Dus zo ben ik naar Nederland gekomen.’
‘In Nederland ontmoette ik mijn man. Hij was marinier en kwam toevallig ook uit Curaçao. Hij werd regelmatig uitgezonden naar Curaçao. De allereerste keer is hij alleen voor negen maanden gegaan. We kenden elkaar toen nog maar net, maar ik was verliefd en miste hem. Ik heb ontslag genomen en ben hem na drie maanden achternagegaan. Ik ben daar zes maanden gebleven. Maar toen we terug moesten komen, kreeg je alleen maar een woning als je getrouwd was. Dus toen zijn wij nog snel even getrouwd. In 1981 werd hij weer uitgezonden naar Curaçao, toen voor drie jaar. Dus we zijn daarheen verhuisd. Mijn zoontje was toen net één jaar. In die drie jaar is mijn dochter geboren, daar in 1983. En in 1984 zijn we teruggekomen naar Nederland. Vijf jaar later konden we weer voor drie jaar naar Curaçao. De kinderen waren wel boos, want ze hadden net vriendjes hier in Nederland op school. Maar goed, we gingen toch. Na die drie in Curaçao wilde mijn man daar blijven. Hij wilde niet terug naar Nederland. Hij nam ontslag bij de marine. Mijn kinderen en ook veel van mijn familie, die in Nederland woonden, vonden het vreselijk. Mijn kinderen zijn na de middelbare school gelijk weer terug naar Nederland gegaan om te studeren. In 2004 ben ik gescheiden en op mezelf gaan wonen. Ik ging wel regelmatig naar Nederland om mijn familie en kinderen te bezoeken. Pas in 2015 was ik er echt aan toe om ook naar Nederland te komen. Ik miste iedereen zo vreselijk. Ik heb ontslag genomen en ben hierheen verhuisd. En dat is nu tien jaar geleden!

U bent heel licht van kleur. Hoe kan dat dan?
‘Echte Pankas hebben een heel donkere kleur, dat zijn marrons, weggelopen slaven. De vader van mijn vader, die was dus een marron. Een zwarte man, zeg maar. Zijn vrouw was een Indiaanse. Mijn vader is veel lichter dan zijn vader. Maar mijn moeder, die is heel licht, bijna wit. Dus vandaar dat ik zo licht ben en mijn broer heel donker. In ons gezin hebben we alle kleuren.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘We leerden niks over het land waar we woonden’

Mevrouw Jane Veltman is 89 jaar, maar zo ziet ze er niet uit. Er ligt een wereldkaart in een kamer van basisschool Polsstok in Amsterdam-Zuidoost waar het interview plaatsvindt. Hierop kan mevrouw Veltman aanwijzen waar ze allemaal gewoond heeft. Shemar, Carsy, Alexander, Keudy en Dani uit groep 8 luisteren aandachtig.

Hoe was het om op te groeien in Java?
‘Ik vond het wel leuk, want het was warm. Ik ben geboren in Makassar op Celebes, nu heet het Sulawesi. Daarna verhuisden we naar Soerabaja, Oost-Java. Toen ik bijna twee jaar was, zijn we naar Nederland gegaan. Het was een lange reis met een boot en het duurde wel een maand. Maar ik weet daar niks van hoor, want ik was nog te klein. Mijn vader werkte bij de PTT Post op kantoor en mijn moeder was onderwijzeres. Als je ging trouwen, moest de vrouw stoppen met werken. Dat was bij mijn moeder ook zo. Dus zij heeft altijd op ons gepast en dat was best gezellig.’

Wat veranderde voor u toen de oorlog uitbrak? 
‘Toen Japan Nederlands-Indië bezette, woonden wij dus op Soerabaja en moesten we daar blijven. Ik was toen 5 jaar. We mochten niet meer buiten spelen dat was te gevaarlijk. Ik zelf merkte niet heel veel van de oorlog maar mijn ouders wel, die waren wel bang. Ik zat toen net op school, weet ik nog, want ik was een vroege leerling. Maar in februari kwamen de Japanners en sloten alle scholen. Mijn moeder heeft ons toen lesgegeven. Tot mijn 15e, want toen gingen we naar Nederland.’

Wat leerde u op school?
‘Wat wij daar op school leerden was precies hetzelfde als wat de kinderen in Nederland op school leerden. We leerden eigenlijk niks over het land waar we woonden. Wel over Europa.’

