Archieven: Verhalen

‘Ik vraag me soms af waar ik dood wil gaan’

Melle, Rajiv, Talha, Evan uit groep 7A van OBS Wereldwijs in Amsterdam Zuidoost ontmoeten mevrouw Colleen Armstrong op hun eigen school in een piepklein kamertje. Mevrouw Armstrong heeft een mooi geborduurde kaart van Brits-Guiana bij zich, want daar komt ze vandaan. Op de kaart laat ze zien waar ze heeft gewoond en hoe ze later naar Suriname was gereisd.

Hoe oud was u toen u naar Nederland bent gekomen?
In Nederland ben ik gekomen toen ik 33 jaar was. Waar ik ben geboren, in Brits-Guiana, praten ze Engels, want Brits-Guiana was vroeger van de Engelsen. Ze hebben daar de mensen uit West-Afrika naartoe gebracht, dat noemen ze de Creolen, die kwamen daar om te werken als slaaf en later zijn er de contractarbeiders uit India gekomen, dat noemen ze de Hindoestanen. Mijn moeder is Hindoestaans en mijn vader is Creools en Indiaan, dus ik ben gemixt.’

Vond u het moeilijk om in Nederland te gaan wonen?
‘Nee, ik vond het moeilijker om van Brits-Guiana naar Suriname te gaan. Voor ik naar Nederland kwam, ging ik naar Suriname. Ik was 14 jaar toen ik naar Suriname ging. Suriname had een andere taal en cultuur, dus ik moest daar wel aan wennen. Om daar te komen moest ik een dag reizen en daarna een grote rivier oversteken. Dat was een hele spannende tijd voor mij, want ik was ook nog heel jong. In Suriname ben ik met een Nederlander getrouwd, met hem ging ik naar Nederland. Dus ik ben hier voor de liefde gekomen. Toen was ik heel happy en ik kon een nieuw leven opbouwen. Ik heb hier drie kinderen gekregen. Ze zijn naar school gegaan en naar de universiteit, dus daar ben ik trots op. Waar ik wel aan moest wennen, is dat alles zo snel gaat hier.’

Heeft u broers of zussen?
‘Ja, ik heb negen broers en zussen. We woonden op het platteland, dat was leuk en we hadden het goed. We gingen daar naar de lagere school, we hadden een fijn leven met veel buiten spelen. We konden niet doorstuderen, er was alleen een lagere school, dat was wel een probleem. Mijn broers en zussen wonen nu allemaal nog in Brits-Guiana, waar ik ben geboren. Ik ben de enige, die weg is gegaan. Ik ben ook later nooit naar een universiteit gegaan, maar ik heb wel veel geleerd, gewoon door mijn hoofd te gebruiken.’

Waarom bent u weggegaan?
‘Ik had een droom. Ik had foto’s gezien van sneeuw en daar wilde ik in spelen. Ik wilde gewoon weg van het platteland en een beetje avontuur hebben. Toen ben ik eerst naar de stad gegaan. Een nicht van mij woonde in Suriname, toen ben ik van de stad naar haar in Suriname gegaan. Ik moest over de rivier met een boot, zo ben ik naar Suriname gekomen.’

Bent u nog wel eens teruggeweest naar Brits-Guiana?
‘Ik ben pas weer teruggegaan. Ik ben nu net twee maanden terug in Nederland. Ik was blij om mijn broers en zussen weer te zien, maar ik voel me anders dan hen. In Nederland ben ik gewend om vrij te zeggen wat ik wil, maar daar zijn ze dat niet gewend. Ik vond het soms wel moeilijk om met ze om te gaan na al die jaren.  Maar het was wel fijn om ze allemaal weer te zien. Ik was daar met kerst en toen aten we Pepperpot, dat is een typisch kerstgerecht van Brits-Guyana. Dat zijn verschillende soorten vlees met een saus gemaakt van cassave. Het is oorspronkelijk een gerecht van de Indianen. En er zit natuurlijk een beetje peper in. Maar de Hollandse stamppot vind ik ook lekker.’
‘Toch denk ik erover om terug te gaan naar mijn land, mijn jongens zijn nu groot, ze zijn het huis uit en ik ben alleen. Dus ik vraag me soms af waar ik dood wil gaan. En dan is het antwoord ‘thuis’. En mijn thuis is daar in Guiana. Dus het kan zijn dat ik over een paar jaren terugga.’

Archieven: Verhalen

‘In mijn denken en doen, was ik helemaal Nederlands’

Sebastiaan, Albert, Jairo en Georginio uit groep 7A van OBS Wereldwijs in Amsterdam-Zuidoost lopen naar buurthuis No Limit, waar zij mevrouw Asha Ramkisoensing ontmoeten. In het buurthuis staan verschillende tafeltjes en er zitten wat mensen. We zoeken een rustig plekje op. Mevrouw Ramkisoensing is geboren in Suriname en was 13 jaar toen ze met haar ouders naar Nederland kwam.

