Archieven: Verhalen

‘Als de rivier hoog stond, kwamen er krokodillen en slangen het dorp in’

Op een zonnige maandagochtend bezoeken Estee, Marie en Ilvy van basisschool de Talisman in Eindhoven Rasoelan Rodjan. Mevrouw Rodjan (1951) werd geboren in district Saramacca in Suriname, waar haar Hindoestaanse voorouders naartoe waren gebracht als contractarbeiders. Ze woonde er tot haar achtste jaar, diep in de jungle. Op haar drieëntwintigste kwam ze noodgedwongen naar Nederland.

Hoe zijn uw voorouders in Suriname terechtgekomen?
‘De moeder van mijn oma was een jonge weduwe uit India. De Engelsen bepaalden dat zij met haar dochters naar Suriname moest om op de plantages te werken. Op de boot werd ze vaak lastiggevallen, maar er was ook een man die haar beschermde. Uiteindelijk trouwde hij met haar, maar hij moest haar eerst kopen voor 30 cent. Zo werkte dat toen. Na vijf jaar hard werken op de suikerrietplantage was hun beloofd dat ze terug mochten naar India. Maar dat is nooit gebeurd. In plaats daarvan werden ze met een groep van elf in een stuk oerwoud in Saramacca gezet. Er was niets: geen huizen, geen winkels, geen wegen. Met de kennis die ze meebrachten uit India, over gewassen en eetbare planten, hebben ze langzaam een bestaan opgebouwd.’

Hoe was het leven in het oerwoud?
‘Ik ben zelf ook in dat dorp geboren en heb er gewoond tot mijn achtste. We hadden niets: geen elektriciteit, geen televisie, geen stromend water. Rivierwater deden we in een vat en met een poedertje maakten we het drinkbaar. De huizen waren gebouwd van bamboestokken, met een dak van bladeren, op kokosstammen als palen. Als de rivier hoog stond, liep het water het huis in en kwamen er krokodillen en slangen het dorp in. Ik ben nog steeds bang voor slangen. Er was geen radio. Als er iemand was overleden, gingen er twee mensen met een boot en een luidspreker langs alle huizen om het nieuws te brengen.’

Hoe was uw dagelijks leven als kind?
‘Werken, altijd werken. Vanaf mijn achtste moest ik meehelpen: rijst planten, oogsten, de korrels van de stengels afhalen. We aten wat we zelf verbouwden: rijst, linzen, groenten, vis en later hadden we ook kippen en koeien, die we zelf slachtten. Puberen? Dat kende ik niet. Als kinderen de hele dag zinvol bezig zijn, komen er geen rare dingen in hun hoofd.’

Waarom moest u buigen voor witte mensen?
‘Onze ouders leerden ons dat witte mensen alles te vertellen hadden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er soldaten in Suriname, en als die langskwamen moesten wij buigen. Ik dacht altijd dat witte mensen heel hoog geleerd waren. Maar toen ik hier in Nederland kwam, ontmoette ik witte mensen die nog nooit naar school waren geweest. Toen dacht ik: ik weet meer dan zij. Dat was een grote verrassing. Ik vind nu dat iedereen gelijk is niemand is meer of minder.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Toen Suriname onafhankelijk werd, liepen de spanningen tussen Afro-Surinamers en Hindoestanen hoog op, die haat was er door de Nederlanders ingezaaid. Mijn man werd op een avond opgewacht, neergeslagen en met zijn vrachtwagen de rivier ingereden. Mensen zagen een lampje branden en hebben hem eruit gehaald. Ook mijn broers moesten vluchten: de een na een gevecht, de ander na het verlies van zijn beste vriend bij een schietpartij. Voor ons was het duidelijk: het was niet meer veilig. In 1974 zijn we met het vliegtuig naar Nederland vertrokken. Mijn man kreeg werk bij autofabrikant Daf en al snel daarna kochten we een huis voor 30.000 gulden. Dat heb ik later voor het viervoudige kunnen verkopen.’

Hoe was de aankomst in Nederland?
‘We waren een groot, vrij land gewend. Toen ik hier al die auto’s in de rij zag staan, dacht ik: is hier een feestje? Bij ons stonden er alleen bij een bruiloft auto’s. En toen we in ons huis kwamen, zei mijn vader: dit is net een apenkooi: zo klein, en de hele dag naar buiten kijken door een raam, als een gevangenis… Hij hield het een maand vol en ging terug. Wij zijn gebleven. Ik mis het leven in Suriname nog steeds. Maar ik woon al vijftig jaar hier, en via de app bel ik veel met mijn familie in Suriname.’

Archieven: Verhalen

‘We waren zo mager als een lat, onze ribben waren te zien’

De vader van Anton Stephan (1933) was officier bij de luchtmacht van het KNIL en had veel aanzien. Ze woonden dan ook in een luxe huis met een baboe voor elk kind, een kok en een tuinman. Toen de oorlog uitbrak veranderde alles en bracht meneer Staphan jaren met zijn moeder, inmiddels weduwe, door in verschillende kampen. Lucas, Fos en Cole van de Talisman in Eindhoven hebben zijn voorgeschiedenis gelezen en willen hem graag nog allerlei vragen stellen.

Hoe werd u behandeld in de kampen?
‘Dat hing af van de omstandigheden van het kamp zelf, in het ene kamp waren de kampcommandanten vriendelijker dan in het andere kamp. Maar ze waren allemaal heel streng en iedereen moest werken hoe klein je ook was. Ik was negen jaar en moest schoonmaken en wieden. Je kreeg heel weinig eten en als je ziek was, waren er geen medicijnen of soms ook geen dokter, dus dat was niet best.

