Archieven: Verhalen

‘Op de sporen op Oosterburg stonden treinen, volgeladen met kolen en meel’

Tijdens de bevrijding werden er repen chocolade uit vliegtuigen geworpen. Daarom heeft Ruurd Kooiman voor Aarohi, Eline en Vesper van basisschool De Pinksterbloem in Amsterdam-Oost als cadeautje ook repen meegenomen, voor ieder één. ‘Deze zijn wel een stuk groter tegenwoordig’, vertelt hij. De kinderen zijn er blij mee en daarna beginnen ze met hun interview.

Wat deed u in het dagelijks leven tijdens de oorlog?
‘Wij speelden veel op straat, op Oosterburg. Er vlogen regelmatig vliegtuigen over en op de sporen stonden treinen, volgeladen met kolen en zakken meel. Op school kregen we eten uit gamellen. Ik had altijd een lepel in mijn zak. Als de gamellen buiten werden neergezet, schraapten we met onze lepels de laatste restjes eruit. Iedereen had honger.

Op een dag kwamen we Duitse soldaten tegen die onder een brug zaten. ‘Wasser, wasser’, zeiden ze tegen ons. Wij renden naar huis om water voor ze te halen. In ruil kregen we soep die ze van het water hadden gemaakt.’

U vertelde dat u zag hoe mannen werden neergeschoten.
‘Ja, dat was op de Tugelaweg. Wij speelden daar en haalden stukken zeil uit leegstaande huizen. Daarop gleden we met vier, vijf jongetjes van een heuvel naar beneden. Op een dag kwamen er twee Duitse auto’s langs. We keken naar binnen en zagen achterin twee Duitse soldaten. Ze stopten zo’n honderd meter verderop. Nieuwsgierig als we waren, liepen we ernaartoe. Toen stapten drie mannen uit, ze werden tegen het talud gezet. Wij wilden weggaan, maar we moesten blijven kijken.

Er stonden vijf Duitse soldaten met geweren. En toen… bam, bam, bam, schoten ze de mannen neer. De middelste probeerde nog op te staan, maar een SS’er in een zwart uniform haalde zijn pistool en maakte hem af. Even later kwam er een vrouw naar beneden vanaf de Tugelaweg. Ze wilde een laken over de lichamen leggen, maar dat mocht niet. Iedereen moest het zien. Wij wilden weg, maar we moesten blijven kijken. Dat is een herinnering die altijd blijft.’

Heeft u daar een trauma aan overgehouden?
‘Een trauma? Nee. Nee, dat denk ik niet. We waren kinderen, het voelde bijna als een spel voor ons.’

Heeft uw familie de oorlog overleefd?
‘Ja, iedereen. Mijn vader was ondergedoken in de Wieringermeer. Hij zat in dienst en moest zich verbergen omdat hij niet naar een werkkamp wilde. Soms kwam hij stiekem thuis en smokkelde dan reuzel, varkensvet. De boeren lieten hem niets meenemen, dus hij smeerde het op zijn buik en schraapte het er thuis af zodat we het konden opeten.’

Archieven: Verhalen

‘Toen ik 6 weken oud was, ging ik bij Janna en Albert Wittenberg onderduiken’

Ebe, Hanna en Cecilie van de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost spreken met Betty Mock over haar herinneringen aan de oorlog. Ze is pas in 1943 geboren, maar kan toch veel vertellen over deze periode. De kinderen luisteren aandachtig naar haar verhaal.

Wat gebeurde er met uw ouders en u als baby?
‘Mijn vader werd al vroeg tijdens de oorlog in Nederland in een werkkamp geplaatst. Later werd hij naar Westerbork gebracht. Vanuit Westerbork werd hij uiteindelijk vermoord in de gaskamer. Mijn moeder werd ongeveer een half jaar later opgepakt. Ik was toen zes weken oud. Zij kreeg een oproep van de Duitsers om zich te melden. Iedereen dacht dat ze naar een werkkamp moest, maar dat was niet het geval.

In hetzelfde gebouw waar wij woonden, woonde ook de beste vriendin van mijn moeder, een niet-Joodse vrouw. Ze stelde voor om mij tijdelijk op te vangen. En zo gebeurde het, toen ik zes weken oud was, dat ik bij Janna en Albert Wittenberg ging onderduiken. Ik ben daar de rest van de oorlog gebleven.’

