Archieven: Verhalen

‘De oorlog heeft alles anders gemaakt’

Sam, Arlo, Amira en Fabian uit groep 8A van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen meneer Simon Italiaander. Het is een zwaar verhaal, want de hele familie van meneer Italiaander is Joods en hij heeft zijn beide ouders in de oorlog verloren. Als peuter moest hij al onderduiken, maar omdat hij zo jong was, kan hij zich dat niet herinneren.

Waar ging u onderduiken?
‘Ik kwam eerst bij bevriende buren op de Admiraal de Ruijterweg, maar daar kon ik niet lang blijven. En toen hebben ze via het verzet een plek voor mij gevonden in Haarlem. Ik weet niet hoe lang ik daar heb gezeten. En daarna is er contact gezocht met familie van mij, daar kwam ik terecht. Dat was in Alkmaar. Ik werd opgenomen in het gezin. In Alkmaar hadden ze nog twee kinderen, een jonger meisje en een oudere broer, die is nu bijna 90 jaar. Het was een klein huis, ik had geen eigen kamer, maar wel een eigen bed. Ik ben daar nooit echt verstopt. Dus ik denk wel dat de hele buurt wist dat ik daar zat, maar ze hebben allemaal netjes hun mond gehouden. Met die mensen heb ik nog steeds contact. Op bevrijdingsdag ben ik er met een grote bos bloemen heen gegaan.’

Hoe kwam u erachter dat uw ouders waren vermoord?
‘Ja, ze waren er niet meer, maar het was heel lang niet duidelijk waar ze waren. Er was wel een tante, die het had overleefd en zij vertelde wat er daar in Duitsland allemaal gebeurd was. Toen begrepen we wel dat ze niet meer terug zouden komen. Maar de officiële melding kwam pas veel later. Daaruit las ik dat mijn moeder eigenlijk meteen vermoord is toen ze in Auschwitz aankwam. Mijn vader heeft nog wel een paar maanden geleefd, maar ik ben er nooit achter gekomen wanneer hij precies is overleden. In de administratie staat dat hij er op 31 januari 1944 niet meer was. Gestorven aan ‘hartfalen’ staat er. Later hoorde ik dat als de Duitsers het ook niet wisten, dat ze dan 31 januari opschreven.’

Was er wel andere familie die het had overleefd?
‘Ik had mijn grootouders nog. Die waren ook in Noord-Holland ondergedoken. Toen de oorlog voorbij was, is mijn opa snel weer met de trein naar Amsterdam gegaan, want hij had daar zijn werk als groente- en fruitverkoper. Dus hij was benieuwd of hij na de oorlog daar mee verder kon gaan. Voor de oorlog heette het bedrijf van mijn opa: “S. Italiaander en zoon”, de zoon was mijn vader. Ze hadden samen die zaak. Ze waren gespecialiseerd in bloemkool. Die kocht mijn opa in bij de veilingen op het platteland, waar de boeren hun groentes naartoe brachten. Mijn opa had een telefoon, terwijl niemand dat nog had en hij kon bellen met iemand die naar de veiling ging om de bloemkolen voor mijn opa te kopen. Die man stuurde dat dan naar Amsterdam en mijn opa verkocht het aan de groentemannen in de stad. En zo regelden ze dat. De man die de inkopen deed op de veilingen bij de boeren, dat is de man die ook de onderduikadressen heeft geregeld, zodat ik en mijn opa en oma konden overleven.’

Bij wie woonde u na de oorlog?
‘Een oom en tante hadden het ook overleefd. Ze kregen een woning en toen kon ik bij hen gaan wonen. Mijn opa en oma konden weer op de Admiraal de Ruijterweg wonen. Twee huizen verder van waar ik als baby’tje heb gewoond. Bij hen kwam ik regelmatig op bezoek. Maar ik heb mijn oma nooit meer zien lachen. Twee van haar kinderen waren vermoord. De oom en tante waar ik bij kon wonen, gingen scheiden. Dus toen ik 19 was, ging ik snel het huis uit. Want mijn oom had inmiddels een andere vrouw en ik zat alleen nog bij die tante. Die kon ook niet echt voor mij zorgen. Ik vond het geen prettige situatie. De oorlog heeft alles anders gemaakt.’

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Het is gezond om ook te huilen’

Ravi, Fay en Matine uit groep 8A van De Visserschool in Amsterdam-Was interviewen mevrouw Marja Ruijterman. Mevrouw Ruijterman heeft de oorlog niet meegemaakt, maar haar moeder wel mee en die heeft er veel over verteld. Haar moeder was 12 jaar toen de oorlog begon.  Ze merkte dat het steeds enger werd, heel veel plekken werden voor Joden verboden. Ze was zelf half joods.

Had uw moeder ook leuke herinneringen aan de oorlog?
‘Wat wel een grappig verhaal is dat er op een gegeven moment een mevrouw uit Volendam kwam bij mijn oma. Daar hebben ze van die klederdracht. Mijn moeder dacht: ‘Wat zie ik nou voor raars?’ Het leek wel of de rok van die vrouw bewoog. En toen bleek dat ze in de zakken van die rok allemaal levende palingen had om aan mijn oma te geven, die kon ze eten. Mijn oma was er blij mee, maar mijn moeder wilde dat echt niet. Ze vond dat zo vies. Maar er was veel te weinig eten in die tijd, dus ze moest wel. Dat vond ik wel een grappig verhaal.’

