School: ’t Fonnemint

‘Op een middag in 1944 vlogen er propellervliegtuigen over ons huis’

Asmaa, Fayen en Jarno interviewen Sytse Buwalda (1943) in zijn bijzondere woning in Westhoek. Het huis ziet eruit als een persoonlijk museum waar de tijd lijkt stil te staan. De leerlingen van ’t Fonnemint in Sint Annaparochie zijn onder de indruk van alle museumwaardige rariteiten die meneer Buwalda hun laat zien. Ze mogen de voorwerpen van dichtbij te bekijken en hebben zo een stukje oorlog in hun handen. Omdat meneer Buwalda in de oorlog nog zo jong was, weet hij zelf weinig meer van deze tijd, maar hij vertelt de verhalen die zijn (groot)ouders en ooms hem ooit hebben verteld.

Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik weet één ding nog zelf. Ik woonde in Leeuwarden. Op een middag in 1944 vlogen er propellervliegtuigen over die naar fabrieken in Duitsland gingen, waarschijnlijk naar Hamburg. Vlak bij ons in de buurt is er toen een bom gevallen. De scherven lagen bij ons op het dak, en een lag in onze tuin. Wij hebben deze scherf altijd bewaard. Ik denk dat er niet één iemand is die ook zo’n scherf heeft. Die kans is heel klein.’

Kunt u ons vertellen over uw familie?
Mijn opa was timmerman en in de oorlog maakte hij bij een boerderij verderop een luikje voor een ruimte zodat de Duitsers de onderduikers die erachter verborgen zaten, niet konden zien. Dat had mijn opa goed gedaan. Mijn andere opa, een kruidenier, had een bijzondere verrekijker. Die was nog van zijn vader geweest die veldwachter was. Als de Duitsers kwamen om jongens op te pakken om ze te laten werken in Duitsland, tuurde mijn opa naar de Westerdijk en gaf hij een sein. Mijn oom moest dan tussen de aardappels op het land liggen, zo konden ze hem niet vinden. De verrekijker is misschien wel 150 jaar oud.

Ik heb in de keuken ook nog een graanmolen en een oventje uit 1941-1945 staan. De smid heeft ze ooit speciaal voor mijn familie gemaakt. Mijn opa bakte brood in het oventje. Kijk, daar kwam het deeg in, de deksel erop, en stond het petroleumstel. Je moest het er een paar uur op laten staan tot het brood klaar was. Heel anders dan de ovens van nu.’

Wat vond u van NSB’ers?
‘Dat waren foute bewegingen, absoluut. Maar voor sommige mensen was het begrijpelijk dat ze NSB’er werden. Veel meesters waren werkloos en hadden geen uitkeringen. Een inspecteur vertelde dat ze in Duitsland werk konden vinden. Dan gingen ze daarnaartoe, maar bij terugkeer werden ze gestraft. En de inspecteur kreeg een lintje. En daarom zeg ik dus: niet iedereen is te veroordelen die NSB’er was.

Ik heb NSB’ers in de familie. Een verre neef was hoofd van een school en ook NSB’er. Zijn zoon studeerde medicijnen in Groningen, maar hij mocht het daar niet afmaken. Die zoon mocht toen naar Berlijn en werd arts. Hij promoveerde zelfs. Als tegenprestatie moest hij als arts in het Duitse leger naar Stalingrad en toen ze daar verloren moest hij naar het Westfront in Frankrijk. Later werd hij opgepakt en in een kamp gezet omdat hij SS’er was. Hij mocht eerder weg omdat hij dokter was, maar niemand wilde met hem samenwerken. Daarom begon hij een privékliniek. Hij was een hele knappe dokter. Het trieste was dat hij geen vrienden meer had onder de artsen. Ze namen het hem kwalijk dat hij nog samenkwam met oud-SS’ers met wie hij over maar één ding kon praten. Dat was de oorlog.’

School: ’t Fonnemint

De Duitsers stonden buiten te brullen: ‘Doe open, doe open, doe open!’