Wat gebeurde er met uw moeder nadat u bij de Wittenbergs ging wonen?
‘Mijn moeder bleef nog een half jaar in Nederland. Ze kreeg toestemming om de groentewinkel van mijn grootouders open te houden. Mijn grootouders hadden een winkel in de buurt. Uiteindelijk werd ze ook naar de Hollandse Schouwburg gebracht, daarna naar Westerbork en vervolgens naar Auschwitz, waar ze samen met mijn vader in de gaskamer omkwam.’

Hoe ging het verder met u na de oorlog?
Toen de oorlog voorbij was, woonde ik nog bij mijn onderduikmoeder. Ze hadden me officieel ingeschreven in hun trouwboekje als hun derde kind, Betty Wittenberg. Dit was natuurlijk een vervalsing, maar in de oorlog werden er veel documenten vervalst. Mijn onderduikouders hadden me als hun eigen kind opgevoed.

Nadat de oorlog was afgelopen, kwam mijn oom terug uit Auschwitz. Ik werd plotseling weggesluisd naar mijn oom en tante in Laren, die ik nooit eerder had gekend. Ik herinner me nog goed de rit van Amsterdam naar Laren, waarbij mijn nieuwe vader me kwam ophalen in een auto. Na de oorlog waren er heel weinig auto’s, en ik kan me nog precies herinneren hoe ik, als klein meisje, in die donkere auto zat.

Toen ik in Laren aankwam, werd ik verwelkomd door een grote Joodse familie, van wie bijna iedereen de oorlog had overleefd. Alle neefjes en nichtjes stonden op me te wachten. Mijn nieuwe ouders vertelden de familie dat ik uit het weeshuis kwam, maar dat was dus een leugen. Ik wist het zelf ook, en herinnerde me zelfs nog mijn echte ouders en mijn broertje en zusje. Op mijn zestiende werd ik officieel geadopteerd door de familie Rijksman.’

Archieven: Verhalen

‘Opoe zei: je moeder heeft wel eten, misschien moet je daarheen’

Het is ijskoud en best een stukje fietsen van basisschool De Pinksterbloem in Amsterdam-Oost naar de 94-jarige Bep Kuiper. Ze staat al voor haar raam als Mila, Nina, Lucy en Solko aankomen bij haar woning. Ze moeten even achterom lopen. ‘Kom binnen lieverds, binnen is het lekker warm’, zegt ze tegen de kinderen.

Waar bent u geboren?
Ik was een meisje in de oorlog, ik ben geboren in Rotterdam en woonde op de Hilledijk. Ik woonde bij mijn vader en moeder die altijd ruzie hadden. Dat was niet leuk. Op een dag, ik was ongeveer 6 jaar, zei mijn moeder: wij gaan scheiden, nou moet je even kiezen, wil je met papa mee of wil je bij mama blijven? Ik vroeg: mag ik ook bij opoe? En dat mocht. Zo kwam ik dus bij mijn oma, die ik opoe noemde. En toen kwam de oorlog.’

Had u ook vrienden?
Ik had een vriendje, een Joods jongetje, maar mijn opoe verbood me met hem te spelen. Later werd zijn huis binnengevallen door de Duitsers, en werden hij en zijn ouders opgepakt. Ik heb hem nooit meer gezien. Dat is mijn ergste herinnering aan de oorlog.’

Heeft u ook bombardementen gehoord?
Soms hoorde je ‘s morgens al de vliegtuigen. Ik sliep aangekleed in een bedstee. En dan hoorde je ze aankomen. Joeng, joeng, joeng. Opoe trok mij dan uit bed en ging met mij onder in de trap zitten, en zei daarna: oh gelukkig niet op ons. Wij woonden vlakbij de Maasbruggen en daar hadden ze het op gemunt.’

Hadden jullie honger?
‘Toen de Hongerwinter kwam was er in het begin nog wel een bakker of een melkboer. We kregen een bonkaart om naar de winkel te gaan en je mocht een half brood. En dan werd er een kruisje gezet en had je je aandeel gehad. Opoe maakte suikerbieten schoon. Dat was vreselijk. Honger, honger, honger, honger.’

Heeft u uw moeder nog gezien?
‘Mijn opoe zei: je moeder heeft wel eten, misschien moet je daarheen. Mijn moeder was inmiddels getrouwd met een andere man en woonde in Amsterdam. Ik was nog nooit in Amsterdam geweest. Toen zei ik: ja, dat wil ik wel. Ik was tien, elf. Maar hoe? Nou, zei Opoe, je moet gaan lopen. Van een grijze paardendeken maakte ze een jas voor me en schoenen van twee plankjes met bandjes en spijkers. Ze had precies opgeschreven via welke steden ik moest lopen. Maar, zei ze, als het luchtalarm gaat, ga dan ergens naar binnen.

