Oorlog in mijn Buurt
‘Mijn vader weigerde de ariërverklaring te tekenen’
Febe, Sem, Vanelgi ontmoeten Greet Wiebosch
Willem, Rames, Marlous en Frieda uit groep 8B van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen mevrouw Henny Houtkoop. Ze gaan met de tram naar haar huis. Mevrouw Houtkoop heeft een Joodse moeder en was nog maar een baby’tje tijdens de oorlog. Wat ze kan vertellen, heeft ze gehoord van haar ouders en haar broer.
Hoe wist uw moeder dat ze joods was?
‘Mijn moeder werd in 1905 geboren in Wenen, als dochter van een Joodse, alleenstaande, Poolse moeder. Kort na haar geboorte werd ze afgestaan, omdat haar moeder niet voor haar kon zorgen. Ze werd naar een arm dorpje in Tsjechië gebracht en daar bij pleegouders geplaatst. Ze had een hele lieve pleegmoeder, maar haar pleegvader was vaak dronken en ging dan slaan. Toen ze tien jaar oud was, moest ze terug naar Wenen en kwam ze in een Joods kindertehuis terecht. Ze voelde zich eigenlijk helemaal niet Joods. Ze had in Tjechoslowakije alleen maar enge verhalen gehoord over joden. Bijvoorbeeld; weet je waarom Joden zulke rode lippen hebben? Omdat ze baby’tjes eten. Nou, dat soort verhalen. En op straat werden Joodse kinderen soms uitgescholden door andere kinderen.’
‘Ook vertelde ze een keer dat ze in de trein op weg was naar Roemenië. Ze zat heel leuk met een Poolse jongen te praten. Toen ze vertelde dat ze Joods was, sprong hij op alsof hij door een wesp gestoken was en ging in een andere coupé zitten. Dat maakte indruk op haar, het liet zien hoe sterk het antisemitisme in Europa al was, nog vóór de oorlog. In 1927 reisde ze naar Nederland. Ze had gehoord dat Nederland rijk was en wilde daar werken als kindermeisje. Bij de grens controleerde een man haar papieren en zei: ‘U bent Joods.’ Mijn moeder schrok heel erg. Maar de man stelde haar gerust; in Nederland werd je niet op ras geregistreerd, maar op geloof. Dat was een groot verschil met Oostenrijk.’
Hoe waren de oorlogsjaren voor uw moeder?
‘Toen de Duitsers Nederland bezetten, veranderde alles. Joden moesten zich laten registreren. Mijn moeder twijfelde, maar de familie van mijn vader raadde haar aan het toch te doen. Ze zei tegen de mensen achter het loket: ‘Ik weet niet wie mijn vader is en volgens mij ben ik niet Joods.’ Toen zeiden ze: ‘Dat gaan wij uitzoeken.’ De volgende keer ging er een oom mee. En toen zei de ambtenaar: ‘We hebben het uitgezocht. Uw vader was wel een Jood, u bent Joods.’
‘Ze moest dus een Jodenster dragen en via de achterdeur weer naar buiten. Toen ze buiten stonden, rukte ze meteen die ster af. Toen zei mijn oom nog: ‘Doe dat nou niet hier voor de deur.’ Mijn broer vertelde later dat ze thuis aan tafel met de ster op haar jas zat te schuiven, ze wist niet of ze hem erop zou naaien. Uiteindelijk heeft ze dat nooit gedaan. Want als je een ster op had, mocht je op allerlei plekken niet meer komen.’
Hoe was het voor uw moeder om tijdens de oorlog een baby te krijgen?
‘Ik ben geboren in maart 1944 in Amsterdam, de hongerwinter moest nog komen. De bevalling van mijn oudere broer was heel moeilijk geweest. Dus toen mijn moeder zwanger was van mij, moest ze van de dokter in het ziekenhuis bevallen. Maar toen ze zich meldde bij het ziekenhuis, werd ze weggestuurd. Ze was Joods en Joden mochten daar niet geholpen worden. De huisarts schrok toen hij dat hoorde en zei dat ze gewoon nog een keer moest gaan, maar zonder haar Jodenster en zonder haar persoonsbewijs te laten zien. Zo is het uiteindelijk toch gelukt, en ben ik toch in het ziekenhuis geboren.’
Hoe was de hongerwinter?
‘Kort na mijn geboorte kwam de hongerwinter van 1944-1945. Ik weet dat mijn moeder heel erg mager was en ik een hele magere baby was. Mijn broer was toen zeven jaar oud en had ook veel honger. Omdat er een baby in huis was, kregen we soms een beetje extra voedsel op de bon, bijvoorbeeld suiker. Mijn broer moest soms voor mij zorgen als mijn moeder boodschappen ging doen. Later vertelde hij hoe hij mij eten gaf: ‘Een hapje voor Hennie, een hapje voor Henk.’ Zelf had hij natuurlijk ook honger.’