Hoe is het om op te groeien met ouders, die de oorlog hebben meegemaakt?
‘Dat vind ik een hele goeie vraag! Nou, mijn moeder wilde positief en krachtig zijn na de oorlog. Ze wilde mij een goed leven geven. En de eerste 12 jaar was dat ook zo, maar op een gegeven moment werd ze depressief. Dat was moeilijk, ook voor mij, want soms begon ze plotseling te schreeuwen. Toen bleek dat ze zich eigenlijk helemaal niet zo positief voelde en dat ze zich veel te positief en krachtig had opgesteld. Zo kon ze niet de moeilijke tijd van de oorlog verwerken. Het is namelijk gezond om ook te huilen af en toe om wat er is gebeurd, als je dat niet doet, dan kan je depressief worden.’

Had uw moeder nog broers of zussen?
‘Ja, ze had een jongere zus en nog een babyzusje, Sara. Zij is in 1943 geboren, in de oorlog. Mijn opa en oma, dus de vader en moeder van mijn moeder, gingen op een gegeven moment scheiden en mijn vader kreeg bij zijn nieuwe vrouw het baby’tje Sara. Maar vlak nadat Sara was geboren, werden mijn opa en zijn nieuwe vrouw opgepakt. Mijn opa heeft toen Sara aan de buren gegeven in de hoop dat ze snel weer terug zouden komen. Maar de buren vonden het toch te eng om een Joods baby’tje in huis te hebben en die hebben het aan de Duitsers gegeven. De Duitsers hebben Sara naar de Hollandse schouwburg, de Joodse crèche gebracht. Ze is door een student gered.’

Heeft uw moeder haar zusje daarna weer gezien?
‘Na de oorlog groeide Sara op bij pleegouders, ze wist niet dat ze Joods was. Die mensen hadden haar dat niet verteld en ze hadden haar Maria genoemd. Maar Sara voelde dat er iets niet klopte en toen ze een keer alleen thuis was, ging ze zoeken in de papieren en toen vond ze dat ze Sara heette en nog twee zussen had. Ik herinner me nog dat bij ons de thuis de bel ging en mijn moeder naar beneden liep. Ik hoorde mijn moeder heel hard schreeuwen, dus ik ben onder de tafel gaan zitten. Even later kwam ze boven met een heel mooi meisje en toen zei ze: ‘Dit is mijn zusje’. Dus ze had eindelijk haar zusje weer gevonden.’

Was er nog andere familie, die de oorlog had overleefd?
‘Ik had een tante Engeltje, dat was een heel klein vrouwtje. Ze had geen tanden in haar mond en we kwamen haar vaak tegen op straat. Dan zei ze: ‘Nabisch’, dat betekent iets van ‘Ach wat een lief kind’ en dan kreeg ik een zoen, wat ik vies vond, want ze prikte een beetje. Maar daarna begon ze te schelden en te tieren. Ze had een heel klein kamertje, waar het heel erg stonk. En ze had een heleboel beeldjes, waar ze tegen praatte. Dan deed ze net of die beeldjes haar familieleden waren, want die familie was ze allemaal kwijtgeraakt in de oorlog. Haar negen broers en zussen zijn vermoord, haar vader en moeder zijn vermoord en haar opa en oma zijn vermoord, alle neven en nichten. Ze was na de oorlog helemaal gek geworden.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘We hadden een buurman, die NSB-er was’

Aiden, Yasmin, Jonathan en Kaatje uit groep 8A van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen mevrouw Gien Kamphorst. Mevrouw Kamphorst is nu 90 jaar en woont in Hilversum. Tijdens de oorlog woonde ze in Utrecht. Ze was 5 jaar toen de oorlog begon, dus ze herinnert zich er nog een beetje van.

Zat uw vader in het verzet?
‘Nee, hij zat niet in het verzet. Hij is daar door vrienden wel voor gevraagd, maar hij wilde het niet doen. Hij vond het risico te groot voor zijn gezin met twee kinderen. Soms heeft hij wel hulp geboden voor kleinigheden.’

Was u Joods?
‘Nee, wij waren niet Joods. We zijn niet in concentratiekampen geweest. We wisten daar weinig of niets vanaf. We wisten wel dat er kampen waren in Amersfoort en Vught en we wisten dat dat niet best was, maar wat er precies gebeurde wisten we niet, het was vaag en eng. Pas na de oorlog hoorden we wat er in Duitsland in de concentratiekampen gebeurde.’

Wat is uw ergste herinnering aan de oorlog?
‘We woonden niet te ver van het bos, de Hollandse Rading. Met een stevige handkar geduwd door twee mannen gingen we het bos in. Dan werden er bomen gekapt en gezaagd, op de kar gelegd en verdeeld onder de mensen van de groep. Dat was zwaar werk. Ik mocht soms ook mee. Ik stond op een afstand op de wacht te kijken of er politie kwam en ik moest fluiten als ik iemand zag, zodat de zagers hun zagen konden verstoppen. Officieel was het verboden om hout uit bos te halen. Op een dag ging Corrie, een kennis, met haar vriend en een paar sterke jongens het bos in om hout te halen. Ze vroegen of ik mee mocht, maar mijn moeder zei dat ik thuis moest blijven. Het was al tegen het eind van de oorlog. In die tijd vlogen overdag Engelse en Amerikaanse vliegtuigen naar Duitsland om kazernes en ook steden te bombarderen. Als ze terug over Nederland vlogen en nog wat munitie over hadden, dan probeerden ze in ons land op Duitse dingen te schieten. Op de dag dat Corrie en de mannen hout hadden gehaald en met een paar volle karren het bos uit kwamen, vlogen er twee Amerikaanse bommenwerpers over. Vanuit het vliegtuig zagen ze onze houthakkers lopen, maar ze dachten dat het een Duits konvooi was en de piloten schoten de houthakkers gewoon dood vanuit het vliegtuig. Er kwam niemand meer thuis. De moeder van Corrie bleef alleen achter.’

