Archieven: Verhalen

Met de auto rijden we richting Amsterdam, waar Anil, Hacer en Majd van CBS Kleurenpracht in Zaandam worden opgewacht door Marian Schaap. Een gezellig huis met familiefoto’s aan de muur en zelfgebakken brownies op tafel. Mevrouw Schaap is in 1944 geboren en heeft dus geen bewuste herinneringen aan de oorlog. Haar belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog is ontstaan, doordat ze een Joodse pleegzus heeft. Zij kwam als baby van tien maanden bij haar ouders in huis.

Kunt u wat vertellen over de ouders van uw pleegzus?
‘De vader en moeder van mijn pleegzusje woonden in Amsterdam, in een buurt met veel Joodse mensen. Haar vader had een eigen bedrijf en haar moeder was naaister. Toen de oorlog een paar jaar bezig was, mochten Joden steeds minder. Ze mochten niet meer overal komen, alleen nog naar bepaalde winkels en straten. De regels van de Duitsers werden steeds strenger. Haar vader dacht dat hij misschien meer bescherming zou krijgen als hij ging werken voor de Joodse Raad. Dat was een groep Joodse mensen die van de Duitsers moesten doorgeven wat andere Joden niet meer mochten: waar ze wel of niet mochten wonen, wat ze nog mochten doen. Hij hoopte dat hij zo zichzelf en zijn vrouw kon beschermen. Maar dat werkte niet. Ook de mensen die voor de Joodse Raad werkten, moesten zich later melden bij de Joodse Schouwburg. Toen de vrachtwagen van de Duitsers voor de deur stond, bracht de moeder van mijn pleegzus haar snel naar de bovenbuurvrouw, met een koffertje met kleertjes. De Duitsers wisten niet dat er een baby was.’

Hoe kwam uw zus bij jullie gezin terecht?
‘Via die bovenbuurvrouw, die contact had met het verzet, kwam mijn pleegzus uiteindelijk bij mijn ouders in Zaandam terecht. In Zaandam was een sterke verzetsgroep onder leiding van Willem Brinkman, die een boekwinkel had en veel contacten. Mijn ouders hadden bij de kerk aangegeven dat ze wilden helpen. Na tijdje kregen ze bericht dat er een baby ondergebracht moest worden. Mijn ouders hebben een foto van mijn zus laten maken toen ze nog maar net bij ons woonde, omdat ze dachten: ‘stel je voor, haar ouders komen over een paar jaar terug, dan herkennen ze hun eigen kind vast niet meer.’ Mijn zus had pikzwart haar. Gelukkig had mijn vader ook zwart haar, want mijn moeder, mijn broer en ik waren blond. Maar zo leken we één familie.’

Wat is er met haar ouders gebeurd, nadat ze waren opgepakt?
‘Haar vader en moeder zijn eerst naar kamp Westerbork gebracht, met een overvolle trein. Daar zaten ze een paar weken. Daarna werden ze in veewagons vervoerd, zonder stoelen of wc’s, alleen een ton in het midden. Iedereen zat dicht op elkaar. Vreselijk.
Haar moeder gooide vanuit de trein nog een briefje naar buiten. Het werd door het verzet gevonden en kwam uiteindelijk bij ons terecht. Ze schreef dat ze dankbaar was dat ze het liefste wat ze had; haar dochter, mijn pleegzus, niet bij zich had, omdat ze veilig was. Dat briefje betekende later veel voor mijn zus. Haar ouders werden naar Sobibor gebracht, een vernietigingskamp in Polen. Daar moesten ze alles afgeven, zich uitkleden en werden ze met velen tegelijk naar binnen gestuurd. Zogenaamd om te douchen, maar ze werden vergast en gedood.’

Hoe kwam uw zus achter het echte verhaal?
‘Mijn ouders wilden aan mijn pleegzus het echte verhaal vertellen zodra ze groot genoeg was. Alleen wat is oud genoeg? Ze moesten alles op gevoel doen, want ze kregen geen begeleiding van een psycholoog, of iets dergelijks. Toen ze een keer op straat speelde was er een kinderruzie en zei een meisje tegen haar: ‘Jij woont toch niet bij je eigen vader en moeder.’  Ze vroeg thuis aan mijn moeder  hoe het zat. Ze was nog maar 6 jaar oud, maar ze kan het zich nog glashelder voor de geest halen. Het was een verschrikkelijk moment voor haar.
Ikzelf ontdekte het toen ik een jaar of 12 was en er een formulier op tafel lag, waarop haar echte naam stond. Ik heb stukje bij beetje het verhaal van mijn moeder gehoord, daar moest ik echt moeite voor doen, want mijn moeder vond het lastig om erover te praten. Ik heb veel aan mijn zus verteld, zij vond het moeilijk om hierover te praten met mijn moeder.’

Is er wel eens een huiszoeking bij jullie geweest?
‘De Duitsers zijn nooit ons huis binnengevallen, mijn ouders hadden een engeltje op hun schouders. Er woonde een NSB’er bij ons in de straat. Na de oorlog zei hij tegen mijn vader: ‘ik wist heus wel dat jullie een Joods kind als onderduiker in huis hadden’. Maar toch heeft deze buurman zijn mond gehouden. Daarom zeg ik altijd: je moet mensen niet gelijk veroordelen, iemand kan toch een goed hart hebben.’

