Oorlog in mijn Buurt
‘Geloof nooit mensen met mooie praatjes’
Cicely, Djayden, Hajar, Shaelee ontmoeten Harry Sablerolle
Ashley, Hiyabel en Ariane vertrekken op de fiets van de school ’t Honk in Kapelle naar Marie Wisse. Niet alleen mevrouw Wisse ontvangt ze hartelijk, maar ook meneer Remijnse, een medewerker van het 40-45 museum in Kapelle. Hij helpt de kinderen met het interview, want mevrouw Wisse spreekt met een Zeeuws accent en dat zijn ze natuurlijk niet meer zo gewend. Ze horen mooie, maar ook droevige verhalen.
Wat herinnert u zich nog goed van de oorlog?
‘Ik was 8 jaar toen de oorlog begon en woonde bij de Maalstede, het oude kasteel. Daar was een hele grote schuilkelder gebouwd, waar 31 mensen konden schuilen. De Fransen waren inmiddels gekomen en hadden een kanon achter de schuilkelder gezet en die vuurden ze telkens drie keer achter elkaar op overkomende vliegtuigen, een heel hard geluid. We moesten toen de hele nacht in de schuilkelder zitten. De volgende ochtend zeiden de Fransen dat we moesten vluchten en toen zijn we met zestien man in een hele kleine auto gevlucht naar het huis van mijn andere opa.’
Wat gebeurde er met uw moeder?
‘Tijdens de oorlog was mijn moeder zwanger en verwachtten we dus nog een broertje of zusje. De kraamverzorgster moest helemaal uit Middelburg komen. Na een paar brieven over en weer kwam ze op 17 augustus naar ons toe.
Midden in de nacht werd er op een trein geschoten, vlak bij ons huis. We hoorden ook nog twee bommen en dus moesten we weer vluchten. Mijn moeder was net bevallen en kon haar bed niet uit, dus die moesten we achterlaten in het huis. Zij is later daar helaas overleden. De kraamverzorgster kon door de kapotte trein niet terug naar huis en is bij ons gebleven en heeft voor ons gezorgd.’
Wat gebeurde er aan het einde van de oorlog?
‘Tegen het einde moesten er ineens een heleboel Duitse soldaten bij ons worden ingekwartierd. Het waren allemaal jonge mannen. Ze waren zo moe van de oorlog dat ze gewoon op de grond in slaap vielen. Midden in de nacht moest ik naar de wc. Beneden stapte ik per ongeluk op een Duitse soldaat. Hij maakte even geluid en viel gelukkig weer in slaap. De volgende dag waren ze ineens allemaal weg. Alle spullen, auto’s en mensen waren verdwenen. Toen wisten we dat de oorlog voorbij was.
We konden gelukkig weer naar huis, maar daar was natuurlijk gevochten. Ik vond mijn boerenpop terug op de stoel waar ik hem had gelaten, maar wel helemaal groen gekleurd en hij miste een arm.’