Naarmate de oorlog vorderde, kregen we steeds minder eten en werden we strenger behandeld. Het eten dat we kregen in de ochtend en avond was een bord pap. Een soort stijfsel, gekookt van meel. En daar kreeg je een lepel van, gekookt in water, zonder suiker… het smaakte vies, maar je at alles op want je had honger. We kregen zo’n 100 gram en dat is eigenlijk te weinig, zelfs voor een kind. In de middag kregen we wat rijst met wat groenten, er was geen vlees. We waren zo mager als een lat; onze ribben waren te zien, echt vel over been.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt?
‘Ik heb daar geen rangorde in, maar wat indruk op me gemaakt heeft is wat er met mijn oma gebeurde. Zij woonde bij ons voordat er oorlog uitbrak en zij is met ons in die kampen gegaan. Ze was toen 72 jaar en een heel gezonde vrouw, vrij fors ook.

Als we ‘s avonds eten kregen dan was dat nooit lekker, echt viezig, maar we aten het wel op. Zij zei dan altijd: ‘Ik vind het niet lekker, eten jullie het maar op’, en dan gaf ze mijn zusje en mij wat van haar eten. Wij wisten echter niet dat zij veel te weinig eten kreeg als volwassen vrouw. Ze is van hongersnood gestorven waar wij bij waren. Dat heb ik me pas later gerealiseerd en toen vond ik dat heel erg.’

Archieven: Verhalen

‘De Molukkers kregen geen huis, maar moesten in oude kampbarakken wonen’

Anne-Fleur, Aras en Raffa zijn op bezoek bij Linda van der Heijden-Van Gurchom in Eindhoven. Ze vertelt de leerlingen van de Talisman, onder het genot van sponscake en spekkoek, het verhaal van haar Molukse en Indische ouders en grootouders. Ze beschrijft hoe het leven voor hen was in Nederlands-Indië tijdens de oorlog en hoe het daarna was om in Nederland te moeten wennen aan een heel andere cultuur. Ook vertelt ze over haar eigen jeugd.

Mevrouw Van der Heijden-Van Gurchom is geboren in 1956 in Eindhoven. Ze heeft tot haar vierde bij haar Molukse grootouders in Tiel gewoond, omdat haar ouders toen niet voor haar konden zorgen. Haar moeder is geboren in 1932 in Batavia (nu Jakarta), wat ligt op het eiland Java in Indonesië. Haar vader is ook geboren in Batavia, een jaar eerder in 1931. Ze waren kinderen van KNIL-militairen, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

Haar grootouders van moeders kant komen van het Molukse eiland Ambon. Haar grootouders van vaders kant zijn Indisch (opa) en Moluks (oma). De overgrootvader van Linda (geboren in 1872) was een Nederlander uit Tilburg, die naar Nederlands-Indië emigreerde rond 1900 om daar het avontuur op te zoeken. Hij werkte onder meer voor het KNIL en als gevangenisbewaarder. Hij overleed op jonge leeftijd in 1921.

Hoe was het bij uw opa en oma in Tiel?
‘Mijn grootouders waren heel lief, ik werd op handen gedragen. Ze vonden het heel leuk dat er zo’n klein meisje in huis woonde. Ook later toen ik alweer in Eindhoven woonde, werd ik altijd extra verwend: als mijn broertjes en zusjes één gulden kregen, kreeg ik er twee!

Toen ik vier jaar werd, moest ik terug naar mijn ouders, zodat ik naar school kon en Nederlands leren. Dat voelde voor mij alsof ik mijn ‘ouders’ moest verlaten, want zo zag ik mijn opa en oma. Ik sprak alleen Maleis, geen Nederlands. Ik weet nog dat ik onder de eettafel verstopt zat, heel verlegen, en dat mijn moeder Nederlands tegen me praatte en ik er niks van begreep.

Die tijd heeft me sterker gemaakt. In het begin was het moeilijk, maar later heb ik een heel goede band opgebouwd met mijn moeder, vooral door muziek. Muziek verbond ons. Zelfs toen mijn moeder in het verzorgingstehuis zat, ging ik nog iedere week bij haar op bezoek en dan zongen we liedjes. Het zit in onze genen, muziek maken. Mijn vader speelde gitaar en mijn moeder zong.’

Hoe was het voor uw Indische opa om aan de Birma-spoorlijn te werken?
‘Mijn Indische opa moest als krijgsgevangene werken aan de Birma-spoorlijn in Thailand. Dat was extreem zwaar werk onder de hete zon, zonder machines. Als je even stopte, werd je geslagen. Veel mensen stierven; er wordt gezegd dat elke spoorbiels een mensenleven kostte.

Mijn opa overleefde het, maar kwam na twee jaar sterk verzwakt terug. In de tussentijd dacht zijn familie dat hij overleden was en had mijn oma een andere man die haar beschermde. Dat was nodig, omdat vrouwen anders gevaar liepen en door Japanse soldaten konden worden misbruikt. Later kreeg mijn opa een nieuwe vrouw met wie hij nog eens zes kinderen kreeg. Ik heb dus een hele grote familie.’

Waarom waren de Molukkers boos op de Nederlandse regering?
‘Molukse soldaten werden bij aankomst in Nederland ontslagen, terwijl ze jarenlang voor Nederland hadden gevochten. Dit voelde voor hen als verraad. Ook beloofde Nederland dat ze terug konden naar de Molukken en dat de Molukken zelfstandig konden worden, maar die belofte werd niet nagekomen. Ze zouden voor de rest van hun leven in Nederland blijven.