Heeft nog iemand van de familie van uw zus de oorlog overleefd?
‘Ja, één oom van mijn pleegzus heeft de oorlog overleefd. Hij wilde dat zij na de oorlog bij een Joodse familie zou gaan wonen, maar mijn ouders wilden haar niet wegdoen. Na de oorlog werd er nog een broertje geboren, en we waren een hecht gezin. In 1948 kwam er een rechtszaak over wie voor mijn zus mocht zorgen. Een foto waarop mijn broertje de hand van mijn zus vasthield, was belangrijk. We werden ook bekeken terwijl we samen speelden. Daaruit bleek dat we goed met elkaar omgingen en dat we echt een gezin waren. De rechter besloot toen dat het voor mijn zus het beste was om bij ons te blijven.’

Hoe is het om nu dit verhaal te vertellen?
‘Ik vind het zo belangrijk dat mensen elkaar niet beoordelen op hun geloof of huidskleur, maar dat mensen elkaar beoordelen op hun gedrag. Dat je naar elkaar omkijkt, rekening houdt met elkaar en dat je elkaar niet onnodig pijn doet. De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog werkt nog steeds door, want mijn zus heeft geestelijke littekens.’

Archieven: Verhalen

‘Ook het schip van mijn vader werd getorpedeerd’

Na een fietstocht van een kwartiertje door het centrum van Zaandam, komen Merve, Selyatin en Heda bij het huis van Martha Fosch aan. Ze woont op de 4e etage met een prachtig uitzicht over Zaandam. Haar gezellige huis hangt vol met foto’s aan de wand en er staan veel boeken. Mevrouw Fosch is in Suriname geboren tijdens de oorlog en was nog een baby toen haar vader overleed.  Haar moeder is hertrouwd en haar stiefvader wordt 103 jaar!

Kunt u iets over uw vader vertellen?
‘Mijn vader en moeder waren buurkinderen. Mijn vader was het enige kind van zijn moeder. Zij had een eigen bedrijf en was een sterke vrouw die haar eigen weg ging, ondanks de regels toen. Ze trouwde niet, maar wilde wel een kind, waardoor mijn vader later ook wel gepest werd.  Mijn vader kreeg een goede opleiding en wilde graag naar Nederland, het land waar hij ook veel boeken over las. Zijn moeder was beschermend omdat hij haar enige kind was, maar hij is toch gegaan. Hij ging varen en werkte in het buitenland. Toen brak de oorlog uit.’

Waarom was Suriname belangrijk voor de Duitsers?
‘Suriname was belangrijk voor de Duitsers omdat er veel bauxiet in Suriname was. Dat is een grondstof waarmee aluminium wordt gemaakt en werd gebruikt om vliegtuigen te bouwen. Vooral de Amerikanen gebruikten die vliegtuigen om in Europa te vechten. Dankzij die vliegtuigen konden ze Duitsland bombarderen en zo hielpen ze de oorlog te winnen. De Duitsers wilden dat tegenhouden. Daarom stuurden ze duikboten vlakbij Suriname. Ze lagen daar te wachten tot de schepen met bauxiet vertrokken, en vielen die dan aan met torpedo’s.’

Wat voor werk deed uw vader?
Tijdens de oorlog moesten veel mannen vechten voor Nederland. Mijn vader werkte als matroos op een vrachtschip van de KNSM, de Koninklijke Nederlandse Scheepvaart Maatschappij. Hij hielp bauxiet van Suriname naar Engeland te vervoeren, want naar Nederland kon dat niet meer. In het begin moesten de matrozen zelf proberen het schip te beschermen, ook al hadden ze daar geen opleiding voor. Het werd steeds gevaarlijker, omdat de schepen vaak werden aangevallen. Later kregen ze hulp van marineschepen uit Europa en Amerika.’

Hoe is uw vader overleden?
‘De Duitsers lagen met duikboten voor de kust van Suriname. Als er schepen met spullen vertrokken, vielen ze aan en lieten ze ze zinken. Ook het schip van mijn vader werd getorpedeerd. Hij is daarbij omgekomen, hij was pas 23 jaar. Ze hebben zijn lichaam nooit gevonden, dus er is geen graf. Bijna niemand overleefde de aanslag. Er was toen nog geen marine om de schepen te beschermen. Later ontdekten de mariniers een geheime code van de Duitsers, de Enigma-code. Zo konden ze precies weten waar de duikboten waren.’

Hadden ze in Suriname ook honger tijdens de oorlog?
‘Ja, ook in Suriname was er honger tijdens de oorlog. Omdat bijna alles uit Nederland moest komen, was er veel tekort aan eten en medicijnen. Rijke mensen konden nog wat kopen of ruilen, maar arme mensen hadden niets. Ze moesten creatief zijn en gebruiken wat het land zelf had, zoals peulvruchten. Vooral baby’s hadden het zwaar, want er was bijna geen melk. Daarom kookten mensen bijvoorbeeld bruine bonen heel lang en zeefden die. De vloeistof gaven ze aan baby’s als vervanging voor melk.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik kwam naar Nederland toen ik 23 was. In Suriname was ik al getrouwd, maar vrouwen hadden daar toen bijna geen rechten. Scheiden mocht bijvoorbeeld niet. Pas in 1981 kwam er een wet waardoor vrouwen zelfstandiger werden. Vrouwen mochten geen bankrekening hebben en het was moeilijk om te werken als je getrouwd was of een baby kreeg. In Nederland zijn mijn man en ik gescheiden, maar ik heb nog steeds goed contact met hem. Ik ben blij dat ik hier ben gekomen, want in Suriname had ik dat niet durven doen.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Je moest slim wezen èn een beetje brutaal’


Na een korte fietstocht van de Klipperstraat naar Oostzaan, ontvangen Leo van Zadel (92 jaar) en zijn vrouw de leerlingen hartelijk in de mooie voortuin van hun woning. Esila, Furkan, Nisa en Tarik, leerlingen uit groep 7 van CBS Kleurenpracht, hebben maar liefst 30 vragen bedacht die ze aan meneer van Zadel over de oorlog willen stellen.

