Oorlog in mijn Buurt
‘Pas in augustus 1945 konden wij terug naar Amsterdam’
Aya, Lora, Lucas ontmoeten Annelies Arens-Jacobi, 6 jaar toen de oorlog begon
Jacey, Liné, Sophie, Noan en Dyano van ’t Honk in Kapelle hebben geluk en mogen helemaal met de auto naar Wemeldinge, op bezoek bij Adrie Vermerris. Ze passen precies met zijn vijven op de bank. Na het bezoek kijken ze ook nog even bij het momument ter ere van de slachtoffers van de oorlog in Wemeldinge. Een heel bijzondere middag.
Hadden jullie onderduikers in huis?
‘We woonden met het gezin in een dijkwoning. Mijn ouders waren van de Ondergrondse Dienst, dan ben je voor je eigen land en tegen de vijand. Zo mocht je van de Duitsers geen radio hebben, maar wij hadden er wel stiekem één, namelijk op zolder.
Op een gegeven moment was ik heel nieuwsgierig en ben ik op de wasmachine geklommen om op de zolder te kijken. Toen zag ik tot mijn schrik een man. Aan mijn moeder vroeg ik wie die man was, maar ze ontkende dat er iemand op de zolder zat en dat ik het waarschijnlijk gedroomd had. Door de manier waarop ze het zei begreep ik wel dat er niet over gepraat mocht worden.
Na de oorlog hebben mijn ouders mij verteld dat er inderdaad een onderduiker op de zolder zat, dus ik heb het al die tijd gewoon goed gezien.’
Kwamen er ook Duitsers bij jullie thuis?
‘Bij onze dijkwoning hadden we ook een buitenkraan. De Duitsers die aan de overkant in het groen zaten, hadden geen stromend water in de barak, dus die moesten altijd bij ons water komen halen. Ze mochten niet verder komen dan de kraan. Daar hielden ze zich goed aan.
We hadden zelf zo nooit gebrek aan water, maar we hebben gelukkig ook geen honger gekend. Mijn vader was heel actief. Hij hield een moestuin bij, we hadden ook kippen, die over de dijk liepen. Je mocht er maar tien hebben, maar wij hadden er veertig. Maar als de Duitsers controleerden, speelden we altijd dom en zeiden we dat we niet wisten welke kippen bij ons hoorden en welke van de buren waren.’
Ging het alarm wel eens af?
‘Onze dijkwoning staat er niet meer, maar was destijds heel dicht bij het strandje hier op Wemeldinge. Naast het strandje was nog een stukje groen en daar woonden de Duitse soldaten, met vier grote kanonnen die dienden als afweergeschut.
Een keer was het luchtalarm. Als het luchtalarm ging, moesten we uit bed en snel gaan schuilen, want je wist: dan is er gevaar op komst.
De Duitse soldaten vlogen tijdens het alarm de dijk op, maar het afweergeschut stond verkeerd afgesteld en stond nu precies op ons huis gericht. Ze schoten uiteindelijk met dit afweergeschut en de geschoten kogel kwam precies boven mijn bed terecht.
Mijn vader was zo kwaad. Hij was zo kwaad, zo kwaad! Dus die vloog zo de dijk op, zonder wapens. Terwijl je helemaal de dijk niet op mocht, want die was afgezet door de Duitsers. Hij rende naar de soldaten en sleurde de Duitse soldaat van achter het afweergeschut vandaan.
De soldaten wisten natuurlijk dat ze een grote fout hadden begaan, dus zij zijn altijd heel aardig voor ons geweest. Ook na het incident met de kogel in mijn slaapkamer waren ze nog steeds afhankelijk van ons voor het water, dus ze waren ook extra voorzichtig.’