Archieven: Verhalen

‘Je kan mensen niet veranderen, je moet ze accepteren zoals ze zijn’

Rania, Beheshta, Kimora en Ruwayda  uit klas 3A van interviewen Waldy Neijhorst. Meneer Neijhorst (1950) is geboren op Curaçao. Als hij 13 jaar oud is, verhuist hij met zijn familie terug naar Suriname, het thuisland van zijn vader. Later ging hij naar Nederland om te studeren.

Waarom verhuisde u van Curaçao naar Suriname? (Rania)
‘Mijn vader werkte voor Shell op Curaçao, en toen hij met pensioen ging, was ik nog jong – 13 jaar pas. Mijn ouders waren al wat ouder toen ik geboren werd, dus toen mijn vader stopte met werken, besloten we te verhuizen naar Suriname. Dat was niet zomaar: mijn vader hield ontzettend veel van Suriname. Hij kwam daar vandaan en wilde zijn pensioen daar doorbrengen. Zo kwam ik in Paramaribo terecht, op een plek waar we een groot erf hadden. In tegenstelling tot Curaçao mocht ik daar buitenspelen en voetballen; dat was voor mij een bevrijding.’

Hoe heeft sport uw leven beïnvloed? (Beheshta)
‘Sport heeft letterlijk mijn leven bepaald. Ik was helemaal gek op basketbal en dat is ook wat me verder heeft geholpen. Dankzij mijn sportprestaties kon ik een beurs aanvragen om in Nederland te studeren. Basketbal was niet alleen een hobby; het was mijn uitlaatklep, mijn passie, en ook mijn weg naar zelfstandigheid. Door basketbal leerde ik reizen, omgaan met mensen, en zelfs mijn vrijheid kennen. Het heeft me gevormd tot wie ik nu ben.’

Hoe ervaarde u de overgang naar Nederland?  (Kimora)
Toen ik naar Nederland kwam, had ik al een aantal vooroordelen meegekregen: Hollanders zouden vies zijn, niet douchen, geen zeep gebruiken. En eerlijk gezegd: toen ik hier kwam, leek dat nog te kloppen ook. Op de sportclub werd er gedoucht zonder zeep en ze deelden hun eten niet zoals wij gewend waren. Maar wat ik al snel leerde was: je kan mensen niet veranderen, je moet ze accepteren zoals ze zijn. En dat deed ik. Ik was hier om te studeren, dus ik hield mijn focus. Dat is wat me overeind hield.’

Was er iets dat u had willen veranderen aan uw jeugd?  (Ruwayda)
‘Ja, als ik terugkijk, had ik gewild dat ik mijn vader vaker had verteld wat ik van dingen vond. Hij was streng, ouderwets en ik had veel respect voor hem, misschien wel te veel. Er was geen ruimte om echt te praten, om iets terug te zeggen. Dus toen ik zelf vader werd, besloot ik het anders te doen. Mijn kinderen mochten zeggen wat ze dachten, zonder bang te zijn. En dat heeft ons dichter bij elkaar gebracht.’

Kimora: ‘Het interview met meneer Neijhorst was erg leerzaam. Wat ons vooral raakte, was hoe sport zijn leven bepaalde en hoe hij ondanks moeilijke momenten in Nederland toch zijn plek vond. We hebben geleerd dat hij een moeilijk leven had, vol met discriminatie en ongelijkheid. Dit waren geen leuke herinneringen voor hem. Zijn les aan ons was dat we echt ons best op school moeten doen om een goede toekomst te krijgen. Ik vond dit best zielig dat je zo’n leven hebt gehad. Niet erg fijn. Dit project vond ik best interessant, maar het boeiendste verhaal vond ik dat van deze Indonesische meneer. Wat mij zal bijblijven is de discriminatie die zij hebben ervaren.’

Archieven: Verhalen

‘Hun eigen namen opschrijven, was te gevaarlijk’

Meneer Teake Zijlstra is vlak na de oorlog geboren en heeft de oorlog zelf dus niet meegemaakt. In de jaren tachtig was meneer Zijlstra als journalist werkzaam bij de Leeuwarder Courant. Op een dag kreeg hij een stapeltje brieven, die zijn wereld veranderden. Hij ging op onderzoek uit en kwam achter het verhaal van de joodse kinderen Bram en Eva Beem. Dit verhaal deelt hij op 2 april 2025 met Mats, Eline, Marije, Nynke en Kiara uit groep 8 van CBS de Winde in Hurdegaryp.

Hoe kwam u aan dat stapeltje brieven?
‘Dat heb ik gekregen van Jaap Kuindersma. Hij woonde in Leeuwarden in de Potgieterstraat en ging in de jaren ‘70 zijn huis verbouwen. Toen vond hij boven, onder de vloer, een stapeltje brieven. Hij wist niet wat voor brieven dat waren. Dat waren brieven van een Jan en Lini de Wit aan oom en tante Koster van Groos. En die Jaap Kuindersma zei tegen mij: ‘Ik heb wat brieven gevonden, misschien kun jij eens uitzoeken hoe die er komen.’
‘Ik kwam erachter dat vroeger in dat huis de familie Koster van Groos had gewoond. En die man, Willem, was leraar aan de HBS in Leeuwarden. Hij had een collega en dat was Hartog Beem, die was dus ook leraar. Hartog was Joods en mocht eerst nog wel doorwerken op school, maar op een gegeven moment mocht dat niet meer. Omdat hij dus Joods was. Toen hebben ze besloten dat Hartog Beem en zijn vrouw onder gingen duiken bij die collega aan de Potgietersstraat in Leeuwarden, bij familie Koster van Groos.’