Hoe begon de oorlog?
Mijn vader was modern. Wij hadden een radio. We hoorden vanuit Engeland dat de oorlog was begonnen. Mijn vader heeft toen de radio in de vensterbank gezet, zodat anderen in de straat het ook konden horen.’

Wat was het ergste wat u heeft meegemaakt?
‘Het ergste wat ik heb meegemaakt was de honger. Maar ik vergeet ook niet de keer dat mijn moeder riep: ‘je weet niet waar je vader is!’ Ze wilden hem oppakken, maar hij had zich in de tuin verstopt. Hij had namelijk al een oproep van de Deutsche Sicherheitsdienst ontvangen, om zich te melden voor werk in Duitsland. Mijn vader heeft zich toen verwond en heeft suiker in de wond gedaan, zodat het ging zweren. Daardoor werd hij afgekeurd, maar hij moest zich na14 dagen weer te melden.’

Waarom moest u naar het weeshuis?
Op een gegeven moment moesten we naar een weeshuis, het Burgerweeshuis. Mijn vader kon door zijn werk bij de PTT niet meer voor ons zorgen en mijn moeder lag in het ziekenhuis. ‘Mijn vader was een recalcitrante man tegenover de Duitsers. Hij was niet officieel ondergedoken. Mijn vader bracht pakjes rond, ook na 20.00 uur omdat hij een ‘Ausweis’ had. Er gold toen namelijk een avondklok, opdat iedereen tussen 20.00 en 06.00 uur binnen was. Daarna werden naar een Luthers weeshuis gebracht en uiteindelijk belandden we in Friesland. Je moest slim wezen en een beetje brutaal. Als jongen van 12 paste je je aan, door de omstandigheden. Het was heel leuk, ook wel eens iets anders. We woonden daar in een plaatsje dat Moddergat heette bij twee pleegmoeders. Ondertussen waren er luchtgevechten tussen Duitsland en Engeland. We hebben toen met z’n vieren in een greppel geschuild. Het was spannend, we waren niet bang. Je hoorde niets van thuis.
De baby van het pleeggezin had echter difterie en toen ben ik in een ander gezin geplaatst. Wij woonden dus niet meer samen. We hebben nooit post gehad vanuit thuis.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Alles was op de bon. Bij de bakker betaalden we brood met een bonnetje. We sneden één sneetje brood in kleine blokjes en verdeelden deze onderling. De honger was wel heel erg, Mijn vader kwam weleens thuis met roggebrood. Ook gingen we wel eens suikerbieten pikken in Aalsmeer. Deze aten we rauw.
We hadden in de schuur tien konijnen, om op te eten. Het was overleven. Je moest werken: gras plukken, houtjes sprokkelen, turf halen bij de Kolenkit, plus je had de zorgen van je ouders.’

Hoe was het na de oorlog?
‘De bevrijding maakten we mee in Friesland. Bij terugkomst in Amsterdam waren mijn ouders erg veranderd. Ik was 12 jaar toen de oorlog eindigde. In juli en augustus hebben we de bevrijdingsfeesten in Amsterdam bijgewoond.
In ’52 ging ik in dienst. Ik werd naar Nieuw Guinea gestuurd en ging voor het eerst met een vliegtuig, dat duurde drie dagen. Ik wist niet waar het lag, mijn moeder en ik hebben het nog opgezocht. Indonesië wilde Nieuw Guinea inlijven en dat is ook gebeurd. Ik was daar als matroos. Ik was bij de marine. Ik ben twee jaar bij de marine geweest en heb nooit op een boot van de marine gevaren. Als je een jaar op Biak zat, waar ik werkte, mocht je een weekend naar (Mios) Woendi. Dan ging je met een sleepboot. Maar op de terugweg voeren we op een rif: schipbreuk, we zaten muurvast. De Piet Hein, een torpedobootjager, heeft ons gered.’

‘Ik wil aan jullie meegeven dat ik altijd door ben blijven leren. En ik heb ook altijd gesport en ben blijven sporten. Ik badminton nog steeds!’

 

 

 

Archieven: Verhalen

’Dat vind ik heel bijzonder, dat hij toch weer vrolijk kon zijn en ook weer kon lachen’

Alkan, Ersin, Jaydee en Nuri uit groep 7 van CBS Kleurenpracht in Zaandam interviewen Mevrouw Veffer-Polak op school. Sylvia Polak is de dochter van de Joodse Harrie Polak. Hij is in 1925 geboren en was vijftien jaar toen de oorlog begon. Omdat haar vader al is overleden, vertelt zij zijn verhaal.

Heeft uw vader ondergedoken gezeten?
‘Nee. Zijn familie werd opgeroepen om naar het Muiderpoortstation te komen, net als alle Joodse mensen uit deze buurt. Vanaf daar zijn ze naar kamp Westerbork gebracht en daarna naar andere kampen. Dus ze hebben niet ondergedoken gezeten. Ik weet niet waarom niet, ik heb het hem nooit gevraagd en hij praatte ook nooit over zijn verleden. Niemand van het gezin van mijn vader heeft de oorlog overleefd. Alleen hij en van de rest van de familie één tante en één oom. Zij zijn de enige drie die uit concentratiekampen en van onderduik-adressen zijn teruggekomen.’

