Erfgoeddrager: Ruben

‘Je had de gekste dingen in de oorlog, ik had bijvoorbeeld malaria’

Annie Stoop (97 jaar) is een week eerder naar de Willem-Alexanderschool in Bergen gekomen om de kinderen te vertellen over haar jeugd tijdens de oorlog. Nu mogen Ruben, David, Jip, Lola en Melle haar zelf interviewen. Ze hebben allerlei vragen voor haar bedacht. Iedereen neemt plaats in het kantoor van de directrice van de school en de kinderen schenken lekkere koffie.

Waar woonde u in de oorlog?
‘We woonden op de Loudelsweg. Tegenover ons was een school die vol zat vol met Duitse soldaten. Aan de ene kant van ons woonden de SS‘ers en aan de andere kant was munitie opgeslagen. Daar woonden wij dus tussenin.’

Had u vriendjes?
‘Ik had veel vriendinnetjes. Thuis was ik alleen met mijn ouders want ik had geen broers en zussen. Maar naast ons en tegenover woonden gezinnen met kinderen. We speelden altijd samen buiten op straat: knikkeren, hinkelen touwtjespringen… dat was heerlijk!

Ik speelde ook veel met poppen en met mijn poppenwagen. Ik was zo trots op mijn poppenwagen. Maar mijn vader heeft hem in de oorlog geruild voor een kist aardappelen omdat er geen eten was. Ik vond het heel erg dat ik hem kwijt was.’

Veel mensen moesten evacueren uit Bergen, ook u moest weg. Hoe ging dat?
‘Op een dag kwam er iemand bij ons die zei: ‘Jullie moeten weg. Vanavond gaan ze bommen gooien en jullie wonen naast een munitiedepot.’ Toen zijn we met zijn drieën en andere buren op de fiets naar Krabbedam gegaan. Mijn moeder kon niet fietsen en zat bij de buurman voorop.

De volgende dag zagen we dat ze op het vliegveld alles lieten ontploffen. Het was een enorm lawaai. Dat was de dag dat de geallieerde landden: D-Day. Daarna moesten we allemaal weg uit Bergen. Wij zijn toen in Amsterdam-Noord terechtgekomen bij familie.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘Het was wel vrede, maar er was natuurlijk zoveel vernield. Er was nog niks, dus al het eten was nog op de bon. Er was geen huis gebouwd in de oorlog en er waren geen materialen. Heel West-Europa lag in puin.

Er was nog geen regering, het was allemaal nog een warboel eigenlijk. Je had dan wel de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten, dat waren mannen die in de ondergrondse gezeten hadden en nu een beetje soldaat waren geworden. Het was een samengeraapt zooitje in een blauwe overall met BS erop. Zij hebben de boel weer een beetje op orde gebracht.’

Is er iemand in uw familie overleden tijdens de oorlog?
Er was heel weinig medicatie en zorg en mensen waren heel erg verzwakt door gebrek aan eten. Daardoor werd iedereen ook sneller ziek. Er heerste difterie. Mijn nichtje van 17 jaar is eraan overleden. Nu zijn er genoeg medicijnen, maar in de oorlog was er bijna niets.

Je kreeg ook hele rare ziektes. Ik heb bijvoorbeeld malaria gehad, een tropische ziekte die hier nooit voorkomt. Je had de gekste dingen in de oorlog. Mijn vader is in maart 1946 overleden. Hij heeft het allemaal niet goed kunnen verwerken.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘Ik wilde weten hoe kou voelde, dus heb ik mijn hoofd in de vriezer gestopt’

Als Ruben, Max, Sem en Rens bij Joyce Djarkasi binnenkomen, staat de tafel al vol met lekkers. ‘Bij ons is het gewoonte’, zegt ze meteen. ‘Alles wat op tafel staat, mag je pakken. Liever dat het op is dan dat het blijft staan.’ De leerlingen van de Talisman in Eindhoven schuiven aan en luisteren naar haar verhaal over Suriname, haar familie en haar leven tussen twee werelden. Ze werd in 1963 geboren in Parra in Suriname. Op 19 jarige leeftijd is ze naar Nederland gekomen.

Hoe was het om tussen twee landen te leven?
‘Ik kom oorspronkelijk uit Suriname en heb daar gewoond tot mijn negentiende. Mijn ouders hebben een Javaanse achtergrond. Mijn overgrootouders zijn als contractarbeiders vanuit Indonesië naar Suriname gekomen. Over hoe het leven toen was, werd bij ons thuis niet echt gesproken. Misschien was het te pijnlijk of zat er schaamte op. Dat zie je vaker: de eerste generatie vertelt weinig, terwijl de volgende generaties juist willen weten waar ze vandaan komen.

Als kind wist ik niet beter dan dat Suriname bij Nederland hoorde. Op school leerden we alles over Nederland, maar bijna niets over ons eigen land. Pas toen ik in Nederland kwam, vond ik het vreemd dat mensen hier zo weinig over Suriname wisten.

Ik was negentien toen ik plotseling naar Nederland moest vertrekken door de revolutie. Ik kon niet eens afscheid nemen, en dat vond ik het moeilijkst. Hier moest ik wennen aan de kou, de cultuur en andere kleine verschillen. Ik was ook heel nieuwsgierig naar de winter. Ik wilde weten hoe kou voelde, dus ik heb mijn hoofd in de vriezer gestopt.