Hoe was het op school in Suriname?
‘In Suriname zat ik op een meisjesschool. Dus je had jongensscholen en meisjesscholen in Suriname. De school heette de Bernadette School, het was een strenge, katholieke school. We moesten iedere ochtend bidden voordat we begonnen en ook weer voordat we naar huis gingen. Wat het me heeft meegegeven is discipline. Dat is dat je goed kan volhouden. Ik heb heel veel discipline geleerd.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Suriname was een kolonie van Nederland, dat betekent dat Nederland de baas was over Suriname. Toen Suriname onafhankelijk werd van Nederland waren mijn ouders een beetje bang dat er rellen zouden ontstaan. Er waren daar namelijk twee grote bevolkingsgroepen daar; de Hindoestanen en de Creolen. En ze dachten dat de mensen met elkaar zouden gaan vechten. En in Nederland was het veilig, dus toen heeft de helft van de bevolking van Suriname ervoor gekozen om hier naartoe te komen. Ook mijn ouders kozen om naar Nederland te gaan. Dus ik ben eigenlijk gekomen toen bijna de helft van de Surinaamse bevolking hier naartoe kwam. En daarna ben ik hier gebleven en ben ik verder naar school gegaan en heb ik gewerkt.’

Wilt u terug naar Suriname?
‘Ja, ik ben ook teruggegaan toen ik veertig was. En ik was toen zo blij dat ik in het land was waar ik geboren ben. Ik heb het gekend tot mijn dertiende. Het was een paradijs voor mij. Toen ben ik daar zeven jaar gebleven. Ik kon werken en heb hele leuke dingen gedaan. Maar ik ben toch weer teruggekomen, want ik merkte dat ik heel Hollands was geworden. Dus ik was wel Surinaams geboren. Maar in mijn denken en doen, was ik helemaal Nederlands. Op een gegeven moment begon ik Amsterdam te missen, waar ik ook mijn hele leven geleefd had. En toen kwam ik terug, dat is nu acht jaar geleden.’

Wat vond u van Nederland toen u net hier was?
‘Ik vond het heel spannend. Ik was dertien jaar, nog beste jong. Ja, ik vond het heel spannend. Een hele andere cultuur, hele andere mensen. We kwamen in de Bijlmer te wonen. En toen hadden we hier ook weer heel veel Surinamers om ons heen. Ik leefde in twee werelden; in mijn Surinaamse wereld en in mijn Nederlandse wereld. En in die twee werelden, daar bewoog ik in. Ik ging soms mee met het ene en dan weer mee met de andere. Dus ik moest me steeds aanpassen.’

Wat vond u van het eten in Nederland?
‘Het was heel anders dan in Suriname. Je weet dat wij Surinamers een hele lekkere keuken hebben, hè? Je hebt Hindoestaans eten, je hebt Javaans eten, je hebt Afrikaans eten, je hebt echt Chinees, je hebt heel veel soorten eten. Dus Surinaams eten is heel lekker. Aan Nederlands eten moest ik echt wennen. Maar omdat ik met mijn hele familie hier was, at ik nog veel Surinaams. Pas later ging ik Nederlands eten ontdekken.’

Archieven: Verhalen

Toen ik hier net was kreeg ik vragen als: waar is je bananenrokje?’

Noor en Lara mogen Inge Bruyn interviewen in de lerarenkamer van hun school De Brug in Sint Maartensbrug. Omdat het daar vrij donker is, besluiten ze naar de tuin te gaan, daar is het heerlijk in de zon. Mevrouw Bruyn (1949) en de kinderen installeren zich aan een picknicktafel en het interview kan beginnen.

Hoe woonde u in Indonesië?
‘Wij woonden in Soerabaja aan de rivier, in een compound waar alleen Nederlandse mensen woonden. Ik mocht niet alleen van de compound af omdat mijn moeder dat te gevaarlijk vond. Als ik naar school moest, gingen we met een bus, een hele grote bus waar dan maar twee kindjes in zaten. Onze baboe ging altijd naar de markt, maar ik mocht dus nooit mee, heel jammer vond ik dat.

Ook speelden er aan de andere kant van de muur kinderen waar ik niet mee mocht spelen. Maar dat wilde ik wel graag. Daarom gooide ik mijn poppen over de muur en dan dacht ik dat die kinderen ze wel terug zouden brengen. Maar nee, die dachten: wat een mooie poppen, yeah! En mijn moeder maar nieuwe poppen kopen voor mij.

Het was bloedheet en we douchten twee maal per dag, ‘s middags hielden we een siësta. Maar ik had er geen zin in, dus als mijn ouders sliepen, gingen wij van alles doen. Ik mocht bijvoorbeeld niet praten met de baboe. Als ik iets tegen de baboe wilde zeggen zei ik het tegen mijn moeder en die zei het tegen de baboe, vreemd he? Maar als mijn ouders sliepen, ging ik stiekem naar de keuken, met de baboe praten, en als mijn moeder wakker werd rende ik de achterdeur uit.’

Hoe zijn uw ouders in Indonesië terechtgekomen?
‘Mijn overgrootmoeder was een Javaanse en mijn overgrootvader een Nederlander. Ze werden allebei verstoten door hun familie. Mijn overgrootvader omdat hij verliefd werd op een baboe: dat was ver beneden zijn stand. En mijn overgrootmoeder omdat ze trouwde met een verrader omdat mijn overgrootvader bij het leger zat.

Standen waren en zijn in Indonesië erg belangrijk. Bij bruiloften bijvoorbeeld worden huisjes neergezet; hoe rijker hoe groter de huisjes. Als je geld had was je belangrijk. Maar ook speelde je huidskleur mee: hoe lichter je huid hoe belangrijker je was. Wat een mooi Indisch meisje, zeiden de mensen dan, zo blank. Ik was donker dus niet zoveel bijzonders. Maar ja, je bent wie je bent.’