Wat was uw gevoel toen u naar Nederland ging?
‘Wij waren vluchtelingen toen we hier kwamen. We konden niet blijven in ons land, dat was te gevaarlijk. Alle mensen werden verdeeld over pensions in heel Nederland. Net als wat ze nu doen met vluchtelingen in AZC’s. Wij hebben twee jaar in zo’n pension moeten wonen in Overveen. Het was eigenlijk wel fijn dat we al Nederlands spraken.’

Archieven: Verhalen

‘Toen dacht ik dat het normaal was’

In een lokaal van de school, interviewen Yevani, Jah’rell, Rugeno en Yadelin, leerlingen uit groep 8 van basisschool Polsstok in Amsterdam-Zuidoost, meneer Henk Heikoop. Meneer Heikoop is geboren in Nederlands-Indië, waar hij met zijn familie woonde in een groot huis met veel bediendes. Toen hij en zijn familie voor verlof naar Nederland gingen, brak de oorlog uit en konden ze niet meer terug. Ze brachten de oorlog door in Nederland. Na de oorlog werd zijn vader naar Curaçao gestuurd voor zijn werk, waar meneer Heikoop het heerlijk vond.

Wat dacht u toen u van Indonesië naar Nederland kwam?
‘Toen dachten we dat we even met verlof zouden gaan en na twee maanden weer terug. Als je in die koloniën werkte, ging je twee keer in de buurt op vakantie, en één keer in de zoveel jaar voor drie maanden. Dan ging je met een passagiersschip, drie weken heel langzaam van Indonesië naar Nederland. En wij dachten dat we terug zouden komen, maar dat was niet zo. In Genua, Italië, gingen we van het schip af. Het schip ging nog helemaal om Portugal heen, daar was altijd een hele woeste zee. Veel mensen ziek werden daar vreselijk ziek van, dus de meeste mensen gingen van het schip en met de trein door Zwitserland naar Nederland.’

Hoe was het om in de oorlog te leven?
‘Het was een hele schrik. Eigenlijk hoorden we niet in Nederland in de oorlog. Wij kwamen uit Indië, Indonesië. Terwijl we met verlof waren, met de bedoeling weer terug te gaan, brak de oorlog uit. En we hadden alleen maar een koffer met alleen maar zomerkleren en we wisten niet dat we vijf jaar moesten wachten. We hadden aan alles gebrek: aan kleren, aan eten. We waren jaloers, want de mensen, die niet met verlof uit Indonesië waren, die hadden het goed. Maar we wisten toen niet dat de japanners kwamen en dat ze in Jappenkampen moesten.’
‘Toen gebeurde het wonder dat mijn vader, hij werkte bij de shell, meteen na de oorlog naar Curaçao werd gestuurd. Toen woonden we ineens weer in de tropen. Weer in een wit huis, weer met palmbomen, heerlijk. De mooiste tijd van mijn leven.’

Wat waren de verschillen tussen Indonesië, Nederland en Curaçao?
‘Alles was verschillend. In Indonesië hadden we een grote tuin, palmbomen, dieren, honden en katten. In Nederland was de oorlog, we woonden op een kleine etage met kleine kamertjes. Op Curaçao hadden we opnieuw een groot huis, een breed dak, schuin op het huis, schaduw, heerlijk. En daar was ook nog wind! Op Java was het heel heet, mijn moeder kon daar niet tegen. Maar op Curaçao was altijd wind.’

Wat deden uw ouders?
‘Mijn vader was accountant. Ik wist helemaal niet wat dat was, iemand die iets deed met geld. En daarvoor ging hij steeds naar een ander land, hetzelfde werk doen. Mijn moeder was altijd de witte mevrouw aan het uithangen; veel tennissen en borrelen en niet thuis zijn. Daarom spraken wij eerder Maleis in Indonesië, dan Nederlands in Indonesië. Want er waren altijd allemaal bedienden op de achtergalerij. Die leerden ons Maleis. Mijn moeder was er bijna nooit, en mijn vader was er helemaal nooit. De moeders zeiden tegen elkaar: ‘Hoe komt het toch, dat die kinderen zo Indisch worden en zo veel Indisch spreken?’ Ze hadden helemaal niet door dat zij dat eigenlijk zelf veroorzaakten door er nooit te zijn. Heel raar.’
‘Ik was een wit kind en was altijd in een bevoorrechte positie. Dat was een luxepositie. Je had het altijd goed, je had spullen, je had eten. Dat is het koloniale verleden. De andere mensen, die hadden het niet zo goed. Koloniën gingen altijd ten koste van de gekleurde mensen.’