Kende u Joden die weg werden gehaald?
‘Kennissen van ons hadden buren die Joden waren en op een gegeven moment weg werden gehaald. Ze dachten dat ze wel weer terug zouden komen, dus ze hadden hun huis goed opgeruimd en ze hadden nieuw beddengoed, waar ze heel zuinig op waren. Ze zijn ze naar de buurvrouw gegaan en vroegen: ‘Willen jullie het beddengoed voor ons bewaren, zodat als we na de oorlog terugkomen, we in ieder geval dat beddengoed weer hebben?’ Die buurvrouw zei dat ze er goed voor zou zorgen en ze heeft het opgeborgen in de kast. Maar toen kwam de hongerwinter. Je kon aan eten komen, door spullen te ruilen. De buren, die op het beddengoed pasten, hadden ook geen eten. Toen kwam die vrouw bij mijn moeder en vroeg: ‘Wat zou jij doen?’ Toen zei mijn moeder: ’Ik denk toch dat ik dat beddengoed zou ruilen, want je moet toch eten, anders overleef je het niet! Dan kan je na de oorlog misschien wel nieuw beddengoed voor ze kopen.’ Dus ze is het gaan ruilen en toen had ze wat eten. Maar die buren zijn nooit teruggekomen.’

  

 

 

Archieven: Verhalen

‘Er kwamen mannen om met de geweren te oefenen’

Max, Luna en Jhayrill uit groep 8A van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen meneer Ben Bakker. Meneer Bakker is geboren in 1938, dus hij was 2 jaar toen de oorlog begon. Hij had nog twee jongere zussen, die in de oorlog werden geboren. Hij herinnert zich niet veel van de oorlog, maar toch waren er wat momenten die veel indruk op hem maakten.

Waar woonde u in de oorlog?
‘Ik woonde in Amsterdam in de buurt van het Surinameplein. Mijn vader was smid en had een smederij. Hij maakte met metaal voorwerpen zoals sierhekken voor de tuin of kachels. In een smederij wordt metaal op heet vuur in de gewenste vorm gebogen. Mijn moeder was huisvrouw, dat was heel normaal in die tijd, want huishouden kostte veel tijd. We hadden geen stofzuiger, wasmachine of vaatwasser. Het was hard werken.’

Ging u naar school in de oorlog?
‘Toen ik vijf was, ging ik naar de kleuterschool, naar de Sneeuwbes. En na de oorlog ging ik naar de lagere school, daar woonde ik vlakbij. We hadden geen schriften, maar we schreven op een lei, dat is een donkergrijze dunne steen en daar schreven we op met een griffel. Dat was een soort pen van leisteen. We hadden een doosje met een nat sponsje en daarmee konden we de lei schoonvegen. In dat natte sponsje deden we vaak een boon en die kon dan ontkiemen tot een plantje in het sponsje.’

Wat was het schokkends in de oorlog voor u?
‘Ik was een keer aan het spelen in het Vondelpark en we werden tegengehouden. Toen zag ik mensen in de verte neervallen. We hoorden knallen en wat we daar dus hadden gezien, was dat mensen werden gefusilleerd, doodgeschoten. Dat had veel indruk op ons gemaakt. Er staat nu een monument voor die mensen.’

Kenden jullie mensen, die in het verzet zaten?
‘Ja, mijn ouders zaten in het verzet. Mijn moeder was koerierster en maakte thuis potjes eten en bracht dat rond, ze stopte het onder de matras van de kinderwagen, met mijn baby-zusjes erbovenop. Ze bracht het naar mensen, die onderduikers hadden. Mensen die onderduikers hielpen, kregen geen voedselbonnen voor de ‘gasten’, dus daar moest extra eten gebracht worden. Maar dan liep ze wel veel risico.’
‘Mijn vader was niet veel thuis en hij vertelde ook niet wat hij deed. We hadden in ons halletje een luik en daaronder waren geweren opgeborgen. ’s Avonds kwamen er soms mannen om met de geweren te oefenen, te leren bedienen. Verder wisten we niks. Wat wij niet wisten, konden we ook niet doorvertellen. Gelukkig hebben ze het er allebei goed vanaf gebracht en overleefd.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Dat was een groot feest, straten werden versierd en overal werden spelletjes gespeeld, touwtrekken en zaklopen in de straten. Mensen konden weer zeggen en doen wat ze wilden. Op 7 mei na de bevrijding gingen we lopend naar de Dam. Op de hoek van de Dam en de Spuistraat stond het Telegraafgebouw. Dat was het onderkomen van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) en daar zat mijn vader. Maar er zaten nog Duitsers in het gebouw aan de overkant en zij gingen schieten op de mensen op de Dam die feest vierden. Mijn moeder sleepte ons mee naar de hoek van de Nieuwendijk. Toen hebben we even gewacht en zijn snel naar huis gegaan. Dat heeft heel veel indruk gemaakt.

