Erfgoeddrager: Younes

‘In zijn schuur vond ik een bijzonder, maar gevaarlijk boek!’

De 12-jarige Mano, Seanjay, Yakhyaa en Younes ontmoeten op hun school Spring High in Amsterdam Nieuw-West Jan Kok. Hij was nog maar een ventje van vijf jaar oud toen de oorlog begon. De jongens zijn vooral benieuwd naar het bijzondere, maar gevaarlijke boek dat hij thuis in de boekenkast heeft staan (en speciaal voor deze gelegenheid mee naar school heeft genomen). En hoe kwam hij daar eigenlijk aan?

Heeft u Joodse familieleden?
‘Wij waren niet Joods, maar we hadden wel veel Joodse kennissen. We woonden in een portiek in de Haarlemmermeerstraat, op nummer 104. In het portiek waren acht woningen waarvan er in vier Joodse mensen woonden. Ze zijn allemaal vermoord. Naast ons woonden Edith en Walter Scherbel. Ze waren gevlucht uit Duitsland; zij was in Keulen geboren, hij in Bocholt. Mevrouw Scherbel heeft mij leren kaarten. Ik herinner me nog wat voor jurken ze droeg. Jurken van een gladde stof, en ik was gek op gladde stofjes. Op 30 september 1942 zijn ze vergast in Auschwitz. Zij was 34 jaar, hij 31. Boven ons woonden een broer en zus, Josef en Helene Herrmann. Ik kwam veel bij hen thuis. Helene werd weggehaald in een herfstvakantie, toen ik thuis was. Een Nederlandse agent belde bij ons aan, hij kwam voor Helene en vroeg mijn moeder of hij kon doorlopen. Mijn moeder antwoordde: “Nee, want hier staat Kok op de deur.” Ze wilde hem duidelijk maken dat ie verkeerd zat. Achteraf hadden we gewild dat we hadden gezegd dat hij door kon lopen, dan had ze misschien nog weg kunnen komen. Helene is in 1943 op 62-jarige leeftijd in Auschwitz vermoord. Josef is in 1945 omgekomen in Bergen-Belsen, hij was toen 70 jaar. Van alle Joodse mensen die ik kende, zijn er na de oorlog maar twee teruggekomen.’

Wat is dat bijzondere, maar gevaarlijke boek dat u heeft?
‘Dit is het boek waar het allemaal mee begonnen is. Geschreven door de grote boef, Hitler. Hij heeft het in de gevangenis geschreven. Hitler had eerder namelijk al een staatsgreep proberen te plegen en daar heeft hij een paar jaar voor gezeten. De plannen voor deze oorlog waarin wij terechtkwamen, daar was hij dus al heel lang mee bezig. In 1938 werd het boek verkocht en er werden duizenden van gedrukt. Hij heeft zo het hele volk vergiftigd met zijn ideeën. Ideeën die niet deugen.
Dit boek hier is van A. de Haan geweest, een SD’er. Een gemene man die de kant van de Duitsers had gekozen, en Joodse mensen verraadde. Hij woonde naast ons, in het huis waar Edith en Walter Scherbel weggehaald waren. Tijdens Dolle Dinsdag is hij verdwenen. Ik ben daarna door een gat in het hek gekropen. In zijn schuur vond ik dit gevaarlijke boek. Ik heb het gejat, en ook zijn klompen. Ik was toen tien en mijn vader had wel eens over het boek verteld. Ik wist wel wat ik meenam.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt en hoe was dat?
‘Nou, die heb ik meegemaakt en ik kan je vertellen: het was bar. In Amsterdam had je de Centrale Keuken. Bij ons in de buurt werd er gekookt op het Magalhaensplein. Het eten dat in die keuken werd gekookt, werd in nieuwe vuilnisbakken gedaan en – met paard en wagen van Van Gend & Loos – naar de Calvijnschool gebracht. Daar leverde ik mijn bonnetjes in en dan werd mijn pannetje gevuld. Met het gevulde pannetje ging ik dan weer naar huis en dan aten we het meteen op.
Mijn vader vond het heel erg dat hij zijn kinderen nauwelijks te eten kon geven. Mijn broer en ik werden heel mager; we hadden ontzettend dunne armpjes. Mijn broer had allemaal gaten in zijn been door een gebrek aan vitaminen. En mijn kop zat in het verband, want ik had een negenoog en steenpuisten. Voor mij was er een regeling getroffen dat ik één keer per week bij mensen mocht komen eten die wel wat hadden. Er was ook een eetgezin in de Jacob Marisstraat, maar toen ik daar kwam eten met m’n ingepakte hoofd, hoefde ik de volgende week niet meer terug te komen.
In Amsterdam was er ontzettende honger. Op het platteland hadden veel mensen nog wel een tuintje of kenden ze een andere boer van wie ze eten kregen of waarmee ze konden ruilen. Ik weet nog dat ik een ontzettende hekel aan lof had, want dat was vroeger heel bitter. Mijn moeder vroeg me toen een keer om groenten te halen bij de boer, maar ze hadden alleen maar lof. Ik vond dat dus zo vies, ik heb het verdomd en het niet meegenomen.’