Voelde u zich een beetje schuldig als u zag hoe de gekleurde mensen leefden?
‘Toen niet, toen dacht ik dat het normaal was. Maar nu wel. Nu weet ik dat het ten koste van andere mensen gaat. Als kind vind je dat heel gewoon, dat is natuurlijk helemaal niet heel gewoon!’

Had u vrienden, die arm waren?
‘Als ik eerlijk antwoord, eigenlijk niet. Want al die witte mensen waren over het algemeen rijker dan de gekleurde mensen en die kenden elkaar. Dus ik kende eigenlijk geen mensen die arm waren.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik ben meer dan mijn huidskleur’

Meneer Carl Hagenaar is 86 jaar. Hij is al bijna 60 jaar met zijn vrouw Yvonne getrouwd. Ze is meegekomen naar Basisschool Polsstok in Amsterdam-Zuidoost waar Dejanero, Aaron, Romayli, Ishaaq en Catteleya uit groep 8 ademloos luisteren naar alle spannende verhalen, die hij vertelt over zijn jeugd in Nederlands-Indië.

Hoe was het om in Batavia te leven?
‘Ik ben in 1939 geboren in Batavia. Het was net voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ik ben de eerste jaren van mijn leven door mijn oma grootgebracht. Mijn vader was opgepakt door de Japanners en moest werken aan de Birma spoorlijn. Ik werd heel erg verwend door mijn oma. Mijn oma heeft mij liefde en veiligheid gegeven. Ze was in die periode mijn moeder. Mijn oma was de liefste vrouw ter wereld, maar ook heel streng. Iedere avond werd ik met koud water gebaad en daarna afgedroogd. Dan zetten ze me poedelnaakt op bed en werd ik overal gecontroleerd. In mijn haren, tussen mijn tenen. Als ik een schrammetje had, en die had ik nogal eens, want ik speelde altijd buiten, dan deed ze er jodium op. En dat was echt pijnlijk!!  En dan kon ik schreeuwen wat ik wilde, maar ze ging gewoon door. Mijn oma en ik gingen altijd samen naar bed. En als ik morgens wakker werd, dan was ze al in de keuken iets aan het klaarmaken voor het ontbijt.’
Indonesië ligt midden op de evenaar. Als de zon opkomt, om zes uur in de ochtend begon het leven. En om zes uur s’avonds werd het donker en was de dag voorbij. Om zeven uur begon school en om twaalf uur kwam ik thuis. Dan ging ik eerst douchen of baden, zoals dat dan heette. Daarna kreeg ik warm eten. En na het eten ging je naar bed; de siësta zoals die hier in Europa heet. Om vier uur stond ik weer op. En dan ging ik weer douchen. Want tijdens dat middaguurtje werd je kletsnat van het zweet. We hadden toen nog geen airconditioning.’
‘Dan gebeurde er iets, dat ik als een misdaad beschouwde voor kinderen, want daarna werd ik in spierwitte kleding aangekleed. In een land dat vies en stoffig was. Ik droeg altijd witte sokjes met witte schoentjes, een wit broekjes en witte blouse. Als ik een halve minuut buiten liep, was ik alweer vies, want ik ging dan voetballen met andere jongens. Maar mijn ouders werden daar nooit boos om, want we hadden een wasvrouw en mijn kleding werd gewoon iedere dag gewassen. Tegen een uur of zes kwam ik dan weer thuis en dan ging ik eerst weer douchen. Dan kreeg ik kleding aan voor het avondeten. Tijdens het slapen, droeg ik nooit een pyjama hoor, want dat was gewoon te warm. Ik had een kort broekje aan om te slapen. Dat slapen viel niet mee hoor, want er waren heel veel muggen.’

Hoe was uw school?
‘Wij hadden in Nederlands-Indië hetzelfde onderwijs als in Nederland. Je had drie type scholen. Je had een school voor de Nederlanders. Kinderen, die uit Nederland kwamen of in Nederlands-Indië waren geboren, maar niet gemengd bloedig waren. De tweede school was voor ons, Nederlands-Indische jongens. En de derde school was voor de Indonesiërs. Wìj hadden hetzelfde onderwijs als de Nederlandse scholen. Alleen die scholen werden niet gemengd. De Indonesiërs hadden een totaal andere school. Dat noemden wij dan de skola jonkok. Skola is school en jonkok is op je hurken zitten. Als je door een Indonesisch dorp reed in die tijd, zag je op het centrale grasveld Indonesische kinderen op hun hurken zitten met een lei en een griffel en daar kregen ze onderwijs.’