Bent u veel verhuisd?
‘Ik ben heel vaak verhuisd, van Soerabaja naar Jakarta naar Bandung, weer terug naar Jakarta. Na de oorlog wilde Indonesië niet meer dat Nederland de baas was. Ik begreep als kind nooit wat er aan de hand was, maar voelde het wel. In Jakarta was de sfeer gespannen en er werd veel gevochten in de wijk waar ik woonde.

Mijn vader mocht eens per jaar op verlof naar Nederland zodat hij bijvoorbeeld zijn moeder kon zien. Ik dacht dat we op vakantie gingen, dat hadden ze mij gezegd, maar we namen wel heel veel spullen mee. En op de boot zei mijn moeder dat we niet meer terug mochten, dat voelde heel vreemd.

Ik was 8 jaar toen ik naar Nederland kwam. We kwamen terecht in een contractpension, een heel groot huis, een soort van hotel. Daar kregen wij twee kamers. Het was erg sober en we mochten maar eens per week in bad; we mochten niet onder de douche. Toen we aankwamen was er geen eten voor de baby. Mijn vader is toen naar de politie gegaan en een agent is meegegaan naar de melkboer om eten te kopen voor de baby. We kwamen gelukkig snel aan een huis, de baas van mijn vader had dat geregeld.

In Nederland kwam ik op een katholieke school terecht waar ik ineens moest bidden en commune moest doen. Alle meisjes kregen een witte jurk met een kroontje en je moest biechten. Omdat ik een dromer was en liever bloemetjes plukte, kwam ik bijna iedere dag te laat op school.

In het begin kreeg ik vragen als: woonde je in een hutje? En waar is je bananenrokje? Ze voelden ook aan mijn huid en vroegen of ik mijn oogjes niet moest wassen. Heel raar vond ik dat. Maar veel deed dat me niet. Later heb ik er wel erg last van gehad, dat heeft veel invloed op je leven.

Mijn vader was ingenieur. Maar zijn diploma gold hier niet, daarom moest hij terug naar de schoolbanken. Mensen hadden ook een houding van: hij zal wel niets weten. Maar als hij ergens werkte, kwamen ze er snel achter dat hij heel veel wist.’

En hoe was het voor uw moeder?
‘Mijn moeder was gewend dat er allemaal mensen voor haar werkten die alles voor haar deden. In Nederland was dat compleet anders. Mijn moeder was niet gewend te koken en op te ruimen; ze kon niets zelf, dus ze vond het vreselijk. Koken kon ze ook niet, dan ging ze de Margriet lezen en was het weer aangebrand. Mijn moeder zei altijd: gedraag je netjes want je bent een goede burger. Nou, ik had bij de boeren gezien dat zij slurpten en dacht dat ook te proberen maar mijn moeder ging meteen door het dak.’

Voelt u zich Nederlands?
‘Dat is een raar gevoel. Ik ben niet Indonesisch, niet Javaans, niet Nederlands, tussen wal en schip noem je dat. Ik noem mezelf een wereldburger.’

Archieven: Verhalen

‘Als straf moest je schrijven: ik mag op school geen Surinaams spreken’

Bas en Charlie van basisschool De Brug in Sint Maartensbrug hebben het interview goed voorbereid en maken alvast een kopje thee voor iedereen. Als ze buiten aan de picknicktafel zitten komt Henk Heilbron al aanlopen; hij heeft de flyers van Ketikoti-festival dat hij organiseert in zijn handen. Hij heeft er zin in en Bas en Charlie ook. Meneer Heilbron (1953) is geboren in Suriname en kwam in 1973 naar Nederland.

Waar woonde u in Suriname?
‘We woonden in Paramaribo. Ik had veel broertjes en zusjes. We zagen om ons heen rimboe, een modderstrand waar je krabben kon vangen maar waar je niet kon zwemmen omdat de modder je vastzoog… We hadden hele andere huisdieren: schildpadden, aapjes, papagaaien, zangvogels die zo mooi konden fluiten. Dat kon gewoon.

In Suriname woonden en wonen allerlei verschillende culturen. Je had de Chinezen, de inheemse bevolking (indianen) en de Marrons, dat waren weggelopen slaven. Maar je had ook de witte mensen uit Engeland, Frankrijk en Nederland en de Creolen. De witte mensen sliepen met de tot slaaf gemaakten, en hun nazaten noemen ze ook wel Creolen en mensen met dubbelbloed. Toen ik in Suriname woonde, ging iedereen met elkaar om.’

Had u een geloof in Suriname?
‘Je moest een geloof hebben. Tijdens de slavernij werd het geloof stevig gebruikt om mensen te intimideren, je moest katholiek zijn anders was je een heiden. De tot slaaf gemaakten gingen niet naar een kerk, die hadden bijvoorbeeld een totem en baden tot de schepper op hun manier. Maar de christenen verplichtten ons om hun geloof te aanvaarden. Ik was verplicht om zondag naar de kerk te gaan. Als je ging kreeg je een bewijsje dat je op school moest laten zien, anders kreeg je straf.

Ik dacht als kind dat het zo hoorde, maar als je ouder wordt dan ga je nadenken over wat je doet en waarom. En ik besefte dat sommige geloven mensen in een hoek drukken. Dat soort geloven zijn niet voor mij, daarvoor ben ik te rebels. Als ik opsta en als ik naar bed ga dank ik de schepper voor het leven, en bij alles wat ik doe. Er zijn zoveel leuke dingen. Ik ben dankbaar.’