Hun toekomst was uitzichtloos. Ze mochten een lange tijd niet werken en leefden in armoede en in slechte omstandigheden in oude kampbarakken. Sommige Molukse jongeren gingen drugs gebruiken, om de ellende maar niet te hoeven voelen. Nederland zweeg erover en heeft nooit excuses aangeboden voor de slechte behandeling. Vooral dat maakte Molukse mensen zo boos.

Er kwamen protesten. Enkelen hebben zelfs treinen en een school gekaapt om aandacht te vragen voor hun zaak. Er ontstond discriminatie. Op basis van zijn uiterlijk werd mijn broer, jouw opa, meerdere keren gecontroleerd door de politie. Hij was toen 17 jaar en moest met de trein naar school in Helmond. Hij werd publiekelijk gefouilleerd. Zijn schooltas werd overhoop gehaald en hij werd hardhandig tegen de trein gezet. Dat was heel eng en intimiderend voor hem. Dat zou in deze tijd niet zomaar meer kunnen. En gelukkig maar.’

Hoe was het voor de Molukkers om naar Nederland te gaan?
‘Eenmaal in Nederland hadden ze helemaal niks meer. Geen werk, geen spullen en vaak met een oorlogstrauma. Alleen wat dunne kleren die bedoeld waren voor tropische weer.

Ze kregen geen huis maar moesten in oude, primitieve kampbarakken wonen, waar in de oorlog Joden naartoe werden gestuurd. Het was daar koud en kil en ook een beetje eng. Ik heb daar ook nog even gewoond. Ik kan me nog herinneren dat er lange keukens waren; aan de ene kant waste mijn oma mij in de gootsteen en aan de andere kant werd het eten gekookt.

Ook vond de Nederlandse bevolking ons maar vreemd. We droegen andere kleren en hadden een andere huidskleur. Ik weet nog dat ik met mijn oma naar de drogist ging en dat zij een sarong droeg (een Indonesische rok). Mensen stootten elkaar aan en wezen naar mijn oma en zeiden: ‘wat heeft jouw oma rare kleren aan’.’

Bent u verdrietig over de geschiedenis van uw familie?
Ja, best wel. In mijn jeugd werd er weinig gesproken over het verleden. Mijn ouders wilden ons beschermen en waren vooral blij dat er geen oorlog meer was. Als we ernaar vroegen, bleven ze stil.

Door hun trauma’s konden ze hun emoties soms niet goed verwerken. Daardoor kwam het voor dat ze streng waren en soms lijfstraffen gaven. Dat was in die tijd binnen Indische en Molukse gezinnen niet ongewoon. Het verdriet en de pijn uit de oorlog werden dus vaak doorgegeven aan de volgende generatie. Gelukkig zie ik dat dit bij mijn generatie is gestopt.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder ging bidden en ik knielde naast haar. We wachtten in angst’

Matteo, Devin en Cem, studenten van het ROC Nijmegen, spreken met de 89-jarige Trees van Asperen-Veldkamp tijdens een bijzondere avond in het ROC-restaurant, waar medestudenten koken en bedienen. Het wordt een warme en open ontmoeting, waarin niet alleen herinneringen aan de oorlog worden gedeeld, maar ook persoonlijke verhalen van de studenten zelf.

Wat herinnert u zich nog van het begin van de oorlog?
‘Toen de oorlog begon in mei 1940, was ik nog maar vier jaar oud. In juli zou ik vijf worden. We woonden aan de Heiweg in Nijmegen, met mijn vader, moeder en vijf oudere broers en zussen. Ik was de jongste van zes. Mijn vader werkte bij de politie.

Van het allereerste begin van de oorlog weet ik zelf niets meer. Ik was te jong. Mijn oudste broer was achttien toen de oorlog begon. Hij moest in Duitsland werken als schilder. Eerst in Kleef, later in Oberhausen en Frankfurt. Tegen het einde van de oorlog kreeg hij verlof om naar huis te gaan en is hij niet meer teruggekeerd. Daarna moest hij voorzichtig zijn, want in onze straat woonde een NSB’er.

Mijn eerste echte herinneringen zijn van 1942. Duitse soldaten werden in onze school ondergebracht en wij kregen les in een timmerwerkplaats aan het Knolpad. Een jaar later zaten we in een café aan de Jacobslaan. In die periode vond het bombardement op Nijmegen plaats, op 22 februari 1944.’

Hoe heeft u het bombardement ervaren?
‘Die dag zal ik nooit vergeten. Ik was thuis met mijn moeder toen de sirenes weer begonnen te loeien. Mijn broers en zussen waren in de stad, net als mijn vader. We hoorden de vliegtuigen laag overkomen. Mijn moeder ging op haar knieën in de gang bidden en ik knielde naast haar. We wachtten in angst. Later zagen we rookwolken boven de stad. Pas ’s avonds was iedereen weer thuis. Mijn vader was blijven helpen; hij was politieman en voelde zich verantwoordelijk.’

Wat is uw meest aangrijpende herinnering aan de oorlog?
‘Dat is mijn herinnering aan Letty. Letty logeerde met haar moeder twee huizen verderop bij familie. We speelden samen op straat. Op een dag vroeg ze of ze mee mocht spelen. Mijn broer zei: ‘Dat mag, als je geen NSB’er bent’. We wisten toen nog niet dat ze Joods was. Haar moeder had mijn ouders in vertrouwen verteld dat ze Joods waren en daarom uit Amsterdam waren weggegaan.

Op een ochtend wilde ik haar ophalen om te spelen. Toen hoorde ik dat ze plotseling terug waren gegaan naar Amsterdam. Ik vond het gemeen dat ze niets had gezegd. Later hoorde ik dat ze waren opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz waren gedeporteerd. Ze is daar omgekomen. Ik ben later op onderzoek gegaan naar wat er precies gebeurd is.’