Waarom zaten Bram en Eva niet samen met hun ouders ondergedoken?
‘Hun ouders vonden dat Bram en Eva niet in zo’n kleine ruimte konden onderduiken. Ze wisten van tevoren ook niet voor hoe lang het zou zijn. Ze hadden verre familie in Ermelo, een mooie bosrijke omgeving, en toen besloten ze om de kinderen daar onder te brengen. Bram en Eva waren toen 8 en 10 jaar.  Ze hebben anderhalf jaar bij die mensen gewoond en gingen daar gewoon naar school en ze hadden daar vrienden en vriendinnen. Dus voor Bram en Eva ging het leven gelukkig een beetje door. En dat wilden die ouders ook graag, dat het voor de kinderen zo normaal mogelijk bleef. Daarom zaten ze gescheiden ondergedoken. Vanuit Ermelo schreven Bram en Eva prachtige brieven aan hun ouders, 61 in totaal. Ze konden de brieven natuurlijk niet richten aan de familie Beem aan de Potgieterstraat. Dus schreven ze aan oom en tante Koster – Van Groos. Zij gaven de brieven aan Hartog en Rosetta Beem, die daar ondergedoken zaten. Ze sloten de brieven af met ‘Jan en Lini’, want Bram en Eva konden niet hun eigen namen schrijven, dat was te gevaarlijk.’
‘Achteraf blijkt dat die man, die Hartog Beem, de vader van Bram en Eva, de brieven allemaal heeft bewaard. Hij liet ze aan een touwtje zakken in een andere ruimte, zodat de brieven allemaal goed verstopt waren.’

Wat is er toen met Bram en Eva gebeurd?
‘Tsja, dat is een dramatisch verhaal. Kennelijk heeft iemand aan die kinderen gezien dat ze Joods waren en die heeft ze verraden. Op een nacht, het was eind februari 1944, zijn mensen in dat huis gekomen waar ze sliepen, in Ermelo. Het waren NSB’ers of landwachters, die kregen soms geld als ze Joden verraadden. En toen zeiden ze: ‘Volgens ons zijn dit Joodse kinderen.’ ‘Nee’, zeiden de mensen waar ze bij woonden, ‘Dat is niet zo.’ Toen moest Bram zich uitkleden en zagen ze dat hij besneden was en toen wisten ze dat het Joodse kinderen waren. Bram en Eva zijn toen opgepakt en naar Westerbork gebracht. Al een paar dagen later, op 6 maart 1944, zijn ze vermoord in de gaskamers van Auschwitz. Eva was 11 jaar en Bram was 9.’

En de ouders van Bram en Eva, hebben die de oorlog overleefd?
‘Ja, zij hebben de oorlog overleefd, maar hun kinderen dus niet. Ze hebben geprobeerd hun leven weer op te pakken. Hartog werd weer leraar aan de HBS in Leeuwarden en deed veel voor de Joodse gemeenschap en schreef allemaal artikelen. In één van zijn boeken schreef hij: ‘We lachen nog slechts van buiten met ons gezicht, maar niet van binnen met ons hart. Maar eens zullen we met onze kinderen weer lachen.’ Deze zin zal ik nooit vergeten. Hartog Beem is 93 jaar geworden. Op aanraden van een collega van Hartog, heb ik gewacht met het publiceren van het verhaal in de Leeuwarder Courant tot hij was overleden. Op 30 april 1988 kwam het hele verhaal in de krant, dat was twee jaar nadat ik het verhaal had ontdekt. Die vader van Bram en Eva heeft dus niet meer geweten dat die brieven zijn gevonden in dat huis aan de Potgieterstraat.’

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Met de kinderen uit het dorp keken we lachfilms bij dokter Ruinen’

Op 31 maart 2025 gaan Emma, Silke en Aafke uit groep 8 van CBS De Winde in Hurdegaryp naar meneer Rients van der Ploeg om hem te interviewen. Meneer Van der Ploeg is geboren in 1935 en was 5 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde met zijn ouders en zijn twee broers en zusje in het gehucht Tibma, nabij de plaats Ee, vlakbij Dokkum.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was vijf jaar oud toen de oorlog begon. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Het was 10 mei 1940. Mijn vader liet de koeien uit, naar buiten toe. Die hadden de hele winter op stal gestaan, dus ze waren helemaal blij. Ik stond op het erf met mijn vader en boven in de lucht kwamen er honderden vliegtuigen over. Ik weet nog goed dat ik zo verwonderd naar al die vliegtuigen keek, die boven ons vlogen, vanaf Duitsland. Ik lette niet meer op en er kwam een koe uit de stal en die liep mij ondersteboven. Ik viel in een hele vieze sloot, de zogenaamde giersloot.’
‘En ik kan me nog herinneren hoe bang mijn vader en moeder waren, hoe bezorgd. Dat voel je als kind. Plotseling was alles anders. Vlakbij Tibma was een havenplaatsje, Oostmahorn. Daar was vroeger de Lauwerszee. De Duitsers kwamen vlak bij onze boerderij langs. Ze wilden zo snel mogelijk naar Oostmahorn, om het eiland Schiermonnikoog te bezetten. We zagen allemaal Duitsers in de straat en wisten dat het oorlog was.’

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt in de oorlog?
‘Ja, wij hebben wel spannende momenten meegemaakt, want zo nu en dan kwamen de Duitsers zomaar met grote vrachtauto’s in het dorp en dan werd er een razzia gehouden. Ik weet nog dat er een razzia was en dat er allemaal vaders werden opgehaald. Wij waren toen op school en het onderste deel van het raam was wit geverfd. Wij wisten hoe laat de vrachtwagen met opgepakte mensen langs zou komen, want er was ook een vader bij van twee jongetjes bij mij in de klas. We gingen toen allemaal op de schoolbanken staan, zodat we toch door het raam konden kijken en zo zwaaiden we naar de mensen op de vrachtwagen.’