Hoe was het op school in Suriname?
‘Op school leerde ik alleen maar over Nederland, over de Nederlandse rivieren zoals de Rijn, over de Waddenlanden, alles moest je uit je hoofd leren, terwijl ik van Suriname nog niets wist.

En ik kreeg vaak straf. Soms ging ik niet naar de kerk en had ik geen kaartje, dan kreeg ik straf. Ik was toen 6 jaar en moest in de hoek staan en kreeg tikken met een harde plank. Alle kinderen in de klas zagen dat. Dat voelde vernederend. Ook als je op school niet netjes genoeg schreef kreeg je met een plank klappen op je handen. Hoe slechter je handschrift, hoe meer tikken, dus dan schreef ik wel netjes. Ook mocht je op school geen Surinaams spreken. Als je dat toch deed, zoals ik, moest je 300 regels schrijven: ik mag op school geen Surinaams spreken. De leraren hadden de opdracht om de straffen uit te voeren. Als ze zich daar niet aan hielden, kregen zij ook straf.’

Waarom kwam u naar Nederland?
‘In Suriname waren veel stakingen op school en mijn opleiding werd iedere keer onderbroken. In Nederland was de situatie stabieler, daar was beter onderwijs. Daarom besloot ik om het in Nederland te proberen, in het moederland. Mijn ouders waren al eerder gegaan maar toen wilde ik nog niet mee, het was wel verdrietig dat zij weggingen.

De laatste dag in Suriname was treurig. Ik voelde me weemoedig, ik vertrok met gemengde gevoelens, ik liet mijn vrienden achter maar ging voor een nieuw leven.’

Hoe was het voor u in Nederland?
‘Ik was 20 jaar en maakte snel vrienden. Mijn ouders, broers en zussen waren er ook al. Maar er werd wel veel gediscrimineerd. In het dagelijkse leven maakte ik gekke dingen mee. Vaak riepen mensen: ga terug naar je apenland. Of: Sambo!.

Vroeger was de discriminatie heel hoog. Ik stond bijvoorbeeld bij de bushalte te wachten en dan reed de bus langs me heen, toeterend en de chauffeur zwaaide maar stopte niet! Dan sta je daar boos te zijn, en kom je weer laat op je werk. Daar zeiden ze dan: ja hoor, zie je wel, Surinamers zijn altijd te laat! Terwijl ik er niets aan kon doen.

Discriminatie kwam hard binnen maar je groeit erin. Je kunt boos blijven, maar later dacht ik: laat ze maar, want het zegt ook veel over de persoon zelf, het is vaak onwetendheid. We zijn allemaal gelijk, er is niet veel verschil behalve een ander kleurtje. In ons hoofd hebben we dezelfde ideeen en gedachten. Discriminatie doet mij tegenwoordig niets meer, maar het gebeurt nog steeds. Het maakte me ook sterk. Schouder omhoog en vooruit kijken.’

Heeft u spijt dat u naar Nederland bent gekomen?
‘Het liefste leef ik mijn thuisland, maar ik heb weinig tot geen spijt heb van dingen. Als je met spijt blijft rondlopen dan is dat niet goed, het leven gaat verder. Ik heb hier heel veel geleerd en opgebouwd. Mijn toekomst is hier. Ik krijg soms wel heimwee maar dan ga ik gewoon even terug naar Suriname.’

Hoe is de geschiedenis van uw voorouders?
‘Dat hebben we een poosje geleden uitgezocht. De oma van mijn oma was een tot slaaf gemaakte maar een van mijn betovergrootvaders was een slavenhandelaar. Dat vond ik best wel eng om te ontdekken. Ik streef naar vrijheid en herdenking en in mijn achterhoofd weet ik dat ik een nazaat ben van slavenhandelaren, dat maakt het wel eens wrang, maar ik kan er natuurlijk niets aan doen.’

Archieven: Verhalen

Na de oorlog trof mijn vader ons toevallig aan in Soerabaja’

Frans Pfaff komt al vroeg basisschool De Brug in Sint Maartensbrug binnenwandelen, samen met zijn drie kleindochters. Mogen zij er ook bij zijn, vraagt hij. Natuurlijk mag dat. Ze installeren zich buiten met een kopje thee en Bruce, Yarik en Ruben bereiden het interview nog even voor. Even later zitten ze heerlijk in het zonnetje, terwijl meneer Pfaff enthousiast vertelt.

Waar woonde u in Indonesië?
‘Ik woonde in Jakarta, een hele grote stad aan een heel mooi strand vlakbij een grote zeehaven. We gingen lopend naar school. Dat was een half uur lopen en je ging elk half jaar over naar een volgende klas. Tot 1948 hadden we op school Nederlandse boeken en spraken we Nederlands. Maar na de onafhankelijkheid leerden we op school Behasa Indonesisch en kregen we andere boeken. Toen ik naar Nederland vertrok zat ik in groep 8.’

U maakte de Tweede Wereldoorlog mee in Indonesië, hoe was dat?
‘In 1942 verklaarde Nederland de oorlog aan Japan en ging mijn vader het leger in. Hij moest strijden tegen de Jappen. Een maand later gaf Nederland zich over en zijn alle militairen in Indonesië overgebracht naar krijgsgevangenkampen.

Mijn vader kwam op het eiland Floris in het gevangenkamp terecht. Mijn moeder werd opgepakt en in een vrouwenkamp gezet, ze mocht haar kinderen niet meenemen. Een tante van ons heeft ons toen meegenomen en heeft de hele oorlog voor ons gezorgd. Tijdens de oorlog, gedurende 4 jaar, hebben we onze ouders nooit gezien.’