           

Erfgoeddrager: Younes

‘We vonden het spannend dat Nederland zo laag lag’

Amerie, Bekir, Jessie, Loïs en Younes van het Vox College in Amsterdam-Noord bezoeken de 75-jarige Lucia Bouva in haar flat. Ze worden warm ontvangen en gaan zitten in haar gezellige huiskamer vol familiefoto’s en culturele spulletjes, waar ze tijdens het interview uitgebreid over zal vertellen. Ook luisteren ze naar muziek van populaire Surinaamse bands waarin de zoon van mevrouw Bouva als gitarist meespeelt. Ze is op haar zestiende vanuit Paramaribo met haar familie naar Nederland gekomen en woont al decennia in Amsterdam-Noord. Als ze haar Surinaamse hoofddoek goed heeft opgezet, beginnen de leerlingen hun interview.

Hoe was uw schooltijd in Suriname?
‘Het was heel prettig, ik heb het goed gehad. Ik zat mijn hele jeugd bij de padvinderij, dus dan ken je bijna iedereen. Ik heb nog steeds contact met vriendinnen van toen. Mijn vader had een meubelzaak, hierdoor zaten we financieel goed. We hebben eigenlijk nooit problemen gehad. Mijn ouders hebben elkaar ontmoet toen ze allebei voor meneer Van Wou werkte. Hij was een belangrijke man, een ‘kopstuk’ in de waterbouw. Mijn moeder was kamermeisje en mijn vader was timmerman. Die Nederlandse familie Van Wou heeft toen mijn vader gestimuleerd om een eigen zaak te beginnen.’

Heeft uw familie te maken gehad met slavernij?
‘Mijn overgrootmoeder heeft slavernij gekend, maar wij wisten er eigenlijk weinig over. We hadden er wel op school over gehoord en elk jaar werd feest gevierd op 1 juli (Keti Koti: de jaarlijkse herdenkingsdag van de afschaffing van de slavernij). Hier in Nederland werd onder de Surinamers veel meer over de slavernij gepraat dan in Suriname.’

Waarom bent u naar Nederland gegaan?
‘Mijn vader kon in Nederland studeren aan de technische school. Hij heeft de eerste vijf jaar alleen in Nederland gewoond en toen zijn wij als familie in etappes naar Nederland gekomen. We hadden een groot gezin met tien kinderen. Ik was 16 jaar en pas van school geslaagd. De bootreis was geweldig! We waren ongeveer vier weken op zee. Er waren feestjes en we kregen Nederlandse maaltijden. We zijn met het gezin in Landsmeer gaan wonen. Bij aankomst waren de buren heel aardig, ze kwamen appeltaart brengen en ze leerden mijn moeder Nederlands koken. Maar ze kookte al vaker Nederlands op z’n Surinaams. We vonden het spannend dat Nederland zo laag onder de zeespiegel lag en dat er altijd gevaar voor overstromingen was. Later ben ik in Amsterdam-Noord gaan wonen en kreeg ik twee zoons en negen kleinkinderen. Ik heb altijd heel erg van kinderen gehouden, dus ik heb altijd veel opgepast, ook op andermans kinderen. Vroeger liep ik vaak ‘shows’ door de buurt met die kinderen. Dan had ik Surinaamse drachten aan, maar ook drachten uit andere landen. Die kinderen vonden het geweldig. De drachten draag ik nog steeds. Ik wil heel graag weer eens een show organiseren. Ik zit ook bij allebei clubjes, ik haak veel en ik maak kaarten. Je moet bezig blijven.’