Kunt u vertellen wat u later te weten bent gekomen over Letty en haar familie?
‘Ik kwam erachter dat Letty eigenlijk Lily Abrams heette. Na terugkomst in Amsterdam zijn zij en haar moeder verraden. Ik heb geschreven naar instanties en hoorde dat ze via Westerbork naar Auschwitz was gedeporteerd. Mijn man en ik zijn later naar Westerbork en Auschwitz geweest. In Amsterdam vond ik haar foto terug op een tentoonstelling met omgekomen Joodse kinderen. Dat moment raakte me diep.

De vader van Letty is niet vermoord is. Hij heeft de oorlog overleefd. Hij deed werk voor het verzet, onder andere het vervalsen van paspoorten.’

Archieven: Verhalen

‘Ik was op een dag buiten toen Piet op sokken onze straat in rende’

Tijdens een vijfgangendiner in het ROC-restaurant spreken Stef, Lucas en Amanda, studenten van het ROC Nijmegen, met de 89-jarige Jaap Mooi. Het is een gesprek over oorlog, de strijd van vandaag en de waarde van een diploma.

Hoe begon de Tweede Wereldoorlog voor u en uw gezin?
‘Ik ben geboren in 1937 in de Beethovenstraat in Nijmegen-Oost, recht tegenover het Sportfondsenbad. Ik woonde met mijn drie zussen, een broer en mijn ouders.

Mijn vader werkte bij het kadaster. Op een gegeven moment stond hij op de zwarte lijst. Er kwam een NSB’er in uniform bij hem op kantoor. Het was een bekende Nijmeegse ondernemer en hij wilde een huis van Joodse mensen die opgepakt waren, op zijn naam laten overschrijven. Mijn vader draaide zijn stoel om en weigerde mee te werken. Daarop kwam hij op de zwarte lijst te staan.

Ik was drie jaar toen de oorlog begon. Mijn herinneringen zijn vooral aan het einde van de oorlog, vanaf 1943 of 1944. Mijn moeder lag vaak ziek op bed, en als zevenjarige wilde ik altijd naar buiten, ook al werd Nijmegen de hele dag beschoten. Er was op straat en bij het zwembad bij ons aan de overkant, het Sportfondsenbad, altijd iets te doen. Het plein bij het zwembad trok aan mij als een magneet: eerst kwamen de Duitsers zwemmen, later de Engelsen en Amerikanen, en ik zat er altijd tussen.’

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Mijn eerste herinneringen beginnen in 1943 bij de spoorwegstaking. Toen de spoorwegstaking uitbrak, liet het personeel van het Sportfondsenbad uit solidariteit met de stakers het zwembad leeglopen. Er stond nog maar een laagje van 3 centimeter water in. Toen de Duitsers kwamen zwemmen, waren ze woedend. Ze stonden met geweren voor het zwembad en gingen op jacht naar het personeel van de spoorwegen dat de staking had veroorzaakt. Ze vonden niemand, behalve de vrouw van de machinist. Die hebben ze meegenomen, en zij is later in een concentratiekamp vermoord. Wij kinderen keken vanachter het slaapkamerraam onder de gordijnen door en zagen dit allemaal gebeuren.’

Heeft u voorbeelden gezien van verzet in uw omgeving?
‘Mijn buurmeisje was verloofd met Piet Berkelaar, een Nijmeegse politieman. Politiemensen kregen de opdracht om Joodse gezinnen op te halen en te transporteren. Piet zat ook in een groep politiemensen die deze opdracht kregen. Maar Piet en een aantal andere agenten hadden afgesproken dat ze, zodra ze adressen kregen, de mensen eerst zouden waarschuwen: ‘Morgenavond komen ze je halen’, Zodat ze nog konden wegvluchten.

Wanneer de politie een dag later bij die deuren kwam om de mensen op te halen, was er niemand thuis. De bezetter kreeg argwaan en plaatste een ‘foute’ politieman in de groep, die de politiemensen die de mensen waarschuwden verried. Een aantal van deze agenten is opgepakt en later gefusilleerd in Wassenaar.

Ik was op een dag buiten toen Piet op sokken onze straat in rende. Hij bonkte op de deur naast ons huis. Hij werd binnengelaten. Ik liep ons huis binnen en zei tegen moeder: ‘Piet is op zijn sokken aankomen rennen en bij de buren’. Direct werd ik door moeder achter het huis gezet met haar hand voor mijn mond. Ze besefte hoe gevaarlijk de situatie was. Er kwamen meteen Duitse bezetters de straat in gerend. Ze zochten Piet. Ze liepen zelfs over de daken. Piet is niet gevonden en via via is hij in Delft terechtgekomen, waar hij tot na de oorlog bleef. Achteraf hoorden we dat hij door een foute politieofficier was gewaarschuwd. Dat is dan weer bijzonder.’

Welke gebeurtenissen hebben de meeste indruk op u gemaakt?
‘De meeste indruk op mij maakte de granatentijd. De Duitsers schoten de hele dag granaten over de stad en die vlogen soms ook over ons huis heen. Een granaat kwam over ons huis en sloeg bij de ingang van het zwembad door een ruit. Het vijftienjarige meisje dat bij de kassa zat, Truus Mast, werd in stukken verscheurd. Ik was buiten en ben nieuwsgierig naar de ingang gerend. Bij de hal stonden twee Amerikaanse soldaten bij hun auto. De granaat kwam op de motorkap en raakte deels de militairen, deels ging het stuk door de kassaruimte, waarbij Truus Mast om het leven kwam. Ook de twee Amerikanen kwamen om het leven.