Mijn leven is nu hier, maar Suriname voelt nog steeds als thuis. Het blijft alsof ik tussen twee werelden leef.’

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘Ik heb een hele fijne jeugd gehad. We waren met negen kinderen thuis en speelden vooral buiten. We klommen in bomen en haalden kattenkwaad uit. We hadden een grote tuin met mango’s, bananen en mandarijnen, en ik klom overal in, ook bij de buren.

Eten was bij ons iets om te delen, maar je moest er wel snel bij zijn. Als je even van tafel ging, was de kans groot dat je vlees weg was. Dus je bleef gewoon zitten.

Ik weet nog dat ik een keer in een boom zat en iets zag bewegen: een zwarte staart. Ik wist niet wat het was en kon er bijna aan trekken. Toch kreeg ik een vreemd gevoel en ben ik snel naar beneden gegaan. De volgende dag bleek het een slang te zijn.

Ik was ook best rebels. Wat niet mocht, deed ik juist wel. Ik had een jeugdliefde, Frank, maar mijn ouders wilden dat ik alleen met een Javaanse jongen thuiskwam. Dat maakte me juist eigenwijs. Jaren later vond ik hem terug en heb ik hem nog één keer gezien. Kort daarna is hij overleden. Dat was heel verdrietig.

In mijn huis nu staan veel planten. Dat is voor mij een stukje Suriname. Alleen kan ik er hier niet meer in klimmen.’

Hoe was het op school in Suriname?
‘Op school in Suriname moest ik altijd Nederlands spreken. Als ik dat niet deed, kreeg ik straf. Dan moest ik mijn hand uitsteken en kreeg ik met een liniaal slagen. Dat was toen heel normaal. Thuis sprak ik Javaans en Surinaams, maar op school mocht dat niet.

Pas later begreep ik dat dit met de koloniale geschiedenis te maken had. Op school leerden we vooral over Nederland: over rivieren, het weer en de koningin. Over Suriname zelf leerden we bijna niets.

Ik sprak meerdere talen en ging met verschillende groepen kinderen om. Toch waren er verschillen. Nederlandse kinderen zaten vaak op aparte, rijke scholen, dus die zag ik bijna niet.’

Hoe was het leven van uw familie?
‘Mijn voorouders kwamen zonder iets aan in Suriname. Ze dachten dat ze na een tijd werken weer terug zouden gaan. Dat was aan de contractarbeiders beloofd. Maar dat lukte niet meer. Ze moesten daar dus blijven toen het contract afliep en zelf een nieuw leven opbouwen. Zo is mijn familie daar ook geworteld geraakt.

Als kind merkte ik niet zoveel van verschillen tussen mensen, maar die waren er wel. Nu zie je nog steeds sporen van het koloniale verleden. In de taal, in de namen van mensen en in gebouwen. Het zit eigenlijk overal in verweven.

Toen ik naar Nederland kwam, viel me op hoe anders sommige gewoontes waren. Bij iemand thuis kreeg je één koekje, en daarna ging het trommeltje dicht. Dat vond ik heel vreemd, want bij ons thuis staat juist alles op tafel en mag je blijven eten.

Mijn ouderlijk huis staat nog in Suriname en er woont nog familie. Als ik daar ben, kennen mensen me nog. Dat voelt heel bijzonder.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘Als kind struinde ik door huizen waar soldaten hadden gezeten’

De 83-jarige Jan Klercx maakte als kind de Tweede Wereldoorlog mee in Eindhoven; hij woonde bij de Theresiaparochie, vlakbij het vliegveld. Hij was nog jong en beleefde deze periode daarom heel anders dan volwassenen. Ondanks schaarste en onzekerheid ging het gewone leven voor een kind toch gewoon door, vertelt hij. Ruben, Jurre, Rufta en Elina van de Klimboom luisteren aandachtig naar zijn verhalen. Zonder telefoon, zonder fiets en vaak met maar heel weinig te eten was het leven heel anders dan nu.

Hoe ging u naar school in de oorlog?

‘Tijdens de oorlog zat ik op vijf verschillende scholen, omdat gebouwen werden ingenomen door de Duitsers. Dan werden klassen weer ergens anders ondergebracht. Of ik de achtste groep heb gehaald? Dat weet ik eigenlijk niet eens meer. Ik liep elke dag vijf kilometer naar school, en tussen de middag weer terug naar huis, en daarna opnieuw. Fietsen hadden we niet. Mijn vader had er niet eens één. Pas toen ik veertien was, leerde ik fietsen, op een fiets met houten banden.’

Kunt u iets vertellen over wat u weleens met uw vrienden deed in de oorlog?
‘Wat ik me herinner, is dat we overal gingen kijken toen de Duitsers vertrokken en de Engelsen kwamen. Als kind struinden we door huizen waar soldaten hadden gezeten. We zochten naar dingen die voor ons belangrijk waren: glimmende spullen, bijzondere vondsten voor een kind… Ik nam zelfs een keer laarzen mee, vijf maten te groot.

En een keer klom ik in een Engelse vrachtwagen, gewoon omdat het nieuw was en interessant. Ik viel eruit en brak mijn arm. Samen met mijn oudste zus liep ik kilometers naar het ziekenhuis, want bussen waren er niet.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘Ik kan me niet herinneren dat ik de Hongerwinter bewust heb meegemaakt, maar ik weet wel dat ik vaak honger had. Eten was er weinig. We aten wat er was: aardappelen, wat groente als dat er was. Snoep? Dat kende ik eigenlijk niet.