Archieven: Verhalen

‘We zagen onze Joodse collega’s wegvoeren in vrachtauto’s’

Lex, Jameson en David van Het Wespennest in Amsterdam-Noord gaan met de auto naar de flat van Anneke Koehof. Ze vertelt het verhaal van de jongere zus van haar vader: tante Roos. Zij was 20 jaar toen de oorlog uitbrak en werkte in Amsterdam-Noord bij de Hollandia-Kattenburg fabriek. Het was een Joods bedrijf, waar Joodse werknemers zich thuis voelden. In de oorlog werden onder dwang van de bezetter uniformen gemaakt voor het Duitse leger en daarom waren de Joodse medewerkers en hun gezinnen voorlopig ‘gesperrt’ (vrijgesteld van deportatie).

Wat gebeurde er in 1942?
Ze maakten in de fabriek regenjassen, die noemden ze Big Ben en later Falcon. Omdat ze ook voor het Duitse leger uniformen maakten, voelden zij zich redelijk veilig en hoopten op een snelle afloop van de oorlog. Maar oorlogsmisdadigers zoals Himmler, Rauter en Lages wilden aan die regeling een eind maken en uiteindelijk vielen de troepen Hollandia Kattenburg binnen. Alle in- en uitgangen werden hermetisch afgesloten. Op die dag, woensdag 11 november 1942, vielen ze ineens binnen. Ik werkte op de gummi afdeling, daar kwamen ze het eerst. De directeur, een vervanger van de eigenlijke directeur, een ‘Verwalter’, wilde iets zeggen tegen het personeel, maar hij moest zwijgen. We werden als schapen en bokken van elkaar gescheiden, de Joden moesten aan de ene kant gaan staan en wij aan de andere. Ik weet zeker dat dat verraderswerk moet zijn geweest en ik weet ook door wie ze zijn verraden. Ze hadden lijsten met namen bij zich en de Joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk. We hebben uren zo gestaan. We zagen onze Joodse collega’s wegvoeren in vrachtauto’s: Toen we eindelijk weg mochten ben ik zo snel ik kon naar de Transvaalbuurt gegaan om de gezinnen van de personeelsleden te waarschuwen. Ik moest mijn papieren laten zien en werd hardhandig weggestuurd; zelfs van de trap af gegooid! Volledig overstuur kwam ik die avond op de Kastanjeweg aan. Het was na die tijd heel moeilijk om weer aan het werk te gaan, maar we moesten door. Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de Joodse werknemers niet waren opgehaald, het was een ‘promotie met een rouwrand’.’

Hoe ging het verder met tante Roos?
‘Tante Roos kreeg een vriendje, Meijer Papegaai. De liefde kreeg geen kans om verder op te bloeien, want al op de eerste dag dat het dragen van de ster verplicht werd gesteld, 1 mei 1942, werd hij al opgepakt. Zijn broer werkte als kelner in de Hollandsche stadsschouwburg, maar vergat het verplichte witte kelner jasje. Meijer holde achter hem aan zonder zijn overjas, waarop de gele ster nog maar net was aangebracht, aan te doen. Hij werd meteen gearresteerd en via de gevangenis in Amstelveen naar Amersfoort vervoerd. De rest laat zich raden.’

Kunt u iets vertellen over wat u zelf heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Ik ben in de oorlog geboren, in 1943.Ten gevolge van de bevalling is mijn moeder overleden. Ik had geen moeder meer. Het was in de oorlog lastig om een baby in huis te nemen, dus ik ging van de een naar de ander. Toen ben ik uiteindelijk bij de melkboer terechtgekomen. Hij zei:  ‘Geef dat kind maar ons, dan komt het wel goed.’  Ik kwam zeker goed terecht, want daar was melk zat. Ik kan mij niet veel meer herinneren, wel dat ik buiten speelde; ik was toen twee of drie jaar.
Omdat ons huis in de Baviaanstraat maar twee slaapkamers had en ik te groot werd om met twee broers op een kamer te slapen, had mijn tweede moeder een zolderkamertje voor me gehuurd bij mevrouw de Hooijer, de buurvrouw van tweehoog. Ik lag in mijn opklapbed en voelde over mijn hele lichaam kippenvel, want plotseling zag ik boven mijn hoofd een groot donker gat. Toen mijn ogen gewend waren aan de donkere ruimte, keek ik tegen de binnenkant van het pannendak aan. Ik hoorde geritsel en zag oude vogelnesten en ik wist zeker dat er muizen zouden zitten. Mevrouw de Hooijer was Duitse. In de oorlog deden de mensen weleens naar tegen haar. Op een dag werd door een windvlaag het verborgen luik als het ware omhooggetild. Er hadden daar in de oorlog drie mannen verborgen gezeten. Ze kregen hun eten en drinken door het luik van die buurvrouw. Bij een razzia  konden ze over het dak wegvluchten. Mevrouwde de Hooijer deugde weldegelijk!
Een herinnering was dat er een gevecht was tussen vliegtuigen; voor mijn gevoel vlogen die door de straat. Dat was natuurlijk niet zo. Maar wel heel laag. Dat waren Engelsen en die kwamen in gevecht met Duitsers, die stonden op Zeeburg de vliegtuigen uit de lucht te schieten. De Engelsen vlogen laag om de Duitsers te ontwijken. Ik was nog heel jong, maar ik ben er waarschijnlijk zo van geschrokken dat ik mij dat nog kan herinneren. Ik ben snel naar binnen gerend en moest huilen.’