Wat vindt u beter in Nederland dan in Suriname?
‘Ik was kind toen ik in Nederland kwam, dus je vindt het precies hetzelfde even leuk. Ik miste de padvinderij heel erg. Toen heb ik mij ook hier aangesloten, maar dat was niet zoals in Suriname, dus ik ben snel afgehaakt. Ik kan niks slechts zeggen over Nederland, maar tegenwoordig gaat het hier wel minder goed met de leefstijl. Ik bedoel met de manier waarop we met elkaar omgaan. En ik mis de warmte van Suriname. Soms ga ik terug, maar ik zou er niet meer willen wonen. Hier in Nederland heb ik alles.’

Bent u ooit gediscrimineerd?
‘We hebben in het verleden wel last gehad van mensen die ‘zwarte piet’ naar ons riepen. Naar mijn vader, maar ook naar mij. Dat vond ik niet zo leuk. Een keer toen ik uit de bus stapte, riep een klein jongetje mij na. Ik heb hem bij mij geroepen en hem streng toegesproken. Maar die kinderen weten niet wat ze zeggen, het komt van de ouders.’

Wat is uw geloof?
‘Ik ben katholiek opgevoed en in Nederland ben ik bij de Jehova’s Getuigen geweest, maar op dit moment heb ik geen geloof meer. Ik geloof nu in het ‘culturele’, dat lijkt wel een beetje op een geloof. Kijk, ik heb hier op tafel een ‘bekken’ (een koperen teil) met drankjes en parfums, met ernaast een lege stoel, een ‘djarusu sturu’. Dit is een traditionele Surinaamse stoel die vroeger vaak door mannen aan hun vrouw werd gegeven. En als mensen in trance zijn, gaan ze in zo’n stoel zitten. Soms ga ik in de stoel zitten in mijn Surinaamse dracht. Ik ben ook weleens in trance geraakt, dat gebeurt plotsing. Niet iedereen gelooft hierin, maar zoetjes aan wel steeds meer mensen. Het komt allemaal uit de slaventijd. Toen de tot slaaf gemaakte mensen naar Suriname kwamen, hadden ze dit culturele geloof. Nederlandse slavenhouders verboden het, waarop de slaven stiekem hun geloof uitoefenden.’

 

Erfgoeddrager: Younes

‘Het was leuk dat je als kind ook je steentje kon bijdragen in het gezin’

Joop Bongers (84) en zijn vrouw Henny staan de leerlingen van de Rosa Boekdrukker al op te wachten als ze aan komen lopen voor het interview. Binnen in de hal zien Adam, Nathalie en Younes een vitrinekast staan met allemaal Amerikaanse modelvliegtuigjes die Joop verzameld heeft. Ze staan nog in de gang, maar de verhalen over de oorlog komen meteen al.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Ik was vier toen de oorlog begon en daar heb ik hele duidelijke herinneringen aan. Ik ging toen net naar de kleuterschool in de Chasséstraat bij de Admiraal de Ruyterweg. Die school bestaat nog steeds. Ik moest naar school, maar ik wilde niet. Bij ons in de buurt, in de Van Kinsbergenstraat, was een speelgoedwinkeltje. Daar had ik een heel mooi, blikken treintje zien staan. Ik wilde alleen naar school als ik dat treintje zou krijgen. Ik kreeg het treintje en ging braaf naar school. Kort daarna kwam er op een dag een groep jongens van de jeugdstorm met geweren in hun nek het plein op bij ons. Ze gingen rondom het plein staan en schoten in de lucht. Mijn neef, die op dat moment bij ons thuis was, waarschuwde ons allemaal dat we niet bij de ramen moesten blijven staan. Hij stapte zelf achteruit weg bij het raam en stapte op het treintje. Het treintje was kapot en voor mij was de oorlog al begonnen. Alles zou kapot gaan.’