‘Ook ben ik in de oorlog erg ziek geweest. Toen ik 8 was, het was in 1944, kreeg ik kinkhoest en had ik zweren in mijn gezicht. We hadden een lieve dokter bij ons in Ee. Dat was echt een kindervriend. Hij heette Jarl Ruinen. Dokter Ruinen kwam elke dag langs. ‘s Morgens, als ik wakker werd, kon ik helemaal niks zien. Mijn ogen zaten dicht en waren ontstoken en ik had hele hoge koorts. Dan werden mijn ogen gewassen en dan ging hij mij helemaal onderzoeken en dan kwam hij de volgende dag weer. Dokter Ruinen wist dat niemand in het dorps iets had. Geen televisie, geen radio, geen elektrisch licht. Hij nodigde alle kinderen uit het dorp uit om eind november in zijn autogarage film te komen kijken. Dan werd de hele garage van de dokter ingericht met kaasplanken uit de zuivelfabriek en keken we lachfilms, van Laurel en Hardy, de dikke en de dunne. Daar kon je dan verschrikkelijk om lachen. De dokter zat naast het filmdoek naar ons te kijken en had dan zelf ook veel plezier. In februari organiseerde hij weer zo’n filmmiddag. Zijn vrouw was ook heel lief. Ik weet nog dat zij met een trommel met koekjes klaar stond en daar mochten we allemaal één uitpakken. Dat was wel wat, want er waren geen snoepjes en koekjes in de oorlog.’

Kende u ook iemand die bij het verzet zat?
‘Ja, deze zelfde dokter Ruinen hielp veel Joodse mensen om onder te duiken. Hij is ook wel eens aangehouden door de Duitsers. Toen lag er een vrouw achter in zijn auto met een zogenaamd dikke buik. En die deed net of zou ze een kindje krijgen, ze speelde toneel en deed alsof ze weeën had. De dokter zei: ‘We zijn onderweg naar het ziekenhuis in Groningen.’ En toen mochten ze door van de Duitsers. Maar op een gegeven moment werd de dokter verraden. De Duitsers kwamen bij hem in zijn dokterswoning en haalden hem op. Hij werd eerst in Dokkum gevangengezet. En later in Leeuwarden in de grote gevangenis die nu niet meer bestaat.’
‘Op een avond, het was 22 januari 1945, liep ik van het huis van mijn vriend Piet naar mijn eigen huis. Op de kruising in het dorp zag ik twee vrouwen huilen. Ik vroeg hen, beiden heetten ze Janke Visser, waarom ze zo huilden. Ze vertelden dat dokter Ruinen die middag was gefusilleerd aan de Woudweg in Dokkum, samen met negentien andere verzetsstrijders. Ik moest het vreselijke nieuws thuis vertellen en ik heb de hele weg, twee kilometer uit het dorp naar de boerderij, gehuild. Er was toen zo veel verdriet in het dorp, iedereen was verslagen. Dan is plotseling die dokter, die hele goede kindervriend waar je heel veel van houdt, die is weg. Dat heb ik nooit meer vergeten, dat is het grootste verdriet wat ik me nog kan herinneren.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik vond het wel een dappere actie van mijn moeder’

Meneer Piet Miedema woont tegenover basisschool CBS de Winde in Hurdegaryp. Dus Jetse, Jurre, Marijan en Anna hoeven alleen de weg over te steken om hem te interviewen. Meneer Miedema is in 1936 geboren en was 3,5 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde tussen Buitenpost en Visvliet en had zes broers en zusjes. Meneer Miedema ging in Burum naar school. Dat was elke dag drie kilometer naar school lopen en ook weer drie terug.

Wist u wel dat het oorlog was?
‘Toen de oorlog begon was ik 3,5 jaar. Ik weet het nog als de dag van gister. Er gebeurden toen zo veel vreemde dingen. We moesten ons huis uit, want ze zouden de sluizen openzetten en dan zou ons huis onder water komen te staan. Dat was ingrijpend, want we moesten verhuizen naar opa en oma. De bedden en alles moest mee. Met het paard en de wagen van mijn oom vertrokken we, ik zat bovenop de bedden.’

Merkten jullie iets van de hongerwinter?
‘We waren thuis met zeven kinderen. De oudste was 21 en de jongste was in de oorlog geboren in 1943. Ook al waren we met zoveel kinderen, we hadden totaal geen honger, want hier had je veel boeren. Je kon zelf brood bakken en veel mensen hadden een eigen moestuintje. Gelukkig hadden we ook veel dieren. Daarom konden we ook wel eens stiekem een varken slachten. Het vlees ging dan in van die wekflessen. Er was een gat in de vloer gemaakt en dan ging het vlees daar in de kruipruimte. Als we weer eens wat vlees wilden, deden we het luik open. Maar je moest er zuinig mee zijn, want soms pikten de Duitser het ook in. De boeren moesten soms ook verplicht gewassen verbouwen voor de Duitsers, zoals suikerbieten.’
‘Mijn broer was zestien en die werkte bij een boer, die kreeg wel eens wat suiker mee naar huis. Als we dan koffie of theedronken, zei hij voor de grap: ‘Ik krijg extra hoor, want die suiker is van mij’. Dat heeft hij nog jaren gezegd en wij plaagden hem daar ook wel mee: ‘Hé, dat is suiker van Sietse.’
‘In de oorlog waren er veel kinderen uit Rotterdam, de zogenaamde bleekneusjes, die gingen naar het Noorden toe, omdat daar voldoende voedsel was. Zo is er ook een meisje uit Rotterdam een week of vier, vijf bij ons thuis geweest in 1943. Ze heette Leny. 30 jaar geleden heb ik haar opgespoord. Ik wist haar adres na 50 jaar nog uit m’n hoofd en zo kon ik een brief sturen naar die bewoners. Die wisten wel waar ze woonde en ze hebben de brief doorgestuurd en binnen een week belde Leny mij. Sindsdien hebben we weer contact.’