Archieven: Verhalen

Ik ga nog graag en vaak terug naar Egypte’

Magda, Ilyada en Carlos nemen plaats aan de tafel in hun school de Poolster, waar Abier Mahmoud al is geïnstalleerd. Ze draagt mooie,  kleurrijke kledij en prachtige, Egyptische voorwerpen liggen voor haar op tafel. Zoals altijd is het begin best spannend, maar even later zijn ze  geanimeerd in gesprek met mevrouw Mahmoud.

Wat miste u het meeste toen u Egypte verliet?
‘Mijn familie! De geur van mijn land, de kleur van mijn land… Het was niet makkelijk om weg te gaan en dat achter te laten. Ik ben geboren in Alexandrië, dat is een grote, oude stad, heerlijk aan zee. Mijn vader was erg streng. Ik mocht niet altijd naar buiten, maar dat deed ik wel graag. Vooral om lekker met vriendinnen buiten te lopen in de warme avondlucht. In 1990 ging ik van Egypte naar Nederland, om daar te settelen met mijn toenmalige man. Ik heb er ongeveer drie jaar over gedaan om Nederlands te leren spreken en ik woon in Amsterdam-Noord. Ik zie Amsterdam inmiddels ook als mijn thuis, mijn tweede thuis. Ik ga nog graag en vaak terug naar Egypte.’

Wat zijn de verschillen tussen Egypte en Nederland?
‘Ten eerste het weer natuurlijk. De winter begint in november. In Egypte is het maar twee maanden echt koud: in december en januari.  Februari valt alweer mee en vanaf maart wordt het lekker. In het Zuiden is het trouwens altijd warm. Een ander verschil is het onderwijs. Onderwijs in Egypte is zwaar. Op school heb je wel zes vakken per dag. Bijna iedereen is hoog geschoold, we kennen er nauwelijks analfabetisme.
De traditionele kledij is prachtig. We dragen lange gewaden met mooie gekleurde stiksels en bijzondere sieraden. Het eten is overheerlijk, veel beter dan in Nederland, als je het mij vraagt. Doulma is een gerecht dat we veel eten en komt eigenlijk uit Turkije. We eten moussaka, pasta met gehakt en kaas, mixed grill. Vis, garnalen… en Kushari! Dat is een gerecht van rijst met bruine linzen, gebakken uien en rode saus, heel lekker.’

Kunt u wat meer over uw familie vertellen?
‘Ik heb twee broers. De ene is ouder en de ander jonger dan ik. Zij wonen allebei in Egypte. Ik ben het enige meisje in de familie. Net als nu in mijn eigen gezin, ben ik ook de enige vrouw, als moeder van drie jongens.  Aan de ene kant kan ik het missen, een meisje erbij, maar aan de andere kant heeft het ook iets moois om de enige vrouw te zijn. Mijn kinderen kunnen alle drie vloeiend Egyptisch spreken. Zelf heb ik een stichting, Stichting Cleopatra. Deze Stichting is een maatschappelijke organisatie en die zet zich in in Amsterdam-Noord, tegen armoede en voor verbinding. We koken traditionele maaltijden en organiseren andere evenementen in de Banne. Kom gerust eens langs!’

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ze dachten dat ik de taal niet sprak omdat ik een hoofddoek draag’

Lucas, Dien en Ahmet van basisschool Rapenland komen binnen in de woonkamer van Fadime Atasman (56). Ze heet ze welkom met een brede glimlach en spoort ze aan wat lekkers te nemen van de tafel. Het eerste wat ze vraagt is waar de jongens vandaan komen, maar ze plakt er gelijk achteraan dat het eigenlijk niet uitmaakt en dat alle mensen mensen zijn en dat we allemaal lief samen moeten leven. Mevrouw Atasman kwam op haar dertigste vanuit Turkije naar Nederland.

Hoe was het om naar Nederland te komen?
‘In het begin was Nederlands leren wel moeilijk. Toen ik hier aankwam, ben ik gelijk begonnen met drie dagen in de week werken bij een plantenbedrijf. Het was seizoenswerk en er werkten veel studenten. Die waren echt moeilijk te verstaan. Daarna ben ik naar school gegaan om Nederlands te leren. 1,5 jaar lang heb ik dat gedaan. In die tijd was dat nog niet verplicht, ik wilde zelf heel graag gaan. Ik ben erg sociaal dus ik wilde graag contactmaken. Ik miste mijn familie wel, hier was ik helemaal alleen met mijn man en drie kinderen. Ik vond het wel fijn om mensen te helpen, dus als er iemand naar het ziekenhuis moest en geen auto had, dan reed ik daarheen. Zo deed ik ook veel sociale contacten op. Ik heb hier nooit ruzie of problemen gehad. Ik woon hier en ik ga niet terug!’