We hadden geen radio, geen verborgen spullen en al helemaal geen telefoons zoals nu. Alles was eenvoudiger, maar ook schaarser. Met twee broers en zes zussen leefden we dicht op elkaar. Ik sliep met mijn jongste broer op een kamer. Mijn zussen sliepen samen op een kamer, ieder met z’n tweetjes in één bed.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘Ik ben lombokjes gaan stelen voor mijn moeder in het tuintje van de nonnen’

De voorouders van Peter Rufi kwamen uit Europa, maar gingen in 1800 naar Nederlands-Indië om te werken en vestigden zich daar. Meneer Rufi is dus een zogeheten Indo. Toen hij 3 jaar was, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen de Japanners het huidige Indonesië binnen. Samen met zijn moeder en zusje van 1,5 verbleef hij 3,5 jaar in een kamp, gescheiden van zijn vader die in een ander kamp werd geplaatst. Na de oorlog is het gezin herenigd. Meneer Rufi deelt zijn verhaal met Emma, Lana en Ruben van basisschool de Talisman in Eindhoven. 

Hoe was het om in een kamp te zitten?
‘Kijk, als je thuis bent, dan weet je dat je de deur uit mag, tot aan de straat bijvoorbeeld. In het kamp was dat hetzelfde. We woonden in een barak en je kon overal naartoe, maar nooit verder dan het hek van prikkeldraad, wachters hielden ons in de gaten. Er waren ook andere kinderen in het kamp en we gingen één keer per dag naar een soort schooltje. Dan deden we spelletjes of zongen we liedjes. Buiten dat uurtje was er echt niets te doen, je hing alleen maar wat rond en je hield je wel gedeisd want er waren veel mensen die je in de gaten hielden.’

Klopt het dat u pepers had gestolen van de Japanners?
‘Ik had mijn moeder horen praten over het klaarmaken van lekker eten. Hiervoor had ze lombokjes (pepertjes) nodig, maar die had ze niet. Om mijn moeder blij te maken ben ik die toen voor haar gaan stelen in het tuintje van de nonnen, maar ik werd betrapt. Ik kreeg boze woorden van moeder-overste en daarna bracht ze mij naar het huis van de Japanse commandant. Deze man liep altijd met een stok door het kamp en gaf een tik of een pak rammel als je iets niet goed deed. Ik vond die stok vreselijk. Ze liet me in het huis van deze commandant in de hoek wachten tot hij binnen zou komen. Ze wist wel dat hij er die dag niet was, maar ik heb lang staan bibberen. En dat was mijn straf.’

Wat zag u toen u uw vader zijn eigen graf zag graven?
‘Voordat we in dat kamp terechtkwamen, hadden de Jappanners mijn vader gearresteerd. Hij had brandstof in de fik gestoken om te voorkomen dat de Japanners die konden gebruiken voor hun tanks. Hij kreeg straf en zou onthoofd worden. Verschrikkelijk natuurlijk! Wij moesten erbij staan, terwijl ik te klein was om het goed te beseffen. Mijn vader groef zijn eigen graf en nam afscheid van ons. Hij werd geblinddoekt, knielde voor zijn graf, kreeg een klap met het zwaard in zijn nek en viel in het graf. We dachten dat hij dood was. Mijn moeder huilde verschrikkelijk, dat vond ik nog het ergste.

De volgende dag moesten we naar de haven en daar zag ik opeens mijn vader. ‘Daar loopt papa’ zei ik, ‘ik dacht dat hij dood was?’ En mijn moeder dacht dat natuurlijk ook. Dus ik vond het erg verwarrend, maar ze was ook erg blij. Ze hadden dus gedaan alsof ze hem onthoofden, maar ze hadden hem alleen met de platte kant van het zwaard in zijn nek geslagen. Hierdoor viel hij in het graf, maar was hij slechts bewusteloos. Zelf dacht hij ook dat hij zou sterven, maar realiseerde zich later in zijn cel dat hij nog leefde.’

Wat voelde u toen de oorlog voorbij was?
‘Toen was ik al bijna 7. Het was aangrijpend en spannend. We moesten ons verzamelen voor het huis van de commandant. Er was een soort podium en daar klom de Hollandse kampcommandante op. Naast haar stond de Japanse commandant voor wie ik zo bang voor was. En deze commandant deed iets wat hij nooit deed; hij boog voor ons. Normaal was het zo dat als er een Japanner langskwam, wij voor hen moesten buigen, dus ik vond dat heel raar.

We hoorden dat de Amerikanen bommen hadden gegooid op Hiroshima en Nagasaki. Mij zei dat niets maar het moest vast verschrikkelijk zijn. De vrouwen van het kamp waren echter erg blij dat dit gebeurd was want hierdoor was de oorlog voorbij en waren we weer vrij.