Hoe vonden jullie elkaar weer terug?
‘Na de oorlog heeft mijn vader ons moeten zoeken en heeft hij ons via het Rode Kruis gevonden. Door een toevalligheid trof hij ons aan in Soerabaya. Iemand die hij kende, belde mijn vader en zei: Ton, volgens mij zijn jouw kinderen bij jouw oudste zus! Mijn vader vertrok meteen vanuit Jakarta met het vliegtuig naar Soerabaya, daar heeft hij ons voor het eerst weergezien. In Jakarta zijn we herenigd. Heel vreemd als je je ouders na zoveel jaar terugziet. Ik wist nog hoe hij er uitzag maar mijn jonge broertjes niet. Voor die meneer die ons kwam halen waren ze best een beetje bang.

Toen Japan de oorlog verloor en Indonesië bevrijd werd, wilde Nederland Indonesië als kolonie weer terug hebben vanwege alle specerijen waarmee ze heel veel geld verdienden. Maar dat wilden de Indonesiërs niet, zij wilden geen kolonie meer zijn van Nederland. Ze vonden ook niet dat Nederland daar automatisch weer de baas kon zijn; Japan had het land teruggeven aan Indonesië. Daarom barstte er een grote onafhankelijkheidsstrijd los tussen de Indonesische bevolking en de Nederlandse militairen. In dit Nederlandse leger zaten ook Indische mensen die oorlog moesten voeren tegen hun eigen landgenoten. Veel jongeren hadden het heel moeilijk in deze oorlog; ze moesten op hun 18de zomaar iemand doodschieten…’

Hoe gingen jullie weg uit Indonesië?
‘Toen Indonesië onafhankelijk werd, moesten alle Europeanen moesten uit Java weg, dus ook wij. Op een middag kwam mijn vader thuis en zei: jongens binnen blijven en inpakken! Morgenochtend worden jullie opgehaald om naar Nederland te gaan.

Wat je vader zei dat volgde je gewoon op, als 10-jarige denk je: dan ga ik maar… Maar wat wisten wij van Nederland? Niets! Waar lag dat? We konden geen afscheid nemen van vrienden en familie. Ik pakte een klein koffertje in want we mochten niet veel meenemen en ik wachtte op ons vertrek.

‘s Morgens stond er een legervoertuig klaar, we reden naar het schip en gingen aan boord. We zouden vier weken varen op een legertransportschip. Ineens zat ik op een heel groot schip… De wc en de reling van de boot waren die reis mijn grootste vrienden: ik was zeeziek en heel misselijk.’

Ik kwam aan in Wijk aan Zee in oktober 1950. Het was heel koud. Ik kwam uit 36 graden en liep in een hempje en kort broekje. De kou in Nederland was mijn eerste ervaring.’

En hoe was het in Nederland voor u?
‘Op school konden we de lessen meteen volgen omdat we al Nederlands spraken. Maar in de klas was ik de enige beige Hollandse jongen. De kinderen hadden nog nooit een bruine jongen gezien. Zwart zeiden ze in het begin. Ze vonden het ook vreemd dat we zomaar Nederlands spraken. Als grapje zeiden we dan dat we dat in die vier weken op het schip hadden geleerd.’

Archieven: Verhalen

‘Ik woonde op plantage Waterland en heb een geweldige jeugd gehad’

Ed Klein (1952) komt net uit Kazachstan waar hij een lange wandeltocht heeft gemaakt met mannen. Hij ziet er fit uit en heeft ook een prachtige houten stoel meegebracht en een boek van plantage Waterland, waar hij opgroeide in Suriname. Melissa en Lize van De Brug in Sint Maartensbrug zoeken, met een kopje thee erbij, buiten een plekje in de schaduw en stellen hun eerste vraag.

Hoe woonde u in Suriname?
‘Ik woonde op plantage Waterland aan de Surinamerivier. Mijn vader was daar de zetman, de baas zeg maar. De eigenaren kwamen uit België.

Ik had een geweldige jeugd; er was bos en er werden sinaasappelen, koffie en cacao verbouwd. Het was één grote speelplaats. Er was bos om te vissen en vogels om te schieten en er waren veel kinderen van gezinnen uit verschillende culturen. Bij de plantage woonden wel 120 mensen en ze kwamen uit allerlei landen: uit Afrika, Java, India, van alles doorelkaar.

Op en rondom de plantage waren kanalen waarover we alles vervoerden wat we verbouwden. Als je op een ladder met een zak over je schouder koffiebonen aan het plukken was, liet je de bonen in de zak glijden en als de zak vol was zette je hem neer aan de waterkant. De zakken werden met een boot opgehaald en vervoerd naar de fabriek.

De sloten en kanalen waren voor het vervoer handig, maar ook voor irrigatie zodat de bomen altijd genoeg water hadden. De sluis was er om de waterstand te regelen.’

Hoe ging u naar school?
We woonden 10 kilometer van de school. Eerst moesten we op de fiets naar de achterkant van de plantage en daar wachtten we met andere kinderen op de schoolbus die ons naar school bracht. Bijzonder was dat ze dezelfde lessen gaven als in Nederland. We lazen boeken die jullie ook lazen. Over sneeuw, ijs en kou, in het Nederlands, en we waren op school ook verplicht om Nederlands te spreken.