Later in mijn leven toen het zwembad afgebroken werd en er een park op die plek kwam ben ik er als raadslid voor gegaan dat het park op die plek haar naam zou krijgen. Via de CDA-fractie is dat gelukt: het heet nu het Truus Mast Park.

Heel veel mensen zijn in Nijmegen-Oost omgekomen door granaten. In feite heb ik drie maanden met een engeltje op mijn schouder rondgelopen. Overal waren doden om me heen. Een granaat kwam door het dak van het huis naast ons in de huiskamer terecht.

Op een dag liep ik de Torenstraat op. De geallieerden hadden daar een hele diepe kuil gegraven om overtollige munitie in te gooien. Een groepje jongens had dat in de gaten en stak een lont, in benzine gehangen, aan. Alles vloog in brand en schoot de lucht in. De stukken munitie kwamen in woonhuizen terecht, onder andere bij onze buurman. Velen vonden hierbij de dood.’

Hoe probeerden jullie te overleven tijdens de gevaarlijkste periode?
‘In die tijd zochten mensen veiligheid in het zwembad. Wij ook. We doken onder in de catacomben. Er waren ook bedden neergezet. Ik sliep in de pijpelaar, samen met meer kinderen. We kregen blikken gecondenseerde melk. We zaten zeker een aantal weken in de catacomben en de machinekamer.

Voordat we in het zwembad gingen schuilen en het gevaarlijk werd, zette mijn vader bij luchtalarm altijd een tafel tegen de wand en legde alle kussens die we konden vinden op de tafel. Wij gingen eronder zitten. Ik zat tussen mijn drie zussen en broer. Ik maakte grapjes, maar de meiden waren bang en vonden dat niet leuk.’

Wat gebeurde er met Jan Dekkers?
‘Jan Dekkers drukte boekjes voor het verzet. De Duitsers hadden hem op de korrel en hebben hem verraden. Ze hebben hem opgepakt en naar de gestapo in Arnhem gebracht, waar ze hem hard martelden totdat hij bekende. Hij is naar een concentratiekamp in Duitsland gebracht. Hij is bevrijd door de geallieerden en lopend naar Nijmegen teruggekomen. Ik kende hem goed; ik heb na de oorlog met hem in de ondernemersvereniging gezeten.’

Archieven: Verhalen

‘Was het een gewone schooldag geweest, dan was ik er waarschijnlijk niet meer geweest’

Grajan, Tygo, Davian en Romano, studenten van het ROC in Nijmegen, spreken met de 89-jarige Herman Bertels tijdens een bijzondere avond in het ROC-restaurant, waar medestudenten koken en bedienen. Terwijl meneer Bertels vertelt over zijn jeugd in oorlogstijd en foto’s laat zien, delen ook de studenten hun eigen ervaringen en gedachten. Het is een warme en verbindende avond.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben in 1937 geboren in de Kortemolenstraat, in het centrum van Nijmegen, later de Broerstraat genoemd. Mijn vader had daar een herenmodezaak. Ik had een broer en zus die tweeling waren, geboren in 1942, en een jongere zus die na de oorlog kwam. In 1942 verhuisden we naar de Sint-Annastraat, omdat het huis boven de winkel te klein werd.’

Wat herinnert u zich van het bombardement op Nijmegen?
‘Op 22 februari 1944 veranderde alles. Normaal was ik die dag op de bewaarschool geweest, maar mijn vader was met de trein weg en daarom bleef ik thuis. Die dag werd het centrum van Nijmegen gebombardeerd. De bewaarschool werd geraakt: 22 kinderen en 8 nonnen kwamen om. Als het een gewone dag was geweest, had ik daar ook gezeten.’

Wat gebeurde er met de winkel van uw vader?
‘Mijn vader kon niet meteen terug omdat het station was verwoest. Toen hij later naar de stad ging kijken, was alles weg. Van zijn winkel was niets meer over. Het enige wat hij terugvond, was een porseleinen eierdopje dat hij gebruikte om prijskaartjes te maken. Dat kleine voorwerp is het enige tastbare dat overbleef van zijn zaak.’

Hoe verliep de oorlog voor jullie na het bombardement?
‘In het najaar van 1944 werd het opnieuw gevaarlijk door beschietingen en bombardementen. Daarom werden we geëvacueerd naar Alverna bij Wijchen. We woonden daar een half jaar bij mensen in huis. Mijn vader probeerde eten te regelen bij boeren. Ik kreeg af en toe les en speelde met een jongen uit de buurt. Ik zag daar ook een neergestort vliegtuig in een weiland.’

Hoe kijkt u nu terug op die tijd?
‘Na de bevrijding keerden we terug naar een zwaar verwoest Nijmegen. Als kind besefte ik niet altijd hoe groot het gevaar was. Pas later realiseerde ik me hoe dicht ik bij de dood ben geweest. Het had heel anders kunnen aflopen. We hebben uiteindelijk vooral heel veel geluk gehad.’

Archieven: Verhalen

‘Veel van Ria’s vriendinnetjes kwamen om het leven bij het bombardement op Nijmegen’

Tijdens een bijzondere avond in het restaurant van het ROC Nijmegen luisteren Albaraa en Ali, studenten van het ROC, naar het verhaal van Paul van Bremen (1934), die de oorlogservaringen van zijn moeder Ria Wijers met hen deelt. Tijdens zijn verhaal komt het gesprek ook op andere onderwerpen, zoals toeval, verlies en de impact van oorlog, niet alleen toen maar ook nu. En ook in de levens van de studenten.