Hoe heeft hij de kampen overleefd en hoe waren de omstandigheden?
‘Hij was een jonge, sterke man. Hij heeft ook veel gesport in zijn leven. En hij heeft zich in kampen elke keer aangemeld om te werken. Als je werkte, kreeg je ook vaak iets meer te eten. Mijn vader is in dertien verschillende werkkampen geweest. Hij overleefde dat slim. Hij verzorgde bijvoorbeeld zijn tanden heel goed. Want hij wist dat je ziek kon worden, als je niet genoeg vitamines binnenkreeg. Hij poetste zijn tanden met zand en met takjes en stokjes, want ze hadden geen tandenborstel. Ze hadden helemaal niks. Als ze moesten poepen, moest dat op een plank met een gat in het midden. Dat zat je naast elkaar, want er was geen aparte wc. Papier was er ook niet, dus veegde je het maar af met bladeren. Er was geen water;  je kon niet douchen, dus iedereen had luizen. Je had ook geen kleren, geen schoenen. En iedereen had vreselijke honger, dus je at graag om je maag te vullen.’

Hoe was het toen hij thuiskwam?
‘Dat was heel verdrietig, want er was helemaal niemand meer. Hij kon niet meer in zijn huis. Maar wat was er nou?  Toen het gezin van mijn vader weg moest van huis, mochten ze niets meenemen, alleen een koffertje. Mijn grootvader heeft waardevolle spulletjes – een zilveren beker en sieraden – in een kistje in de tuin begraven.

Na de oorlog heeft mijn vader bij zijn oude huis aangebeld en gevraagd of hij in de tuin dat kistje mocht opgraven. De vrouw die er woonde, zei dat het niet uitkwam en dat hij over een maand maar terug moest komen. Toen hij de volgende maand terugkwam, was het huis helemaal leeg gehaald en was de tuin omgespit. Wat er met het sieradenkistje is gebeurd, zullen we nooit weten. Zijn tante was ondergedoken en toen kon mijn vader gelukkig bij haar wonen.
Mijn vader heeft dit verhaal nooit verteld aan mij. Als klein kind hoorde ik wel dat hij nachtmerries had, dan schreeuwde hij om zijn moeder.  Als ik vroeg wat er was gebeurd met zijn moeder, zei hij: ‘als ik je dat vertel, dan slaap je nooit meer’. Hij heeft zijn ervaringen aan iemand verteld voor een onderzoek en zo heb ik zijn verhaal pas na zijn dood gelezen. Ondanks wat hij heeft meegemaakt, had ik de liefste vader van de hele wereld. Hij is 82 jaar geworden. Dat vind ik heel bijzonder, dat hij toch weer vrolijk kon zijn en ook weer kon lachen.’

Wat zou u ons nog willen zeggen?
‘Je moet veel met elkaar praten, welk geloof je ook hebt, zodat je elkaar leert kennen en elkaar gaat begrijpen. Kom op voor iemand die gepest wordt. Zo word je geen vijanden van elkaar en wordt de wereld beter. En daarom is dit project ook zo belangrijk.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik heb die krijtjes heel lang bewaard’

Iza, Micah, Liyana en Ella uit groep 8B van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen meneer Henk Smit op hun eigen school. Toen de oorlog uitbrak woonde hij in Amsterdam-West, vlakbij de plek waar nu De Visserschool staat.

Hoe oud was u toen de oorlog begon en wat merkte u daarvan?
Ik was zes jaar en woonde met mijn ouders op de Van Oldenbarneveltstraat nummer 10. Dit was mijn buurtje. Ik zat op een Franse school, maar de Duitsers vonden dat niks, zo’n Franse school. Dus die school werd opgeheven en toen moest ik ineens naar een andere school. Dat vond ik wel jammer, want ik vond Franse les leuk. Na 1941 mochten Joodse mensen bijna niks meer en ze hebben toen ontzettend veel Joodse mensen opgehaald.  Ik herinner me ook dat we onze ramen moesten afplakken, zodat er geen licht naar buiten kwam. Dan wisten de vliegtuigen niet waar de steden waren. Ze hadden toen nog geen GPS.’

Hadden jullie het zwaar in de oorlog?
Ik was 8 jaar en mijn moeder was veel ziek en mijn vader was veel weg, daarom kookte ik vaak. Dat heeft mijn moeder mij geleerd. Ik was enig kind. Later in de oorlog was er geen gas meer. Toen moest ik een potje met eten op de houtkachel warm maken.  Maar er was geen hout, dus hakte ik de planken van de wandkast in onze kamer in stukjes, om toch vuur te kunnen stoken. We ruilden ook veel met andere mensen, bijvoorbeeld wat groente tegen wat aardappelen. In de zomer kochten we dan groenten, dat was goedkoop en die maakten we in en bewaarden we in speciale kruiken. Ik heb nog zo’n kruik bewaard. Later in de oorlog was er steeds minder eten.’

Zijn er ook erge dingen gebeurd in de oorlog?
‘We hadden een hondje, die moest een keer een behoefte doen en mijn moeder heeft hem toen in de tuin gelaten, want ik was er niet om hem uit te laten. Toen is hij gewoon door iemand meegenomen en opgegeten. Mensen hebben ook bloembollen gegeten. Bij ons thuis was het gelukkig niet zo erg. Maar ik heb soms wel honger gehad. Alles was op rantsoen.  Ik herinner me nog dat als je een klein plakje kaas op je boterham had, dat je dat dan steeds verschoof, zodat je aan het einde nog een beetje kaas op je brood had. Dit noemden we ‘schuifkaas’.’