Hoe kwam u tijdens de oorlog aan eten?
‘Ik heb tulpenbollen gegeten en alles wat los en vast zat. Alleen suikerbieten kreeg ik echt niet door mijn strot. Mijn vader moest voor de Duitsers werken in de Fordfabriek in noord. De Duitsers zorgden redelijk goed voor die werknemers dus hadden we nog wel wat te eten. Als mijn vader niet werkte, gingen we naar de gaarkeuken bij ons om de hoek. Als daar aardappelen werden gebracht, vielen er wel eens wat aardappelen naast. Wij hadden als kinderen een prikstok, een lange stok met een spijker aan het eind. Daar konden wij zo die aardappelen mee pikken. Zo konden wij als kind ook ons steentje bijdragen binnen het gezin. Ik heb wel eens vaker wat gepikt in die tijd hoor. In de scholen op het Columbusplein waren Duitsers ingekwartierd. Daar werd veel eten gebracht. Ik zag een keer dat ze twee broden verloren waren en die heb ik toen gepakt. Eén van die Duitsers had het gezien maar knikte me toe dat het goed was.’

Hoe was het na de oorlog voor u?
De bevrijding was een feest. In de buurt waar wij woonden, werden er gigantische feesten georganiseerd. Overal in Amsterdam waren kleine kermissen, feesten en wielerrondes. Na de oorlog zeiden we allemaal ‘dit nooit meer’. Het is zo erg wat we tijdens die oorlog hebben mee gemaakt: het afvoeren van joden en zigeuners en andersdenkenden. Maar al snel na de oorlog hier begon er een oorlog in Korea, oorlog in Vietnam, oorlog in Cambodja. We gingen gewoon door. We hebben niks geleerd. Dat vind ik beroerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ik nog te jong om in het leger te gaan, maar later was ik in dienst bij de marine. Ik moest in 1953 naar Indonesië en de zeeën daar lagen acht jaar na de oorlog nog steeds vol met mijnen. Hier in Nederland mocht je ook heel lang het duingebied niet in want daar lagen ook nog allemaal mijnen.’

         

Erfgoeddrager: Younes

‘Die strenge winter was een drama, maar ik heb toen wel leren schaatsen’

Truus Grondsma reist nog heel veel en gaat overal naartoe. Ze komt ook helemaal uit Noordwijk met de trein naar school. Yassir, Douae, Younes en Kyiomi van De Boomgaard wachten haar vol verwachting voor de deur op. In de tussentijd wordt er nog even gespeeld.

Wat merkte u van het begin van de oorlog?
‘De huizen hier waren toen net nieuw. We speelden gewoon op straat, want er waren nog niet zoveel auto’s. We hadden niet veel, ik speelde vaak met een houten stepje en maakte veel legpuzzels. Mijn jongste herinnering is dat ik midden in de winter achter mijn vader ben aangelopen die met een groep mannen samen kwam op de hoek van de Jan van Galenstraat en de hoofdweg. In de oorlog is ook mijn zusje geboren, maar zij was heel ziek. Zij is ook jong overleden. Je mocht eigenlijk ’s avonds niet naar buiten, maar mijn moeder had een speciaal bewijs dat ze wel naar het ziekenhuis mocht. Ook woonde aan het eind van de oorlog een joods gezin in ons huis. Mijn vader kende de man van school. De halve straat moet dat geweten hebben, maar zij hebben het overleefd. Mijn vader had een sigarenzaak. Dan ging ik bij hem achterop de fiets naar de boeren om spullen te ruilen voor eten. Er reed eens een Duitse wagen langs en wij verstopten ons in een slootje. Ze moeten ons gezien hebben, maar ze hebben niks gezegd. Ook reed er op de hoofdweg een vrachtwagen. De auto remde en er vielen suikerbieten af, die hebben we toen mee naar huis genomen.’