Wat is dat ‘vrij’? Ik wist helemaal niet wat dat was. Iedereen begon te huilen, te juichen en te schreeuwen. Dus ik dacht; dit hoort erbij, dus ik deed driftig mee, geen idee waarom. Men zong het Wilhelmus, dat had ik nog nooit gehoord want dat mochten we niet zingen, maar ik probeerde toch mee te zingen. Toen kwam er een vlag tevoorschijn: rood, wit blauw en die werd in de mast gehesen. Iedereen was blij, we waren bevrijd en de oorlog was voorbij.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken’

Adriane, Ruben, Eira en Tommy stappen het sfeervolle jarendertig-huis van Henk van Gijn binnen. De leerlingen van Het Karregat in Eindhoven begroeten hem hartelijk, en hij straalt meteen: hij vindt het prachtig om met de jonge journalisten in gesprek te gaan. Hij heeft dan ook veel te vertellen.

Reizen spelen een grote rol in zijn leven, van zijn geboorte in Surabaya (Indonesië) in 1950, tot zijn aankomst in Nederland, en later de emigratie naar Iran. Indrukwekkend is het ook wanneer hij het boek laat zien dat hij maakte over zijn bijzondere reis als kind: een lange tocht met de auto, samen met zijn ouders, helemaal van Iran terug naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in Surabaya, op het eiland Java in Indonesië. Mijn vader bouwde daar een school voor beroepsonderwijs en hij stond het liefst zelf voor de klas. Ik was nog maar vier jaar oud, maar hij gebruikte mij al als leerling. In de jaren daarna werd het leven in Indonesië voor mensen met een Chinese of Europese achtergrond gevaarlijk.

In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken. We kwamen in Rotterdam aan, waar het Rode Kruis ons opving. We kregen als welkomstgeschenk een doosje met kleine cadeautjes. Het meest bijzondere vond ik een kwartetspel van Verkade. Mijn vader kon in Nederland geen werk vinden en kreeg uiteindelijk een baan in Iran. En zo emigreerden we opnieuw.’

Hoe verliep uw leven verder in Iran?
‘We kwamen in Zuid-Iran (Perzië) terecht. Daar woonde ik tot mijn twaalfde. Het klimaat was totaal anders dan in Indonesië. In Indonesië was het altijd warm en vochtig, maar in Iran was het warm en droog, soms wel 50 graden. Regen viel maar één dag per jaar. En dan gebeurde er iets heel bijzonders: twee dagen later stond de hele woestijn vol met kleine bloemetjes.

We maakten ook een lange autoreis van 600 kilometer door alleen maar zand, totdat we bij de bergen kwamen waar het iets koeler was.’

Hoe ging het op school?
‘Ik heb op heel veel scholen gezeten, wel zeven basisscholen in totaal. In Iran zat ik op een internationale school. Van Amerikaanse kinderen leerde ik basketballen en honkbal. Van de Engelse school kregen we Engelse les, en zelfs Schotse volksdans.

Ik ontdekte dat elk land, en soms zelfs elk dorp, zijn eigen ongeschreven regels heeft. Dat is wat cultuur voor mij betekent: dingen die iedereen blijkbaar weet, maar niemand opschrijft. In Nederland zeg je bijvoorbeeld ‘je’, maar in België moet je vaak ‘u’ zeggen, zelfs tegen kinderen. Die verschillen vind ik heel mooi, maar soms ook moeilijk. Je weet niet altijd wat ‘normaal’ is.’

Hoe zijn jullie van Iran naar Nederland gekomen?
‘We zijn met de auto vanuit Iran naar Nederland gereisd, een tocht van zes weken. We kwamen door heel veel verschillende landen: Irak, Jordanië, Syrië, Libanon, Turkije, Griekenland, Joegoslavië, Italië, Zwitserland, Frankrijk, Luxemburg, België en uiteindelijk Nederland. Overal waren grenzen, wachtrijen en controles. Pas veel later, toen ik volwassen was, begreep ik waarom het zo waardevol is dat we in Europa vrij kunnen reizen.

Voor mijn werk reisde ik later opnieuw veel: Hongarije, de VS, Denemarken, Duitsland, België, Oekraïne. In Hongarije verbaasde ik me hoe gezellig mensen uit eten gingen met muziek erbij. In de Verenigde Staten merkte ik dat mensen bang zijn om hun baan te verliezen. Zelfs tegen de politie moesten ze in heel voorzichtige, bijna ‘voorgeprogrammeerde’ zinnen praten. Dat vond ik indrukwekkend en benauwend tegelijk.’

Hoe was het om in Nederland te wennen?
‘Ik was twaalf en een half toen we naar Nederland gingen. Ik zat nog maar zes weken in groep acht en ik kreeg extra Nederlandse les om de taal beter te leren. In Nederland moest ik wennen aan nog iets nieuws: ‘de kleding-cultuur’. Ik droeg een korte broek, omdat dat volgens mijn moeder in 1949 in Nederland heel normaal was. Maar dat was het in 1962, toen wij opnieuw in Nederland kwamen, allang niet meer zo. Op school werd ik uitgelachen. Pas toen mijn moeder met de buren praatte, ontdekte ze dat de gewoontes waren veranderd. Dat leerde mij iets belangrijks: zelfs binnen één land verandert cultuur voortdurend.’

Erfgoeddrager: Ruben

Na de oorlog trof mijn vader ons toevallig aan in Soerabaja’

Frans Pfaff komt al vroeg basisschool De Brug in Sint Maartensbrug binnenwandelen, samen met zijn drie kleindochters. Mogen zij er ook bij zijn, vraagt hij. Natuurlijk mag dat. Ze installeren zich buiten met een kopje thee en Bruce, Yarik en Ruben bereiden het interview nog even voor. Even later zitten ze heerlijk in het zonnetje, terwijl meneer Pfaff enthousiast vertelt.