Attie Hiemstra, die als peuter de oorlog beleefde in Sudhoek in Sint Annaparochie, vertelt met veel details over hoe haar familie haar ooms in huis verborg. Dean, Souad, Alysia en Ilse van ‘t Fonnemint luisteren geboeid naar het verhaal over de bedstee, terwijl de lieve poes van mevrouw Hiemstra door de kamer loopt. Zij vertelt de kinderen ook hoe ze destijds de Duitsers voor de gek hielden.

Waarom waren uw ooms ondergedoken bij u thuis? 
‘Mijn ooms, de broers van mijn vader, waren bij ons ondergedoken omdat ze anders naar Duitsland moesten voor tewerkstelling. Ze sliepen in de bedstee. Weet je wat een bedstee is? Het was één grote wand met twee lange deuren, waarachter een bed was. Daar sliepen ze in. Ik was nog maar twee jaar en sliep in het ledikantje in de hoek van de kamer. Als de Duitsers kwamen, dan moesten de onderduikers onder het bed door. Daar zat een luikje. En dan kwamen ze in de kelder. Zo konden ze dan via de kelder in het hok komen.”

Hoe zorgde uw moeder dat ze niet ontdekt werden?
‘Als die onderduikers uit het bed moesten, legde mijn moeder mij in het warme bed. Want als de Duitsers kwamen en een warm leeg bed zouden zien, dan zouden ze denken: hé, het deugt niet. Nu hadden ze daar geen erg in, want ik lag erin. We hadden ook een hond. Mijn moeder was bang dat die hond ging blaffen als de onderduikers in het hok kwamen. Maar dat is niet gebeurd.’

Wat gebeurde er toen de Duitsers bij u thuis kwamen?
‘Ze stonden buiten te brullen van: ‘Doe open, doe open, doe open’. Mijn moeder deed het rustig aan want anders hadden mijn ooms geen tijd om door het luik te gaan. Ze gingen het hele huis door en ze zochten. In onze kamer stond een houtkachel, die was aangesloten aan de schoorsteen, met een pijp erdoor. Mijn moeder vertelde dat ze de pijp gewoon uit de schoorsteen trokken om te kijken of daar ook iets in zat. De Duitsers hadden een bayonet, heel scherp, waarmee ze overal doorheen staken. Dus gelukkig lagen mijn ooms niet meer in hun bedstee.’

Zijn uw ooms ontdekt?
Nee, ze zijn niet verraden. Op een gegeven moment zijn ze weggegaan, naar Drenthe. Ik denk dat ze daar ook onderdoken waren. Ik weet in ieder geval dat wij er kennissen aan hebben overgehouden, want wij gingen daar later altijd heen op fiets om te logeren tijdens de vakantie.’

School: ’t Fonnemint

‘De Canadezen beschoten de uier van een koe en de Duitsers vluchtten in paniek’

Wout, Fenna, Hadewych en Annel komen naar de boerderij in Jacobiparochie waar de familie Rienks tijdens de oorlog woonde. Winda Rienks vertelt de leerlingen van ’t Fonnemint over de gebeurtenissen die zich hier afspeelden. Hoewel ze zelf ver na de oorlog is geboren, kent ze het verhaal van de familie goed. Over de gevaren van de Duitse huiszoekingen en de momenten van paniek toen de Canadezen arriveerden.

Wat heeft uw familie gedaan in de oorlog?
‘Mijn familie woonde hier op de boerderij. Ze hebben mensen opgevangen. Er waren onderduikers die niet gevonden mochten worden door de Duitsers. Er was bijvoorbeeld één man die de ene keer bij deze boerderij zat en de andere keer bij een andere, om niet gevonden te worden. Ook zaten hier een paar maanden ‘evacuees’, mensen uit Limburg die naar het noorden kwamen omdat in het zuiden veel honger heerste. Verder draaide de boerderij gewoon door. De onderduikers zaten dan op zolder en hadden hun eigen plekje. Ze hielpen niet mee op de boerderij, maar ze waren er maar een paar maanden. Er stond hier ook een auto verstopt, bedekt met hooi, voor de Duitsers. Die is nooit gevonden. Na de oorlog heeft mijn familie die auto aan de staat gegeven voor de wederopbouw.

