Archieven: Verhalen

‘Van de zenuwen moest ik in de schuilkelder telkens plassen’

Kit, Charlie, Beatrijs en Amy Bo worden binnengelaten via de nooduitgang, door de schoondochter van Marian Smook. De lift is kapot. Fit lopen ze de drie trappen op naar boven, waar mevrouw Smook ze opwacht in de deuropening van haar appartement in het centrum van Amsterdam, dat volgens haar door een ‘niet zo slimme architect’ ontworpen is. Ze kan niet eens vanuit binnen de deur opendoen, en dat zou toch wel handig zijn als je 93 jaar oud bent. De leerlingen van de Amsterdamse Asvo-school nemen plaats en krijgen een verfrissend glas icetea.

Heeft u ondergedoken gezeten?
‘Ik heb niet echt ondergedoken gezeten, maar ik ben wel uit huis geplaatst. Dat had de volgende reden. Tijdens de oorlog hadden wij thuis verschrikkelijke honger. Jullie kennen trek, maar wij hadden honger, vreselijke honger. Ik heb een keer dertien kilometer heen en terug gelopen om suikerbieten te halen. Onderweg had ik zo’n honger dat ik rauwe suikerbiet heb gegeten. Ongelooflijk ziek geworden. Suikerbiet kun je helemaal niet rauw eten, maar zo veel honger had ik.

Tijdens de oorlog gingen veel kinderen ‘s nachts de straat op om de houten blokjes die het metaal in de tramrails op hun plaats houden, eruit te hakken, voor in de kachel. Dat was vreselijk gevaarlijk, maar je moest wel… Wij verbrandden onze mooie boeken om op vuur te stoken, maar dat hield natuurlijk maar kort aan want papier brandt zo op. We lagen hele dagen met onze moeder in het grote bed om elkaar warm te houden… We hadden maar één klein sneetje brood te eten per dag, met z’n vieren.

Een medewerker van mijn school, mevrouw Cuperus, zag wel dat het helemaal niet goed ging bij ons. Op een dag zei ze: ‘Ik heb contact opgenomen met het Rode Kruis. Jullie kunnen naar Overijssel, want daar hebben mensen wel te eten, daar gaan jullie aansterken.’ Toen zijn mijn zusje, mijn broertje en ik ‘s nachts met een dekschuit naar Kampen gevaren. Zonder licht, want dan zouden de Duitsers ons kunnen aanvallen. De dekschuit lag helemaal vol met stro, en daar lagen wij in, tegen elkaar aangekropen. Aangekomen in Kampen, kregen we voor het eerst een hompje brood en wat water.’

En wat gebeurde er toen?
‘Vervolgens werden we in militaire jeeps naar Ommen gebracht. Daar was een school met een gymlokaal, waar ook weer stro lag. Er kwamen mensen langs om kinderen uit te kiezen voor wie ze voor zouden gaan zorgen. Omdat ze een kind wilden dat goed bij hun gezin paste, werden sommige kinderen wel direct gekozen en andere kinderen niet, die moesten dan naar een volgend dorp.

Mijn zusje en ik werden gekozen, maar mijn broertje niet. Toen ze zeiden dat hij naar een volgend dorp zou gaan heb ik hem vastgepakt en ben ik heel hard gaan gillen. Het was mijn broertje, ik moest voor hem zorgen! Ik krijg nog steeds kippenvel als ik aan dat moment denk. De mensen noemden me ondankbaar, maar ik was niet van plan om op te geven. Toen kwam er een man in een zwart uniform binnen. Geen Duits uniform, het bleek de postbode te zijn. Hij zei: ‘Jouw broertje blijft bij ons, wij wonen ook in dit dorp. En dan mag jij elke dag komen kijken of het wel goed met hem gaat.’ Dat was een geluk bij een ongeluk.

Ik kwam terecht bij een gezin met drie grote boerenjongens, in mijn ogen waren dat reuzen, en een meisje, Dika. Zij had het Syndroom van Down. Die ouders van die reuzen en Dika hoopten dat Dika aan mij eindelijk een vriendinnetje zou hebben. Maar ik was zelf al niet zo vrolijk en had behoefte aan afleiding, waardoor ik niet met haar ging spelen. Soms heb ik nachtmerries en dan zie ik Dika in haar eentje tegen de kerk aan staan, terwijl ik met de andere kinderen speel. Daarover voel ik me ontzettend schuldig.’

Hoe ging de bevrijding?
‘Ommen, waar ik dus in deze periode woonde, is op 11 april bevrijd. Amsterdam pas op 5 mei. Het zuiden werd dus eerder bevrijd, door de Canadezen. Maar de Duitsers wilden de Canadezen tegenhouden. Ze zaagden bomen om en legden die op de weg, zodat de Canadezen er niet door konden. Ook bliezen ze de brug op die vanaf het oosten over de IJssel loopt. De vader van het gezin waar ik als laatste verbleef, had een schuilkelder in de tuin gemaakt. Daar zaten we met z’n allen in. Van de zenuwen moesten ik en de andere kinderen steeds plassen. Toen werd die vader heel boos en zei: ‘Hou op met jullie geplas!’ We mochten ook niet in de schuilkelder plassen want dan zou het gaan stinken. Toch is het goed dat we toen niet naar buiten zijn gegaan, want later zagen we de kogelgaten zitten in onze slaapkamers.

Ik wist niet of mijn moeder nog leefde… Pas in augustus is mijn moeder ons komen halen. Waarom? Ze had niets meer. En het erge was, ik had mijn moeder in mijn hoofd steeds mooier gemaakt. Hoe meer ik naar haar verlangde, hoe mooier ik haar maakte in mijn fantasie. Maar toen ze kwam zag ik een heel oud, vermagerd, gebogen, grijs vrouwtje. Ik schrok van haar en had helemaal geen zin om met haar mee te gaan. Dat is voor mijn moeder vast heel erg geweest.’