Onze school begon om 07.30 en om 15.00 uur gingen we weer terug. Als we naar school gingen, moesten we schoenen aan. Dat vonden we vreselijk. We liepen allemaal altijd op blote voeten.’

Waarom gingen jullie naar Nederland?
‘De plantage werd verkocht omdat Suriname graag onafhankelijk wilde zijn van Nederland. In 1963 werd de plantage verkocht en vertrokken wij naar Nederland. We gingen met de boot en namen een heleboel spullen mee. Al mijn vriendjes liet ik achter. Voor mij was de bootreis vreselijk want we waren nog niet op zee of ik was al zeeziek, dus van die reis heb ik niet veel meegekregen. En bij aankomst zat ik ineens in een heel ander land.

Toen ik hier aankwam voelde ik meteen de kou, dat had ik nog nooit meegemaakt. Bij ons was het altijd zo’n 28 graden. We verbleven bij familie in Soest, die ons leerde schaatsen. Ik viel constant en mijn wollen wanten werden helemaal nat. Toen ik thuiskwam, kroop ik verkleumd voor de kachel. Niks voor mij… Nog steeds vind ik de winter niet leuk.’

Hoe was het contact met andere kinderen in Nederland?
‘De kinderen vroegen vaak: waar kom je vandaan? Ik sprak wel Nederlands, de woorden waren hetzelfde, maar ik klonk anders. Dan keek iedereen naar je en moest je iedere keer weer uitleggen waar je vandaan kwam. Het eerste jaar vond ik heel moeilijk omdat ik nog bijna niemand kende.

Tijdens de eerste week op school kwam er een jongen naar me toe. Ik heet Rudi, zei hij, en ik ga je helpen. We werden misschien niet echte vrienden, maar ik ben hem wel dankbaar; hij heeft me het eerste jaar geholpen om te wennen op school.

Ik moest er ook aan wennen dat jongens en meisjes met elkaar speelden. Dat was in Suriname niet zo. Daar speelden de jongens met de jongens en de meisjes met de meisjes. Dus toen ik meedeed met het spelletje 1,2,3,4,5,6,7 wie zal ik een kusje geven… vond ik dat vreemd én spannend.’

Bent u wel eens teruggegaan naar plantage Waterland?
‘Ja, in 2017 ben ik teruggegaan. Het was heel anders. De plantage bestond niet meer. In mijn gedachten was alles mooi, maar ons huis was helemaal overwoekerd en alles wat bruikbaar was, was inmiddels gesloopt. Suriname was nog steeds mooi, maar heel anders.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn oma werd met haar dochter ontvoerd en op een boot naar Suriname gezet’

Shakuntala Devi komt basisschool De Brug in Sint Maartensbrug binnen met allemaal tassen vol spullen die ze aan Borys, Ruben en Dex wil laten zien. Ze nemen de spullen mee naar buiten en mevrouw Devi drapeert alles zorgvuldig op de tafel. Dat ziet er wel heel leuk uit! De leerlingen zijn benieuwd naar haar verhaal. Mevrouw Devi (1952) kwam in 1975 vanuit Suriname naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘We woonden op een plantage waar ze rijst, suikerriet, bananen, cacao en koffie verbouwden. Ik werkte ook af en toe mee, en vond dat erg leuk. Er liepen kippen en ook ganzen, dat waren onze waakhonden. We mochten alleen begeleid ergens heen omdat mijn ouders het anders gevaarlijk vonden. Ze waren bang dat ik een leuke man tegenkwam…

Op de kleuterschool, die noemden we freubelen, had ik het naar mijn zin. Op de lagere school hadden we Nederlandse boekjes, we leerden Aap Noot en Mies, en de steden en stations in Nederland. We gingen zelfs met school op reis naar Nederland om te zien wat we hadden geleerd. Dat is wel heel anders dan uit de boeken.’

Werkte u ook op plantages in Suriname?
‘Ja, ik werkte daar omdat ik het leuk vond. Zelf heb ik rijst geplant en gesneden en ik ging ook wel krabbetjes zoeken in de mangroven. Op de plantage was een heel irrigatiesysteem met veel sluizen, zodat ze de waterstand konden regelen.’

Hoe is uw oma in Suriname terechtgekomen?
‘Mijn Indiase oma werd geslagen door haar man en ging bij hem weg, terug naar haar ouders. Maar haar ouders stuurden haar weer naar hem. Onderweg werd ze met haar dochter ontvoerd en op een boot naar Suriname gezet om daar op een plantage te gaan werken. Toen mijn oma hoorde dat ze naar Suriname ging, dacht dat ze naar het Beloofde Land ging, want Suriname is in India een god.

Mijn oma had een klein huisje op de plantage en ze moest heel hard werken. ‘s Avonds moest ze dan nog eens werken om haar eigen spullen te verbouwen zodat ze konden eten. Dat waren hele lange dagen. Ze kreeg een contract voor vijf jaar, daarna kon ze terug naar haar land, maar alleen met de kinderen die ze bij zich had toen ze aankwam. Omdat ze in die vijf jaar nog twee kinderen had gekregen mochten die niet mee terug, en daarom bleef ze in Suriname.

Mijn oma was mijn grote voorbeeld en ik heb veel van haar geleerd, met name om voor mezelf te gaan staan.’