De Duitsers sliepen in de Vlaswijk, maar ze liepen hier vaak rond om te controleren. Er was ook een keer een Duitser hier. Mijn opa had in een zak een geweer verstopt. Hoe hij eraan kwam en waarom, is voor ons een mysterie, want dat mocht natuurlijk niet. Toen de Duitser de schuur binnenging om te kijken of er mannen waren, kwam hij bijna bij die zak. Hij begon erin te rommelen, maar toen hoorde hij gelukkig gerommel op zolder. Hij liet de zak vallen en liep naar het geluid, maar bleek het zijn collega te zijn. Het geweer is niet gevonden. Mijn vader is in 1942 geboren, dus hij was drie jaar toen de oorlog eindigde. Mijn opa was toen ongeveer 35. Er was ook een oma. Sommige Duitsers die hier waren, wilden hier liever ook niet zijn. En soms gaf mijn familie ze zelfs wat eten. Het was een bizarre sfeer aan alle kanten.’

Wat is er gebeurd met uw opa?
‘Mijn opa is een keer in de problemen gekomen. Er waren Duitsers die graag jaagden, maar op de boerderij mochten ze niet jagen. Toen ze hier toch kwamen jagen en er eenden waren, klapte mijn opa in zijn handen om de vogels weg te jagen. De Duitsers vonden dat niet leuk en namen hem mee naar het gebouw de Vlaswiek in Sint-Anne, waar jullie met de wandeling geweest zijn. Toen hij daar moest zitten, lag er een boekje op tafel. Mijn opa pakte dat en bladerde erin, wat niet mocht. Hij moest in de hoek gaan staan en daar een hele nacht blijven. Het was natuurlijk heel spannend voor mijn oma, ze wist niet of hij nog terug zou komen.’

Wat gebeurde er toen de Canadezen hier kwamen?
‘Voor de boerderij langs loopt een vaart. Via de vaart werd het eten en de bevoorrading voor de Duitsers met een boot gebracht. Op een dag kwamen de Canadezen. Ze wilden dat de bevoorrading niet doorkwam en begonnen op de boot te schieten, en schoten daarbij per ongeluk een uier van een koe kapot. Dat was niet de bedoeling, maar mijn vader, die toen nog maar drie jaar was en thuis zat met zijn zusje, zag het wel. Iedereen raakte in paniek: mijn vader, zijn zusje en de evacuees vluchtten direct naar de kelder. De Duitsers vluchtten ook, maar dan de schuur in. Ze waren alleen thuis want zijn vader en moeder waren op dat moment op de fiets naar Leeuwarden.’

School: ’t Fonnemint

‘De Duitsers haalden mij uit mijn bedje en gooide me op de grond’

Sarah, Lana en Rutmer komen naar het huis van Marijke Ottema om haar te interviewen. Mevrouw Ottema was pas twee toen de oorlog begon maar vertelt met enthousiasme over de verhalen die haar familie haar heeft verteld. De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal over die ene dag dat de Duitsers op de stoep stonden en er twee ooms werden meegenomen.

Wat deed uw familie tijdens de oorlog?
‘Mijn opa Jaap Boersma en oma Trijntje Boersma Bosscher woonden in Oudebildtzijl, op de Aerdenplaats. Het gezin bestond uit hen, twee meisjes en drie jongens: Boukje, Rins, Gerem, Dirk en Hendrik. Halverwege de oorlog, in 1943, was de familie heel vaak bij hen. Oma Bep had sigaretten, tabak, koffie en thee in huis en pake verkocht brood. Ze konden heel veel ruilen met de boer, bakker en slager voor eten. Dus er was altijd genoeg.

Mijn vader werkte tijdens de oorlog bij het distributiekantoor in Sint Annaparochie. Hij zat daar achter de balie. Hij gaf de bonnen uit en controleerde of mensen de juiste bonnen hadden. Er waren hele ploegen mensen aan het werk, maar hij vond het een geweldige tij want er werkten leuke vrouwen. Hij ging zelfs vaak met zijn vader schaatsen naar Franeker, waar ook een vrouw van het kantoor werkte. Ondanks de akelige omstandigheden, hadden ze een hele mooie ploeg.’