Hoe was het voor uw kinderen om naar Nederland te komen?
Toen ik naar Nederland kwam, bleven mijn kinderen eerst nog bij mijn moeder. Tien maanden heeft zij voor hen gezorgd. Toen ze naar Nederland kwamen, gingen ze ook hier naar school. Ze hadden de kans om te studeren en dat hebben ze dan ook allemaal gedaan. Mijn oudste dochter is advocaat, mijn jongste dochter heeft haar eigen stichting en mijn zoon heeft ook een hele goede baan. Je bent hier vrij om zelf te kiezen wat je wilt studeren, dat is in Turkije een stuk minder zo. Mijn kinderen helpen mij ook veel. Vroeger als ik een woord tegenkwam dat ik niet kende, vroeg ik het meteen aan hen en dan onthield ik dat, nu is mijn geheugen een stuk slechter. Ik ben ook niet zo goed in Nederlands schrijven, dus daar hielpen ze me ook mee.’

Wat vindt u van Nederland nu?
‘Ik vind het nu heel fijn hier, ik ben hier goed en snel gewend, dat was voor mij makkelijk. Ik vond de mensen in het begin wel eens onvriendelijk. Toen ik een keer in het Catharinaziekenhuis lag voor een operatie, had ik heel veel pijn. Ik bleef daar vijf dagen en lag op een kamer met drie mensen. Twee vrouwen praatten over mij, ze dachten dat ik de taal niet sprak omdat ik een hoofddoek draag. Ik heb daar toen wat van gezegd. Het is toch niet leuk dat als jij ziek was in een ander land, naar het ziekenhuis zou gaan, en er dan twee mensen over je zouden praten? Ze schaamden zich toen heel erg.’

Archieven: Verhalen

‘Alle Marokkaanse vrouwen gingen later ook werken, het was crisis denk ik’

Aron, Ines, Sant en Beyza van basischool Rapenland komen binnen in het appartement van de 73-jarige Malika Hamdouni. Ze heeft prominent boven de bank een oude foto van haar man hangen van toen hij nog jonger was. Deze is pas recent gevonden bij haar familie in Marokko. Ze lacht en vertelt trots dat hij een erg knappe man was. Mevrouw Hamdouni kwam op haar 22ste vanuit Marokko naar Nederland.

Hoe was het om vanuit Marokko naar Nederland te komen?
‘In het begin was het erg lastig. Mijn man was al een jaar in Nederland aan het werk, en in die tijd woonde ik bij mijn schoonfamilie in Marokko. Ik kwam hem achterna toen mijn oudste dochter drie maanden oud was. Het was erg eenzaam en ik wilde graag terug, maar dat kon niet. Hier kon ik werken en in Marokko niet. In eerste instantie werkten de andere Marokkaanse vrouwen die ik hier kende niet, ik was de enige die een baan had. Zij bleven thuis en zorgden voor de kinderen. Later gingen zij ook allemaal werken. Het was crisis denk ik! Het was wel lastig om en te werken én voor mijn kinderen te zorgen. Gelukkig hielp mijn oudste dochter mij heel erg, zij was toen 12 jaar. Ze deed alles, poetsen, koken, alles, dat was heel fijn in die tijd.’

Heeft u hier nieuwe mensen leren kennen?
‘Ja, ik heb hier vriendinnen gemaakt maar dat was wel lastig. In het begin moest ik wel eens huilen omdat ik terug wilde naar Marokko. Ik had wel een goed contact met de buurvrouw, zij zorgde ook voor de baby als ik overdag moest werken. We werkten veel in ploegendiensten. Het gebeurde vaak dat ik en mijn man niet thuis waren omdat we dag- en avondshifts hadden. Het was dus ook lastig om vriendinnen te maken. Nu vind ik het hier heel fijn, mijn kinderen en kleinkinderen zijn allemaal hier geboren en dat is heel gezellig. Ik zou ook niet meer terug willen, nu niet meer. Iedereen is hier.’

Was het moeilijk om Nederlands te leren?
Ja, het was heel moeilijk om Nederlands te leren, op mijn werk was het lastig om met anderen te praten. Ik heb het geleerd door met andere mensen te praten, maar ik ben niet naar school geweest, dat kon niet door mijn werk. Vroeger was school erg makkelijk voor mij, ik had graag verder geleerd maar dat kon helaas niet. Zeker in het begin was het heel lastig om te communiceren in het Nederlands, later was het makkelijker. Toen mijn kinderen wat ouder waren en ook naar school gingen, heb ik zelfs van hen geleerd, maar zij hebben ook veel van mij geleerd!’

Hoe is het om nu in Nederland te wonen?
‘Het is hier fijn, maar het is ook fijn in Marokko. We gaan nog regelmatig daarheen voor familiebezoek. Ik moest wel erg aan het weer hier wennen. Zeker als ik na een nachtdienst op de fiets alleen naar huis ging, vond ik het eng. Ik heb ook veel nieuwe gerechten leren kennen. Ik maak vaak stamppot en vooral koude schotel vind ik heerlijk! Ik zag het bij anderen en ben het toen zelf gaan maken. Al mijn kinderen waren er dol op, het was hun favoriete eten. Toen ik in het ziekenhuis lag na mijn bevalling kreeg ik daar eten en was alles apart, de groenten, het vlees… Dat zag ik en heb ik toen overgenomen. Ik vind het fijn om dat op die manier te doen.’