En hoe was uw leven vanaf dat moment?
‘Niet vrolijk. Mijn moeder had 2,5 jaar ondergedoken gezeten in een heel klein huisje, samen met andere Joodse mensen. Een lange tijd hebben we bij het treinstation staan kijken naar de namen die op een groot bord verschenen van mensen die terugkeerden naar Amsterdam, maar daar stond onze familie nooit bij. Ondertussen moest ik naar school en werd er van mij verwacht dat ik me daar voorbeeldig gedroeg.

Maar stel je voor, bijna je hele familie is uitgemoord… en jij moet je ondertussen bezighouden met het leren van Franse woordjes? Dat ging gewoon niet. Ik heb dan ook geen glansrijke schoolcarrière gemaakt. Maar later, toen ik 50 was, heb ik het volwassenen-vwo gedaan. Ik heb zelf kinderen en kleinkinderen gekregen, daar ben ik erg trots op. Mijn hoop is dat jullie door dit verhaal te horen, een beetje beter begrijpen hoe verschrikkelijk oorlog is en dat jullie in de toekomst lief zullen zijn voor kinderen die een oorlog hebben meegemaakt.’

Archieven: Verhalen

‘Ik ben geboren in Kamp Westerbork, dat staat zelfs in mijn paspoort’

Joop Waterman (1943) heet eigenlijk Joseph. Hij heeft een waanzinnige map bij zich vol foto’s, persoonsbewijzen, stambomen en andere documenten van en over zijn familie. Dit alles ligt voor hem op tafel in de bibliotheek van de ASVO-school in het centrum van Amsterdam, waar Eloisa, Julia, Elisa en Rigt een beetje verlegen plaatsnemen. Toch is het contact snel gelegd en kan het interview van start.

Wie was Samuel Waterman?
‘Samuel Waterman was mijn opa. Ik heb hem helaas nooit ontmoet, want net als bijna mijn hele familie, is hij om het leven gebracht in de kampen. De familie die er niet meer is, is omgekomen in de gaskamers van Auschwitz. Mijn vaders broer is van een muur geduwd en vermoord, al zeiden ze dat hij zelf was gesprongen.

Ik heb een enorme stamboom, zowel van mijn vaders kant als van mijn moeders kant. Alle namen die groen gekleurd zijn, zijn namen van familieleden die tijdens de oorlog zijn gedood. Als je naar die stamboom kijkt, dan zie je dat ze bijna allemaal vermoord zijn, aan beide zijden van de familie. Ik heb dus wel geluk gehad dat ik er nog ben, maar tegelijkertijd is het natuurlijk vreselijk om te weten dat bijna je hele familie is uitgemoord.’

Hoe heeft u de oorlog overleefd?
‘Ik ben geboren in Kamp Westerbork. Dat staat zelfs in mijn paspoort. Mijn moeder had niet genoeg te eten voor mij, maar er was een andere vrouw die zelf een baby verloren was en aanbood mij bij te voeden. Dankzij deze vrouw heb ik het overleefd. Zij is zelf omgekomen, maar ze had ook nog een ander kind dat de oorlog wel overleefd heeft, en hem heb ik altijd gezien als mijn broer. Onze band is heel sterk geweest. Helaas is hij een paar maanden geleden overleden.’

Waarom zat u op boksen?
‘Mijn vader zat op boksen en was daar ontzettend goed in. Hij zat op een Joodse boksschool. Ik ben ook op boksen gegaan. Toen de oorlog was afgelopen, was het nog steeds helemaal geen pretje voor Joden. Joden werden uitgescholden alsof het de normaalste zaak van de wereld was om dat te doen. Maar toen ik volwassen was kon ik mezelf verdedigen, mede dankzij het boksen. Wie mij uitschold kwam van de koude kermis thuis, want ze kregen klappen.’

Bent u blij met uw leven als u er op terugkijkt?
‘Om heel eerlijk te zijn, op sommige dingen wel, en op sommige dingen niet. Ik denk dat jullie wel begrijpen waarom. Over het algemeen heb ik geen slecht leven gehad, en zelfs ook wel geluk gehad, anders had ik hier niet gezeten. Ik ben gastspreker geweest voor Kamp Westerbork. Toen mijn vrouw overleed had ik geen zin meer. Toen had ik gezegd: ik schei er mee uit.

Maar ik vind het ontzettend belangrijk dat jullie weten dat als er oorlog is, er geen enkele winnaar is. Iedereen is een verliezer. Je verliest alles, je gezin, je familie, alles waar je gewerkt voor hebt in je leven. Vreselijk. Ik ben zelf loodgieter geweest, 25 jaar lang. Ik had twee kinderen, mijn oudste, mijn zoon, is 29 geworden en overleden. Mijn dochter is nu 50 en ik heb twee kleinkinderen. Daar ben ik heel blij mee.’

 

Archieven: Verhalen

‘Pierre Coronel was marconist en dat kwam in het verzet goed van pas’

Alice, Angelis, Boris en Florentine bellen aan bij het huis van Helma Brouwers in de Jordaan in Amsterdam. Na een korte introductie in de keuken, neemt ze de leerlingen van de Asvo-school mee naar de zolder, ‘want daar is het immers allemaal gebeurd’. De tafel op de zolder ligt vol met documenten, die mevrouw Brouwers heeft verzameld bij haar onderzoek naar Pierre Coronel (1914-1945). Over deze bijzondere verzetsman gaat ze de kinderen vertellen.

Wie was Pierre Coronel?
‘Pierre Coronel was een hele dappere jongeman met zijn hart op de goede plaats. Hij was half Joods en half Arisch, want een van zijn ouders was Joods en een van zijn ouders Arisch. Zelf was hij dus officieel niet Joods. Voordat Pierre in het verzet ging, is hij twee keer opgepakt. Dit was omdat alle mannen in Nederland, en ook in andere door de Duitsers bezette landen trouwens, vanaf een bepaalde leeftijd naar een werkkamp moesten. ‘Arbeitseinsatz’ noemden de Duitsers dat: werkinzet. Dan moesten ze bijvoorbeeld bommen en granaten komen maken.