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt in de oorlog?
‘We zagen vaak Duitsers voorbijkomen in wagens. Soms vlogen er Engelse of Amerikaanse vliegtuigen over, die op de Duitsers gingen schieten. Dat gebeurde soms op weg van school naar huis, dat was drie kilometer en dat maakte het wel spannend. Soms gingen we dan thuis in de kelder schuilen wanneer er weer geschoten werd.’
‘Op een gegeven moment was er een razzia in de kerk in Burum. Het was op zondag, er was dienst. Die ochtend werd de kerk omringd door Duitsers. Alle mannen in de kerk moesten zich legitimeren. Maar er waren ook mannen die het niet vertrouwden en die zochten een schuilplek in de kerk. Onder de preekstoel zat een luik en daar gingen mannen naar binnen, maar die hebben ze wel gevonden. Deze mannen moesten toen lopend naar Zoutkamp en werden vervolgens naar Duitsland gedeporteerd om daar te werken. Een paar andere mannen in de kerk hebben ze gelukkig niet gevonden.’
‘En ik herinner me die ene keer bij ons thuis. Wij hadden een sloot met allemaal eenden. Toen kwam er een Duitse soldaat en die wilde op een eend schieten om deze later op te eten. Mijn moeder zag dat en deed het raam open en riep: ‘Sodemieter op, heb je nou nog niet genoeg van ons gevreten?!’ Die Duitser schrok en ook al verstond hij het niet, hij begreep het wel. Dus hij schoot niet op die eend. Ik vond het wel een dappere actie van mijn moeder, ook al had dat wel anders af kunnen lopen.’

 

Archieven: Verhalen

‘De bommen vielen op zo’n honderd meter van ons huis’

Meneer Oete Landstra woont alweer zo’n twintig jaar in Hurdegaryp, maar tijdens de oorlog woonde hij in Marsum, vlakbij de vliegbasis van Leeuwarden. Meneer Landstra is in de oorlog geboren (1941), na hem kwamen er nog twee zusjes. Toen Nederland bevrijd werd, was hij vier jaar. Speciaal voor Hedwich, Julia, Amarins en Leah uit groep 8 van CBS de Winde heeft meneer Landstra foto’s van de oorlog klaargelegd.

Hoe was het leven in de oorlog?
‘We woonden tijdens de oorlog in Marsum, vlak bij de vliegbasis in Leeuwarden. Wij hadden thuis een schildersbedrijf, dus je had het huis en de werkplaats. Er was geen douche en geen gewone wc, het húske (toilet) was buiten. Vrijdags kwam er een grote teil, die werd voor de kachel gezet en gevuld met water. Als je een meisje was, had je geluk, dan mocht je eerst. Maar als jongen stond je achteraan in de rij, dan had je lauw water wat ook niet meer echt fris was.’
‘Het vliegveld lag op zo’n 500 of 600 meter van ons huis, dat was natuurlijk wel gevaarlijk. Het was tijdens de oorlog door de Duitsers overgenomen. Mijn vader had in zijn werkplaats een soort schuilkelder gemaakt van balen stro. Daar zat een klein gaatje in, daar kropen we doorheen en daar sliepen we dan ’s nachts met zijn allen in. Er lagen dekens en oude matrassen in. Maar na een bombardement zei mijn vader: ‘Dit is niet meer vertrouwd!’ Het werd te gevaarlijk en we gingen naar een dorp verderop, naar Jorwert, daar woonde een tante. Maar m’n vader moest elke dag terug voor zijn schildersbedrijf.’

Was u ook bang in de oorlog?
‘Ik was nog klein, maar ik kan me nog wel herinneren dat ik bang ben geweest. Want ’s nachts had je de vliegtuigen. Dat waren niet tien, niet 50, maar er kwamen wel honderden over. Die gingen naar Duitsland om daar steden te bombarderen en in de ochtend kwamen ze terug. Dat was zo’n aanzwellend gedreun, dat hoorde je in de verte en dat werd steeds luider. Dan hoopte je maar dat het goed ging, dat er niks zou gebeuren. En we woonden op een gevaarlijke plek, met zo’n vliegveld naast de deur. Daar waren we niet zo blij mee. In februari 1944 hebben de Canadezen en de Amerikanen het vliegveld van Leeuwarden gebombardeerd. Toen waren er één of twee bommen, die noemden ze afzwaaiers, op Marsum terechtgekomen, op zo’n 100 meter van ons huis. Zes mensen kwamen hierbij om, waaronder onze buurman. En een jongen, die ik goed kende, is op dezelfde dag zijn moeder en zijn zusje kwijtgeraakt. Ze woonden in een twee-onder-één-kap-huis. Zijn moeder stond met de baby op de arm in de deuropening te praten met de buurvrouw, die ook in de voordeur stond. Toen was er een scherfbom, die insloeg. Zijn moeder en zijn zusje waren dood, maar de buurvrouw mankeerde niks.’
‘Er is ook een bom in een nat stuk bouwland terecht gekomen en die is niet ontploft. Die is daar de grond in gegaan en die hebben ze nooit teruggevonden. Er zat zo’n propeller voor op die bom en die was er af gevallen en daar heb ik als jongetje altijd mee gespeeld.’