Archieven: Verhalen

‘Eigenlijk wil niemand weggaan uit zijn eigen land’

Marciano, Mert en Iesa van de Eindhovense basisschool Rapenland mogen in de auto mee naar Yusuf Basci. Hij is op 21-jarige leeftijd vertrokken uit Turkije en naar Nederland gekomen. Nadat Mert beleefd heeft gevraagd of de kinderen hun schoenen uit moeten doen, biedt Yusuf Basci de hele groep huisslippers aan. Ook heeft hij eau de cologne klaarstaan en een lekkernij. Als ze alles hebben gepakt, gaan de kinderen op de bank zitten. Ze zijn klaar voor het interview!

Als u nu nog een sport zou kunnen doen, welke sport zou u dan doen?
‘Voetbal! Ik had ontzettend veel vrienden in mijn omgeving toen ik nog in Turkije woonde. We voetbalden soms wel met twintig, dertig of veertig tegelijkertijd. We hadden geen plastic bal en we hadden geen schoenen. Een leren bal hadden we absoluut niet, dat was een droom van ons. Toen ik ongeveer 14 jaar was, besloot ik met mijn vrienden een voetbalclub op te richten. We hebben met de hele buurt geld verzameld en hebben misschien, als je het omrekent, 3000 euro bijeen gekregen. Als eerst gingen we t-shirts maken. We hebben veel discussie gehad over welke kleur het moest worden, maar uiteindelijk werd het rood en groen. Daarna was het geld al op, we hadden geen geld voor voetbalschoenen. Dus we hebben gevoetbald op normale schoenen. Het was vreselijk leuk!’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik vond het heel moeilijk om weg te gaan uit Ankara. Toen ik hier kwam heb ik alles achtergelaten. Je mist je vrienden en je levensmanier. Je moet alles aanpassen. Ik heb door heimwee heel veel gehuild.

Niemand wil eigenlijk weggaan uit zijn land, maar door sommige omstandigheden moet je misschien toch weg. Door oorlog, politiek of werkloosheid. Ik ben door politiek naar Nederland gekomen. Het was erg moeilijk in die tijd in Turkije. Wij waren linkse mensen en dat was in Turkije te gevaarlijk voor de overheid. Linkse mensen willen vrijheid, gelijke rechten voor iedereen en een beter leven voor iedereen. Ze staan bij de arbeiders, de boeren en de zwakken. Als student en jong mens was ik een idealist en ik was lid van een linkse studentenvereniging. Links zijn was heel gevaarlijk. Ik kon worden opgepakt en in de gevangenis worden gezet, bijvoorbeeld als ik zou protesteren of als ik iets zou schrijven op de muur.

Ik ben van mijn 16e tot 21e lid geweest en heb ook deelgenomen aan protestacties. Ik ben één keer gepakt, maar gelukkig waren er grotere incidenten op dat moment, daarom hebben ze ons vrijgelaten. Ik heb veel geluk gehad, maar daardoor ben ik wel naar Nederland gekomen. Ik ben getrouwd met een vrouw in Turkije en zij was al naar Nederland gegaan. Ik ben achter haar aan gegaan en eigenlijk door haar in Nederland gekomen. Ik ben als gastarbeider naar Nederland gekomen.’

Wat voor werk heeft u gedaan in Nederland?
‘Toen ik in 1980 naar Nederland kwam, was er crisis. Het was niet makkelijk om werk te vinden. Daarom heb ik bijna overal gewerkt. Eerst plukte ik aardbeien en daarna komkommers en bonen. Het was allemaal zwart werk. Ik kreeg iedere dag gewoon het geld in mijn hand. We moesten heel hard werken, want ik kreeg per kilo betaald. We begonnen heel vroeg in de ochtend, om 5 uur ging ik al het huis uit en fietste ik naar Mierlo. Dat was heel koud en nat.

Ik heb ook in de zomer in hotels gewerkt, in de keuken, afwassen, ijsmaken. En ik heb in de stad gewerkt, als serveerder. Ik ging overal proberen geld te verdienen. Destijds had ik nog geen huis. Ik heb bij mijn schoonouders gewoond, en sliep in een heel klein kamertje, in een twijfelaar, met mijn vrouw.

Ik heb ook in Tilburg gewerkt in een leerfabriek. Dat was ook vreselijk! Ik moest de vellen leer laten drogen. Dan moest je de vellen leer heel strak spannen op een apparaat. Daar gingen onze handen van, want als wij de vellen aantrokken en ze scheurden, dan schuurde je met je handen over het ruwe apparaat. Na vijf jaar heb ik een vaste baan gevonden in Aalst, in een fabriek. Daar heb ik dertig jaar gewerkt, toen werd ik ontslagen.

Vanaf het begin ben ik sociaal actief geweest. Ik ben politiek geëngageerd. Ik gaf zes jaar lang als vrijwilliger taalles aan Turkse kinderen. Toen ik werkloos werd, heb ik ook nog twee jaar les gegeven in een buurthuis.’

Archieven: Verhalen

‘Toen ik mijn diploma haalde riepen mijn ouders op straat: ‘John qualified! Yeah!’

De 78-jarige John Hunt komt naar basisschool Rapenland, waar Nidhi, Julia, Elma, Mihika en Mila hem gaan interviewen. Als hij arriveert, komen de kinderen nieuwsgierig dichterbij. Meneer Hunt is op 27-jarige leeftijd vanuit Londen naar Nederland gekomen, maar spreekt geen Nederlands. Gelukkig spreken de kinderen wel Engels. Zij hebben zelfs al hun vragen uit hun hoofd geleerd. Hoeveel landen hebt u bezocht?, vragen ze bijvoorbeeld. Ik heb ze niet geteld, zegt meneer Hunt, maar heel Europa, Canada en Litouwen.