Dat wilde Pierre natuurlijk niet, maar hij werd opgepakt omdat ze zagen dat hij oud en sterk genoeg was om voor hen te komen werken. Pierre heeft zich tot twee keer toe los geworsteld uit de handen van soldaten en is beide keren ontsnapt. Toen is hij naar Engeland gevlucht en daar heeft hij mensen van het verzet ontmoet. Toen zij hoorden dat Pierre marconist was, dat is iemand die morsecode kent, zeiden ze: ‘Als jij terug gaat naar Amsterdam, dan kan je daar wat betekenen in het verzet’.’

Hoe wist Pierre Coronel eigenlijk dat het foute boel was?
‘Toen de Joden werden opgeroepen om zich te melden en vervolgens verdwenen, eerst beetje bij beetje maar geleidelijk aan steeds meer, wist hij dat er iets niet in de haak was. De Duitsers beweerden dat de Joden naar werkkampen werden gestuurd, maar niet alleen jonge, gezonde Joden werden weggestuurd, ook baby’s en oude mensen. Pierre had een grootvader, zijn opa dus, die 93 jaar was toen hij werd opgeroepen om zogenaamd naar een werkkamp te gaan. Daar geloofde Pierre geen barst van, want hoe ga je een man van 93 jaar laten werken? Toen wist hij: ze worden gewoon afgemaakt. Het moment dat hij dat besefte, besloot hij: ik ga in het verzet.’

Hoe ging dat in het verzet?
‘Pierre was voor de oorlog marconist en had veel kennis opgedaan op de boot waarop hij werkte. Hij wist dus al hoe morsecode werkte, en dat kwam in het verzet goed van pas. Via morsecode verstuurden ze geheime berichten aan de geallieerden, die probeerden Nederland te bevrijden. Ze moesten ontzettend voorzichtig zijn met zenden want als je gepakt werd, dan was je er geweest. Zo’n 80 procent van de mensen in het verzet is omgekomen. Dat is ontzettend veel, het risico was hoog.

Ze namen dan ook zo veel mogelijk voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat ze gepakt werden. Zo werd op verschillende plekken gezonden, en nooit te lang achterelkaar. Degene die de zender bracht, was iemand anders dan degene die de code bracht die gezonden moest worden. Want als zender en code via dezelfde persoon binnen zouden komen, en die persoon werd opgepakt, dan konden de Duitsers de geallieerden afluisteren, en dat zou natuurlijk drama zijn.

Zenders werden op hele slimme manieren verplaatst, bijvoorbeeld in het koffertje van een verpleegster of onderin een kinderwagen waarin een echte baby lag. Pierre had ook altijd een pistool bij zich, niet omdat hij graag iemand neer wilde schieten, maar om zich te kunnen verdedigen als dat nodig was. Helaas is hij uiteindelijk, net als vele verzetshelden, vermoord.’

Hoe heeft u uw onderzoek naar Pierre Coronel gedaan?
‘Toen ik mijn man ontmoette en bij hem kwam wonen in dit huis, wilde ik graag de geschiedenis kennen van deze plek. Er is een filmpje bij het Verzetsmuseum, het staat ook op internet, waarop je Pierre door het luik hier de zolder op ziet komen. Het is een heel zeldzaam filmpje uit een tijd waarin sowieso al weinig werd gefilmd. En al helemaal een verzetsdaad op camera… dat was extreem uitzonderlijk! Maar op dat filmpje zie je Pierre dus deze zolder opkomen en naar de zender gaan. Ik herkende het ronde raampje van onze zolder, en kwam zo op het juiste spoor. Naast Pierre zijn er nog heel veel andere dappere verzetshelden die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Veel van hen liggen begraven op de erebegraafplaats in Bloemendaal. Ik ga daar elk jaar bij het graf van Pierre een bloemetje brengen, want zulke helden en heldinnen verdienen het om geëerd te worden.’

Archieven: Verhalen

‘Ik ging mee terug naar Amsterdam, met voor mij twee vreemde mensen’

Suzanne, Cecilia en Grace bellen aan bij het huis van Hanneke Groenteman. Terwijl de leerlingen van de Amsterdamse Asvo-school wachten op de stenen trap, genieten ze van de vele bloembakken met bloesems in en rond het voorportaal. Mevrouw Groenteman doet open en verwelkomt ze hartelijk. Ze krijgen allemaal wat lekkers te drinken en maken kennis met haar kat, die al 17 jaar oud is.

Hoe was de oorlog voor u?
‘Gek genoeg was de oorlog voor mij niet zo erg als voor vele anderen. Ik was een baby toen de Tweede Wereldoorlog begon, en 6 jaar oud toen de oorlog was afgelopen. Ik ben Joods en heb ondergedoken gezeten op verschillende onderduikadressen. Alleen mijn laatste onderduikadres kan ik me nog herinneren, bij tante Cor en oom Kees. Pas na de oorlog leerde ik mijn ouders kennen. Dat was wel gek, maar toentertijd stelde ik er geen vraagtekens bij want het was gewoon zoals het was en ik had het goed bij tante Cor en oom Kees.

De buurman van tante Cor en oom Kees was een NSB’er. Oom Kees heeft toen tegen die buurman gezegd: ‘Er komt een Joods kind bij ons in huis. Als je ons verraadt, dan breek ik na de oorlog je benen!’ Dat zou hij heus niet echt gedaan hebben, maar daardoor heeft die buurman mij niet verraden. Dat vond ik ontzettend dapper van oom Kees.’

Hoe was het om ondergedoken te zijn?
‘Ik zat dus niet ondergedoken in een kast ofzo, maar ik mocht ook niet naar buiten, de straat op. Wel op zondag, dan moest ik mee naar de kerk, want oom Kees en tante Cor waren erg gelovig en banger voor de straf van God als ik niet naar de kerk zou gaan dan voor de Duitsers. Maar omdat dat alleen op zondag was, zeiden ze tegen mensen uit de buurt dat ik een nichtje was van ver weg. Meerdere mensen moeten het geweten hebben dat ze een Joods kind in huis hadden, maar gelukkig ging het goed.