Hadden jullie ook onderduikers in huis?
‘Geen onderduikers, maar wel evacuees. Toen er in de oorlog zo zwaar gevochten werd in Arnhem, moesten alle inwoners de stad uit en kennissen van ons zijn toen als evacuees bij ons in huis gekomen. Op een bakfiets zijn ze vanuit Arnhem naar het Noorden gefietst. Een vader, twee zoons, een zus en de moeder. Maar de moeder is onderweg omgekomen. Eén van hun twee zoons, Henk Lantinga, was toen 20 jaar en die had als hobby fotograferen. Toen de oorlog voorbij was, ging hij op de fiets naar Arnhem om te zien of hun huis er nog stond. Bij een Canadese post aldaar moest hij zijn fotoapparatuur inleveren, hij zou het later terugkrijgen. Hun huis stond er niet meer en de Canadese post was ook verdwenen toen hij terugkwam, evenals zijn fotoapparatuur.’
‘In 1999 was er in Deventer een fotograaf zijn winkel aan het opruimen en die kwam een hele doos met negatieven tegen. Die heeft hij ontwikkeld en daar kwamen allemaal foto’s uit van de bevrijding van Marsum, op één van die foto’s stond de naam Landstra, zo kwamen ze bij ons uit, 55 jaar later.’
‘Kijk, dit is één van de foto’s. Dit ben ik tijdens de bevrijding, met een Canadese soldaat. Daar kreeg ik m’n eerste chocola van. Dat had ik nog nooit gehad, dat was helemaal geweldig! M’n moeder vertelde me dat toen hij me zag hij tranen in z’n ogen kreeg, want thuis in Canada had hij precies zo’n jongetje als ik, ook bijna vier jaar.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘We herkenden hem niet meer’

Mevrouw Mine Procee – Westra is geboren in 1937 en was 3 jaar toen de oorlog begon. Mevrouw Procee woonde tijdens de oorlog in Hurdegaryp aan de Zomerweg 120. Nu heet het de Burgemeester Drijberweg 14.  Ze had toen een oudere zus en er werd nog een broertje in de oorlog geboren. Na de oorlog kwamen er nog een broertje en een zusje bij. Op 1 april 2025 gaan Sylke, Marieke, Carmen en Lana uit groep 8 van CBS de Winde bij haar op bezoek om haar te interviewen over de oorlog.

Wat merkte u van de oorlog?
‘Ik weet nog dat er vliegtuigen overkwamen, de Tommies. Dat gedreun kan ik nog horen. En dan dwarrelde er zilverpapier naar beneden en wij dachten dat er iets op stond, maar dat was niet zo. Het was om de radars van de Duitsers te storen. Ik herinner me ook dat er groepjes soldaten waren, die door het dorp marcheerden. Dan hadden ze hoge laarzen aan en de hakken maakten zo’n indrukwekkend geluid. Ze zongen liederen, heimatversjes.’

Hadden jullie wel genoeg te eten in de oorlog?
‘We hadden een eigen tuin met aardbeien, sperziebonen, snijbonen, boerenkool, rode bessen, kruisbessen. Dat hadden heel veel mensen hoor. We hadden best een grote tuin, maar geen aardappelen, die wilden niet zo goed. Wij hebben in de oorlog eigenlijk geen honger gehad. Ik weet dat het eten op de bon was. We gingen in de straat bonnen met elkaar ruilen. Mensen kenden elkaar, dat was anders dan nu. Ze hielpen elkaar.’
‘Wij haalden s’zondags bij een boerderij hier aan de Rijksstraatweg melk op. Ik liep daar met mijn zus en broertje, want je deed alles lopend. Er was ineens een Engels jachtvliegtuig in de lucht en die schoot op een Duitse auto, die op de weg naast ons reed. Dat vliegtuig heeft ons nooit gezien, want wij liepen onder de bomen. Het was heel angstig, er vlogen allemaal kogels in het rond. Wij vluchtten bij de boer in de kelder met z’n drieën. Door de paniek viel er in de kelder een plank met potten met eten van de muur, toen was er nog meer herrie. Wij raakten gelukkig niet gewond, dat ging net goed allemaal. Het paard van de boer is wel doodgeschoten, die stond naast de kelder.’

Wat heeft u het meeste geraakt in de oorlog?
‘Ik was nog jong, maar wat ik nog wel weet, is dat mijn heit werd opgehaald. Ik zie het nog voor me; ik was een jaar of 5 of 6. Hij ging heel ver weg, naar Duitsland, in de buurt van Dresden. Daar had je niks over te zeggen. Hij is wel een jaar weggeweest, hij moest werken voor de Duitsers. Er was een razzia in het dorp waarbij hij werd meegenomen en wij wisten niet waar hij naar toe ging, dat hoorden we pas veel later. Het had te maken met de werkverschaffing, de Arbeitseinsatz. Er werden meer mannen opgepakt hoor, maar onze heit ging zo ver weg. Zijn broers moesten eigenlijk ook in Duitsland werken, maar de één is uit de trein gesprongen en de ander ging bij een boer onderduiken.’

Is uw vader wel teruggekomen?
‘Dat wel, maar wij herkenden hem niet meer. Hij was een skelet geworden. Hij kreeg in Duitsland bijna geen eten en hij sliep in barakken. Op een gegeven moment kreeg hij er een longontsteking en moest naar een ziekenhuis. Hij werd wel weer beter, nou ja, beter. Toen kwam het bombardement van Dresden, waar ze dus vlakbij zaten.’
‘Ze hadden er een ruilsysteem; als onze heit naar huis zou gaan, zou een ander zijn plaats voor de Arbeitseinsatz in moeten nemen. Als hij niet meer terug zou gaan naar Duitsland, zou die ander daar moeten blijven. Dat wilde mijn heit niet, dus bleef hij daar. Maar dat veranderde met het bombardement van Dresden. Daarbij is zijn vriend uit Leeuwarden omgekomen, maar mijn heit heeft dat overleefd. Hij heeft toen de trein gepakt en is weer thuisgekomen.’
‘Later was er weer een razzia in Hurdegaryp. Er kwamen twee Duitsers bij ons thuis en onze heit lag op bed. Toen heeft mijn mem gezegd dat hij tbc had, tuberculose, een longziekte. Daar waren de Duitsers hartstikke bang voor, want dat was heel besmettelijk en je kon eraan doodgaan. Ze vlogen weg en we hebben ze nooit weer gezien.’