Wat merkte u van de oorlog?
‘Ik woonde dus bij mijn oma en op een dag kwamen er allemaal mannen op de oprit, deze Indonesische strijders heten Permuda’s.  Ze hadden grote kapmessen en zeiden tegen mijn oma dat we weg moesten gaan. Dat deed mijn oma niet. Toen hebben ze onze honden gedood, een voor een. De dag daarna kwamen ze weer zeggen dat we weg moesten gaan anders zouden ze haar kleinzoon, mij dus, de volgende dag meenemen. Toen hebben we direct een koffer gepakt. We kwamen in een gebied waar het veilig was, in een kleine kamer. Daar zag ik mijn moeder terug.’

Hoe was uw reis naar Nederland?
‘Toen ik 12 jaar was, ging ik met mijn tante, met het vliegtuig naar Nederland. In die tijd kon er s’avonds niet gevlogen worden. Dus wij deden er drie dagen over om van Batavia naar Amsterdam te vliegen. Hier op Schiphol zouden we worden ontvangen door de oudste dochter van mijn tante. Die zou ons daar komen halen. Maar ze was er niet. Ik had wel haar telefoonnummer. Die nicht van me had zich een dag vergist. Ze zei: ‘Pak maar een taxi.’ We hadden helemaal geen cent bij ons, maar gelukkig was daar een dame in een kantoortje, die alles regelde voor repatrianten. Mensen die uit Nederlands-Indië kwamen in die periode, die werden repatrianten genoemd. Zij heeft toen een taxi voor ons geregeld en toen zijn we naar een pensioen in Zandvoort terecht gegaan.  De volgende dag kwam er een mevrouw om met mij kleren te kopen, want ik had alleen maar een kort blousje aan en een fladderbroekje en ik had het erg koud. Het was geloof ik 15, 16 graden. De volgende dag kwam ze terug om met mij naar een school te zoeken.’

Heeft u ooit racisme meegemaakt?
‘Dat is een hele goede vraag. Ik vind dat een ongelooflijk mooie vraag. Ik heb me in Nederland nog nooit gediscrimineerd gevoeld. Ik heb nooit rassenhaat ervaren. Let op, ik zeg niet dat dat er niet is, dat is er wel degelijk. Alleen ik heb het niet ervaren. Ik begon te vertellen zojuist over de jongens, die me vroegen waar ik mijn Nederlands geleerd had. Nou, dat kun je beschouwen als rassendiscriminatie, maar ik heb gedacht, nou de jongens die weten dat niet, ze zijn nieuwsgierig. Ik ga het ze vertellen. En zo heb ik me altijd gedragen.’
‘Ik heb een Indonesische oma gehad. Die heeft nooit op school gezeten. Maar mijn oma was een hele wijze vrouw. Die heeft me levenswijsheden in mijn leven meegegeven. Waar ik nu nog op teer. En een van die levenswijsheden is: ‘Wees altijd beschaafd’. Laat je nooit verleiden tot onbeschaafd gedrag. Jullie bepalen hoe je ermee omgaat. Ik geloof ook niet dat je alleen op je huidskleur gediscrimineerd wordt. Dat geloof ik niet. Joden worden ook gediscrimineerd. En niet vanwege hun neus, niet vanwege hun haar. Daarom kom ik iedere keer weer terug op dat beschaafd zijn. Wees altijd beschaafd. Een jongere broer van me, die was onbeschaafd. Hij timmerde er altijd op los als hij dacht dat hij gediscrimineerd werd. Ik ben ook donker, ik heb ook een andere huidskleur, maar ik laat me niet door iemand anders op mijn huidskleur wegzetten. Ik ben meer dan mijn huidskleur. Jullie zijn meer dan je huidskleur. Gedraag je daarna.’