Kunt u ons vertellen wat uw moeder tijdens het bombardement van 22 februari 1944 meegemaakte?
‘Mijn moeder, Ria Wijers, groeide op in Nijmegen, waar haar ouders een bakkerswinkel hadden in de Lindestraat, midden in de stad. Ze woonden in een zeventiende-eeuws pand met gewelfde kelders, waar ook de bakkerij was gevestigd. In een van de kelders stond de oven. Daarboven lagen houten vloeren, met daartussen een laag zand als isolatie.

Ria zat op de montessorischool en was tien jaar oud toen in februari 1944 het bombardement op Nijmegen plaatsvond. Ze was ‘s morgens nog naar school geweest en om 12 uur naar huis gelopen om thuis te eten. Ze woonde dicht bij school en hoefde niet over te blijven zoals veel andere kinderen. Daardoor heeft ze het bombardement overleefd.

Het bombardement kwam totaal onverwacht. Ze zat in de keuken te eten met haar ouders en haar zus toen een granaatscherf door het raam naar binnen vloog. Het stuk metaal kwam op slechts enkele centimeters achter de rug van Ria’s zus terecht en sloeg in de muur. Als zij iets anders had gezeten, had ze het niet overleefd.’

Wat gebeurde er met hun huis en de buurt tijdens het bombardement?
‘Aan de overkant van de straat stonden alle huizen al snel in brand. Op zolder bij Ria thuis brak ook brand uit door het bombardement. In huis stond een grote teil met was. Daar lagen de bakkersschorten in te weken. Ria’s vader pakte zonder erbij na te denken snel de teil op en gebruikte het water om het vuur te doven. Tot lichte ergernis van zijn vrouw, die haar wasgoed verloren zag gaan, maar het huis was gered. Veel van Ria’s vriendinnetjes en buurtgenootjes kwamen om het leven.’

Wat gebeurde er met het gezin na het bombardement?
‘Na het bombardement bleef het gezin nog even in de puinhopen van de stad wonen.
Maar al snel werd Nijmegen frontstad. Aan de overkant van de Waal zaten de Duitsers, terwijl de geallieerden zich in en rond de stad bevonden. Het werd te gevaarlijk om te blijven en het gezin werd geëvacueerd naar de Ooijpolder, naar boerderij Stappershoef in Ooij. Ze konden alleen wat kleding meenemen, hun huis moesten ze achterlaten.

Ria’s vader hield van wijn en had zijn wijnvoorraad verstopt in de zandlaag tussen de oven en de houten vloer. Hij hoopte die zo veilig te stellen. Maar toen het gezin na de oorlog terugkeerde, bleek het huis volledig geplunderd. De Duitse bezetters hadden zich voor hun aftocht nog toegang verschaft tot het pand. De wijn was verdwenen, net als het meubilair, kunst en vrijwel alle bezittingen. Alles was weg.

Ook eerder in de oorlog had haar vader al verliezen geleden. Voor de oorlog bezorgde hij het brood met paard en wagen. Vlak vóór het uitbreken van de oorlog had hij eindelijk genoeg gespaard om een grote Citroën te kopen, een enorme stap vooruit voor zijn bedrijf. Maar de Duitsers vorderden de auto. Hij was hem kwijt en moest weer verder op de fiets.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb mijn vader nooit gekend… En hij mij ook niet’

Sid en Koert van basisschool de Klimboom in Eindhoven hebben zin in het gesprek met Andy Wijzenbeek, die als baby aan het einde van de oorlog werd geboren. Ze hopen dat het een leuk gesprek wordt. Meneer Wijzenbeek en zijn vrouw ontvangen de kinderen erg hartelijk, waardoor de sfeer meteen goed is!

Kunt u iets vertellen over uw vader en wat hij heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Mijn vader was Joods en mijn moeder niet, zij was katholiek. Zij hadden, zoals je dat noemde, een gemengd huwelijk. Daardoor werden ze door de bezetters met rust gelaten. Mijn vader ging echter in het verzet. Hij hielp door mensen te laten onderduiken en door voedsel- en textielbonnen te drukken. Iemand uit de buurt verraadde hem waardoor hij werd opgepakt. Hij kwam in Auschwitz terecht en is daar vermoord. Hij heeft nog enkele brieven en kaarten gestuurd voordat hij naar Auschwitz werd gebracht. Deze brieven heb ik nog steeds.’

Weet u nog iets over de oorlog?
‘Ik werd enkele maanden voor de bevrijding geboren. Mijn vader was enkele maanden voor mijn geboorte opgepakt, ik heb hem dus nooit gekend. Hij wist dat mijn moeder zwanger was, maar heeft mij dus ook nooit gezien. In een brief schreef hij nog dat hij dacht dat mijn moeder in verwachting was van een meisje. Toen ik geboren werd, was er weinig eten en drinken. Omdat ik als baby melk nodig had werd mijn zusje naar een boer gestuurd, die een stuk verder op woonde, om melk te halen. Omdat ze een eindje moest lopen en de melk schudde in de fles, was de melk zuur als ze thuis was. Maar ondanks dat ben ik toch gezond groot geworden. Gelukkig werden we snel bevrijd door de Amerikanen.’

Vindt u het niet gek om in de Graaf Adolfstraat te wonen?
‘Dat is een hele goede vraag! We vonden het wel gek ja, maar graaf Adolf leefde rond 1600 dus dat heeft helemaal niks met de leider van de nazi’s te maken. Maar het blijft wel een beetje vreemd. Ik heb nog wel voor gesteld om de straatnaam te veranderen naar de ‘Andy Wijzenbeekstraat, hahaha, maar dat is niet gelukt. Maar gelukkig heeft mijn vader wel een straat naar hem vernoemd gekregen in de verzetsheldenbuurt. De Maan Wijzenbeekstraat, daar ben ik wel heel trots op. Wat ook nog leuk is om te vertellen is dat we er pas geleden achter gekomen zijn dat mijn vader bij PSV gevoetbald heeft. Dat wist ik helemaal niet. Hij wordt genoemd in een nieuw verschenen boek over PSV-spelers en de oorlog.’