Why did you come to the Netherlands?
Er was heel veel geld te verdienen in Nederland als elektricien, die hadden ze hard nodig. In een week kon ik 1500 gulden verdienen en in Engeland kon ik maar 500 krijgen. Nu is dat niet meer zo, maar toen was Nederland nog aan het heropbouwen na de oorlog. Je werkt voor geld, dus als je drie keer zo veel kan verdienen in Nederland, dan kom je wel. Als elektricien kan ik sowieso overal werken. Ik heb alleen de tekening nodig en het materiaal en dan kan ik het maken.

Mijn vader had tegen me gezegd: je moet een vak hebben, een timmerman, of een loodgieter, of een lasser. Ik vroeg hem wie het meeste verdiende en hij antwoordde: elektriciens, maar ik denk niet dat je daar slim genoeg voor bent. Hij meende dat niet. Hij probeerde er juist voor te zorgen dat ik elektricien zou worden, want ik moest hem natuurlijk het tegendeel gaan bewijzen. Het werkte! Toen ik eindelijk mijn diploma haalde, waren mijn ouders zo trots. Ze renden op en neer door de straat: ‘John qualified! Yeah! Yeah!

You said that you find it very much fun to discover cultures and mostly the music. Why is that?
‘Toen ik nog jong was zei mijn vader tegen mij: je hebt eten nodig en water, en je moet slapen, maar je hebt ook muziek nodig. Dus ook toen ik nog jong was, mocht ik al muziek kopen. Ik ben dol op muziek!

Ik reis graag om nieuwe ervaringen te krijgen en meer te leren, ik wil zien hoe mensen leven in andere landen. Ik ben dol op Spanje, daar heb ik een jaar gewoond en ook in Portugal. Op vakantie gaan voor een paar weken vind ik niet genoeg, dat betekent niets voor mij. Ik wil er wonen want dan weet ik pas echt hoe een land is.

Ik heb in Engeland gewoond tot ik ongeveer 27 was, toen ben ik naar Frankrijk gegaan. Op vakantie. Dat heeft me doen realiseren dat Engeland niet het enige land in de wereld is Nederland is wel mijn favoriete land. Ieder land heeft voordelen en nadelen, maar voor mij is Nederland het beste land waar ik heb gewoond. Het is eerlijk, het is vrij, mensen hebben geen honger. Er wordt hier voor je gezorgd. Er zijn ook dingen die ik niet leuk vind. De taal vind ik bijvoorbeeld niks.’

Why didn’t you learn Dutch?
‘Iedereen spreekt Engels! Toen ik nog werkte spraken alle elektriciens Engels, want zij waren ook onderwezen in het Engels. Ik vind het ook moeilijk om de geluiden te maken. Ik heb wel Spaans geleerd, maar nog een taal leren was te veel voor mij.’

What kind of work did you do in London?
Ik maakte daar ‘Play Busses’. In Londen kunnen kinderen niet altijd buiten spelen. Daarom worden er bussen gemaakt waarin de kinderen kunnen spelen en eten. Ik vond het leuk om die te maken. Ik kon er erg creatief mee zijn. Instructies had ik niet, ik kon maken wat ik wilde.’

Waar zijn uw kinderen geboren?
‘Mijn oudste kind is geboren in Nederland en de jongste in Londen. Toen mijn eerste dochter ongeveer twee jaar was, zijn we naar Londen verhuisd. Daar hebben we negen jaar gewoond en toen hebben we mijn tweede dochter gekregen. Toen mijn oudste dochter twaalf was zijn we teruggegaan naar Nederland. Mijn dochters spraken toen geen Nederlands, alleen Engels. Mijn jongste heeft 3 of 4 maanden bijna niet gesproken, en toen ineens kon ze goed Nederlands spreken. Ik denk dat hoe jonger je bent, hoe makkelijker het is om een nieuwe taal te leren.

De ene is leraar geworden en de jongste is een tattoo-artiest. Wij spreken Engels met elkaar. Het liefst blijf ik in Nederland want mijn kinderen wonen hier. Als mijn kinderen naar Engeland zouden verhuizen, zou ik mee gaan.’

Which foods to you like the best?
‘Engels eten! Van de landen waar ik naartoe ben geweest vond ik dat Italië het lekkerste eten had. In Frankrijk krijg je een groot bord, maar met maar een heel klein beetje eten. In Italië krijg je stapels en het is erg lekker. In Frankrijk was de lekkerste wijn. Nederlands eten vind ik niet zo lekker.

Toch eet ik vooral Engels eten. Ik ben net na de oorlog geboren, toen er bijna geen eten was. Toch bepalen je jonge jaren wat je de rest van je leven gaat doen. Het vormt je karakter en je gewoonten. Daarom ben ik gewend aan het eten wat ik in die tijd at.

Mijn ex-vrouw is Nederlands en vindt Nederlands eten wel erg lekker. Dat vond ik maar niets. Soms was het moeilijk om te koken voor ons gezin. Want mijn ene dochter was vegetarisch, de andere had een probleem met gluten, en mijn ex-vrouw vond Nederlands eten lekker en ik alleen Engels. Soms aten we wel vier verschillende gerechten.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892