In Leidschendam werd het schemerig en ja hoor, daar ging het luchtalarm. En ik vloog een ope ndeur in. Een aardige mevrouw zei: je mag vannacht hier in het hok achter in het stro slapen. De volgende morgen ging ik weer vroeg verder. En weer liep ik een hele dag. En toen kwam ik op de Wittenkade, hier in Amsterdam, waar mijn moeder woonde. Maar van die man waar ze mee getrouwd was, mocht zij mij geen eten geven. Ik moest wachten tot hij naar zijn werk was en toen maakte ze eten voor me. Daarna liep ik weer terug naar Rotterdam. Mijn moeder had een pakketje voor me gemaakt met tarwe en ander eten en zij had bij buren een fiets met houten banden voor me geregeld. Zo ik ben terug op die fiets gegaan. Onderweg hielden Duitse soldaten me aan. Ze namen én mijn fiets én mijn pakje van me af. Het was allemaal voor niks geweest.’

Archieven: Verhalen

‘Ik had heimwee naar m’n ouders, dat heb ik 4 jaar lang gehad’

Jayani, Lev, Hugo en Liam kijken hun ogen uit in het kleurrijke huis van Jack Eljon (87). Overal staan vazen met plastic bloemen en er zijn poppen, de schaal met koekjes staat ook al klaar. ‘Mijn officiële naam is Jacob, maar iedereen noemt mij Jack, zegt hij tegen de leerlingen van basisschool De Pinksterbloem in Amsterdam-Oost. Dan stellen ze hun eerste vraag.

Hoe voelde het toen de oorlog begon?
‘Toen de oorlog uitbrak was ik bijna 3 jaar en zei mijn vader: we gaan onderduiken. Dat deden we eerst in Camperduin bij Schoorl, in totaal ben ik op ongeveer 12 onderduikadressen geweest. Maar rond 1941 gingen de Duitsers daar bunkers bouwen en was het daar niet veilig meer. Toen zijn we uit elkaar gegaan; mijn vader, moeder en ik… allemaal apart.

Ik ging naar m’n tante in Haarlem en daar had ik het goed. Maar na een jaar kwamen de buren mijn tante waarschuwen dat er een razzia zou komen en dat alle Joden opgepakt zouden worden, dus toen moest ik daar weg. Die buren waren NSB’ers maar ze hadden medelijden met mij. Ze hebben me daarom ’s avonds over de schutting getild en ik ben een week bij hen geweest. Maar daar moest ik ook weg en toen ben ik via de illegaliteit naar een onderduikadres in Zeist gegaan. Daar ben ik anderhalf jaar geweest en ik had het er heel erg slecht. Ik wilde niet eten, niet slapen en ik was brutaal en zo kreeg ik heel veel slaag.’

Ging u nog naar school?
‘In Zeist ging ik naar een kleuterschool en dat is mijn redding geweest. Als ik niet op school was geweest hadden ze me opgepakt. Dat zat zo: op een gegeven moment werd ik verraden door een van de buren. Ik ging al een tijdje naar de kleuterschool en toen de SS aanbelde bij mijn onderduikadres, stond de bakker net voor de deur met de bakkerskar. Toen hebben andere buren tegen de bakkersknecht gezegd: ga jij Henkie Mulder, dat was m’n onderduiknaam, van school ophalen met de bakkerskar zodat ze hem niet oppakken. De knecht kwam mij halen en ik moest op m’n hurken in die kar en daarna de fietste hij met mij weg zodat ik niet opgepakt zou worden. Zo ben ik dus ontsnapt. Hij heeft mij naar een dominee gebracht.

Ze hebben mij nog wel gezocht, de dame waar ik in Zeist was ondergedoken heeft een maand in de gevangenis gezeten en toen heeft ze onder dwang een naam van de illegaliteit genoemd. Een adres van ene mevrouw Wasch. Deze mevrouw Wasch bracht kinderen naar verschillende onderduikadressen. De nazi’s hebben haar opgepakt en een Joods meisje dat net bij haar was ook, zij zijn allebei vergast in Auschwitz. Daar heb ik het later wel moeilijk mee gehad; dat zij zijn vermoord en ik het nu kan navertellen.’