Hoe was de bevrijding?
‘De bevrijding kan ik me ook nog herinneren, dat was op een zondagmorgen. We kwamen uit zondagschool en toen kwamen de Canadezen eraan. Mijn zus en ik kregen wit brood van de soldaten en liepen er direct mee naar huis terwijl we riepen: ‘Wy hawwe bôle, wy hawwe bôle!’
‘Na de bevrijding werd er niet meer over de oorlog gesproken, dat was toen zo. Mijn heit heeft het ook nooit over Duitsland gehad. En mijn mem was een flinke vrouw. Maar als kind wist je dat je nooit mocht praten, dat je stil moest zijn. Als je iets had gezien, mocht je daar niet over praten, zo was dat.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik was bang dat de Duitsers mijn broer zouden vinden’

Op 28 maart 2025 gaan Jade, Esmee, Feline en Roxanne uit groep 8 van CBS de Winde in Hurdegaryp op bezoek bij dorpsgenoot mevrouw Mimi van Rooijen. Mevrouw van Rooyen is in 1932 geboren in Stad aan ’t Haringvliet, op Goeree – Overflakkee. In 1937 verhuisde het gezin naar Rotterdam, er waren elf kinderen. Twee waren al het huis uit in 1940. Mimi was acht jaar toen de oorlog begon.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘We woonden in Rotterdam. In 1940 brak de oorlog uit, dat zagen we ’s morgens om half vijf. Het vliegveld was niet zo ver bij ons vandaan. We hoorden ineens allemaal schoten en we zagen allemaal kleine vliegtuigjes, jagertjes noemden we die, en de kogels vlogen door de lucht. De Duitsers bombardeerden het vliegveld.’
‘Mijn vader was kapitein en die was niet thuis. Mijn moeder zat dus thuis in Rotterdam met negen kinderen. Ze zei: ‘wat moet ik nou doen?’ Mijn vader had gezegd: ‘Leg maar een groot laken op de grond en doe daar de kleren in die je nodig hebt, dat knoop je dicht en je belt een taxi en die vraag je maar naar Overschie te rijden.’ Daar kwam mijn moeder namelijk vandaan, van een boerderij uit een dorpje dicht bij Rotterdam. Daar waren veel schuren, daar zou vast plek zijn. We pakten een taxi en toen kwamen we bij de Rijksstraatweg, het was de weg van Rotterdam naar Den Haag, maar we konden niet meer bij die boerderij in Overschie komen. Er reden vliegtuigen over de Rijksstraatweg, die werd gebruikt als landingsbaan.’
‘Toen gingen we naar een zus van mijn moeder, die woonde ook in Overschie, daar konden we nog wel komen. Die had zelf al acht kinderen en toen kwamen wij met negen kinderen aan. Bij die zus van mijn moeder, mijn tante dus, hadden ze een schommel in de tuin, terwijl ik in Rotterdam in een bovenhuis woonde. Dus dat vond ik héérlijk. We hadden het er fijn, ook al was het oorlog.’

Moest u ook onderduiken?
‘Onderduiken hoefden wij niet, maar de mannen wel, want die werden opgeroepen om te gaan werken in Duitsland. Mijn broer wilde dat niet en die ging ook niet. In ons huis aan de Statenweg in Rotterdam was boven de schuifdeuren, tussen de eetkamer en de mooie kamer, een ruimte, daar kon je via een kast komen. Toen er een razzia kwam, gingen de Duitsers kijken of er nog een jongen in huis was om in Duitsland te gaan werken. Mijn broer was in de kast gekropen en is in die tussenruimte gaan liggen. Dat was erg griezelig. Want we dachten als die Duitsers komen met van die scherpe wapens, dan gaan ze misschien in die ruimte steken. Maar dat gebeurde gelukkig niet. Wij zaten op dat moment met alle kinderen aan tafel en die Duitse soldaat dacht waarschijnlijk: ‘Er zijn hier zoveel kinderen, het zal wel goed zijn.’ Hij ging gelukkig weg en mijn broer was veilig, hij hoefde niet naar Duitsland om te werken.’
‘Mijn vader moest eigenlijk ook voor de Duitsers werken en is ondergedoken. Hij ging naar een lieve kennis van ons in de buurt en die mevrouw had geen man meer. Daar mocht hij in huis zijn en wegkruipen, daar mocht hij zich verstoppen. Daar kwamen de Duitsers niet.’

Was het gevaarlijk in de oorlog?
‘Ja, als er geschoten werd. Wij woonden in Rotterdam dicht bij een park, het Vroesenpark. En daar stonden allemaal schijnwerpers, die schenen met een brede straal de lucht in. Als de vliegtuigen van de Engelsen overkwamen, probeerden de Duitsers met die straal op de Engelsen te richten en te schieten. Dat vond ik heel griezelig, want dat park was dicht bij ons. Je was dan toch wel bang dat er iets op jouw huis neer zou storten. In een straat achter ons is ook een vliegtuig neergestort. Dat is was wel heel erg, er kwamen mensen om en het huis is helemaal verwoest. Dat waren best angstige momenten. ’s Nachts ging dan het alarm en dan wist je dat er vliegtuigen aankwamen. Dan zei m’n vader altijd: ‘Niet bij het raam staan’. Want de ramen konden springen als er bommen vielen. Dus we konden niet naar de vliegtuigen in de lucht kijken.’
‘Je mocht niet berichten luisteren over de bevrijding, alle mensen moesten de radio inleveren. We hadden twee radio’s. De oude hebben we ingeleverd, de andere hebben we gehouden. Die had m’n moeder stiekem achter een gordijn staan. Iedere dag ging ze op een bepaalde tijd naar het nieuws luisteren. Dat kwam uit Engeland. Ze had haar oor dan heel dicht bij de radio. Ze wilde horen hoe het ging met de bevrijding.’
‘Eén keer was het wel spannend. Onze ramen werden altijd gewassen door een glazenwasser, omdat we op een bovenverdieping woonden. M’n moeder luisterde weer naar de radio, keek opzij en ineens stond de glazenwasser op z’n ladder voor de ramen te kijken. Ze schrok! Want als het een verkeerd iemand was, kon die jou aangeven bij de NSB. Maar het is goed gegaan.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik was zo bang dat ik op sokken naar huis ging’