Hoe heeft u het overleefd?
‘Mijn vader kwam uit een grote familie van veertien kinderen uit Friesland. Wij zijn het laatste jaar van de oorlog naar mijn pake (opa) gegaan in Leeuwarden. Daar heb ik met een melkkannetje in de rij van de gaarkeuken moeten staan. In Leeuwarden ben ik voor het eerst naar school gegaan. Ook heb ik daar leren schaatsen. Het was een hele strenge winter en dat was voor anderen natuurlijk een drama, maar ik vond het ijs en sneeuw in Leeuwarden het mooist. Er werden daar ook regelmatig jongens opgepakt die moesten werken in de fabrieken. Dan gingen ze van deur tot deur. Mijn vader is ook een keer opgepakt, maar hij sprak Duits en heeft zich eruit gekletst. Daarna verstopte hij zich op een loze ruimte op de eerste verdieping. Er stonden een keer Duitsers voor de deur, ik moest huilen en riep: “Ze komen voor vader!” Die Duitser vroeg wat ik zei en mijn moeder zei snel: “Ze zegt dat haar opa ziek is.” Ik mocht nooit meer wat zeggen, dat durfde ik ook niet meer. Ik heb jarenlang mijn mond niet meer open durven doen.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘De Canadezen reden met tanks door de stad, maar ik durfde er niet op te zitten. We kregen chocola, dat hadden we in jaren niet gehad. En voor het eerst banaan, dat had zo’n rare smaak. Maar ik had veel te weinig vitaminen gehad tijdens de oorlog, dus de tijd erna had ik plekken van het hongeroedeem. Als je die open stootte, dan stonk het heel erg. In de winter in 1946 werd ik van school gestuurd omdat ik geen klompen had, kun je nagaan hoe arm het nog was. Ik ben ook nog heel lang bang geweest voor het geluid van vliegtuigen, maar opeens was dat weg. Ik vind het fijn om mee te doen aan dit project. Hierdoor herinner ik mij weer allemaal dingen en ben ik ook een en ander gaan uitzoeken. Als je kijkt naar de geschiedenis, dan is er veel oorlog, maar hier al meer dan 70 jaar niet. En dat moet zo blijven.’

     

Erfgoeddrager: Younes

‘Pop Lies’

Wij zijn Masiami, Anouar, Younes en Mihriban. Wij hebben mevrouw Trudy Bos geïnterviewd over de Tweede Wereldoorlog. Ze verloor haar pop toen ze naar Culemborg ging om bij te komen van het bombardement bij haar in de buurt.

Wat herinnert u zich van het bombardement?
“Bij de Ritakerk was een jongens-, meisjes-, en kleuterschool. De Duitsers dachten dat daar de Fokkerfabriek stond en hebben die plek op een dag gebombardeerd. Iedereen zat toen in de kerk, maar mijn broertje van 4 jaar en ik waren daar te jong voor. Mijn moeder stuurde ons die dag wat eerder naar school, het was pas half 9. Dus ik zei tegen mijn broertje: ‘Kom we gaan over de brug.’ Dat mocht eigenlijk niet, want dat was te ver. We liepen net op de brug en toen ging het groot luchtalarm af. We zijn gaan hollen en hebben geschuild in een winkel. Er kwamen allemaal zwarte kluiten naar beneden, bommen dus. Na ongeveer een half uur was het voorbij. Een meneer heeft ons toen teruggebracht naar mijn moeder. Heel veel huizen waren weg, maar gelukkig dat van ons niet. Mijn broertjes kwamen uit de kerk, ze hadden gaten in hun hoofd.”

Hoe heeft u de Hongerwinter overleefd?
“Dat was een vreselijke tijd. Onze school was gebombardeerd, waardoor er geen verwarming was. En ik had geen schoenen, maar klompjes. Ik herinner me dat de bomen uit de Van der Pekstraat werden omgezaagd, zodat iedereen een stuk hout kon krijgen. Daarmee kon je naar de klompenmaker. Ik had heel erg veel honger. Mijn vader ging op de fiets naar het Wieringermeer, zeker 100 kilometer fietsen. Hij ruilde daar bijvoorbeeld Monopoly spellen of handdoeken voor tarwe of aardappelen. Maar op de terugweg werd mijn vader soms opgewacht door de Duitsers, die namen alles in beslag en dan hadden we nog niks. Af en toe hadden we wel tarwe. Dat moesten we malen in een koffiemolentje en daar maakten mijn moeder dan met water een soort papje van. Of ze maakte soep van water met wat groenten uit het tuintje van mijn vader. Maar verder hadden we echt niets.”

Wat is er met uw pop gebeurd? U heeft er een verhaal over geschreven.
“Na het bombardement werd ik naar Culemborg gebracht. Mijn moeder heeft toen een pop voor mij gemaakt, Lies noemde ik haar. In de oorlog kon je namelijk geen poppen kopen. Mijn moeder had een vakje in de pop gemaakt met ritssluiting, om een nachtjaponnetje in te doen. De mevrouw waar ik verbleef, gebruikte dat toen om sleutels in te bewaren die toegang gaven tot de plek waar onderduikers bleken te zitten. Na mijn verblijf in Culemborg is die pop daar gebleven, ik mocht haar niet meenemen. Jaren later ben ik terug geweest in Culemborg. Daar werd mij verteld dat de mevrouw waar ik sliep pop Lies altijd op 5 mei aan de deur hing, als teken van vrijheid.”