Waar woonde u in Indonesië?
‘Ik woonde in Jakarta, een hele grote stad aan een heel mooi strand vlakbij een grote zeehaven. We gingen lopend naar school. Dat was een half uur lopen en je ging elk half jaar over naar een volgende klas. Tot 1948 hadden we op school Nederlandse boeken en spraken we Nederlands. Maar na de onafhankelijkheid leerden we op school Behasa Indonesisch en kregen we andere boeken. Toen ik naar Nederland vertrok zat ik in groep 8.’

U maakte de Tweede Wereldoorlog mee in Indonesië, hoe was dat?
‘In 1942 verklaarde Nederland de oorlog aan Japan en ging mijn vader het leger in. Hij moest strijden tegen de Jappen. Een maand later gaf Nederland zich over en zijn alle militairen in Indonesië overgebracht naar krijgsgevangenkampen.

Mijn vader kwam op het eiland Floris in het gevangenkamp terecht. Mijn moeder werd opgepakt en in een vrouwenkamp gezet, ze mocht haar kinderen niet meenemen. Een tante van ons heeft ons toen meegenomen en heeft de hele oorlog voor ons gezorgd. Tijdens de oorlog, gedurende 4 jaar, hebben we onze ouders nooit gezien.’

Hoe vonden jullie elkaar weer terug?
‘Na de oorlog heeft mijn vader ons moeten zoeken en heeft hij ons via het Rode Kruis gevonden. Door een toevalligheid trof hij ons aan in Soerabaya. Iemand die hij kende, belde mijn vader en zei: Ton, volgens mij zijn jouw kinderen bij jouw oudste zus! Mijn vader vertrok meteen vanuit Jakarta met het vliegtuig naar Soerabaya, daar heeft hij ons voor het eerst weergezien. In Jakarta zijn we herenigd. Heel vreemd als je je ouders na zoveel jaar terugziet. Ik wist nog hoe hij er uitzag maar mijn jonge broertjes niet. Voor die meneer die ons kwam halen waren ze best een beetje bang.

Toen Japan de oorlog verloor en Indonesië bevrijd werd, wilde Nederland Indonesië als kolonie weer terug hebben vanwege alle specerijen waarmee ze heel veel geld verdienden. Maar dat wilden de Indonesiërs niet, zij wilden geen kolonie meer zijn van Nederland. Ze vonden ook niet dat Nederland daar automatisch weer de baas kon zijn; Japan had het land teruggeven aan Indonesië. Daarom barstte er een grote onafhankelijkheidsstrijd los tussen de Indonesische bevolking en de Nederlandse militairen. In dit Nederlandse leger zaten ook Indische mensen die oorlog moesten voeren tegen hun eigen landgenoten. Veel jongeren hadden het heel moeilijk in deze oorlog; ze moesten op hun 18de zomaar iemand doodschieten…’

Hoe gingen jullie weg uit Indonesië?
‘Toen Indonesië onafhankelijk werd, moesten alle Europeanen moesten uit Java weg, dus ook wij. Op een middag kwam mijn vader thuis en zei: jongens binnen blijven en inpakken! Morgenochtend worden jullie opgehaald om naar Nederland te gaan.

Wat je vader zei dat volgde je gewoon op, als 10-jarige denk je: dan ga ik maar… Maar wat wisten wij van Nederland? Niets! Waar lag dat? We konden geen afscheid nemen van vrienden en familie. Ik pakte een klein koffertje in want we mochten niet veel meenemen en ik wachtte op ons vertrek.

‘s Morgens stond er een legervoertuig klaar, we reden naar het schip en gingen aan boord. We zouden vier weken varen op een legertransportschip. Ineens zat ik op een heel groot schip… De wc en de reling van de boot waren die reis mijn grootste vrienden: ik was zeeziek en heel misselijk.’

Ik kwam aan in Wijk aan Zee in oktober 1950. Het was heel koud. Ik kwam uit 36 graden en liep in een hempje en kort broekje. De kou in Nederland was mijn eerste ervaring.’

En hoe was het in Nederland voor u?
‘Op school konden we de lessen meteen volgen omdat we al Nederlands spraken. Maar in de klas was ik de enige beige Hollandse jongen. De kinderen hadden nog nooit een bruine jongen gezien. Zwart zeiden ze in het begin. Ze vonden het ook vreemd dat we zomaar Nederlands spraken. Als grapje zeiden we dan dat we dat in die vier weken op het schip hadden geleerd.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘Mijn oma werd met haar dochter ontvoerd en op een boot naar Suriname gezet’

Shakuntala Devi komt basisschool De Brug in Sint Maartensbrug binnen met allemaal tassen vol spullen die ze aan Borys, Ruben en Dex wil laten zien. Ze nemen de spullen mee naar buiten en mevrouw Devi drapeert alles zorgvuldig op de tafel. Dat ziet er wel heel leuk uit! De leerlingen zijn benieuwd naar haar verhaal. Mevrouw Devi (1952) kwam in 1975 vanuit Suriname naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘We woonden op een plantage waar ze rijst, suikerriet, bananen, cacao en koffie verbouwden. Ik werkte ook af en toe mee, en vond dat erg leuk. Er liepen kippen en ook ganzen, dat waren onze waakhonden. We mochten alleen begeleid ergens heen omdat mijn ouders het anders gevaarlijk vonden. Ze waren bang dat ik een leuke man tegenkwam…

Op de kleuterschool, die noemden we freubelen, had ik het naar mijn zin. Op de lagere school hadden we Nederlandse boekjes, we leerden Aap Noot en Mies, en de steden en stations in Nederland. We gingen zelfs met school op reis naar Nederland om te zien wat we hadden geleerd. Dat is wel heel anders dan uit de boeken.’