Op de andere dagen van de week mocht ik wel in de tuin spelen, omdat die beschut was en niemand mij kon zien. Als de kinderen naar school waren, was ik samen met tante Cor en haar baby thuis. Ik hielp veel in het huishouden. Tante Cor moest altijd wassen, schoonmaken, koper poetsen en eten klaarmaken voor de middagpauze.

Ik had twee grote broers en een zusje dat net zo oud was als ik en waar ik het goed mee kon vinden. We sliepen met alle kinderen op zolder. Tijdens de Hongerwinter ging tante Cor op de fiets met houten banden naar de boeren in Friesland om eten voor ons te halen. De ‘hongertocht’ heette dat. ‘Wij wonen bij Den Haag en hebben honger’, zei ze dan. ‘Ik heb kinderen thuis, mogen we iets te eten?’ Dat kreeg ze en dan fietste ze het hele stuk weer terug. Bijna thuis stonden er een keer Duitse soldaten op de weg. Die hebben toen al het eten afgepakt. Alles was voor niks geweest.

Over eten gesproken; mijn pleegouders waren strenggelovig. Er stond wel eens zuurkool in een glazen bak op de kachel te warmen. Een keer knapte de bak door de hitte; gauw stond ik op om ons avondeten te redden. Voor straf moest ik zonder eten naar bed, omdat ik tijdens het bidden was opgestaan.’

Hoe was het toen de oorlog voorbij was?
‘Dat was eigenlijk niet zo leuk. Ik had twee jaar bij tante Cor en oom Kees gewoond en had het daar erg naar mijn zin. Op een dag werd er aangebeld. Tante Cor zei: ‘Hanneke, ik geloof dat je ouders daar zijn’. Ik herkende ze niet. Ik geloofde niet eens dat het mijn ouders waren. Ik dacht altijd dat mijn moeder een bril had en mijn vader niet. Toen stonden daar ineens twee mensen voor mijn neus. De man had een bril en de vrouw niet. Ik dacht dat ze me voor de gek hielden en rende snel weg. Maar uiteindelijk ging ik toch mee, terug naar Amsterdam met voor mij twee vreemde mensen.

Mijn vader, moeder, opa en oma waren allemaal erg verdrietig omdat veel vrienden en familieleden waren omgekomen tijdens de oorlog. Daar zat ik dan, in een heel ongezellige omgeving. De dag nadat ik terug was, moest ik ook meteen naar school. Mijn moeder bracht me en zei: ‘Loop straks zelf maar naar huis’. Ik wist helemaal niet waar dat huis was, ik was er pas één keer geweest en raakte verdwaald. Een mevrouw heeft me uiteindelijk thuisgebracht. De eerste dagen op school vond ik helemaal niet leuk. Ik snapte niet wat ik in deze vreemde stad moest met ouders die ik niet kende.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders noemden mij altijd het invasie-kindje’

Flynn, Jasja, Daniel en Mats van Het Wespennest in Amsterdam-Noord gaan lopend naar het huis van Marian Rozendaal (1945). Zij vertelt over de familie van haar moeder die haar ouders en zusje verloor in Sobibor. De foto van de gedenksteen die later is geplaatst door familieden, maakt veel indruk op de kinderen. Ooit woonde het gezin in de Vogelbuurt in de Sijsjestraat, later in de Sneeuwbalstraat.

Kunt u wat vertellen over de oorlog?
‘Ik ben geboren op 2 maart 1945, dat is dus nog net in het laatste stukje van de oorlog, tijdens de Hongerwinter, in de Sneeuwbalstraat, in Amsterdam-Noord. Mijn ouders noemden mij altijd het ‘invasie- kindje’. Ik ben geboren net na de invasie in Normandië. Wat mijn ouders en het gezin waar ik uit kom hebben meegemaakt tijdens de oorlog, dat weet ik alleen uit de verhalen van mijn vader, moeder en broer. Mijn moeder was een Joodse vrouw, mijn vader was niet-Joods. Dat heeft haar, mijn moeder denk ik, gered in de oorlog. Want als je getrouwd was met een niet-Joodse man, dan liep je minder kans om opgepakt te worden tijdens een razzia. Mijn moeder had ook nog een vals persoonsbewijs, dat had mijn vader voor haar geregeld. In de Sneeuwbalstraat hadden ze echt een paar hele goede vrienden om zich heen die ze goed konden vertrouwen. Dat was ook heel erg belangrijk. Mijn moeder kon af en toe wel naar buiten en dan nam ze haar valse persoonsbewijs mee. Ze durfde eigenlijk niet verder dan het Noord-Hollandskanaal, bij het Mosplein, omdat daar de eerste controle in Amsterdam-Noord was.’

Wat kunt u over uw familie vertellen?
‘Mijn moeder komt uit een gezin van drie kinderen. Ze had een twee jaar jonger broertje Felix en een zusje; acht jaar jonger. Ze woonden in de Sijsjesstraat, in de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord. In 1943 zijn ze verraden; mijn opa en oma, mijn moeder’s broer en zusje zijn toen naar de Hollandse Schouwburg gebracht, vlakbij Artis. In 1943 waren er echt grote razzia’s om Joden uit hun huis te halen in Amsterdam. Mijn opa, oma en hun jongste kind, het zusje van mijn moeder zijn daarna naar Westerbork gebracht en vandaar uit naar Sobibor. Sobibor was een vernietigingskamp in het oosten van Polen. Zij zaten ongeveer drie dagen in de trein, opeengepakt vanuit Amsterdam. Zij zijn bij aankomst in Sobibor vergast, vermoord. Dus mijn moeder had op enig moment geen ouders meer, maar ze wisten toen nog niet wat er precies gebeurde. Dat het echt vernietigingskampen waren. Mensen dachten dat ze daar moesten werken. Later is pas duidelijk geworden dat het helemaal niet om werken ging, maar dat het om vernietiging ging van de Joden. Dat was ook de ideologie van de Nazi’s in Duitsland. De Joden moesten vernietigd worden. Na de oorlog hebben wij ontdekt dat er bijna niemand meer van de Joodse kant van mijn familie over was. Ik heb dit uitgezocht in het bevolkingsarchief van Amsterdam en ben gestopt bij tachtig familieleden, want ik werd er zo verdrietig van. Mijn moeder had haar broer nog, mijn oom Felix dus en een nichtje. Er is verder niemand meer.