 

 

Erfgoeddrager: Younes

‘Thuis vierden we de joodse feestdagen maar ook Sinterklaas’

De moeder van Meijer bleef door de oorlog alleen achter, met haar vijf kinderen. Het Joodse gezin had het erg moeilijk. Maar het lukte de moeder van Meijer om haar vijf kinderen te redden.

Wat herinnert u zich van het begin van de oorlog?
“Ik groeide op in Utrecht met mijn ouders en 2 broertjes en 2 zussen. Toen de oorlog uitbrak was ik eerst nog niet bang. Ik ging nog naar de openbare school en had daar veel vriendjes. Thuis vierden we de joodse feestdagen maar ook Sinterklaas. Later kwamen de maatregelen: moest ik van school af, mochten we niet meer fietsen, moest ik een Jodenster dragen. En in 1942 kreeg mijn vader een brief waarin stond dat hij naar Duitsland moest gaan om te werken. Hem werd beloofd dat zijn familie veilig zou zijn als hij vrijwillig zou gaan werken. Mijn vader ging. Ik en mijn zus brachten hem naar de trein. We namen afscheid in de verwachting dat we elkaar weer zouden zien.”

Hoe kwam u in Amsterdam terecht?
“We moesten weg en NSB’ers wilden ons huis hebben. Met z’n zessen kwamen we terecht in Asterdorp, wat tijdens de oorlog een joods getto was. Daar woonden we in een heel klein huisje. Samen richtten we het netjes in. En elke dag liep ik met mijn broertje Iepie (Israel) van Noord naar de Weesperstraat waar we in de buurt op een joodse school zaten. Onze klas werd steeds kleiner, kinderen verdwenen, kwamen niet meer terug. Toen ik op een ochtend met mijn broertje onderweg was, werden we gewaarschuwd dat er een razzia was op school. Meteen zijn we weer terug naar huis gegaan. Toen we de volgende dag op school kwamen, zagen we dat er helemaal niemand meer was. Geen leraren, geen leerlingen. Iedereen was weg.”

Hoe heeft u de oorlog overleefd?
“Ik weet nog goed dat we hoorden dat op last van de Duitsers alle bewoners uit Asterdorp moesten vertrekken naar Amsterdam Oost. De avond voor het vertrek was er een afscheid, waarbij liedjes werden gezongen en de volwassenen moesten huilen. Ik begreep toen niet waarom. Later wel, toen we in Transvaal woonden en er razzia’s waren. Wij konden ons verstoppen en werden niet meegenomen. De hele nacht hoorden we de geluiden van de straat, de soldaten en de mensen die werden meegenomen.

Mijn moeder heeft uiteindelijk contact kunnen leggen met de NV, een Amsterdamse verzetsgroep, die onderduikadressen voor ons organiseerde. Ik en mijn broer Iepie kwamen bij een boer in Limburg terecht. Na afloop van de oorlog zagen we elkaar allemaal weer: mijn moeder en mijn broers en zussen. Maar mijn vader is nooit meer teruggekomen. We vonden zijn naam na de oorlog op de lijsten van het Rode Kruis. Hij was vermoord in het concentratiekamp.”

Erfgoeddrager: Younes

‘Ik zag de ene na de andere jongen uit de goederentrein springen en dacht: ‘dat kan ik ook wel!’’

Karel Hibbel was 18 jaar in de oorlog, en daarmee oud genoeg om in Duitsland aan het werk te worden gezet. Hij vertelt ons dat hij inderdaad op een dag werd opgepakt en op de trein naar Duitsland werd gezet, maar al snel wist te ontsnappen. Wij vinden het best dapper dat hij zomaar van een rijdende trein sprong.

Hoe kwam het dat u werd opgepakt ?
“Ik was met een paar jongens in de Damstraat om onze werkeloosheidsuitkering op te halen, toen we hoorden dat er in de buurt een razzia was. We verstopten ons snel in een fietsenzaak, maar na een paar uur ramden de Duitsers op de deur. De eigenares van de zaak die had geholpen om ons te verbergen, moest toen wel de deur opendoen. Een van de jongens van ons groepje probeerde nog via een wc-raampje te vluchten, maar werd neergeschoten door een Duitser en viel meteen op de grond. Ik zie het nog voor me. Met z’n vijven werden we naar het Damrak gebracht. Bij het Beursgebouw moesten we wachten op een schip dat ons naar Duitsland zou brengen. Maar dat schip kwam niet, en daarop besloten de Duitsers dat we dan met de trein naar Duitsland zouden gaan.”