Hoe heeft u de hongerwinter overleefd?
‘Toen er steeds minder te eten was, ben ik in januari 1945 buiten Amsterdam zonder mijn ouders bij een boer gaan wonen, in de Wieringermeer. Ik werkte mee op het land en dat vond ik fijn. Ik moest mest scheppen. Dat vond ik lekkere ruiken, vreemd genoeg. Maar het was zo koud buiten en de mest dampte flink, dat was lekker warm. Mijn vader is ook nog een keer vanuit Amsterdam langs geweest om eten te halen, tarwe om broden te bakken.’
‘Sommige dingen waren niet fijn: ik moest bijvoorbeeld van de boerin me elke vrijdag in een teil wassen, met ijskoud water, dat vond ik vreselijk. Toen de oorlog bijna was afgelopen hebben de Duitsers de Wieringermeer onder water gezet, dus moest ik nog een paar weken naar een ander gezin.  Ik ging pas eind juni terug naar huis.  Al mijn vrienden waren broodmager na de oorlog. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en heeft niet lang meer geleefd. Ik ben op 10 november jarig en kreeg toen krijtjes als cadeau, want ik hield veel van tekenen.  15 november overleed mijn moeder. Ik heb die krijtjes heel lang bewaard.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Helaas leren we er niet van’

Ndoba, Maya, Riva en Yusuf uit groep 8B van De Visserschool uit Amsterdam-West interviewen Simon Italiaander . Simon is in 1940 geboren en was nog maar een baby aan het begin van de oorlog. Hij weet zich daarom weinig te herinneren van die tijd, maar heeft later allerlei puzzelstukjes van zijn jeugd teruggevonden in archieven en via andere mensen. Bijvoorbeeld over het onderduiken.

Waarom moest u onderduiken?
‘In de loop van de oorlog, in 1943, werd het steeds moeilijker voor Joodse mensen. Sommige familieleden waren al ondergedoken. Mijn ouders hebben mij aan bevriende buren op de Admiraal de Ruyterweg afgegeven. Ze zijn vlak daarna opgepakt door de Gestapo. Ze hebben nog een briefje gesmokkeld naar de mensen, waar ik was. Die wisten toen dat ze me niet meer op kwamen halen.  Ze zijn ook nooit meer teruggekomen.’

Wat kunt u zich nog herinneren van uw ouders en de onderduikperiode?
‘Van mijn ouders en van de dag dat ze me aan de buren gaven, daar kan ik me daar niets van herinneren. Wel herinner ik me dat ik op verschillende adressen ondergedoken heb gezeten. En dat dat een enorme onzekerheid gaf voor mij als klein kind. Ik heb eerst heel kort in Haarlem gezeten.  Daarna ben ik door twee dames op een fiets opgehaald en naar Alkmaar gebracht. Daar woonde ik kort op de Houtweg, maar daar woonde een NSB-gezin onder de familie, dat was veel te riskant. Op mijn derde adres, in Alkmaar, kon ik eindelijk blijven.’

Hoe voelde u zich bij deze familie?
‘Het was fijn. Ze waren lieve mensen en hadden twee kinderen. Een meisje wat een jaar jonger was dan ik. En ik had een grote broer. Siem de Geus. Mijn zusje en ik werden altijd als tweelingen aangekleed door mijn tante. Die breide dus iedere keer dingetjes voor ons. En toen zijn we naar de kleuterschool gegaan. We werden uit elkaar gehaald. Omdat ik een jaar ouder was, ging ik naar een ander klasje. Ik heb dat een dag uitgehouden, toen wou ik niet meer. Want ik was totaal in paniek, dat ik daarheen moest. Ik voelde me eindelijk op mijn gemak bij die mensen in Alkmaar. En dan moest ik weer naar school. Ik was bang dat iemand mij weer naar een ander adres zou brengen. Je leert snel als kind. Dat was verlatingsangst.’

Wat was uw eerste maaltijd na de bevrijding?
‘Er was een grote hongersnood in Nederland. De geallieerden maakten afspraken met de Duitsers over voedseldroppingen. Toen hebben ze meel gedropt. Zo konden de bakkers in mei 1945 weer brood bakken. Zweeds wittebrood heette dat. En er was ook suiker bij. Dus op een gegeven moment kregen wij witbrood met suiker. En dat is jarenlang mijn lievelingskost gebleven. Moet er nu niet aan denken, witbrood. Het is allemaal anders geworden.’

Waarom heeft u Stolpersteine voor uw ouders geplaatst?
‘Mijn ouders zijn in Auschwitz vermoord. Mijn moeder meteen op de eerste dag. Bij elke herdenking dacht ik vroeger: ik heb geen plek om mijn ouders te herdenken. Toen hoorde ik dat er iemand in Duitsland is die Stolpersteine laat plaatsen voor mensen, die in de oorlog vermoord zijn. Die steentjes, ook wel struikelsteentjes genoemd, worden voor het laatste adres van de mensen gelegd. Ik was de eerste in Amsterdam die ze aanvroeg. Nu liggen ze op heel veel plekken.’