Had u heimwee?
‘Ja, ik had heimwee naar m’n ouders, dat heb ik 4 jaar lang gehad. Van m’n 4e tot m’n 8e jaar heb ik mijn ouders niet gezien. Ik vroeg wel eens waar mijn ouders waren en dan zeiden mensen: die zijn niet hier en ze komen ook niet. Ik zei tegen mijn ouders toen ik ze weer zag: jullie hebben me in de steek gelaten en dan zei mijn moeder: nee, dat was niet in de steek laten, dat mag je niet zeggen. Veel van mijn familieleden zijn niet teruggekomen. Ik had één familielid dat heel goed kon zingen, hij heeft Auschwitz overleefd omdat hij zo goed kon zingen dus de Duitsers hebben hem in leven gehouden.’

Droomt u nog wel eens over de oorlog?
Ja, één droom heb ik nog steeds. Dan moet je weten: het laatste jaar van de oorlog was ik ondergedoken in Friesland. Er kwam een huiszoeking van de Duitsers en toen moest ik me verstoppen op zolder. Er was een tussenschot en daar paste ik in de tussenruimte. Ik was broodmager want het was de Hongerwinter. Toen ben ik wel bang geweest dat ze me zouden vinden want ik wist heel goed: als ze je te pakken krijgen, is het klaar en dan loopt het slecht met je af. Daar droom ik nog steeds wel eens over, dan droom ik dat ik van een schommel val en dat ze me vinden.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader heeft in twaalf werkkampen gezeten, het was er verschrikkelijk’

Sylvia Polak groeide op na de oorlog in de Ruyschstraat in Amsterdam-Oost. Dat is vlakbij waar Riva nu woont. Er ontstaat gelijk een klik. Mevrouw Polak vertelt het verhaal van haar vader, Harrie Polak. Hij was 15 jaar toen de oorlog begon en woonde met zijn ouders en 10-jarige broertje Mozes in de Retiefstraat 19. Er liggen drie stolperstenen in de Retiefstraat. Alleen Harrie heeft de oorlog overleefd. Mevrouw Polak vertelt haar verhaal aan Riva, Emilie en Mila van de Pinksterbloem in Oost.

Wat is er met uw vaders familie gebeurd?
‘In 1942 kregen de meeste Joodse mensen een brief met daarin een oproep om naar een werkkamp te gaan. De ouders van mijn vader ook. Een dag van tevoren kwam de Nederlandse politie aan de deur. Eén van die agenten zei tegen mijn opa, dus mijn vaders vader: als je me een paar honderd gulden geeft, dan zorg ik dat jullie morgen niet weg hoeven. Nou, dat vond mijn opa wel een heel goed idee dus hij heeft die man een paar honderd gulden gegeven. Alleen werden ze de volgende dag toch uit hun huis gehaald en in vrachtwagens gegooid.

Via het Muiderpoortstation zijn ze eerst in Kamp Westerbork terechtgekomen. In kamp Westerbork zeiden ze tegen mijn vader: als jij nou hier tekent en meegaat om te werken in een werkkamp, dan sturen we morgen je ouders en broertje weer naar huis. Mijn vader is meegegaan, maar zijn ouders en broertje zijn in Auschwitz vergast.’

Hoe vond uw vader het in het kamp?
‘Mijn vader heeft in iets van twaalf of dertien werkkampen gezeten. Het was er verschrikkelijk. Want je kreeg niet normaal eten, je had geen normale kleren, je werd geslagen en er was altijd kans dat je werd vermoord. Alleen hadden de werkkampen geen gaskamer.’

Hoe zag een normale dag in het kamp eruit voor uw vader?
‘Ik denk dat ze rond zes uur ’s ochtends uit bed werden geslagen. Ze moesten elke morgen, wat voor weer het ook was, naar buiten op appèl staan. Dan werd iedereen geteld om te kijken of niet iemand stiekem ontsnapt was. Daarna moesten ze werken. En dat werken was heel raar werk. Ze moesten bijvoorbeeld een hele grote steen van de ene naar de andere kant rollen. En de volgende dag moesten ze hem weer terugrollen. Dat deden de Duitsers dan om te pesten. Maar er waren ook mensen die werkten in fabrieken om onderdelen te maken voor vliegtuigen of voor munitie.’

Hoe overleefde uw vader al die kampen?
‘Het was een ontzettend stoere jongen. Hij was pas 17 jaar. Hij werkte al als stoffeerder sinds zijn 13de. Hij was ook nog eens sportief, best slim en een beetje brutaal. Hij wist dat je goed voor jezelf moest zorgen en niet ziek moest worden. Van zijn rugzak maakte hij een poncho die hij droeg als hij buiten in de regen moest werken. Hij was zuinig op zijn gebit en poetste zijn tanden met zand. Hij bood aan om de keukens waar gekookt werd voor de Duitsers schoon te maken. Daar waren hele grote pannen, gamellen heten die. En onderin die pannen bleef altijd wel een beetje eten zitten. Als beloning mocht hij het onderste eruit halen. Dus dan had hij weer een beetje eten.’