Hadden jullie ook onderduikers?
Mijn vader had ontdekt dat de jonge mannen uit de Hollandse Schouwburg moesten gaan werken; zij werden elke ochtend onder Duitse begeleiding in kolonnes naar fabrieken in Amsterdam gebracht. Ook de broer van mijn moeder, Felix, liep mee in zo’n kolonne. Mijn vader heeft hem toen op enig moment uit de colonne geplukt en op z’n fiets meegenomen. Oom Felix heeft heel de oorlog ondergedoken gezeten bij mijn ouders. Mijn vader vertelde me later dat er in de slaapkamer een luik was, dat kon je openmaken en dan kwam je in een grote kruipruimte. Daar zat hij ’s nachts of als er controles waren door de Duitsers.Even terug naar de tijd dat ik geboren werd. De kraamverzorgster die bij mijn geboorte hielp, kwam nog een tijdlang terug om te checken of alles goed met mij ging. Mijn oom Felix leerde haar kennen en zij werden verliefd op elkaar. Later, na de oorlog zijn zij getrouwd en werd de kraamverzorgster mijn tante.’

Hoe kwam uw familie aan eten tijdens de Hongerwinter?
Mijn vader had een fiets. Hij werkte bij de NDSM-scheepswerf. Ze moesten daar eigenlijk voor de Duitsers werken. Je snapt vast wel dat de Nederlanders niet happig waren om heel hard te werken voor de Duitsers. Dus probeerden ze op hun manier de boel een beetje te saboteren. Mijn vader was metaalbewerker en ze gingen dingen maken voor zichzelf. Mijn vader maakte kacheltjes van ijzer, waar je met hout op kon stoken en zo konden ze koken. Hij ging dan met een kacheltje op de fiets naar de boeren in het Noorden, soms helemaal in Den Helder en dan ruilde hij zo’n kacheltje om. Zo konden zij wel steeds aan eten komen. Dat  was best link, want er waren veel controles. Het kon dus gebeuren dat hij een hele dag had gefietst, soms wel twee dagen en dat het eten ingeleverd moest worden na een controle door soldaten.’

 

Archieven: Verhalen

‘Het leek of de hele wereld kapot was’

John Geelof heeft al allemaal spullen van de oorlog klaarliggen als Yves, Oscar, Tymen en Ayden, leerlingen van het Wespennest in Amsterdam Noord, bij hem op bezoek komen. Meneer Geelof, vier jaar toen de oorlog begon en woonde op het Plejadenplein in Tuindorp Oostzaan. Het uur is zo voorbij na de verhalen over zijn vader en zijn eigen herinneringen aan de oorlog.

Hoe was het voor u toen de oorlog begon?
‘Mijn vader was sergeant bij de infanterie en die had ik al bijna een jaar niet gezien. Toen de oorlog voorbij was, werd hij krijgsgevangen gemaakt, toen was hij er ook niet. Je bent een klein jongetje, je hebt een leuke vader, maar die is er niet. In de nacht van 11 naar 12 mei, kreeg mijn vader met zijn soldaten plotseling de opdracht om in het hartstikke donker, want er was geen maan, naar een grote stad ergens in de Randstad te gaan, voor de bewaking van een vliegveldje. Dat kon overal zijn. Toen hij een beetje gewend was aan het donker, ontdekte hij dat hij dat hij vlakbij zijn huis was! Toen kreeg hij toestemming om naar huis te gaan en dan mocht hij twee uur slapen. Want ze hadden helemaal niet geslapen sinds de Duitsers waren binnengevallen. Maar dat wisten wij niet natuurlijk. Het was nacht. We hadden zo’n klingelbel, daar moest je aan trekken. Mijn moeder zag drie soldaten voor de deur! In het midden stond mijn vader. Hij kwam binnen en mocht dus twee uur slapen.
Toen werd mijn vader krijgsgevangene gemaakt en was hij ook weer maanden weg. Op een dag kreeg mijn vader te horen dat hij geen krijgsgevangene meer was, want ze hadden te weinig schoolmeesters en die Duitsers hadden ook wel in de gaten dat ze die moesten hebben.’

Kende uw vader mensen in het verzet?
Mijn vader kwam weer thuis en toen ging hij in het verzet. Eerst hielp hij om geheime krantjes te schrijven en later ging hij zelfs wapens meenemen en dat ging een keertje bijna mis. Hij had een tas met een paar revolvers erin, die hij moest wegbrengen, en hij moest helemaal naar Amsterdam-Zuid. Onderweg werd de tram stilgezet en kwamen er Duitse soldaten binnen. Iedereen moest zijn persoonsbewijs laten zien en ook laten zien wat er in de tas zat. Mijn vader praatte een beetje Duitse en hij zei toen: ‘Ik moet naar het hoofdkwartier en nu kom ik veel te laat!’. De soldaat zei ‘stap hier maar uit meneer’ en toen was hij vrij.
Een jaar later moest hij ook die wapens wegbrengen, die waren voor de verzetsgroep in Haarlem. Daar moest hij naar een restaurant toe en bij de wc zou een er iemand zijn, die die wapens in bezit zou nemen. We kwamen in dat restaurant en al die Duitsers waren in het Duits aan het zingen. Dat jongetje met die blauwe ogen vonden ze wel een leuk jongetje. Ondertussen dacht mijn vader ik moet toch naar die wc gaan. Daar zat ik met al die Duitse soldaten, die vonden het wel grappig. Ik kreeg chocola, maar voelde me ongemakkelijk. Het is gelukkig allemaal goed afgelopen.’

Is hij nooit opgepakt?
‘Een maand later was mijn vader voor de klas, en er waren een aantal militairen van de Sicherheitsdienst, en die zeiden ‘bent u Herr Geelof? Mitkomen!’. Bij het hoofdkwartier van de veiligheidsdienst is hij een aantal dagen verhoord. Hij wist alleen één ding, ik moet mijn kameraden uit het verzet niet verraden. Een nacht liepen al die Duitsers door mekaar heen op de gang. Er was paniek en stond de deur open. Mijn vader is gewoon naar die buitendeur gewandeld, heel rustig, en toen hij buiten in het donker was is hij gaan rennen. Daarna is hij ondergedoken.