Wat gebeurde er na de oorlog met u?
‘Mijn ouders waren dus dood. Ik bleef nog een tijdje in Alkmaar. Ik ging later bij mijn echte oom en tante in de Witte de Withstraat hier wonen. Ik ben ze papa en mama gaan noemen en ze kregen nog een kindje, mijn zusje. Na de oorlog werd helemaal niet gesproken over de oorlog; het was te moeilijk. Pas de laatste dertig jaar praat men over de oorlog, Helaas leren we er niet van. Over de hele wereld zijn er kinderen die dezelfde problemen hebben als ik toen.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ze kon geen emoties toelaten’

Adam, Akari en Diaz uit groep 8B van De Visserschool in Amsterdam-West gaan op bezoek bij Marjan Smook, ze is geboren in 1933. Ze heeft in haar huis een grote vitrinekast, die volstaat met wel meer dan honderd beeldjes van olifanten. Marjan begint meteen met vertellen

Hoe merkte u dat het oorlog was?
Ik was pas 7 jaar toen de oorlog uitbrak. Ik herinner me dat er bommenwerpers overkwamen. Die hebben toen Amsterdam-Noord gebombardeerd. Nog steeds vind ik het moeilijk als vliegtuigen door de wind laag overvliegen om te landen op Schiphol. Ik wist niet dat ik Joods was. Ik zat bij Anne Frank op school, maar zij zat een paar klassen hoger.  Op school gebeurden vreemde dingen. Zo verdwenen er Joodse kinderen en niemand durfde ernaar te vragen, maar iedereen wist dat ze waren meegenomen.Overal in de stad hingen bordjes met ‘Verboden voor Joden’. Mijn moeder moest een Jodenster dragen. Zij droeg een jas met lange revers, waarachter zij die ster verborg en dan kon ze stiekem met ons naar het park, maar dat was wel heel erg gevaarlijk. Mijn vader was niet Joods, maar kon er niet meer tegen. Hij heeft het gezin in 1942 verlaten. Mijn moeder stond er dus helemaal alleen voor.’

Hoe was het voor uw moeder in haar eentje voor u te zorgen?
Uiteindelijk kon mijn moeder niet meer voor ons zorgen. We zijn toen naar boerengezinnen in het oosten van Nederland gebracht. Achter het centraal station stond mijn moeder ons uit te zwaaien. De boot stak ‘s nachts het IJsselmeer over, want de Duitsers mochten ons niet zien. In Ommen wachtten we in een gymzaal van een schoolgebouw op de gezinnen, die ons zouden komen adopteren. Ze keken dan waar je het beste paste. Mijn zusje werd snel meegenomen door mensen met een naaiwinkel en heeft het daar geweldig gehad. Ik was toen 9 jaar en werd geadopteerd door een gezin met een dochtertje met het syndroom van Down. Zij wilden graag een vriendinnetje voor hun dochter Dika. Toen iemand uit een andere stad mijn kleine broertje mee wilden nemen, ben ik heel hard gaan gillen, totdat er een postbode binnenkwam. Hij zei: ‘Wat is hier aan de hand?’ Ik vertelde in tranen mijn verhaal waarop hij zei: ‘Ik ga jouw broertje meenemen en je mag elke dag komen kijken of het goed met hem gaat.’

Hoe was het om bij het adoptie-gezin te wonen?
Helaas klikte het niet zo heel erg met Dika, dat vonden mijn adoptieouders heel erg jammer. Ik herinner mij nog goed dat Dika alleen tegen de muur van de kerk stond, terwijl ik met andere kinderen speelde. Ik voel me daar niet echt schuldig over, ik was nog maar een kind. Maar het voelt ook niet fijn. Ik had het niet goed bij dit gezin en herinner mij dat ik een keer buiten de deur ben gezet. Daar stond ik in de kou in de tuin en toen ben ik heel hard gaan gillen totdat er een buurman kwam. Ik heb hem het verhaal van Dika verteld. Hij zei: ‘Ik weet dat je het niet fijn hebt daar, ga maar terug naar binnen, wees lief. Het is nu te druk bij ons, maar als onze baby is geboren, kun je bij ons wonen.’ En dat is gebeurd.

Hoe was de bevrijding?
‘Ik woonde bij het nieuwe gezin tot we op 11 april 1945 werden bevrijd door de Canadezen. Tijdens die bevrijding werd het huis heel zwaar beschoten door de Duitsers. We zijn toen gaan schuilen in de schuilkelder in de tuin. Mijn adoptievader is toen heel kwaad geworden, omdat ik van de spanning veel moest plassen. Dan moest ik er steeds naar buiten en dat was heel gevaarlijk. De volgende dag waren de Duitsers vertrokken. Toen we in ons huis kwamen, zagen we dat er kogelgaten in de kussens van het bed zaten. Als we daar hadden geslapen dan hadden we dat niet overleefd.

Heeft u uw moeder nog terug gezien?
In totaal zijn er 64 mensen uit mijn familie vermoord. Maar wij hebben alle drie de oorlog overleefd. Mijn moeder is ons niet meteen komen ophalen. Waarschijnlijk omdat ze nog niet meteen voor ons kon zorgen. Pas in augustus 1945 kwam mijn moeder naar Ommen. Ik had in mijn hoofd een hele mooie vrouw gemaakt van mijn moeder met mooie donkere krullen. Maar toen ik haar zag, schok ik heel erg; daar stond een heel mager oud vrouwtje met grijs haar. Ik herkende haar niet. Ik ging expres met een accent praten, dan leek het alsof ik niet bij haar hoorde. Het beeld van mijn moeder die me heel wanhopig aankijkt, zie ik nog altijd voor me.’

Heeft het iets met u gedaan, de oorlog?
Het heeft vooral veel met mijn moeder gedaan, ze was een goede moeder in praktisch opzicht. Ze heeft heel goed voor ons gezorgd. Maar het was alsof er een glaswand tussen haar en de kinderen zat. Ze kon geen emoties toelaten en knuffelde nooit met ons. Dat voel je wel als kind.’