Archieven: Verhalen

‘In Nederland had ik niemand’

Mevrouw Zorka Gostinirovit is een lieve stoere vrouw uit Bosnië en Herzegovina. Ze is dol op kinderen en heeft voor Justin, Tyrone, Jahzarra en Eliana uit groep 7b van OBS Wereldwijs in Amsterdam-Zuidoost snoepjes uit Bosnië meegenomen.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Bosnië, voormalig Joeslavië. Bosnië ligt in de Balkan, richting Griekenland. Ik woonde in een dorpje met mijn moeder en vader, vier broertjes en zus. Ik was de oudste. We woonden op een boerderij met allemaal dieren. Koeien, kippen, kalkoenen. Mijn vader werkte altijd, hij was weinig thuis en heel streng. Vanaf 5 jaar moesten we al meehelpen met werken. Bijvoorbeeld de koe gras geven. Ik wilde altijd wel graag spelen met andere kinderen, maar dat mocht ik niet, want ik moest werken. In vakanties ook. Als alle kinderen gingen zwemmen in de rivier mocht ik dat niet, ik moest werken. Takjes zoeken in het bos en in stukjes hakken om op te stoken. Toen ik 7 jaar was, ging ik naar school. Die was vier kilometer verderop. Daar moesten we heen lopen, want er bestond geen openbaar vervoer.’

Wat was uw favoriete vak op school?
‘Ik was niet zo geïnteresseerd in school. Ik merkte dat rijke kinderen voorgetrokken werden en daar kon ik moeilijk tegen. Ik was vaak boos, omdat ik gepest werd. Maar dat liet ik niet toe, dus nam ik de pestkoppen onder handen. En dat vonden de meester en juf niet leuk.’
‘Op een gegeven moment gingen we verhuizen van het dorp naar de stad. Ineens woonden we in een huis op de zesde etage. Onze vader bedoelde het goed, want nu hoefden wij niet meer zo ver lopen naar school. Maar ja, als je het buitenleven in een dorp gewend bent, met de natuur om je heen, dan is het leven in de stad niet leuk. Vaak kreeg ik straf van mijn vader en dan mocht ik niet naar buiten. Het voelde als een gevangenis.  Dat heb ik van 1966 tot 1969 volhouden. Ik was best goed op school. Ik kon goed leren. Maar omdat ik ook hier gepest werd, vond ik het niet leuk. Ik maakte ook veel ruzie met mijn vader. Ik had een grote mond. Maar daardoor kreeg ik ook heel veel klappen van hem. Ik werd elke dag geslagen. Na twee jaar zei ik tegen mijn vader: ‘Ik wil niet meer naar school. Ik stop ermee. Jij kan mij doodmaken nu maar ik ga niet terug’. Ik was 14 jaar. Toen ben ik met mijn broertje terug naar het dorp gegaan en ben bij mijn oma gaan wonen. Daar heb ik gewerkt.’

Wanneer bent u weggegaan?
‘Toen ik 19 jaar was, heb ik me ingeschreven bij het arbeidsbureau. Ik wilde in het buitenland werken, het liefst in Duitsland, omdat veel van mijn familie daar was. Maar ze boden me een baan aan in Nederland en die heb ik aangenomen. Ze zeiden: ‘Het is een land van bloemen.’ Ik dacht alleen maar: ‘Het kan me niet schelen, als ik maar weg ben van huis.’ Het arbeidsbureau regelde alles, de vliegreis, het verblijf in een pension. Dat is allemaal netjes gedaan. In Nederland had ik niemand, ik was helemaal alleen.’

Hoe lang duurde het om Nederlands te leren?
‘Dat duurde vier jaar. Ik heb alles geleerd via de televisie. Er waren toen maar twee zenders; Nederland 1 en Nederland 2. Meer was er niet. Ik woonde in een pension met dertig andere meiden, die in de fabriek werkten. Die andere meiden gingen ieder weekend uit. Maar ik niet. Ik wilde mijn geld niet opmaken. Dus ik keek televisie en elke woord probeerde ik te onthouden en als ik het niet wist dan vroeg ik het op mijn werk aan collega’s.’

Wat vond u het moeilijkst toen u in Nederland kwam?
‘Dat ik niet kon praten met Nederlandse mensen. Ik wilde dat wel graag, want ik hou van praten, maar ik kende de taal niet. Er waren wel veel Joegoslavische meiden, maar ik wilde niet zoveel met hen praten. Ze zeiden maar wat en lachten je uit. Toen ik zag dat ze een vrouw pestten, die een kromme rug had, vond ik dat niet leuk. Ik vroeg ze om ermee te stoppen. Dat deden ze niet. Toen heb ik een paar van die meiden geslagen. Echt waar. Ik zei: ‘Als je dat nog een keer doet dan is het klaar’. Later werd ik verliefd op mijn man. Hij was een Nederlandse buschauffeur. We trouwden en kregen twee dochters.’