Wat is het heftigste dat u heeft meegemaakt?
Voor mijzelf was het het één van de bombardementen op de Fokkerfabriek. Mijn moeder had gezegd ‘je hebt veel te lange haren, je moet naar de kapper’. Achter ons was het Mercuriusplein, er was een kapper met een hele grote bochel. Toen gingen de luchtsirenes af en alle kinderen moesten in de kast onder de trap gaan zitten, maar ik was de langste van allemaal en moest bij de mannen blijven zitten. Ik kon in de deuropening zien wat er gebeurde. Toen brak de hel los. Eerst werden de bommen neergegooid op de scheepswerf, daarna hoorde je even later de ontploffingen van de vliegtuigfabriek van Fokker, waar alles in brand vloog en toen klonk het ver weg bij Ketje. Het was zoiets ergs; het leek of de hele wereld kapot was.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik stond daar luid liedjes te zingen op het balkon, dus dat werd gevaarlijk’

In de directiekamer van het Wespennest interviewden Clara, Rosalie, Duy en Mick, onder het genot van een kopje thee en een lekker koekje, Samuel de Leeuw. Meneer de Leeuw is geboren in 1941 in Amsterdam. Zijn ouders waren Joods en werkten bij Hollandia-Kattenburg, waar de vader van Samuel werd opgepakt tijdens de razzia op 11 november 1942. Het werd te gevaarlijk in Amsterdam voor Samuel, hij moest onderduiken.

Wat is er gebeurd met Hollandia Kattenburg?
‘Mijn vader en moeder werkten bij een fabriek hier in Amsterdam Noord, Hollandia-Kattenburg. Daar maakten ze regenjassen en kleding en daar werkten heel veel mensen, meer dan 700.  Op 11 november 1942 kwamen daar de Duitsers binnenvallen en die hebben de Joodse werknemers van niet-Joodse werknemers gescheiden. De Joodse werknemers werden op vrachtauto’s geladen en die werden naar het hoofdkwartier van de Duitsers gebracht en een paar dagen later werden ze samen met hun families via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Mijn moeder zat toen thuis, omdat ze een baby’tje had. Ze had het geluk dat ze er die dag niet was.

Wat is er vervolgens met u gebeurd?
‘Mijn moeder zat daar in Amsterdamse Pijp met mij alleen en toen zei haar broer ‘het wordt te gevaarlijk, je moet hem laten onderduiken’. Mijn moeder had gehoord over iemand in de buurt die zich bezighield met het onderduiken van kinderen en op een goeie dag zag mijn moeder die mevrouw op straat. Ze liep naar haar toe en zei: ‘ik heb gehoord dat u Joodse kinderen laat onderduiken’. Uit angst voor een valstrik zei die dame: ‘u vergist zich, ik heb er niks mee te maken’.  Die week werd er echter bij ons gebeld en stonden er twee jonge mannen voor de deur. Het bleek dus wel waar te zijn, die mevrouw had er wel iets mee te maken. ‘We komen uw kind laten onderduiken’ zeiden ze en toen heeft mijn moeder mij zo aan twee wildvreemde mannen meegegeven.
Ze brachten mij naar Limburg, naar Heerlen. Er was een verzamelpunt waar kinderen werden ondergebracht en daar ben ik opgehaald door twee mensen uit Heerlen. Ze hebben mij als pleegkind in huis genomen. Ik werd Boukje genoemd. Daar ben ik in de oorlog geweest. Wij woonden op een bovenwoning in Heerlen in het centrum, maar mijn pleegouders hadden natuurlijk geen kinderen, dus het was heel raar dat er plotseling een kind was. Ik ging door voor een neefje uit Rotterdam die vanwege de honger naar Limburg kwam. Maar ik stond daar luid liedjes te zingen op het balkon, dus dat werd gevaarlijk. Ze zijn toen voor mij verhuisd naar een huisje aan de buitenkant van de stad, aan de hei. Daar zeiden ze dat ik hun zoon was.’

Waar zat uw moeder ondergedoken?
‘Mijn moeder zat ondergedoken in Heiloo, bij een gezin met drie kinderen. Die vrouw was katholiek en die man was Joods. Hij zat ondergedoken in zijn eigen huis. De kinderen wisten niet dat hun vader in de kelder verscholen zat. Na de oorlog kwam hij pas weer in beeld en zijn kinderen hadden hem een jaar niet gezien. Mijn moeder hielp met  hun opvoeding . Het waren ook wel rijke mensen, dus er was wel eten. Hoe ze aan eten kwamen weet ik niet, maar mijn moeder heeft het daar niet zo heel slecht gehad.’

Kunt u zich nog meer herinneren van die tijd?
Ik kan me goed herinneren dat mijn moeder mij kwam halen. Ik werd ’s morgens wakker en ik zag plotseling een vreemde mevrouw in ons huis. Ik wist natuurlijk niet dat zij mijn biologische moeder was. Dat was ik natuurlijk helemaal vergeten.
Ik weet ook nog hoe we naar huis gingen. Nederland was natuurlijk helemaal gebombardeerd; er waren dus geen treinen, geen trams. Je moest liften. Je had een pasje van het militair gezag nodig, want je mocht natuurlijk niet zomaar reizen. Mijn moeder mocht reizen met dat pasje. Vaak waren het militaire auto’s die stopten. Je was een hele dag onderweg. Zo zijn we teruggegaan, na een paar weken. Mijn moeder is in Heerlen een paar weken gebleven. Toen heeft ze me mee teruggenomen, liftend naar Amsterdam.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

’40 jaar na de oorlog, kwam alles terug’

Filipa, Oumnia, Jens en Tom van het Wespennest interviewen Els Burger bij haar thuis. ‘Wat ziet u er jong uit!’  is de reactie als mevrouw Burger vertelt bijna 84 jaar oud te zijn. Er zijn veel mooie spullen en foto’s van vroeger. Zelfs van na het bombardement in de Spechtstraat, waar ze woonde, waar alles in puin lag.