Hoe was het na de oorlog?
‘In de oorlog besloten Harrie en zijn vader op een dag een zilveren bekertje en de gouden trouwring te verstoppen. Ze deden het in een kistje en begroeven het in de tuin. Als de oorlog voorbij was en ze weer terug zouden komen van het werken in het oosten van Europa, zouden ze samen het kistje weer opgraven.

Na de oorlog kwam mijn vader erachter dat hij de enige was die nog in leven was. Hij ging terug naar de Retiefstraat om dat sieradenkistje op te graven. Hij belde aan en zei tegen de vrouw die open deed: ik heb hier gewoond met mijn vader en moeder en mijn broertje en we hebben ooit een kistje met waardevolle spullen in de tuin begraven, mag ik dat even opgraven? Nou, zei de vrouw, u doet maar. Dus hij is gaan graven, maar hij kon niks vinden natuurlijk. De vrouw zei: kom over een maand maar terug. Toen hij een maand later aan de deur stond deed niemand open. Het huis was leeg en de tuin was tot op de bodem helemaal omgespit.’

Archieven: Verhalen

‘Op één vrouw na hebben alle onderduikers de oorlog overleefd’

Nisrin, Vicky en Charlie interviewen Saskia Meijer op hun school, de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost. Mevrouw Meijer heeft de oorlog zelf niet meegemaakt, maar vertelt over haar familie. Na de bevrijding werd er thuis niet over de oorlog gesproken. Pas veel later, en mondjesmaat, werden de verhalen gedeeld. Ze had een oom en tante die onderduikers hadden en haar zus herinnert zich nog dat ze voor het eerst de jodenster zag.

Hadden uw ouders onderduikers tijdens de oorlog?
‘Mijn ouders hadden geen onderduikers. Ze hadden ook nog geen eigen huis. Mijn moeder woonde nog bij haar ouders en mijn vader bij zijn zus. Een oom en tante van mij wel. Ome Jan en tante Wies. Ze woonden in Amsterdam en hadden twee cafés in het centrum van Amsterdam; in de Warmoesstraat en op het Kattengat. Daar hadden ze een café in een oud pandje uit de 17de eeuw. Het zijn twee hele oude huizen naast elkaar en ze heten de Gouden en de Silveren Spiegel.

Zij hadden hun café in de Silveren Spiegel. Onder was het café en boven was de woning van mijn oom en tante en er was een hele grote zolder. En van buitenaf kon je het niet zien, maar je kon heel makkelijk via zolder van het ene naar het andere huis. Er was een klein deurtje waar je gewoon doorheen kon. Hier werden goederen bewaard. Maar tijdens de oorlog zaten er op zolder Joodse onderduikers.

Het was natuurlijk heel gevaarlijk, maar er was iets waardoor het niet zo opviel. Mijn oom en tante zaten vaak in het café in de Warmoesstraat tijdens de oorlog. Het andere café werd gerund door een vrouw uit Oostenrijk, dus zij sprak Duits. Daardoor kwamen er veel Duitse soldaten in het café, want zij vonden het wel fijn, dan konden ze met haar in hun eigen taal praten. Dat was een goeie dekmantel… Op één vrouw na hebben alle onderduikers de oorlog overleefd. Maar deze vrouw is gewoon van ouderdom gestorven.’

Wilt u het verhaal vertellen van uw neef die na de avondklok nog op straat was?
‘Dat was de zoon van ome Jan en tante Wies. Zij hadden twee kinderen, Wijntje, een meisje, en Piet. Piet was aan het eind van de oorlog 18 jaar, denk ik. De Duitsers hadden een avondklok ingesteld, Sperrzeit. Je mocht tussen acht uur ’s avonds en zes uur ’s morgens zonder toestemming niet buiten zijn. Maar mijn neef was nog buiten toen de avondklok al ingegaan was. Wat hij precies heeft gedaan, weet ik niet, maar hij is tegen een Duitse patrouille aangelopen, is misschien geschrokken en weggerend, en daarop hebben ze hem doodgeschoten.

Ik wist het niet als kind. Ik heb mijn ome Jan niet gekend, tante Wies wel. Er waren ook veel foto’s van hem. Maar wat er is gebeurd, heb ik pas veel later gehoord, toen zij al lang dood was.’