Wat gebeurde er toen de Duitsers voor de deur stonden?
‘De hele familie was bij elkaar, toen Duitse soldaten langskwamen voor een huiszoeking. Ze zochten mijn ooms Germ en Dirk om ze mee te nemen naar Assen. De soldaten gooiden het huis helemaal overhoop. Ze haalden zelfs mij, toen ik een jaar oud was, uit mijn bedje en gooide me op de grond omdat ze dachten dat er misschien nog iemand het bedje onder lag. Germ vonden ze, maar Dirk zat angstig verstopt op een zolder tussen de balken. Ze hebben uiteindelijk Germ en de jongste zoon Hendrik meegenomen naar Assen, waar de mannen in een pianofabriek moesten werken.

Mijn tante Mina, de vrouw van Germ, was niet van plan om ze daar te laten. Ze ging met een oude fiets en rubberen banden alleen naar Assen. Het verhaal gaat dat ze de mannen heeft geholpen te vluchten, met gevaar voor eigen leven. Ze zijn gelukkig weer thuisgekomen. Niemand durfde daar later over te praten, maar ik wil dat wel doen.’

Heeft er nog meer familie een oorlogsverhaal?
‘Mijn schoonvader had ook een verhaal, hij is in Duitsland te werk gesteld en moest er vreselijk hard werken. Na de bevrijding is hij van Duitsland naar Jellum gelopen, bij Leeuwarden in de buurt. Met een handkar en schamele bezittingen. Dat is wel 100 kilometer! Hij kwam vermagerd en vermoeid thuis en heeft daarna heel lang in het sanatorium in Appelscha gelegen met tuberculose, een ziekte aan je longen. Dat kwam vast door de kou en de honger. Het was een vreselijke tijd voor het gezin.

Bij Jellum is nog een treinbeschieting geweest, tussen Jellum en Dronrijp. De machinist is daarbij overleden. Er waren mannen uit het verzet die een stuk rails hadden weggehaald, waardoor de trein verongelukte. Dat was griezelig want wij woonden dichtbij. Het waren rare tijden.’

School: ’t Fonnemint

‘Op 4 en 5 mei ging ik niet naar school want dan was er iets geheims’

Fleur, Isa-Sofie en Milan van ’t Fonnemint in Sint Annaparochie interviewen Geertje Kingma die vertelt hoe de oorlog een schaduw wierp op haar familie. De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal over haar vader die bij de NSB zat en na de oorlog drie jaar in de Blokhuispoort en Westerbork vastzat. Mevrouw Kingma vertelt eerlijk over de eenzaamheid, het gepest op school en de pijn van het niet mogen praten thuis

Wat heeft uw familie gedaan in de oorlog?
Toen ik drie maanden in de buik van mijn moeder zat, was de oorlog voorbij. Maar mijn vader was al gevangengenomen op 16 april en naar de Blokhuispoort gebracht. Hij zat in de oorlog bij de NSB. Dat werd hem heel zwaar aangerekend.

Toen hij drie jaar later vrijkwam, was de sfeer in huis veranderd. Mijn broer en zus waren toen 14 en 13 jaar. Er was veel ruzie en iedereen moest zijn plek weer vinden. Er hing een groot geheim over ons gezin. Ik wist niet wat het was, maar ik wist dat er iets met mijn vader was. We mochten thuis niet over de oorlog praten.

Toen ik een jaar of negen was, speelde ik op een dag met een vriendin. Ze vroeg of mijn vader in de gevangenis had gezeten. Ik had een scherp geheugen en ineens kwamen alle herinneringen naar boven. Ik vroeg mijn ouders wat er precies was gebeurd, maar ze zeiden: ‘Als je wat ouder bent, vertellen we het wel’.

Maar ze vertelden het nooit. Ik werd een eenzaam kind, kon niet met anderen praten en had een hekel aan school. Ik wou niet eten en ik ging niet naar school op 4 en 5 mei, want ik voelde dat dat geheim daarmee te maken had. Het geheim is pas opgelost toen ik in 1985, ik was toen 30 jaar, het dossier van mijn vader in Den Haag las.”