Meneer Foppe Kooistra is in 1935 geboren en was 5 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde in Veenwoudsterwal, maar ging in Hurdegaryp naar school. Meneer Kooistra had vier broers en vier zusjes. Ruben, Jordy, Ilse en Levi uit groep 8 uit van CBS De Winde in Hurdegaryp gaan bij meneer Kooistra op bezoek om hem te interviewen over de oorlog.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Ik hoorde heit en mem fluisteren dat we de oorlog hadden verloren en zo’n twee of drie dagen later waren de Duitsers in ons dorp. Het was op een avond, ik weet het nog precies. We waren buiten aan het spelen en ineens vlogen er allemaal Duitse auto’s om ons heen, ze stopten verderop in de berm. Ik ging naar mem, ik was zo bang en moest huilen. Midden in de nacht kwamen de vliegtuigen. Honderden tegelijk aan de lucht. BOE-BOE-BOE-BOE, het ging maar door. Amerikanen en Engelsen. Dan gingen ze naar Duitsland toe om Bremerhaven en Wilhelmshaven te bombarderen. Daar hadden de Duitsers de munitiefabrieken. Ook kwamen er vliegtuigen weer terug en soms klonk het anders: BAM-BAM-BAM-BAM. Die waren aangeschoten, die gingen door naar het IJsselmeer, zodat ze niet neerstortten tussen de mensen en huizen.’

Wat voor eten hadden jullie?
‘Het was niet veel. Mem had het dan wel over oer ‘Jan yn ‘e poede’, dat was een weke boterham. We hadden thuis een boerderij met een stuk of zeven of acht koeien en wat varkens en veel kippen. Dus we hadden eten van ons zelf, een stukje vlees ook wel. Heit was varkenskoopman. Soms maakte mijn moeder ‘sûpengrottenbrij’. Er zat niet zo veel smaak aan, maar je moest het eten, wij zeiden niet ‘dat lusten we niet’. Toen de Canadezen kwamen, kregen we voor het eerst pinda’s, die hadden we nog nooit gehad.’

Ging u ook naar school?
‘Ik zat in Hurdegaryp op school, de openbare school. Dat was bij de Wissel, achter meubelzaak Neef. We gingen altijd lopend naar school vanuit Feanwâldsterwâl, dat was nog best een eind. Soms zaten er onderweg bij de Langedijken, dat is nu de Foksegatten, Duitsers te schieten. Ze waren aan het oefenen denk ik. Mijn broertje en ik durfden daar dan niet langs. Het waren Duitsers, die ingekwartierd zaten in een huisje tegenover Bennema State, daar zaten allemaal Duitse soldaten. Dan gingen we via Quatrebras, via de Ielburg reed naar huis, gauw naar mem. Want wij waren soms heel bang voor die soldaten.’
‘Toen ik acht jaar was, werd de school bezet door Duitsers, dat was inkwartiering. Toen ben ik twee jaar thuis geweest. We hebben schriften mee naar huis gekregen. Maar jullie kunnen wel begrijpen, we speelden meer dan dat we in die schriften zaten. Toen ik weer op school kwam, ik was toen 10 jaar oud, stond er op het schoolplein een grote mand. Die zat vol met sinaasappels. We kregen allemaal een sinaasappel. Dat was de eerste keer dat ik een sinaasappel kreeg. En er waren ook vitamine tabletjes, die dingen waren erg zuur. Meester Kinderman zei dan: ‘mond open!’ en later: ‘Heb je het wel doorgeslikt?’
‘Ik weet ook nog wel dat het vliegveld in Leeuwarden werd gebombardeerd. Het luchtalarm ging af. We moesten op school snel op de gang staan, allemaal achter elkaar. Maar ik heb daar niet lang gestaan. Ik was zo bang en ben er vandoor gegaan. Ik heb mijn klompen in de bak laten staan en ben op sokken naar huis gegaan. Ik zal het nooit vergeten.’
‘Wat ook wel angstig was, was dat er door Engelse vliegtuigen geschoten werd op Duitse auto’s op de Rijksstraatweg. Dan liepen we weer naar huis uit school en sprongen we snel in de greppels naast de weg.’

Wat heeft u het meeste geraakt in de oorlog?
‘Ik kon zo vrij niet leven als jullie nu. Heit en mem fluisterden altijd, er was heel veel wat wij niet mochten weten. Het was gevaarlijk in de oorlog, we merkten soms wel dat onze ouders bang waren. Dan hoorden we: ‘Die is opgepakt en die is opgepakt.’ Mijn oudste broer was zeven, acht jaar ouder dan ik en we gingen wel samen kievitseieren zoeken. Dan hield hij mijn hand vast en gingen we samen het land in. Soms waren we bang dat ze hem zouden halen voor de Arbeitseinsatz. Gelukkig is dat niet gebeurd. Een maand na de oorlog zei hij tegen mijn moeder: ‘Ik voel me niet goed.’ Die avond raakte hij nog in coma en is hij overleden, hij was 17 jaar oud. Er was geen penicilline, niets. De oorlog was voorbij, maar wij hadden hier wel veel verdriet van.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Dankzij haar slimheid zijn ze niet ontdekt’

Meneer Roel J. Mulder was zes jaar oud toen de oorlog begon. Hij is geboren in het kleine dorpje Huizum in Friesland en is opgegroeid in Arum. Zi Yi, Bjarne, Sanne en Louis uit groep 8 van IKC De Zwanebloem in Zwaanshoek interview meneer Mulder bij hem thuis.