Archieven: Verhalen

‘Elke dag kwam een Duitse non langs om mijn broers wonden te verzorgen’

Stella, Luca en Amelie van basisschool de Klimboom in Eindhoven interviewen de 91-jarige Els Peeters. Zij was vijf jaar toen de oorlog begon en woonde met haar vier broers en zus in de Binnenwiertzstraat in Eindhoven. Haar oudste zus Jopie was dertien jaar ouder, ze had drie oudere broers: Piet, Henk en Jan en een jonger broertje Frans.

Wat maakte veel indruk op u tijdens de oorlog?
‘Voor mij waren de vliegtuigen een van de angstigste onderdelen van de oorlog. Elke avond lag ik in bed te luisteren, wachtend tot de honden van de buren begonnen te blaffen. Dat was voor mij het teken dat er vliegtuigen in aantocht waren: Engelse bommenwerpers die op de heen- en terugweg naar het Ruhrgebied laag over de stad vlogen. Als ik de dreunende motoren hoorde, werd ik altijd heel bang.

Omdat Eindhoven een vliegveld had, stonden er grote schijnwerpers die de lucht in schenen. Als een vliegtuig in zo’n lichtbundel terechtkwam, konden de Duitsers het bijna altijd neerhalen. Ik was een van de jongsten van het gezin en lag vaak alleen boven, terwijl de rest beneden zat. Uiteindelijk rende ik dan naar beneden, waar ik bij mijn moeder kon schuilen tot de vliegtuigen weer weg waren.

Het Sinterklaasbombardement in 1942 herinner ik me als iets enorm angstaanjagends. Ik was bij een vriendinnetje met mijn cadeautjes in een straat verderop toen het luchtalarm afging. Ik rende meteen naar huis, omdat ik bij mijn moeder wilde zijn. Buiten zag ik vliegtuigen heel laag over de stad vliegen en ik kon de bommen in de lucht zien hangen. Ze waren bedoeld voor de Philipsfabrieken, maar kwamen ook in woonwijken terecht.

Ook het bombardement vlak na de bevrijding maakte veel indruk op me. Terwijl Eindhoven feestvierde, vlogen er opeens weer toestellen over. Eerst dachten mensen dat de lichtkogels vuurwerk waren, maar al snel volgden zware explosies. Het bleek een Duitse aanval. Er werden meerdere huizen in mijn straat en in de buurt geraakt. Een tante van mijn moeder kwam daarbij om het leven.

Zelfs toen de oorlog voorbij was, bleef ik nog lang heel bang voor vliegtuigen. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat een vliegtuig iets onschuldigs kon zijn.’

Kunt u zich nog meer indrukwekkende momenten herinneren?
‘Mijn broer hield heel erg van Duitse landkaarten. Die waren heel waardevol, omdat alle kleine weggetjes erop stonden. Hij is later ook aardrijkskunde leraar geworden.

In de zomer vóór de bevrijding van Eindhoven, was hij onderweg met vrienden. Bij het vliegveld vonden ze een openstaande garage met een Duitse jeep erin, en ze gingen stiekem kijken of daar kaarten lagen. In dezelfde garage stond een vat benzine dat toen brand vatte. Mijn broer stond binnen en kon geen kant op. De enige manier om te ontsnappen was door de vlammen heen rennen. Hij droeg een korte broek, en zijn armen en benen raakten zwaar verbrand. Hij lag wekenlang thuis in bed, omdat mijn moeder hem niet naar het ziekenhuis durfde te brengen. Ze was bang dat ze hem zou kwijtraken. Elke dag kwam een Duitse non uit de buurt langs om zijn wonden te verzorgen en nieuwe verbanden aan te leggen.

Toen de Engelse en Amerikaanse troepen Eindhoven binnenkwamen, was mijn broer nog steeds ziek. Hij kon niet naar buiten om het feest te zien. Daarom sprak mijn oudste broer in de stad een Amerikaanse soldaat aan en vroeg of hij even mee naar huis wilde komen om zijn zieke broer te begroeten. De Amerikaan stemde toe, liep met hem mee naar boven en kwam de kamer binnen. Voor mij was dat een onvergetelijk moment.’

Wat gebeurde er met uw vader in de oorlog?
‘Mijn vader sprak op straat, in de buurt van de synagoge die werd afgebroken, hardop uit dat ‘die Duitsers toch alles kapot maken’. Iemand had dat gehoord en hem verraden. Even later werd hij door twee Duitse soldaten meegenomen. Eerst zat hij zes weken in de gevangenis, en daarna werd hij zonder waarschuwing naar Kamp Vught overgebracht. Mijn moeder, die vaak ziek was, was in die tijd enorm bang dat hij nooit meer terug zou komen en dat zij alleen zou achterblijven met zes kinderen en geen inkomen.

Mijn oudste zus mocht eens in de veertien dagen met een pakket eten naar Kamp Vught. Ze ging dan met de trein en gaf een pakketje af, gevuld met van alles wat de buurt bij elkaar had gebracht: wat brood, een appel, een stukje vlees. Mijn vader vertelde later dat die pakketten in het kamp met meerdere mannen werden gedeeld. En doordat Philips warme maaltijden verzorgde voor de gevangenen die in de werkplaatsen moesten werken, kwam mijn vader lichamelijk in redelijk goede toestand terug.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kan niet naar bed, zei ik, want ik heb geen beer meer!’