Waarom kwamen jullie naar Nederland?
‘We waren op vakantie in Nederland toen in Suriname de drang naar onafhankelijkheid steeds sterker werd. In die tijd gebeurden er nare dingen in het land en het werd er gevaarlijk en onrustig, daarom zijn we in Nederland gebleven.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder werkte in Utrecht en mijn vader in Franeker. Ons gezin lag helemaal in puin’

Living, Rosa, Erva en Aya van het Metropolis lyceum in Amsterdam-Noord worden met open armen ontvangen door Jeanette van der Stelt. Met thee en limonade. Mevrouw van der Stelt was heel vrolijk, maar er waren ook momenten waarbij ze even emotioneel werd. Met elkaar leggen de leerlingen onderstaand verhaal vast. ‘Het interview met mevrouw van der Stelt is een interview dat ons altijd nog zal bijblijven’ zullen ze na afloop zeggen.

Wat was uw leukste herinnering aan uw jeugdtijd?
‘Dat was onze aap Kees. Wij waren op vakantie op de rubberplantage in Indië bij vrienden van mijn ouders en die zaten daar op het terras lekker met klappertaart en thee. Toen kwam er iemand aan lopen en die heeft zo’n klein aapje bij zich van vier dagen oud in een vogelkooitje. Die was dus uit een boom gevallen, want ze joegen die apen uit de bossen weg, omdat ze de vruchten van de rubberboom opaten. We mochten het aapje houden. Met een pipetje werd melk gevoed en hij werd dus helemaal onze tamme Kees.’

Waar heeft u allemaal gewoond  en hoe zag het er toen uit?
‘Ik was vijf toen ik voor het eerst wegging uit Nederland. Toen zijn we met de boot naar Malang gegaan, omdat mijn vader daar ging werken en daar was ik vanaf mijn vijfde tot aan mijn tiende. Daarna zijn we ruim twee jaar terug geweest in Nederland. Vanaf mijn tiende tot mijn twaalfde hebben we in Nederland op hele verschillende adressen gewoond. Niet als gezin toen, omdat er geen huis was en geen werk en noem maar op. Ik bij een oom en tante, mijn zus bij een vriend van mijn vader en mijn oudste broer bij een vriendin in Zwolle, waar we gewoond hebben. Mijn moeder werkte in Utrecht. Mijn vader werkte in Franeker, dus ons gezin lag helemaal uit het puin.’

Hoe zag uw huis eruit in Nederlands-Indië?
‘We hadden daar een heel groot huis, kon je dan met een auto zo voorrijden, met hele grote kamers. We hadden natuurlijk bediendes. En eigenlijk was het zo dat als je daar iets wilde opzetten, dan vond de regering dat wel prima. Je kon daar komen, maar als je een school wilde beginnen, dan wilden ze wel dat hun mensen de kans werd geboden om daar een baantje te krijgen. Dus de school had Indonesische mensen die schoonmaakten, die de tuin bij hielden, die hier een reparatiesysteem fixten en dat deden zij ook voor ons thuis. We hadden dus iemand die voor ons kookte, iemand die de was deed en iemand voor de tuin, die betaalde je gewoon.’

Waarom werd u ‘pinda’ genoemd?
‘Het is een Nederlands woord, hè? In het Indonesisch is het ‘katjang’. Dus een pindanootje in het Indonesische heet katjang. Dus het is geen pindasaus, maar katjangsaus nou dan kom ik als Hollands blond meisje en heb ik het over pinda’s. Toen werd dat mijn bijnaam.

Reflectie
‘Wij hebben bij deze opdracht uit het perspectief van een andere persoon gekeken. We hebben geleerd hoe mensen in verschillende situaties toch positief blijven en hoe ze met bepaalde situaties omgaan waar wij zelf nog nooit in hebben moeten staan. Het was een heel leerzaam en leuk project om te doen. Hoe dit project in elkaar zit is een manier hoe wij echt dingen hebben kunnen leren en meemaken doordat het niet alleen leren uit een boek was, maar dat wij zelf ook op stap konden en mensen hebben kunnen interviewen. Dit interview met Jeannette van der Stelt  zal ons altijd bij blijven.’

Archieven: Verhalen

‘Ook school was Nederlands; je leerde er hetzelfde als wat je hier in Nederland leerde’

Jane Veltman  (89 jaar)is geïnterviewd door: Angelina Kastelijn, Guusje Zurburg, Jikke Dijkstra en Francesca Gijsbers van het Metropolis Lyceum in Amsterdam-Noord. Ze hebben met elkaar haar verhaal vastgelegd. Mevrouw Veltman was 10 jaar toen ze naar Nederland kwam.

‘We kwamen aan en we werden erg lief ontvangen, er was een kamer mooi versierd er stonden koekjes klaar en er werd ons water aan geboden. Mevrouw Veltman vond dat we met leuke, orginele vragen kwamen.’

Heeft u nog last van de dingen die vroeger zijn gebeurd?
‘Ik heb er niet echt last van gehad want mijn ouders hielden dat weg van mij. Ze hielden alle narigheid weg, dus ik heb er niet super veel van gemerkt. Het enige wat ik natuurlijk wel heb meegemaakt was in het kamp, maar daar spraken ze zelfs niet met mij over.’

Hoe was het in het kamp?
‘Het was allemaal heel primitief; er was heel weinig. Je had ongeveer de plek van een parkeerplaats en het matras was superdun, ongeveer 1 tot 2 centimeter. We hadden ongeveer zeven van dat soort plekken. Je mocht niet klagen, want dan zou je geslagen worden. Andere nare dingen hield mijn moeder voor zichzelf, die werden niet aan mij verteld.’