Werkte u ook op plantages in Suriname?
‘Ja, ik werkte daar omdat ik het leuk vond. Zelf heb ik rijst geplant en gesneden en ik ging ook wel krabbetjes zoeken in de mangroven. Op de plantage was een heel irrigatiesysteem met veel sluizen, zodat ze de waterstand konden regelen.’

Hoe is uw oma in Suriname terechtgekomen?
‘Mijn Indiase oma werd geslagen door haar man en ging bij hem weg, terug naar haar ouders. Maar haar ouders stuurden haar weer naar hem. Onderweg werd ze met haar dochter ontvoerd en op een boot naar Suriname gezet om daar op een plantage te gaan werken. Toen mijn oma hoorde dat ze naar Suriname ging, dacht dat ze naar het Beloofde Land ging, want Suriname is in India een god.

Mijn oma had een klein huisje op de plantage en ze moest heel hard werken. ‘s Avonds moest ze dan nog eens werken om haar eigen spullen te verbouwen zodat ze konden eten. Dat waren hele lange dagen. Ze kreeg een contract voor vijf jaar, daarna kon ze terug naar haar land, maar alleen met de kinderen die ze bij zich had toen ze aankwam. Omdat ze in die vijf jaar nog twee kinderen had gekregen mochten die niet mee terug, en daarom bleef ze in Suriname.

Mijn oma was mijn grote voorbeeld en ik heb veel van haar geleerd, met name om voor mezelf te gaan staan.’

Waarom kwamen jullie naar Nederland?
‘We waren op vakantie in Nederland toen in Suriname de drang naar onafhankelijkheid steeds sterker werd. In die tijd gebeurden er nare dingen in het land en het werd er gevaarlijk en onrustig, daarom zijn we in Nederland gebleven.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘Ik was zo bang dat ik op sokken naar huis ging’

Meneer Foppe Kooistra is in 1935 geboren en was 5 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde in Veenwoudsterwal, maar ging in Hurdegaryp naar school. Meneer Kooistra had vier broers en vier zusjes. Ruben, Jordy, Ilse en Levi uit groep 8 uit van CBS De Winde in Hurdegaryp gaan bij meneer Kooistra op bezoek om hem te interviewen over de oorlog.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Ik hoorde heit en mem fluisteren dat we de oorlog hadden verloren en zo’n twee of drie dagen later waren de Duitsers in ons dorp. Het was op een avond, ik weet het nog precies. We waren buiten aan het spelen en ineens vlogen er allemaal Duitse auto’s om ons heen, ze stopten verderop in de berm. Ik ging naar mem, ik was zo bang en moest huilen. Midden in de nacht kwamen de vliegtuigen. Honderden tegelijk aan de lucht. BOE-BOE-BOE-BOE, het ging maar door. Amerikanen en Engelsen. Dan gingen ze naar Duitsland toe om Bremerhaven en Wilhelmshaven te bombarderen. Daar hadden de Duitsers de munitiefabrieken. Ook kwamen er vliegtuigen weer terug en soms klonk het anders: BAM-BAM-BAM-BAM. Die waren aangeschoten, die gingen door naar het IJsselmeer, zodat ze niet neerstortten tussen de mensen en huizen.’

Wat voor eten hadden jullie?
‘Het was niet veel. Mem had het dan wel over oer ‘Jan yn ‘e poede’, dat was een weke boterham. We hadden thuis een boerderij met een stuk of zeven of acht koeien en wat varkens en veel kippen. Dus we hadden eten van ons zelf, een stukje vlees ook wel. Heit was varkenskoopman. Soms maakte mijn moeder ‘sûpengrottenbrij’. Er zat niet zo veel smaak aan, maar je moest het eten, wij zeiden niet ‘dat lusten we niet’. Toen de Canadezen kwamen, kregen we voor het eerst pinda’s, die hadden we nog nooit gehad.’