Verspreid in twee auto’s rijden Biek, Arturo en Enes naar het huis van Jan Spoorenberg. De leerlingen van De Klimboom in Eindhoven gaan zitten in een mooie kamer, met allerhande ouderwetse en historische objecten. Meneer Spoorenberg vertelt over zijn ervaring als jong kind tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was twee jaar toen de oorlog begon. Na het interview drinkt de groep nog gezellig een glaasje Fanta.

In wat voor soort huis woonde u in de oorlog?
‘Ik ben geboren op de Emmasingel, in een bovenwoning. Beneden zat een hoedenwinkel. In 1942 is dat gebombardeerd bij het Sinterklaasbombardement. Het hele huis was kapot. Met alleen de kleding die we toen aan hadden zijn we gaan wonen op de Boschdijk, bij mensen die ruimte over hadden.

Later zijn we naar de Aalsterweg verhuisd. De tuinman had er een groot gat gemaakt, met palen eroverheen, en daar werd weer gras en zand op gelegd. Het was een grote schuilkelder in de tuin.

Er waren ook twee boomgaarden, met appels en peren. Buren uit de omgeving, die niet zo’n grote tuin hadden, vroegen of ze ook zo’n gat in onze tuin mochten maken. Dus wij hadden vier of vijf grote gaten in de tuin. Als er gevaar dreigde, dan gingen de sirenes, en gingen wij de schuilkelder in.’

Hoe was het Sinterklaasbombardement in 1942 voor u?
‘Ik zat er middenin. Het begon ‘s morgens. Mijn vader had bezoek, toen de sirene afging. Mijn moeder kwam snel en toen zijn we door de hoedenfabriek naar beneden gegaan, naar de Demer toe. Het hele huis is uiteindelijk verwoest.

Mijn vader probeerde weg te komen met ons, maar hij mocht de deur niet uit. Op straat liepen mensen van de luchtbescherming. Zij zeiden dat het te gevaarlijk was op straat. Toen het later wat rustiger werd, mochten we wel naar buiten. Mijn vader nam een grote zak mee met allemaal spullen, en mijn moeder droeg mijn broertje. Ik liep tussen hen in. Mijn vader wilde naar Woensel toe want hij dacht dat het daar veilig zou zijn. Maar dat kon niet, want op de overweg stond de trein stil. Ze hadden die uit voorzorg stilgezet, want als de rails kapot zouden gaan door het bombardement zou de trein kunnen verongelukken. Daarom konden we niet oversteken.

Toen we op de Dommelstraat kwamen, begon het bombardement opnieuw. Bij het bankgebouw stonden mensen die er werkten of woonden. Zij wuifden ons naar binnen. We konden er schuilen in de brandkast, waar al een heleboel mensen zaten. Iemand ging toen een glaasje water halen, zodat we allemaal iets konden drinken tegen de schrik. Ik dronk ook een beetje. Ik had geen dorst en ik begreep ook niet waarom we allemaal iets dronken. Ik dacht: het hoort bij die rare dag vandaag, alles is anders, dan moet je blijkbaar ook water drinken.

‘s Avonds zijn we naar kennissen gegaan om te slapen. Ik denk met een koetsje, die kon je huren als een soort taxi. Toen werd het langzaamaan tijd om naar bed te gaan. Ik zei: dat kan niet, want ik heb geen beer meer! Ik had een beer thuis op de Emmasingel, maar die hadden we niet meegenomen. Toen heb ik een beer gekregen uit de box van het kind van de mevrouw waar we logeerden. Die beer heb ik nog steeds.’

Had u veel vrienden in de oorlog?
‘Ja, een heleboel. Er waren veel kinderen in de buurt, met wie wij speelden. We speelden met jongens, maar we speelden ook vadertje en moedertje met meisjes. We speelden verstoppertje, en tikkertje. Een buurjongetje van mij had allerlei autootjes. Dan speelden wij op zijn kamer met zijn autootjes, daar moest ik heel voorzichtig mee zijn.

Vroeger wilden we ook weleens wat snoepen. Mijn moeder had daar wat op gevonden. We hadden een appelboom in de tuin. De appels werden geschild en gedroogd, en met een naald werd er een draadje doorheen geregen. Zo konden ze aan de waslijn drogen. Als ze droog waren, kon je ze bewaren en in een trommeltje doen. Als er dan gesnoept moest worden, kon je een appelschijfje opknabbelen. Je moest ze wel eerst goed wassen, want buiten kwamen er nog wel eens vliegen op.

Tijdens het spelen is het ook een keer verkeerd gegaan. Na de bevrijding hebben de Duitsers nog een keer gebombardeerd op de Aalsterweg. Er werden splinterbommen gegooid. In de tuin stond een hele grote oude boom. Het was net beukennootjes tijd, dus veel kinderen uit de buurt waren beukennootjes aan het zoeken. Sommige kinderen werden geraakt door scherven van de bom en sommigen zijn ook overleden in het ziekenhuis. Het was heel triest. Ik zat er middenin, maar ik besefte niet wat er gebeurde.’

Wat had u allemaal te eten tijdens de oorlog?
‘Ik weet nog dat mijn vader ziek was tijdens de oorlog. De zusters kwamen toen aan hem vragen hoeveel hij wilde eten. Zes boterhammen, zei hij. Dat vonden de verpleegsters wel veel, maar ze regelde het toch. Dan at mijn vader drie boterhammen en stopte hij de andere drie in zijn nachtkastje voor mijn moeder, die nam ze mee naar huis.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892