Heeft u broers en zussen?
‘Ik heb één halfzus. Zij is de dochter uit het eerste huwelijk van mijn vader. Zij heeft eigenlijk ook nooit over de oorlog gesproken, pas de laatste jaren begint zij er mondjesmaat over, maar ze weet er niet meer zoveel vanaf. Ze heeft nog wel één herinnering. Ze woonde ook in de binnenstad. Op een dag was ze met haar tante buiten en toen zagen ze een groep mensen voorbij komen met een gele ster op hun kleding. Zij wist niet wat dat was. Het was een groep Joden die door de Duitsers waren opgepakt. Mijn zus zei tegen haar tante: ‘Kijk, wat een mooie ster hebben die mensen op! Dat wil ik ook, mag ik er ook één?’ Toen schrok mijn tante zich een hoedje en trok haar gauw weg.’

Archieven: Verhalen

‘Toen had ik geen horloge meer, en ook geen grootvader’

Myriam Mater had al eerder op basisschool De Pinksterbloem in Amsterdam-Oost haar oorlogsverhaal verteld. Over haar vader die in het verzet zat, samen met haar oom Arie en oom Henk. En over haar Joodse moeder, die ziek werd en tijdens de Hongerwinter stierf. Nu gaan Victor, RJ en Lok haar nog met z’n drieën interviewen over andere gebeurtenissen die ze in de oorlog als kind heeft meegemaakt.

Was u bang voor de Duitsers?
‘Toen ik 10 werd, kreeg ik van mijn vader een horloge. Ik was apetrots op dat horloge en had het altijd om. Ik ging elke dag naar school met de tram. Heel vaak keek ik dan even op mijn horloge want ik was er zo trots op.

Op een dag kwam een Duitse soldaat naar mij toe en zei: ‘Gib mir deine Uhr, geef me je horloge. Mijn vader had altijd tegen ons gezegd: wat je ook doet, maak nooit ruzie met een Duitse soldaat want ik doe van alles wat verboden is en als zo’n man verhaal komt halen, krijgen we problemen. Ik gaf dus mijn horloge. Wat later is mijn grootvader doodgegaan. Toen had ik geen horloge meer, en geen grootvader…’

Kende u mensen die zijn opgepakt?
‘Oom Arie is opgepakt en doodgeschoten. En mijn allerbeste vriendinnetje, Ineke, is vergast met haar vader en moeder. Ik had nog een vriendinnetje, Inge, zij was enig kind en is met haar vader en moeder ondergedoken.

Inge zat op een Joodse school. Op een dag haalden de Duitsers deze school leeg. Alle kinderen en Joodse onderwijzers moesten mee in een vrachtauto om naar een kamp te gaan. Ze moesten in rijen van vijf over straat. Inge zat in de klas met Manfred en gaf hem in de rij een hand. Op de stoep stond een vrouw met een hondje. In een oogwenk pakte deze vrouw Manfred bij de hand en trok ook Inge met zich mee. Ze liep met ze weg en zei tegen ze: ga naar je vader en moeder en vertel wat er gebeurd is, en ga nooit meer terug naar school. Zij zijn de enige kinderen die niet in die vrachtauto moesten.

Dat wist ik eerst allemaal niet. Heel veel jaren later, in 1986, was ik met mijn zoon in een dorpje. We dronken een kopje koffie op een terras. Verderop zat een oudere mevrouw. Wij keken de hele tijd naar elkaar en opeens wist ik het… het was Inge! Nu zien we elkaar regelmatig. Ze woont hier vlakbij, twee oude vrouwen met allebei een oorlogsverhaal.’

Archieven: Verhalen

‘Dankzij de broers van mijn moeder zijn wij de winter doorgekomen’

Frederika De Boer-Blom woonde in de oorlog in de Ombilinstraat in Amsterdam-Oost. Aan de leerlingen van basisschool De Pinksterbloem vertelt ze over de oorlogstijd.

Wat was het teken dat de oorlog begon?
’Ik was pas 4 jaar toen hij uitbrak. Er ging een sirene af. Ik vroeg: papa, wat is dat voor geluid? Toen zei mijn vader: nu is het oorlog. Ik besefte niet wat het inhield, want ik was nog jong. Maar dat het iets was wat niet klopte, dat vond ik wel.

Die sirene hebben wij heel vaak gehoord later. Als die afging, moest je zorgen dat je binnen zat. Er kon geschoten worden en dan moest je veilig zijn. We moesten dan naar huis toe.’