Ging u ook naar school?
‘Ik zat in Hurdegaryp op school, de openbare school. Dat was bij de Wissel, achter meubelzaak Neef. We gingen altijd lopend naar school vanuit Feanwâldsterwâl, dat was nog best een eind. Soms zaten er onderweg bij de Langedijken, dat is nu de Foksegatten, Duitsers te schieten. Ze waren aan het oefenen denk ik. Mijn broertje en ik durfden daar dan niet langs. Het waren Duitsers, die ingekwartierd zaten in een huisje tegenover Bennema State, daar zaten allemaal Duitse soldaten. Dan gingen we via Quatrebras, via de Ielburg reed naar huis, gauw naar mem. Want wij waren soms heel bang voor die soldaten.’
‘Toen ik acht jaar was, werd de school bezet door Duitsers, dat was inkwartiering. Toen ben ik twee jaar thuis geweest. We hebben schriften mee naar huis gekregen. Maar jullie kunnen wel begrijpen, we speelden meer dan dat we in die schriften zaten. Toen ik weer op school kwam, ik was toen 10 jaar oud, stond er op het schoolplein een grote mand. Die zat vol met sinaasappels. We kregen allemaal een sinaasappel. Dat was de eerste keer dat ik een sinaasappel kreeg. En er waren ook vitamine tabletjes, die dingen waren erg zuur. Meester Kinderman zei dan: ‘mond open!’ en later: ‘Heb je het wel doorgeslikt?’
‘Ik weet ook nog wel dat het vliegveld in Leeuwarden werd gebombardeerd. Het luchtalarm ging af. We moesten op school snel op de gang staan, allemaal achter elkaar. Maar ik heb daar niet lang gestaan. Ik was zo bang en ben er vandoor gegaan. Ik heb mijn klompen in de bak laten staan en ben op sokken naar huis gegaan. Ik zal het nooit vergeten.’
‘Wat ook wel angstig was, was dat er door Engelse vliegtuigen geschoten werd op Duitse auto’s op de Rijksstraatweg. Dan liepen we weer naar huis uit school en sprongen we snel in de greppels naast de weg.’

Wat heeft u het meeste geraakt in de oorlog?
‘Ik kon zo vrij niet leven als jullie nu. Heit en mem fluisterden altijd, er was heel veel wat wij niet mochten weten. Het was gevaarlijk in de oorlog, we merkten soms wel dat onze ouders bang waren. Dan hoorden we: ‘Die is opgepakt en die is opgepakt.’ Mijn oudste broer was zeven, acht jaar ouder dan ik en we gingen wel samen kievitseieren zoeken. Dan hield hij mijn hand vast en gingen we samen het land in. Soms waren we bang dat ze hem zouden halen voor de Arbeitseinsatz. Gelukkig is dat niet gebeurd. Een maand na de oorlog zei hij tegen mijn moeder: ‘Ik voel me niet goed.’ Die avond raakte hij nog in coma en is hij overleden, hij was 17 jaar oud. Er was geen penicilline, niets. De oorlog was voorbij, maar wij hadden hier wel veel verdriet van.’

 

 

Erfgoeddrager: Ruben

‘Mijn vader maakte bedden op voor de Duitsers en hoopte zo op een stukje brood’

Sylvia Polak is de dochter van de Joodse Harrie Polak. Aan Tom, Ruben, Feja, Zita en Louise van de Asvo-school in Amsterdam vertelt ze zijn verhaal. Harrie Polak is in 1925 geboren en was 15 jaar toen de oorlog begon.

Hoe was het begin van de oorlog voor uw vader?
‘In het begin, zo rond 1940, merkten de Joden nog niet veel va de oorlog. Mijn vader werd al weleens voor ‘rot Jood’ uitgescholden, maar pas in 1942 moest iedereen een Jodenster dragen. En toen merkte hij het duidelijk.

De verandering ging langzaam. Eerst had hij vriendinnetjes en vriendjes, twee weken later spraken ze niet meer met elkaar en drie weken later mocht hij als Joodse jongen niet meer naar het park. Vier weken later mocht hij niet meer naar de bioscoop. En zo werden heel langzaam alle mensen die Joods waren anders behandeld.

Wat ik het ergste vind, is dat ze uiteindelijk niet meer als mensen werden behandeld. Ze kregen, zeker in concentratiekamp Auschwitz, een nummer op hun arm. Mensen werden een nummer, een ding.’

Wat is er verder met uw vader gebeurd?
‘Zijn familie werd opgeroepen om naar het Muiderpoortstation te komen, net als alle Joodse mensen uit deze buurt. Vanaf daar zijn ze naar kamp Westerbork gebracht en daarna naar andere kampen. Niemand van het gezin van mijn vader heeft de oorlog overleefd. Alleen hij, en van de rest van de familie slechts één tante en één oom. Zij zijn de enigen die uit concentratiekampen en van onderduikadressen zijn teruggekomen.

Mijn vader is naar Auschwitz gebracht, naar een werkkamp.’

Hoe heeft uw vader het wel overleefd?
‘Mijn vader heeft overleefd door vindingrijkheid. Hij was een jongetje dat best wel goede ideeën had. Mensen kregen bijvoorbeeld een stukje brood voor zeven dagen, en mijn vader dacht: ik ga dat stukje brood niet in één keer opeten, want dan heb ik de andere zes dagen niks. Dus hij heeft het in zeven stukjes verdeeld en elke dag iets gegeten.

Hij poetste met zand zijn tanden. Dat klinkt heel raar, maar dat kan. En hij heeft in de keukens gewerkt en vroeg dan of hij de grote pannen mocht schoonmaken. Als er iets van eten was, bijvoorbeeld een restje onderin een pan of een aardappel, dan kon hij dat zo misschien wel krijgen. Hij maakte ook bedden op voor de Duitsers en hoopte zo op een stukje extra brood.

Van een rugzakje maakte hij een soort poncho. Als hij moest werken in de regen en kou dan kon hij zich een beetje beschermen. Hij bedacht gewoon slimme dingen. Maar je moest ook een beetje geluk hebben, denk ik, want als de Duitsers het op je gemunt hadden dan schoten ze je dood, dat was ook de werkelijkheid.’