Waar voelt u zich thuis?
‘Dat is een moeilijke vraag. In Nederland vind ik het leuk. Ik heb hier alles. Mijn Kinderen zijn hier, mijn kleinkinderen ook. Dat is het belangrijkste. En ik heb goede zorg hier in Nederland. Daar heb ik niks. Alleen een huis. En dat huis kost veel geld. Ik ga daar wel iedere vakantie heen. Wel drie keer per jaar. Zes weken lang.’

 

Archieven: Verhalen

‘In Nederland heb ik mijn man leren kennen’

Selia, Kemi, Dylan en Marques uit klas 7B van OBS Wereldwijs in Amsterdam- Zuidoost gaan op de fiets naar verzorgingscomplex de Venser. Daar interviewen ze mevrouw Josette Panka. Mevrouw Panka is in Suriname geboren, maar heeft het grootste deel van haar leven op Curacao gewoond.

Waarom bent u van Suriname naar Curaçao verhuisd?
‘In Suriname was mijn vader politieagent, maar hij dacht dat hij het op Curaçao beter zou hebben. Ik was 7 jaar toen mijn vader werk kon krijgen op Curaçao in de olieraffinaderij. Er kwamen veel mensen daar werken, ook uit andere landen. In deze raffinaderij werd ruwe olie, die uit de grond werd gehaald in Venezuela, verwerkt tot benzine en bruikbare gasolie.’

Hoe ging de verhuizing?
‘Mijn vader en moeder gingen daar eerst naar toe om een huis te zoeken. Na drie jaar hadden zij dat gevonden en konden de kinderen ook verhuizen naar het eiland. In de tussentijd woonden wij in Suriname in een internaat met veel andere kinderen en werden we verzorgd en opgevoed door nonnen. Dat was niet altijd leuk, die sloegen soms. Mijn ouders stuurden af en toe lekkers naar ons in het internaat, maar dat werd verdeeld over alle kinderen of de nonnen namen het zelf.’

Wat is een leuke herinnering aan Curaçao?
‘Het was rustig. Ik zat veel te lezen op het balkon en ik had een vriendin, die woonde naast ons. Het leukste was aan het eind van de maand, als mijn vader had ’ontvangen’. Dan had hij salaris gekregen. We gingen met de grote auto een ijsje halen. Geweldig was dat. En we gingen boodschappen doen en grote zakken rijst halen.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Op een gegeven moment ging mijn moeder weg bij mijn vader. Ze had het niet meer naar haar zin op Curaçao en ging naar Nederland. Haar ouders waren al eerder vanuit Suriname naar Nederland verhuisd. Dus daar kon ze naartoe. En ik dacht: ‘Ik ga mee’. Ik was ook net mijn vriendje kwijt. De reis met het vliegtuig duurde negentien uur, met vele omwegen. Nu duurt het negen uur. In Nederland ben ik cursussen gaan volgen en kon ik gaan werken. Ik kon gelijk werk vinden en kon ook een eigen kamer vinden in Utrecht. Ik heb altijd administratief werk gedaan, als receptionist. Ik was pas twintig jaar.’
‘In Nederland heb ik mijn man leren kennen. Hij kwam ook van Curaçao. Hij was bij de marine en door hem zijn we in 1989 weer naar Curaçao verhuisd. Toen heb ik weer 26 jaar op het eiland gewoond, maar tien jaar geleden ben ik weer naar Nederland gekomen voor mijn kinderen. Ik miste mijn familie. Ik heb een zoon van 45 en een dochter van 42 jaar en drie kleinkinderen, twee meisjes en een jongen. Ik heb op ze gepast tot hun vierde jaar.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Eigenlijk heb ik drie thuislanden’

Mevrouw Elionoor Mohamed woont in een gelijkvloerse aanleunwoning. Selia, Kemi, Dylan en Marques uit groep 7B van OBS Wereldwijs in Amsterdam-Zuidoost interviewen haar daar in een mooie ruimte van het woonzorgcomplex. Mevrouw Mohamed is 76 jaar, maar ze ziet er nog heel jong uit vinden de leerlingen.