Wat at u eigenlijk tijdens de oorlog?
‘In onze oorlogsjaren hadden we nog geen hongersnood, dat kwam pas in de winter van 1944-1945, een hele strenge winter. Tot die tijd kon mijn moeder gewoon nog naar de groenteboer.

Je kon niet zomaar alles kopen, je had allemaal bonnen. En op die bonnen stond wat je kon halen, zoals aardappelen, groenten, koffie, thee of suiker. De bon moest je inleveren in de winkel. Je moest natuurlijk nog wel betalen. Als de bonnen op waren, had je pech, dan had je niks meer.

En hoe was dan de Hongerwinter voor jullie?
‘Die tijd was echt zwaar. Ik vertelde eerder over familie die in een klein boerderijtje in de Nes aan de Amstel woonde. Het was geen echte boerderij, maar ze hadden wel tuinen vol groenten, aardappelen en een appelboom. Ze verbouwden echt alles wat ze nodig hadden om van te leven, zoals kool en andere gewassen. In die tijd groeide en bloeide voedsel alleen in bepaalde seizoenen. Er was echt een verschil tussen winterkost en zomerkost.

Broers van mijn moeder brachten groente, aardappelen en wat ze verder konden oogsten naar ons huis. Ze vervoerden alles met een handkar, het was wel 10 kilometer lopen. Maar ze kwamen altijd, en dankzij hen zijn wij die winter doorgekomen.

Mijn vader ging ook wel naar een boer in de omgeving, vaak richting Friesland, om daar wat te krijgen. Soms moest hij wel een stukje lopen voordat hij bij de boer was. Mensen gingen overal heen waar boeren waren, en daar werd vaak geruild. Geld was toen niet belangrijk, want je kon het toch niet uitgeven. Maar goederen, zoals een gouden ring of armband, konden we ruilen voor eten. Mijn vader gaf af en toe wat van zijn sieraden weg, of mooi linnen beddengoed, en in ruil daarvoor kreeg hij een tas met aardappelen of groenten. Zo konden we weer een paar dagen eten.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder dacht: ik moet niet wegrennen want dat is verdacht’

Salize, Loes en Fabienne van basisschool De Pinksterbloem in Amsterdam-Oost interviewen Debby Petter. Ze vertelt het verhaal van haar Joodse moeder, Helene Egger, die 10 jaar was toen de oorlog begon. Omdat haar ouders gescheiden waren, ging Helene bij haar opa en oma wonen op de Koninginneweg in Amsterdam, in een klein huisje. Haar vader woonde in de Rivierenbuurt, veel Joden woonden destijds in deze buurt, en ontmoette een nieuwe vrouw, met wie hij later een baby’tje kreeg. De moeder van Helene werd heel ziek en overleed aan het begin van de oorlog.

Werd er bij u thuis wel over de oorlog gesproken?
‘Ik heb een keer in de kast, toen ik op zoek was naar Sinterklaascadeautjes, een poëzie-album gevonden van mijn moeder. Daarin stonden gedichtjes en namen van mensen die ik niet kende. Ik dacht, wie zijn deze mensen nou? Ik liep naar de keuken waar mijn moeder aan het aardappelen schillen was en gaf haar het boekje.

Ze schrok want ze dacht: dat is mijn geheim, ik wil niet vertellen over dat boekje. Leg dat nou maar even weg, zei ze, en help me met aardappelschillen. Ik legde het boekje weg, maar dacht wel: wat is er aan de hand? Toen ben ik haar toch gaan vragen wie al die mensen waren.’

En kwam u daarachter?
‘Toen de oorlog uitbrak, moesten haar broers naar een kamp in Duitsland om te werken. De jongste broer hoefde eigenlijk nog niet, maar hij vond het zielig dat zijn oudste broer alleen ging en zei: ik ga mee. Mijn opa en oma wisten al dat er in die kampen waar zij naartoe gingen misschien nare dingen gebeurden, dus ze zeiden alsmaar: doe dat nou niet, blijf bij je zusje Helene. Maar de jongste, Julius, wilde toch met zijn oudste broer mee. Ze hebben allebei een rugzak gepakt en zijn vertrokken. Ze kwamen in een kamp terecht en gingen er aan het werk. Vanuit het kamp stuurden ze briefkaarten. Die heb ik ook veel later gevonden, dus kon ik nog lezen over haar broers.’