Toen zag u uw kans schoon. Hoe was het moment dat u van de trein sprong?
“Ik had nog maar één gedachte: naar huis, terug naar mijn vrouw met wie ik net was getrouwd. De ene na de andere jongen zag ik uit de goederentrein springen en toen dacht ik: ‘Dat kan ik ook wel’. Je moest alleen zorgen dat je niet tegen een paal aan sprong. Ik heb een aantal koprollen gemaakt tot ik onderaan een dijk tot stilstand kwam. De Duitsers hadden onze schoenen afgenomen omdat ze dachten dat we dan niet zo snel zouden vluchten. De hele weg terug naar Amsterdam liep ik op blote voeten.”

Was het gevaarlijk om thuis te komen?
“In de oorlog was er spertijd, dus na acht uur ’s avonds mocht niemand meer buiten zijn. Het was allang acht uur geweest en de pont over het IJ ging niet meer, dus ik besloot naar mijn schoonouders te lopen. Zij woonden in de Uilenburgstraat, in de Jodenbuurt. Ik moest daarom dwars door de stad lopen, heel gevaarlijk. Mijn schoonvader mocht mij eigenlijk niet: ik was bankier en hij een schippersman. Maar toen ik die avond bij hen aanklopte, vloog hij me om mijn nek en gaf me er een paar zoenen bij. Vanaf toen sprak hij nooit meer een kwaad woord over mij.”

Erfgoeddrager: Younes

‘We zagen de Duitse vliegtuigen overkomen en we zagen heel veel rook boven Amsterdam Noord’

Wij zijn Younes, Prince en Imane en wij hebben mevrouw Annie Mulder geïnterviewd. Zij woonde in de oorlog met haar vader en moeder, 4 broers en 1 zusje in de Sloterpolder. We zaten gezellig bij mevrouw Mulder aan de keukentafel. Ze heeft ons allerlei foto’s laten zien en ook haar schoolrapport en poëziealbum. We mochten dat ook vasthouden. Annie kreeg tranen in haar ogen toen ze vertelde over de arme mensen, die zo’n honger hadden. 

 

Hoe was het bij u thuis tijdens de oorlog? 
“Toen de oorlog uitbrak stonden we buiten op ons land. Mijn ouders hadden een ‘Warmoezenierderij’: we kweekten fijne groenten, van baby af aan zat ik al tussen de prei. We zagen de Duitse vliegtuigen overkomen en we zagen heel veel rook boven Amsterdam Noord. ‘Allemaal naar binnen!’ riep vader, bang dat ons wat zou overkomen. Als er een bom of granaat op ons huis zou komen, zou dat meteen in brand vliegen. We renden naar de schuilkelder. Dat was een soort kuil in de grond, niet diep en met een dak met aarde er over heen. Er zaten houten banken in.”

Heeft uw familie veel mensen voedsel gegeven in de oorlog?
“Ja. Ik moet daar nog om huilen. Zoveel honger. De mensen kwamen in rijen aanlopen. Vrouwen hadden lange rokken aan want het was ’s winters koud. En dan stopten ze wat ze kregen onder die rokken, uit angst voor de Duitsers die bij de poorten stonden en eten wat de mensen bij ons haalden afpakten. Ik weet nog hoe gemeen ik dat vond.
Gelukkig hebben wij heel veel mensen uit de stad kunnen helpen met aardappelen en groenten. Ze hoefden daar niet voor te betalen. Wij waren natuurlijk ook gedwongen aan de Duitsers groente en andere levensmiddelen te geven, maar toch hielden we altijd over om te kunnen delen.” 

Ging het na de oorlog goed met u, of hebt u er veel last van gehad?
“Ik heb veel van mijn oorlogsherinneringen weggedrukt. Met mijn kinderen spreek ik er eigenlijk nooit over. Nu ik met jullie erover praat komt het weer bij me naar boven. Met veel mensen die eten kwamen halen bij mijn moeder hebben we altijd contact gehouden. Ze waren zo dankbaar.” 

Moeder Mulder

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892