Hoe was het om op te groeien in Arum tijdens de oorlog?
‘Ik ben geboren in Friesland, in het dorpje Huizum, maar ik ben opgegroeid in Arum. Dat is een klein dorp met zo’n 1200 inwoners. Mijn vader was hoofd van de basisschool. Dat noemden ze toen de bovenmeester. Ik was zes jaar toen de oorlog begon. Op mijn verjaardag, op 13 juli, kreeg ik een vlieger van mijn vader. We wilden ermee gaan vliegeren, maar toen kwam er een agent, die zei dat dat niet meer mocht. De Duitsers dachten dat we dan misschien berichten naar Engeland zouden sturen met een geheime zender.’
‘In Arum was het best rustig, al was er wel een grote barak schuin tegenover onze school, waar de Duitsers hun spullen bewaarden. Het dorp zelf bestond vooral uit boeren, dus we hadden gelukkig meestal genoeg eten. Dat was in andere delen van Nederland wel anders. Daar moesten mensen soms zelfs tulpenbollen eten.’

Kon u gewoon naar school?
‘Op school ging het redelijk normaal door. We kregen gewoon les in rekenen, taal en aardrijkskunde. Maar het was wel spannend soms. Als we vliegtuigen hoorden aankomen, moesten we in de gang op de grond gaan liggen. We hadden een ketting om met een naamplaatje eraan, voor het geval er iets zou gebeuren. Gelukkig is onze school nooit geraakt.’
‘We speelden ook gewoon buiten, ondanks de oorlog. In de winter hielp ik soms bij de bakker, daar was het lekker warm. Als er geen eten meer was in de winkel, kregen we soep bij de gaarkeuken. We namen dan een pannetje mee van huis.’
‘Mijn vader had zelfs zijn eigen tabak gekweekt op zolder omdat hij geen sigaretten meer kon kopen. Hij gebruikte blaadjes uit een oud bijbeltje als vloeitjes. Je werd creatief in die tijd!’

Herinnert u zich spannende momenten?
‘Er was een keer een NSB’er in het dorp. Hij had een lijst met namen van mannen, die ondergedoken waren omdat ze niet naar Duitsland wilden om daar te werken. Die man is op een avond doodgeschoten. De Duitsers waren woest. Ze hielden toen een razzia, een grote overval waarbij ze het hele dorp omsingelden.  Mijn vader verstopte onderduikers op zolder boven de school. Toen de Duitsers kwamen, had mijn moeder iets slims bedacht; wij moesten met een slee buiten gaan spelen en overal voetstappen maken in de sneeuw, zodat de sporen van de onderduikers niet opvielen. Dankzij haar slimheid zijn ze niet ontdekt.’

 

Archieven: Verhalen

‘We wisten nooit of ze zouden schieten’

In Nieuw-Vennep interviewen Lieke, Noah, Louichiano en Luna uit groep 8 van IKC de Zwanenbloem in Zwaanshoek mevrouw Riet Straathof. Mevrouw Straathof was nog maar een klein meisje toen de oorlog begon. Ze woonde toen in Zoetermeer.

‘Wat weet u nog van het begin van de oorlog?’
‘Toen de oorlog begon, was ik nog maar twee jaar oud. Bij ons thuis zaten onderduikers verstopt. Onder onze eettafel zat een luik in de vloer. Daar konden ze snel in verdwijnen als het gevaarlijk werd. We hadden ook een NSB’er in de buurt. Die verklikte van alles. En dan kwamen de Duitsers ‘s avonds naar ons huis met geweren. Ze doorzochten alles. Zelfs de matrassen haalden ze uit de bedden. Ze prikten zelfs met stokken in onze aardappels in de kelder, om te kijken of er iets onder zat. Gelukkig werden onze onderduikers nooit gevonden. Maar ik weet nog goed dat ik doodsbang was als de soldaten met hun geweren op het balkon stonden te mikken. We wisten nooit of ze zouden schieten.’

Kon u naar school in de oorlog?
‘Ik ging in die tijd naar de kleuterschool. Op een dag kwamen mijn zusje en ik gillend thuis; er vloog een brandend vliegtuig laag over ons heen en stortte neer in een weiland. Dat beeld vergeet ik nooit meer. Thuis hadden wij het iets beter dan anderen. Mijn vader ruilde kleding en spullen voor eten bij de boeren. Zo kregen we toch nog wat aardappels en groenten. Maar er waren ook mensen, die helemaal niks meer hadden. Elke dag kwam er een bedelaar aan de deur. Mijn moeder gaf hem een paar aardappels. Hij at zo snel, zo hongerig. Dat beeld ben ik ook nooit vergeten. Wij hebben ook een meisje uit Den Haag in huis genomen, dat niks meer te eten had. Mijn moeder gaf haar zelfs schoentjes van mij. De moeder van dat kindje was zó dankbaar dat ze haar dochter droeg, zodat de nieuwe schoentjes niet vies zouden worden.’

Kunt u iets vertellen over de bevrijding?
‘De Bevrijding was een feest, dat ik nooit zal vergeten! In het dorp stonden mensen te zingen en te juichen. Meisjes, die met Duitse soldaten waren geweest, werden op een kar gezet en kaalgeschoren. Iedereen keek toe. Ik was toen zeven jaar en ik mocht, samen met vier meisjes en twee jongens, de bevrijdingsboom planten. Overal stonden mensen, vlaggen, muziek. Het leek een sprookje. We waren trots, dat wij die boom mochten planten.  Ik wil eigenlijk nog eens teruggaan om te kijken of die boom er nog staat. Later kwamen er Engelse vliegtuigen, die kleine parachutes met snoepjes naar beneden gooiden. We renden allemaal de weilanden in om ze te verzamelen. Dat was het teken dat de oorlog voorbij was.’

 

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892