Wat is uw afkomst?
‘Ik ben Surinaams-Hindoestaans. Mijn moeder is Surinamer en mijn vader is Hindoestaan. Hij kwam uit India uit de stad Agra. Daar is hij geboren. Hij vertelde ons dat hij er niet tegen kon dat de mannen daar hun vrouwen sloegen. Dat mocht daar gewoon en dat kon hij niet aan. Je werd ook uitgehuwelijkt in India bij je geboorte. Dat betekent dat je met iemand moest trouwen, die je ouders hadden uitgekozen. Of je dat nou wilde of niet. Maar mijn vader heeft dat nooit gewild en daarom is hij weggegaan. Naar Suriname. Hij heeft het niemand gezegd. Zijn ouders hebben hem onterfd. Hij heeft nooit meer contact met ze gehad, maar het kon hem niet schelen. Hij is nooit meer teruggegaan naar India.’

In welk land woonde u vroeger? En hoe was het leven daar?
‘Ik woonde in Suriname. Het leven was gezellig. Ik woonde er met mijn moeder, mijn vader, vijf broers en twee zussen. Ik ben de jongste en scheel dertien jaar met mijn oudste zus. Ik speelde vaak in het bos en klom in de bomen om vruchten te plukken. Ik werd door iedereen verwend. Ik hoefde nooit veel te doen in het huishouden. Ik hoefde nooit te koken, of iets in het huishouden te doen. Bij mijn moeder was er altijd lekkers, mijn moeder hield van bakken. Vooral koek. Er was geen dag dat dat er niet was. De buren kwamen ook vaak bij mijn moeder eten. Maar ik hield niet van eten hoor. Ik kan me niet voorstellen dat mensen zo van eten houden. Ik vond het altijd een straf als ik moest eten. Mijn ouders waren echt lief en zorgzaam. Nooit heb ik mijn ouders zien bekvechten. Echt nooit. Het verwonderde me dat ze dat altijd achter gesloten deuren deden. Op vrijdagavond ging mijn vader altijd kaarten met de jongens. Mijn moeder speelde dan Mens erger je niet met de meisjes. Dat was altijd leuk.’

Waarom bent u eigenlijk naar Aruba gegaan?
‘Toen Suriname onafhankelijk werd in 1975 ging het slechter in Suriname. Dingen begonnen duurder te worden. De banen werden minder. Voor ons niet persé hoor, want mijn man werkte bij Suralco, dat is een groot bedrijf dat aluminium maakte. Daar ging het altijd goed. Maar we verhuisden toch naar Aruba.’

En waar werkte u dan toen u in Suriname en Aruba was?
‘Toen ik op Aruba woonde, heb ik als verpleegster gewerkt. Op de kinderafdeling van het ziekenhuis. In Suriname heb ik gewerkt bij de Fiat autodealer. En ook bij het ministerie van Onderwijs. Ik heb altijd veel gewerkt. Mijn moeder lette op mijn kinderen, dus dan kon ik werken. Ik kon niet stilzitten. Ik vind het raar om stil te zitten en niets doen. Ik hield van kinderen. Er waren altijd kinderen bij mij over de vloer. Ze kwamen ook vaak logeren. Ik had één motto. Als je bij me komt logeren, moet je mee naar de kerk gaan. We moeten God danken dat we leven en dat we eten en drinken.’

Waarom bent u naar Nederland gegaan?
‘Ik kwam eerst altijd hier met vakantie, want mijn moeder woonde hier. Nadat mijn vader was overleden in Suriname, is ze naar Nederland verhuisd. Haar zusters woonden ook allemaal in Holland. Dus ik ging ieder jaar mijn moeder opzoeken. Ik vond het altijd jammer dat ze alleen achterbleef. Maar zij vond het niet erg. Ik heb zelf vijf kinderen. Drie jongens en twee meisjes en inmiddels ook twaalf kleinkinderen. Op een gegeven moment gingen mijn kinderen naar Holland om hier te studeren. En mijn kleinkind werd geboren en toen ben ik ook naar Nederland gekomen. Ik was toen 55 jaar. Waar mijn kinderen zijn, ben ik.’

Wat was leuk en minder leuk aan de reis daarnaartoe?
‘Ik ben een vrouw, die altijd geniet van de reis. Echt waar. Als ik van Nederland naar Suriname ga geniet ik, en ook als ik naar Aruba ga. Ik ga daar elk jaar naartoe. Maar als ik dan naar Nederland terugkom, ben ik even blij. Dus eigenlijk heb ik gewoon drie thuislanden; Suriname en Aruba en Nederland.’