Archieven: Verhalen

‘Niet alle Duitsers waren slecht in de oorlog’

Adam, Stan, Julia en Elisa uit groep 8B van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen mevrouw Marja Ruijterman. Zij heeft de oorlog niet zelf meegemaakt, vertelt de verhalen door van haar moeder, die 12 jaar was toen de oorlog begon. Ze woonde in de Kinkerstraat. Marja heeft foto’s van haar familie meegenomen en een doos met bijzondere spullen uit de oorlog,  zoals brieven van het Rode kruis met namen van Joodse familieleden die niet meer leven.

Wat heeft uw moeder meegemaakt?
Mijn moeder had een Joodse vader en een niet-Joodse moeder en was daarom officieel niet Joods. Haar ouders waren in 1941 gescheiden en haar vader trouwde daarna met een Joodse vrouw. Samen kregen zij een dochter, Sara. Op een dag in 1943 is hij met zijn vrouw en haar andere kind weggehaald. Ze zijn in Sobibór vergast. Maar Sara, haar halfzusje, heeft de oorlog overleefd, omdat ze net op tijd aan de buren is gegeven. ‘

Hoe was de hongerwinter?
Dat was vreselijk. Mijn moeder had bijna niks te eten. Ze werkte bij een naaiatelier. Op een dag is moeder een keer flauwgevallen, toen ze moest werken. Vanaf dat moment kreeg ze één boterham met kaas per dag van de baas. En het was ook nog eens koud in de Hongerwinter. Om de kachel te kunnen aandoen, haalde mijn moeder blokjes uit de tramrails in de Kinkerstraat. Een keer kwamen er net Duitse soldaten aan. Eentje pakte mijn moeder beet, want je mocht die blokjes niet stelen. Hij zei: ‘Ga gauw naar huis. Ik heb ook kinderen!’ Het was dus een Duitser, die haar heeft gered. Niet alle Duitsers waren slecht in de oorlog zie mij moeder altijd.’

Heeft uw moeder na de oorlog nog familie teruggevonden?
Ja, dat was heel bijzonder. Net voordat haar vader was opgepakt, is baby Sara dus aan de buren gegeven. Die buren hebben haar naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Daar tegenover zat een crèche, waar Joodse baby’s door het verzet vandaan werden gesmokkeld. Daarna kwam ze terecht bij een gezin in Delft. Ze is Katholiek opgevoed. Ze zag er heel Joods uit, maar ze wist niet dat ze Joods was. Dat ontdekte ze pas op haar zestiende. Ze voelde dat er iets niet klopte, toen is ze gaan zoeken en heeft ze ontdekt dat ze Sarah heette in plaats van Maria en waar haar biologische familie woonde.  Toen is ze mijn moeder gaan opzoeken. Op een dag werd er bij ons aangebeld. Mijn moeder ging naar beneden en ik hoorde ineens heel hard geschreeuw. Ze kwam met iemand boven, dat was haar zusje Sara! Ze was een prachtig meisje. We hebben altijd contact gehouden. Ze is helaas aan corona overleden.’

Kent u nog meer mensen die de oorlog hebben overleefd?
Toen mijn moeder stierf, vond ik een grote doos. Daarin zaten allemaal gedichten van tante Engeltje, de zus van mijn opa. Eén daarvan ging over mijn opa. Hij had een voddenkar en verkocht oude spullen op het Waterlooplein. Mijn tante vond hem maar niks, maar in dit gedicht schreef ze: ‘Duizendmaal excuses Sem, ik heb je geminacht om je voddenkar’. Ze had spijt, omdat zij zelf met zo’n voddenkar, met allemaal lakens erover, uit concentratiekamp Westerbork is ontsnapt. Ik heb tante Engeltje nog gekend. In haar huis had ze beeldjes, die ze poetste en dan praatte ze ertegen alsof het familieleden waren.  Als we op visite waren, deed ze in het begin aardig. Maar langzaam werd ze dan steeds kwaaier en sloeg ze ons weg, gooide ze met boeken en begon ze te schelden dat wij nazi’s waren. Op straat liep ze ook te schelden. Ze was niet meer goed in haar hoofd. Dat kwam door wat ze in de oorlog heeft meegemaakt.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders zeiden dat het ooms waren’

Siep, Yaece, Aeron en Simon uit groep 8B van De Visserschool in Amsterdam-West interviewen meneer Ben Bakker. Meneer Bakker woont nu in Monnikendam, maar vroeger woonde hij in west, vlakbij het Rembrandpark. Hij was twee jaar oud toen de oorlog begon.

Hoe was het begin van de oorlog?
Ik was toen 2 jaar toen de oorlog begon. Daar weet ik niet veel meer van. Ik heb meer herinneringen van de latere periode, van de hongerwinter bijvoorbeeld. Toen aten we vieze pap uit grote emmers. Maar ik weet nog wel dat er in het begin van de oorlog zakken met graan in mijn kamer stonden. Ik had een eigen kamer en mijn zussen sliepen samen in de andere kamer. Als ik in bed lag, zag ik de muizen over de zakken graan lopen. Dat was een beetje eng.’

Wat deden uw ouders tijdens de oorlog?
Mijn ouders zaten bij het verzet. Van mijn vader weet ik het niet precies, want ik was te jong en mocht niks weten. Dat was te gevaarlijk. Mijn moeder was een koerier. Ze ging met de kinderwagen, met mijn zusje erin en ik ernaast, spullen wegbrengen. In de kinderwagen lagen onder het matras bonnen en pakketjes met eten. Dit brachten we naar de mensen, waar onderduikers zaten. We brachten ook verzetskrantjes rond. En we hadden een luik achter de voordeur, waarin geweren lagen. Soms kwamen er mannen, die ook in het verzet zaten, met die geweren oefenen. Mijn ouders zeiden dat dat ooms van ons waren, zodat ik niet buitenshuis zou verraden.’