Wat heeft uw vader gedaan bij de NSB?
Mijn vader was timmerman en had een aannemersbedrijf. In de crisisjaren, eind jaren dertig, was er weinig werk en hij koos voor de NSB om geld te verdienen. In de laatste oorlogsjaren, in maart of april, werd hij op de Spanjaardslaan in Leeuwarden door een auto aangehouden. Hij wist niet waar ze heen gingen. Ze reden naar Dokkum om een zekere ‘Maarten’ te bevrijden, die door het verzet was vastgehouden.

Het was een domme actie van de NSB’ers want de Canadezen stonden op twee kilometer afstand. Toen de auto met vijf NSB’ers aankwam, werden twee mannen uit het publiek gegrepen en op de spatborden gedwongen. Ze werden doodgeschoten. Mijn vader zag dit niet, hij kwam eerst niet uit de auto. Hij zag ergens een fiets, jatte die en fietste naar Vrouwenparochie. Dagen later werd hij gearresteerd en vastgezet in de Blokhuispoort en in Westerbork. In Westerbork had hij een ontsteking die niemand wilde behandelen, totdat een andere gevangene hem hielp. Hij hield er littekens van over. Hij zat drie jaar gevangen. Dat was het geheim. Als je het weet, moet je erover praten. Het gaat over mijn vader, niet over mij. Ik ben niet schuldig.’

Hoe was het voor u als kind?
‘Ik was een heel verlegen, bang kind. Ik durfde niet met andere kinderen te spelen. Ik werd heel erg gepest op school, ook op de christelijke ulo. De leraren wisten wel wat er gaande was. Een vriend van mijn vader, die oppasser was in de Blokhuispoort, vertelde later aan mijn vriendinnetje dat ik ‘een meisje uit een verkeerd nest’ was. Dat deed pijn. Toen mijn vriendje overleed aan een ongeluk, kwam die oom niet op zijn begrafenis.

Later, toen ik met mijn huidige man trouwde, zeiden zijn ouders: ‘Waarom nou een meisje van die mensen?’ Dat was triest. Maar ik ben later zelfverzekerder geworden door mijn talenten: pianospelen, teksten schrijven, muziek maken. Ik heb tien jaar in een cabaret gezeten en nu vertaal ik popliedjes in het Fries. Maar het geheim bleef er hangen. Pas toen ik het dossier las, wist ik de waarheid. Ik moest leren dat ik geen schuld had.’

Is er ook iets met uw moeder gebeurd?
Mijn moeder was een pittige vrouw, een sterke moeder. Omdat mijn vader gevangen zat en er geen kostwinner was, kreeg ze geld van buren en haar ouders. De regering gaf een regeling: alleenstaande vrouwen van NSB’ers met kinderen moesten openbare gebouwen schoonmaken als straf in ruil voor geld. Mijn moeder kreeg de opdracht om de openbare school in Vrouwenparochie schoon te maken. Voor het eerst zat ik toen op een wc met doorspoeling, wat ik heel eng vond. Mijn 15-jarige zus hielp ook mee.

Mijn moeder is de dans ontsprongen om opgepakt te worden, waarschijnlijk omdat ze zwanger was van mij. Er zijn veel kinderen van ‘foute Nederlanders’ naar andere gezinnen gestuurd voor heropvoeding, waar ze mishandeld werden. Het is een gigantisch probleem wat hier achter deze geschiedenis zit.’

Heeft u de bevrijding gevierd?
‘Ik heb nooit een 5 mei-feestje gevierd. 4 mei wel, maar dan ging ik ook niet naar school. Het was allemaal taboe. Ik heb mijn vader ontzettend lief, maar ik moet in mijn hoofd de keuze die hij maakte verzoenen met de liefde die ik voor hem heb. Het is moeilijk. Ik hoop dat de wereld leert van deze geschiedenis. Het herhaalt zich, zie je in Rusland en Oekraïne, en bij Israël en Palestina. Kinderen lopen gigantische trauma’s op. Maar ik ben blij dat we nu kunnen praten over de waarheid, ook al was het moeilijk.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892