 

Archieven: Verhalen

‘We dachten dat Nederland het land van melk en honing zou zijn’

Ryan, Meridin, Kaylen, Angelino en Alvin uit groep 7B van OBS Wereldwijs in Amsterdam Zuidoost interviewen mevrouw Edith Marfo. Zij is in Ghana geboren. Voor het interview is ze naar de school gekomen. Haar dochter, Alicia, is er ook bij en de leerlingen hebben ook wat vragen aan haar gesteld. Mevrouw Marfo heeft een tas mee vol met spullen uit Ghana meegenomen.

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Ruim dertig jaar geleden, toen ik 16 was, ben ik met mijn vader en zusje hier naar Nederland gekomen. We gingen op reis om een beter leven te gaan opzoeken. Mijn vader woonde al hier met zijn vrouw. Hij was met een andere vrouw getrouwd. Hij heeft ons vanuit Ghana hier naartoe gebracht. Mijn moeder was overleden in Ghana. Dus door mijn vader ben ik hier gekomen als een jong meisje.’

Hoe was het leven vroeger in Ghana?
‘Ik had het best wel oké. Ik ging naar school. Ik had een zusje en broer, ik was de middelste. Mijn moeder zorgde voor ons. We hadden het niet zwaar of zo. En ja, ik was gewoon een kind. In Ghana heb ik het basisonderwijs afgemaakt. In Ghanees onderwijs heb je primary school, secundary school en high school. Het is net zo’n systeem als in Amerika. Dus ik zat op de secondary school toen ik naar Nederland kwam, dus de middelbare school.’

Hoe waren de eerste jaren in Nederland?
‘We dachten dat Nederland het land van melk en honing zou zijn, maar het was toch echt wel moeilijk. Ik ging wel naar school, maar ik sprak de taal niet. Al die meiden om mee heen spraken een voor mij vreemde taal. Toen ben ik naar een speciale school gegaan om de taal te leren. Daar zat ik met Turkse mensen, Marokkanen, dus dat was heel gemengd, dat was wel prettig, want we verstonden elkaar allemaal niet en moesten allemaal Nederlands leren. We konden alleen in het beetje Nederlands, dat we net hadden geleerd, met elkaar praten. Zo heb ik toch vrienden gemaakt. Toen dat klaar was, was ik al bijna 18. Toen ging ik naar onderwijs voor volwassenen, maar halverwege moest ik stoppen, want er waren problemen met mijn papieren. Toen dat opgelost was,  ging ik verder naar school. Ik heb mijn mbo-diploma gehaald als verzorgende in de gezondheidszorg. Ik kom nu bij mensen thuis. Ik doe de thuiszorg om mensen te verplegen, als ze bijvoorbeeld een operatie hebben gehad in het ziekenhuis.’

Hoe vaak bidden jullie per week?
‘Het is verschillend. We gaan elke zondag naar de kerk. Daarnaast hebben we een gebedsgroep. Bidden kun je zelf bepalen. Je bidt bijvoorbeeld in de ochtend als je gaat eten. Als je gaat slapen. En tussendoor bepaal je zelf wel weer wanneer je bidt. Je bidt wanneer je het gevoel hebt dat je moet bidden. Daar is geen verplichting aan. We zijn christelijk, wij zijn baptisten. Op zondag dragen Ghanese families andere kleding dan door de week, dan zie je de kinti en de hoofddoeken. Op zondag kleden ze zich uitbundig aan.’

In welk land zou je liever willen overlijden in Ghana of in Nederland?
‘Mijn kinderen zijn opgegroeid hier. Als ik overlijd, mogen ze me hier begraven, dan kunnen m’n kinderen bloemetjes komen brengen. Mijn vader had een wens om hem over te brengen, daarom hadden we hem overgebracht naar Ghana voor de begrafenis. Dat kost heel veel geld. We hebben het gedaan. We hebben hem daar in Ghana begraven.’

Gaat u nog wel eens terug naar Ghana?
‘In principe ga ik elke twee jaar naar Ghana. Mijn broer woont nog in Ghana. Hij heeft een baan. Hij heeft kinderen, familie. Hij woont in de hoofdstad, Accra. En als ik daar ben, dan hebben we het gezellig. We praten over van alles en nog wat. Doen we leuke dingen samen. Er zijn ook nog ooms en tantes en oma’s daar. Mijn zusje woont hier in Nederland, zij is verpleegkundige.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892