Hoe was het om als kind in de oorlog op te groeien?
‘Mijn vader moest naar Duitsland om te werken, maar op een gegeven moment hoorden we niks meer van hem. Toen ik 2 jaar was, is hij vertrokken en het was moeilijk voor mijn moeder natuurlijk. Mijn oom Wim, die was pas 19, is hem achterna gegaan om hem te zoeken, maar hij werd net als mijn vader opgepakt en moest werken in een munitiefabriek. Hij probeerde daar te saboteren, maar dat werd ontdekt.

Heeft u een bombardement meegemaakt?
In 1943 werd onze straat gebombardeerd. Mijn moeder was op de fiets eten aan het halen, dus mijn oma was bij ons. Mijn zusje en ik kropen onder de tafel en daarna naar de wc, want dat was het veiligste plekje. De deur zat helemaal vast, overal lag puin. Mannen, arbeiders uit de buurt, trokken ons met een touw eruit. De helft van onze straat was gewoon weg. Er lagen ook mensen onder het puin. De buurt was helemaal afgezet, toen mijn moeder aankwam. Die was heel erg geschrokken uit Purmerend teruggefietst toen ze hoorde dat de Spechtstraat was gebombardeerd. We moesten ook uit ons huis, omdat alles gerepareerd moest worden. De deur lag er helemaal uit en ramen. Ik speelde later gewoon ook op die bergen stenen en puin. Dat weet ik nog.’

Ging u naar school in de oorlog?
Ik zat op de ‘Mussenstraatschool en ik vond het zo leuk om naar school te gaan. We zaten met 41 kinderen in een klas, op houten banken. Op foto’s uit die tijd zie je het goed: de kinderen droegen donkere kleren, afgetrapte schoenen, en keken somber. Na de oorlog zag je pas weer lachende gezichten en lichtere kleren. We hadden ook een eindfeestje, ik was bruidje; ging ik zogenaamd trouwen met een jongen uit de klas toen ik zes was. Eigenlijk wilde ik liever het verpleegstersuniform aan.’

Had je familie onderduikers?
‘We hadden geen onderduikers, maar ik had wel een Joods vriendinnetje Marleen. De eerste keer dat ik daar kwam, riep Marleen: “Mama, ik ben thuis!” en toen ging de kastdeur open van de linnenkast en kwam haar moeder eruit. Ze was doodsbang, want haar man en broer waren al weggevoerd en vermoord. Alleen een zus had het overleefd. Ze was dus heel bang dat ze opgepakt zou worden. Dat vergeet je nooit meer.’

Deden jullie dingen die door de Duitsers werden verboden?
‘Mijn opa had een radio verstopt achter het bad. Dat was heel gevaarlijk, want je moest alle radio’s inleveren. Hij liet me een keer luisteren naar Radio Oranje en zei: ‘Hier mag je nooit over praten.’ En dat heb ik ook niet gedaan, veertig jaar lang. In onze familie hadden we ook een tante en een oom die bij de NSB zaten. Pas door de Oekraïne ook herinnerde ik me dingen die ik was vergeten. Daar werd nooit over gepraat. Als er een feestje zeiden mijn opa en opa: ‘over politiek praten we niet, we zijn als familie bij elkaar.’

Hoe ging het na de oorlog?
‘Mijn vader kwam na de oorlog lopend terug uit Duitsland.  Mijn oom had het zwaar te verduren gehad in de gevangenis. Hij probeerde te ontsnappen, maar werd gepakt.  Ze kwamen terug In Nederland net als heel veel Joodse Mensen maar ze werden niet echt heel vrolijk ontvangen door de mensen hier. Mijn vader is werkeloos geworden.  Ging uiteindelijk weer in de scheepsbouw werken, net als voor de oorlog en mijn oom is jaren later op z’n 60ste overleden aan TBC die weer terugkwam en eigenlijk nooit goed is behandeld.

We gingen naar een dorpje bij Winschoten: Blijham Omdat we zo weinig te eten hadden gehad en sterk vermagerd waren. We gingen daarheen om aan te sterken en ik ging met mijn zusje wel 6 uur lang In de trein met vreemde mensen mee. Mijn moeder bracht ons en wij zaten in die trein en Ik weet nog dat ik niet durfde te bewegen en stokstijf in die stoel zat urenlang in die trein. We zijn jarenlang elke vakantie teruggegaan naar dat echtpaar in Blijham.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader, 29 jaar, was één van de overledenen’

Het Interview met Dora Smit-Budde vindt plaats in Broedplaats de Modestraat op het Buikslotermeerplein. Vlakbij Het Wespennest waar Daan, Wiesje, Aylin, Diede en Bella allemaal in groep 8 zitten. Mevrouw Smit-Budde is geboren in 1942 in Zaandam. Ze had een oudere broer en kreeg in 1943 een jonger broertje. In 1944 verhuisde het gezin naar Amsterdam naar de Zieseniskade 21-II. Ze heeft zelf niet veel herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog, maar kan de kinderen toch veel vertellen over wat ze wel allemaal weet.

Je vader moest werken in Duitsland hoe was dat?
‘Oh, nou raak je een heel emotioneel punt, want mijn vader moest in de oorlog verplicht werken in Duitsland. Alle mannen van 18 jaar en ouder moesten daar verplicht werken in de fabrieken. En dan moesten ze bijvoorbeeld materiaal maken voor kanonnen of kogels om mee te schieten. Mijn vader was toen 27 jaar. Voor mijn moeder was dat heel erg, want zij had dus twee kleine kinderen en ze was ook nog eens in verwachting van een derde. Ze had geen geld meer. Soms werkte ze ’s nachts en naaide kleding voor andere mensen. Daar verdiende ze dan een paar cent mee en dan kon ze dan weer iets kopen. We woonden toen in Zaandam, dus ze kon ook langs de boeren gaan om bijvoorbeeld melk, eieren, noem maar op, eten te halen of te ruilen voor spullen.’