Bent u nog wel eens teruggegaan naar uw geboorteland?
‘Nee mijn zus wel, maar mijn ouders waren daar heel bang voor. De broer van mijn vader is daar met zijn gezin vermoord. Daarom waren mijn ouders ook zo bang. Ik ben zelf nooit teruggegaan, want ik wil niet in een arm land wonen. Ik ben wel nog naar Maleisië geweest. Dat is ook een tropisch land daar spreken ze ook Indonesisch. Ik vond het heel leuk om in daar te zijn.’

Hoe oud was u toen de oorlog uitbrak?
‘Ik zat toen net in groep drie, dat heette toen de eerste klas van de basisschool, dus ik was net zes geworden. Maar dat was pas in 1941 omdat de oorlog daar een jaar later was begonnen.

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Je weet niet beter, je bent er geboren. Het was eigenlijk gewoon Nederland, want we spraken er Nederlands, met je vrienden en kennissen. Ook school was Nederlands, je leerde er hetzelfde als wat je hier in Nederland leerde.

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘Met de boot. Toen mijn vader met pensioen ging zijn wij naar Holland gegaan, want als je met pensioen was werd de reis voor je betaald. De reis duurde een maand. Op de boot was het gewoon wat het was, want we waren het gewend. Er was tijdens de oorlog ook geen bioscoop waar je gezellig naartoe kon gaan.’

‘Mevrouw Veltman heeft ons meegegeven dat je niemand moet onderschatten en ik vind dat een mooie les, omdat ik zelf ook wil dat iedereen gelijk wordt behandeld. Ik vond dit project heel erg leuk omdat je heel erg onderzoek moest doen en het was heel leuk om Jane Veltman bij haar thuis te interviewen. Ze zei: ‘ik leef nu, dus ik moet nu nog de dingen doen die wil.’ Ze had ook iets van haar bucketlist gehaald: namelijk naar Italië. Dat zal mij bijblijven’

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Daarom ben ik weggegaan, met veel verdriet, maar ook hoop in mijn hart’

Margot Murg is geinterviewd door Sydney, Chahid, Rayan en Yassin van het Metropolis Lyceum in Amsterdam-Noord. Ze komt uit Paramaribo, de hoofdstad van Suriname. Ze hebben met elkaar haar verhaal vastgelegd, ook in een presentatie. Wat de leerlingen bijzonder mooi vonden: ‘ze heeft moeilijke dingen meegemaakt, maar ze is nooit gestopt met hopen en dromen’.

Hoe lang woont u al in Nederland?
‘Ik woon al meer dan vijftig jaar in Nederland. Ik kwam hier als jonge vrouw, na een reis met de boot van maar liefst drie maanden! Alles was toen spannend en nieuw. De huizen zagen er anders uit, de mensen waren stil. Ik verstond de taal niet goed, maar ik leerde het allemaal beetje bij beetje.’

Hoe was het in Paramaribo? En waarom bent u weggegaan?
‘Paramaribo was warm, gezellig en levendig. Er was muziek op straat, kinderen speelden buiten en de mensen waren vriendelijk. We leefden simpel, maar we waren gelukkig. We hadden niet veel spullen, maar we hadden elkaar. We kookten buiten op hout, aten met de buren en iedereen kende elkaar. Als iemand hulp nodig had, dan stond iedereen klaar. Dat was mooi. Er was weinig werk. Er waren niet genoeg kansen. En ik wilde vooruit in het leven. Daarom ben ik weggegaan, met veel verdriet, maar ook hoop in mijn hart.’

Wat is uw mooiste herinnering aan Suriname?
‘Mijn mooiste herinnering is dat we elke zondag met de hele familie naar de rivier gingen. We namen eten mee, gingen zwemmen en lachten samen. Soms kwamen wel twintig mensen bij elkaar. We zongen, dansten, en genoten van de zon. Dat waren de fijnste dagen van mijn leven.’

Wat deed het met u, mentaal en emotioneel?
‘Soms was ik verdrietig. Ik miste mijn moeder, mijn zusjes, mijn huis. In Nederland was het vaak koud en stil. Ik voelde me soms alleen, alsof ik nergens bij hoorde. Maar ik ben niet gestopt; Ik bleef doorgaan, en ik leerde om sterk te zijn. Nu kijk ik terug en ben ik trots dat ik niet heb opgegeven.’

Wat vindt u van discriminatie?
‘Discriminatie is heel pijnlijk.Soms keken mensen raar naar mij. Of ze zeiden nare dingen. Alleen maar omdat ik een andere kleur heb of uit een ander land kom. Dat is niet eerlijk. We zijn allemaal mensen. Iedereen verdient respect. Ik heb geleerd: je moet staan voor wie je bent. Laat niemand je klein maken.’

Heeft u een levensles voor ons?
Blijf altijd jezelf. Wees trots op waar je vandaan komt. Schaam je nooit voor je taal, je kleur of je afkomst. En geef nooit op, ook al is het moeilijk. Het leven heeft mooie en moeilijke momenten. Maar als je gelooft in jezelf, dan kom je er wel. En nog iets: help anderen. Samen sta je sterker.’

Zou u iets anders doen als u het opnieuw kon doen?
Sommige dingen waren moeilijk. Maar ik heb geen spijt. Mijn keuzes hebben mij gevormd. Ik heb geleerd, gewerkt, en liefde gekregen.En ik heb gezien dat je ver kunt komen als je maar blijft geloven.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892