Heeft u ook erge dingen meegemaakt in de oorlog?
Als kinderen deden we ook leuke dingen, zoals soldaatje spelen in het Vondelpark, waar we ons konden verstoppen achter bomen. Op een keer mochten we niet verder, omdat er mensen waren doodgeschoten. Ik heb ze zien liggen. Ik was niet bang, maar het heeft wel indruk gemaakt. Er staat nu een monument op de Amstelveenseweg voor de mensen, die toen zijn doorgeschoten.’

Aeron: Kende u ook mensen die bij de NSB zaten?
Bij ons in de straat weet ik het niet, maar natuurlijk waren en ook mensen, die voor de Duitsers waren, die waren van de NSB. Mijn ouders waren heel bang dat we verraden zouden worden. Het is een wonder dat dat niet gebeurd is. Na de oorlog was mijn vader in dienst en heeft mensen die bij NSB waren geweest, gearresteerd.’

Hoe was de bevrijding?
Het heftigste dat ik me herinner was twee dagen na de bevrijding. We gingen naar de Dam waar een feest zou zijn, mijn vader was daar ook.  Met mijn moeder liepen we, met de kinderwagen met mijn zusjes, naar de Dam. Maar in een huis op de hoek van de Kalverstraat zaten nog Duitsers  en die gingen ineens op de mensen schieten. Er vielen doden. Dat moment, dat ik mensen zag vallen, zal ik nooit vergeten. Mijn moeder heeft ons meegesleurd naar de Nieuwendijk. Daar gingen we schuilen in een kerk. Mijn vader heeft meegewerkt om die Duitsers te pakken.’

Archieven: Verhalen

‘In 1991 wisten we wat er met mijn vader gebeurd was’

Mia, Oscar en Adam uit groep 8A van De Visserschool in Amsterdam-West gaan bij mevrouw Yvonne van der Zwaard op bezoek om haar te interviewen. Mevrouw Van der Zwaard is 87 jaar. Ze is geboren in de Reinier Claeszenstraat, vlakbij de school van de kinderen. Waar nu het schoolplein is, was vroeger een grasveld.

Uit wat voor gezin komt u?
‘Mijn moeder was Duits en kwam in 1930 naar Nederland om te trouwen met mijn vader. Mijn vader was Joods. Zij hadden dus een gemengd huwelijk. Hij werd vrijgesteld van deportatie. Wij hadden een benedenhuis en we kregen joodse onderduikers. Mijn vader had een luik gemaakt, zodat de onderduikers zich konden verstoppen achter een luik in de vliering. Dat was een heel gevaarlijke en spannende tijd. Wij moesten ons heel stil houden en mochten met niemand spreken. Bij de buren op nummer 41 zat ook een onderduiker. Op een nacht kwam daar de politie en toen sprong de onderduiker uit het raam en kwam door een deurtje, dat mijn vader had gemaakt naar ons toe. Hij moest snel in mijn bed en de volgende dag moest hij weer verder. Ik moest even in het bed bij mijn ouders.’

Hoe is uw vader verraden?
‘Weer een huis verder, op nummer 39, woonde een man, die tegen mijn zei vader dat hij met onderduikers moest stoppen, omdat hij hem anders aan zou geven. Maar er kwamen toch weer vrienden en toen heeft die man mijn vader verlinkt. De politie kwam mijn vader ophalen en hij moest mee naar de gevangenis. Daarna moest hij gaan werken op Schiphol om de kapotte landingsbanen te repareren. Die waren door de geallieerden gebombardeerd. Mijn vader was kleermaker, dus met asfalt sjouwen en met stenen werken, was zwaar werk van ’s morgens acht uur tot ’s avonds acht uur.  Toen mijn vader even wilde pauzeren, kwam een leider zeggen dat hij weer naar de gevangenis moest en vanaf daar werd hij naar Westerbork gestuurd in zo’n veewagen. Hij heeft wel brieven gestuurd, uit de trein gegooid met de vraag of de vinder de brief wilde posten.’
‘Vanaf Westerbork werd hij weer in zo’n veewagen doorgestuurd naar Auschwitz. Daarna weer verder naar Lieberose Sachsenhausen, een werkkamp, geen vernietigingskamp. Begin 1945 kwamen de Russen dat kamp bevrijden en werden de gevangenen, lopend op blote voeten 200 kilometer door de ijzige kou in januari weggestuurd. Wie geen energie meer had en in elkaar zakte, werd gelijk doodgeschoten. Die tocht werd daarom een dodenmars genoemd. Mijn vader heeft deze tocht niet overleefd.’

Hoe wist u wat er met uw vader was gebeurd?
‘Mijn vader kwam niet meer thuis, maar wij wisten op dat moment niet wat er met hem gebeurd was. Daar kwamen we pas veel later achter. Mijn moeder ging in het begin met mij, omdat ik blond haar had, naar een Duits bureau om naar mijn vader te vragen en een goed woord voor hem te doen. Mijn moeder dacht dat ze met haar Duits wel goed overkwam. Maar dat heeft niet geholpen. Mijn moeder moest in haar eentje met twee kinderen de oorlog overleven. Pas in 1991 kregen we vanuit de archieven uit Berlijn de brieven over de mensen die bij de dodenmars waren omgekomen.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892