Waarom moest uw vader onderduiken?
‘Mijn vader is op een gegeven moment weggevlucht uit Duitsland terug naar huis. De Duitse bezetters kwamen daar natuurlijk achter en waren niet blij. Ze hielden mijn moeder in de gaten, want ze dachten als het baby’tje geboren wordt, dan komt die vader natuurlijk kijken hoe het met die moeder is. Het verzet heeft hem geholpen om onder te duiken. Hij heeft ergens op één van de grachten gezeten, maar waar precies dat weet ik niet.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Mijn vader was samen met mijn broer naar de Dam toegegaan om feest te vieren op 7 mei. Mijn moeder zou met mij en met mijn kleine broertje wat later ook daarheen gaan. Op 5 mei zijn we natuurlijk officieel bevrijd, maar nog niet alle Duitse bezetters waren ontwapend. Bij de ingang van de Kalverstraat stond een gebouw met verschillende balkons. Ineens stonden daar Duitsers op, boven op het dak. Van daar af hebben ze geschoten op de mensen. Het was echt hartstikke druk, want de hele Dam stond vol met mensen. Dus nou ja, ga maar schieten, je raakt altijd mensen. Tegen mijn moeder werd er gezegd: ‘ga niet naar de Dam, want er wordt geschoten.’ Ze ging met mij en met mijn broertje naar mijn grootvader, die daar vlakbij woonde. s’ Avonds werd mijn broer, die toen zes jaar oud was, thuisgebracht. Hij zat onder het bloed. Er zijn in totaal 32 mensen gedood en heel erg veel mensen gewond geraakt. Mijn vader, 29 jaar, was één van de overledenen. Mijn broer heeft er nooit, maar dan ook nooit meer over gesproken.’

Bent u nu boos op de Nazi’s?
‘Toen mijn broertje pas geboren was, hielden de Nazi’s mijn moeder steeds in de gaten. Natuurlijk ging mijn vader op bezoek bij mijn moeder vanuit zijn onderduikadres. Tijdens één van die bezoekjes werd er ineens hard op de deur gebonsd en hard geschreeuwd: ‘Aufmachen!’ Nou, ik kan wel zeggen dan scheet je in je broek. Er kwamen twee Nazi’s binnen om mijn vader te zoeken, een dikke en een dunne. Die dunne  was een nare fanatiekeling. En die dikke was een goedmoedige man. Mijn vader had zich natuurlijk verstopt, maar er waren eigenlijk maar heel weinig plekjes waar hij zich kòn verstoppen. De dikke is in de kamer geweest waar mijn vader zat. Mijn moeder zei achteraf, hij moet hem gezien hebben, dat kan niet anders. Dus dat was een goede Duitser.’

Hoe ging het verder met uw moeder?
‘Mijn moeder bleef met drie kleine kinderen achter. Een uitkering was er niet. Een buurvrouwtje van mijn moeder had een contactadvertentie gezet, want ze was alleen. Ze vroeg of mijn moeder mee wilde gaan op haar eerste date. Maar toen vond die man mijn moeder leuker dan de buurvrouw en wilde met haar verder. Ze gingen uiteindelijk samenwonen. Hij had vier kinderen. Ineens waren we met zeven. En er kwamen ook nog twee kindjes bij, dus toen waren we met z’n negenen. Die man was niet aardig, maar alle kinderen konden goed met elkaar opschieten. Dat was wel fijn.’

Archieven: Verhalen

‘Het dorp Managio, waar mijn vader vandaan kwam, ligt in Noord-Italie’

Lody, Vince en Beau van Basisschool de Poolster uit Amsterdam-Noord schuiven aan tafel bij Alberto Rosa Gestaldo. Hij heeft een prachtige oude kaart van Italië opgehangen en vraagt wie er wel eens in Italië is geweest. Alle drie schudden ze hun hoofd. Tijd om wat over Italië te leren…

Waarom ging uw opa naar Nederland?
‘Mijn opa is rond 1900 naar Nederland gekomen. Toen heeft hij in Den Haag gewerkt met graniet. Graniet bestaat uit korrels van marmersteen vermengd met cement. En daar kan je bijvoorbeeld vloeren van maken of een aanrechtblad. Het is heel specialistisch werk wat niet iedereen kan. Vroeger hadden alle huizen dat. Dus mijn opa ging hierheen met mijn oma en drie kinderen, want er was veel werk. Mijn vader was toen net geboren. Na een aantal jaar in Nederland gewoond te hebben ging het gezin met vijf kinderen weer terug naar Italië om daar te wonen. Daar groeide mijn vader, Arbenno heette hij, verder op.’

Waarom ging uw vader naar Nederland?
‘Toen mijn vader 15 jaar was, is hij met een groepje vrienden uit Managio naar Amsterdam gegaan met de trein. In Italië waren weinig mogelijkheden qua werk, de grond was keihard je kon daar nog geen schep in krijgen. Het dorp waar mijn vader vandaan kwam heet Managio, dat ligt in Noord-Italie. Het was niet alleen vanwege werk dat mijn vader weg wilde. Italië was ook erg fascistisch in die tijd. Mussolini was aan de macht en dat was een dictator. Als je niet deed wat hij zei dan ging je de gevangenis in. Het was niet prettig om daar te leven toen.
Mijn vader ging  net als mijn opa werken in de graniet. Hij richtte zijn eigen bedrijf op en had wel 35 man personeel in dienst. Het was niet dat hij dat werk perse leuk vond, hij was liever kunstzinnig bezig. Zo heeft hij eens het koetshuis van de koninklijke familie met mozaïek ingelegd, dat vond hij pas echt leuk werk!’

Wat vindt u leuker, Nederland of Italië?
‘Ik vind Italie mooi en ik ben dol op Italiaans eten. Ik ga ook graag naar Italië op vakantie, want er zijn prachtige kuststreken, en natuurlijk is het weer erg aangenaam. Maar hier, in Nederland, voel ik me thuis. Ik ben in 1944  geboren in Amsterdam-Oost, mijn moeder is Nederlands en mijn vader Italiaans. Ik zit hier goed!’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892