Wat is er gebeurd met het sieradenkistje?
‘Toen het gezin van mijn vader weg moest van huis, mochten ze niets meenemen, alleen een koffertje. Toen heeft mijn grootvader waardevolle spulletjes – een zilveren beker, een armbandje en nog wat sieraden – in een kistje in de tuin begraven. Na de oorlog heeft mijn vader bij zijn oude huis aangebeld en gevraagd of hij in de tuin dat kistje mocht opgraven. De vrouw die er woonde, zei dat het niet uitkwam en dat hij over een maand maar terug moest komen. Toen hij de volgende maand terugkwam, was het huis leeg en was de tuin omgespit. Wat er met het sierradenkistje is gebeurd, zullen we nooit weten.

Ik zou vooral het kistje graag terug willen hebben, dat betekende iets voor mijn familie. Ik heb geen idee wat erin zat, misschien twee ringetjes en een paar oorbellen.’

Hoe was de Bevrijding voor uw vader?
‘Het klinkt raar maar dat was heel verdrietig. Op een dag wisten ze dat de Engelsen, de Amerikanen en de Canadezen kwamen. De deuren van de concentratiekamp gingen open. Mijn vader is toen vanaf de Poolse grens gaan lopen richting Nederland. Dat was ongeveer 1200 km. Onderweg kwam hij een paard tegen, en daar is hij opgeklommen. Alleen had dat paard natuurlijk ook weinig eten gehad, dus die wilde niet vooruit. Toen is hij bij mensen naar binnen gelopen om brood en kleding te stelen. Uiteindelijk is hij op een of andere manier toch in Nederland teruggekomen.

Mijn vader heeft vervolgens zes weken lang op het centraal station in Amsterdam geslapen in de hoop dat zijn broertje Moses terug zou komen en hij hem daar zou aantreffen. Maar dat gebeurde niet.

Later is mijn vader woningstoffeerder geworden, dat was het vak dat mijn familie uitoefende. In 1947 is hij een winkel begonnen op de Utrechtsestraat 106. Daarboven ben ik geboren en hebben we gewoond. Ik ben heel trots op mijn vader.’

Erfgoeddrager: Ruben

‘Ik heb als baby in een kinderwagen, bovenop wapens gelegen’

 Ruben, Sharrelyn en Yaryna van Basisschool  het Zaanplein interviewen Pim Blank. Meneer Blank vertelt over zijn ouders die de oorlog mee hebben gemaakt. Hij is in 1943 geboren en heeft geen actieve herinneringen aan de oorlog. Yaryna vertelde dat ze eigenlijk ook een oorlogsverleden heeft. Zij is in Oekraïne geboren en woont nu sinds haar vierde in Nederland. De verhalen van Oorlog in mijn Buurt gaan soms over lang geleden, maar kunnen ook met de leerlingen zelf te maken hebben.

Wat kunt u over uw familie vertellen?
‘Ik ben in 1934 geboren. Mijn moeder was Joods en mijn vader is met mijn moeder getrouwd. Dit deed hij omdat hij verliefd was op haar, maar ook om haar te redden.  Joodse mensen werden steeds vaker opgepakt en weggevoerd. Toen ze bij het stadhuis waren zei de ambtenaar dat dit niet verstandig was. Mijn opa is in de oorlog opgepakt en naar Westerbork gebracht. Hij heeft in Westerbork nog een brief geschreven aan mijn vader en ook aan zijn andere kinderen. Die brief die heb ik nog. Die is geschreven op 17 februari 1943. Ik was toen net 6 weken oud. Hij vroeg ook of mijn vader eten en een broek wilde brengen. Vier dagen later is hij vermoord in Auschwitz. Mijn moeder is dus Joods, maar ze heeft ook in het verzet gezeten. Ze droeg een Jodenster en heeft met mij in de kinderwagen de verzetskrant Trouw rondgebracht. Ze smokkelde ook wapens. Ik heb als baby in een kinderwagen bovenop wapens gelegen.’

Zijn er gevaarlijke momenten geweest?
‘We hadden twee onderduikers in huis. Dat waren twee Amsterdamse jongens uit het verzet, die verraden waren en op de vlucht waren. Jammer genoeg zijn ze bij ons ook weer verraden en opgepakt en neergeschoten. Mijn vader had weer geluk, ze waren op dat moment niet thuis.
Mijn vader zat ook in het verzet en heeft hele gevaarlijke dingen gedaan. Ontzettend dapper waren allebei mijn ouders en ik ben heel trots op ze. Hij heeft wapens gesmokkeld en hij vertelde altijd aan mij dat hij ook veel geluk heeft gehad. Tijdens zo’n gevaarlijke smokkeltocht stonden Duitsers de mensen te controleren. Hij liep samen met een vriend en dacht dat ze gepakt zouden worden, maar er waren andere mensen die zich verdacht gedroegen en de Duitsers renden achter die mensen aan.’

Hoe was de tijd na de oorlog?
‘Na de oorlog was mijn moeder nog steeds bang dat het opnieuw zou gebeuren, dus ik ben niet Joods opgevoed. Mijn ouders wilden niet meer dat we tot een bepaalde groep zouden horen. We zijn opgevoed als wereldburger en wilden niet bezig zijn met mensen in hokjes stoppen.’

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892