Zag ze haar vader nog wel?
‘Mijn moeder zat hier op de Weteringschans op de Joodse school, daar mochten alleen maar Joodse kinderen naar toe. Iedere dag liep ze naar haar vader toe, want haar vader had een baby’tje, en dat vond ze zo leuk. Ze moesten altijd lopen want Joodse mensen mochten niet met het openbaar vervoer. Bij haar vader at ze even een boterham en liep dan weer terug naar school.

Maar eens was er een razzia. Helene moest met haar vader en stiefmoeder mee in een vrachtwagen naar een plek, waar ze allemaal bij elkaar gedreven werden, waar geen eten en drinken was en ook geen wc’s. Dat was een verschrikking natuurlijk. De baby hadden ze snel aan de buren gegeven en die is blijven leven.

Toen ze op deze verzamelplek was, werd haar naam omgeroepen en mocht ze naar buiten. Gauw gaf ze haar vader een kus. Buiten stond haar opa op haar te wachten, die heeft waarschijnlijk heel veel geld betaald om haar vrij te krijgen. En zo is ze met hem meegegaan terug naar huis. Haar vader heeft ze nooit meer gezien, hij is meegenomen naar de kampen.’

Wat gebeurde er met uw moeder?
‘Ze is gaan onderduiken. Ze mocht ook niet meer naar school. Op een keer toen ze toch even buiten mocht spelen, zag ze twee mannen aankomen. Ze hielden haar aan en vroegen wat haar naam was. Van haar opa en oma had ze geleerd dat ze bij aanhouding een andere naam moest zeggen, Tineke Bakker, en dat deed ze ook. Een van de mannen vroeg haar daarop waar ze dan woonde. Van Baerlestraat 80, zei ze. Maar daar woonde ze helemaal niet… Toen dachten die mannen: nou, vooruit dan maar, en fietsten verder. Mijn moeder was zo bang en dacht: ik moet niet wegrennen want dat is verdacht natuurlijk. Ze liep naar de Van Baerlestraat, en moet je raden wat daar zat op nummer 80? De schoenenzaak Bakker. Ze had dus precies het juiste gezegd.

Daarna is ze echt heel ver weg gaan onderduiken, ze heeft op verschillende adressen gewoond. Tegen het einde van de oorlog zat ze bij een boerengezin waar ze het erg fijn had. Toen de oorlog was afgelopen, moest mijn moeder terug naar Amsterdam, naar haar opa en oma. Dat wilde ze helemaal niet, het liefst wilde ze bij deze familie blijven. Haar broers zijn niet teruggekomen uit de kampen. Ze is daar erg verdrietig over geweest.’

Archieven: Verhalen

‘Wij hadden geluk dat we nog een klein volkstuintje hadden’

Op basisschool Rapenland in Eindhoven zitten Thijs, Ayoub, Emma en Kubra al enthousiast klaar met hun vragenlijst. Wanneer Piet Blotwijk binnenkomt, heeft hij een tas bij zich met bijzondere voorwerpen uit de oorlog, waaronder een knijpkat. Meneer Blotwijk was 5 jaar oud toen de oorlog uitbrak. Hij woonde in Katwijk aan Zee, aan de Zeeweg 60, die rechtstreeks naar zee liep.

Hoe merkte u dat de oorlog was begonnen?
‘In die periode waren ze ons huis aan het verbouwden. Op het dak waren mensen aan het werk en die zagen ineens dat er veel Duitse vliegtuigen overkwamen. Wij woonden in de buurt een vliegveld. Om dit vliegveld in te kunnen nemen, begonnen de Duitsers het te bombarderen. En zo kwamen wij erachter dat de oorlog was begonnen.’

Hadden jullie een radio?
‘Wij mochten van de Duitsers geen radio hebben, maar we hadden er wel een foefje op.’ Meneer Blotwijk pakt een oude hoofdtelefoon uit zijn tas die de piloten vroeger droegen. ‘Wij konden met behulp van een soort kristal en een lange ijzeren draad de radiogolven opvangen via de hoofdtelefoon. Zo kregen we ontvangst met de zender van de BBC en hoorden we over het verloop van de oorlog. We moesten natuurlijk wel oppassen dat de Duitsers dit niet ontdekten.’

Wat was het moeilijkste voor u aan de oorlog?
‘Het was heel moeilijk om aan eten te komen. We kregen via de gemeente wel voedselbonnen waarmee we wat vlees en groenten konden kopen. Wij hadden geluk dat we nog een klein volkstuintje hadden. Daar verbouwden we prinsessenbonen, jullie noemen ze geloof ik sperziebonen, en spinazie. Verder hadden we af en toe graan. Dat moesten we dan zelf vermalen met een koffiemolen.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892