Erfgoeddrager: Julian

‘De kinderen vroegen aan mijn moeder: heb jij een jodenster?’

Marian Rozendaal is naar de Hannie Schaftschool in Haarlem gekomen met Marijke, de vrouw van haar overleden broer Walter. Mevrouw Rozendaal is in 1945 geboren toen de oorlog bijna afgelopen was. Ze vertelt het verhaal van haar ouders en haar broer. Walter is geboren in 1940 en hij herinnerde zich nog veel. Voor het interview zitten ze in het kantoortje van de directeur en Elisa, Julian, Jessie en Ömer hebben een lekkere doos chocolaatjes meegebracht.

Waar woonden jullie tijdens de oorlog?
‘Mijn vader, moeder en mijn broer Walter woonden in Amsterdam-Noord. Later kwam ik daarbij. Mijn moeder was Joods en mijn vader niet. Vanaf 1942 werd steeds duidelijker dat de Joden buitengesloten werden. Zij moesten zich melden en moesten een jodenster op. Voor mijn moeder werd het steeds gevaarlijker buiten. Toen Walter naar de kleuterschool moest, bracht mijn moeder hem weg tot vlak voor een controlepost van de Duitsers. Dan fietste zij snel weer naar huis en moest Walter het laatste stuk alleen lopen, een heel eind voor zo’n klein jongetje.

Mijn moeder kwam soms wel op straat, want ze had twee persoonsbewijzen. Eentje met haar echte naam, Dora Naarden, waar een grote J op stond, en eentje met een andere naam, Fogelina Bollegraaf uit Groningen waar geen J op stond. Dat was gemaakt door mensen van het verzet. Heel knap gedaan, want het ziet er heel echt uit. Maar het was voor haar heel spannend om naar buiten te gaan, dus mijn vader deed de meeste dingen, zoals eten halen.’

Zat iemand van uw familie bij het verzet?
‘Ze zaten niet bij het verzet, maar ze hebben zich wel verzet. Toen Joden zich moesten melden, hebben de ouders van mijn moeder, mijn Joodse opa en oma dus, dat niet gedaan. Maar ze zijn verraden door NSB’ers in de buurt. Mijn moeders broer Felix van 20 en haar zusje Jansje van 16 woonden nog bij mijn grootouders. Ze zijn toen met z’n vieren naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, waar Joden moesten bijeenkomen.

Alle jonge mannen moesten overdag werken voor de Duitsers. Ze werden onder bewaking van Duitsers van de schouwburg naar werk gebracht. En toen heeft mijn vader op een dag Felix gewoon uit die rij getrokken, achter op z’n fiets gezet en is snel naar huis gereden. Dat was heel spannend. Mijn vader vond het zijn leven lang heel erg dat hij niet ook het zusje van mijn moeder kon redden, maar de meisjes kwamen niet naar buiten, dus dat lukte niet.’

Wat is er met Felix gebeurd?
‘Felix zat ondergedoken bij mijn ouders. Mijn broer zag hem alleen overdag. ‘s Avonds verstopte hij zich. Mijn vader zei altijd dat Felix achter het behang was geplakt. Dat snapte ik als kind niet want ik dacht: ‘Dan zie je toch allemaal bobbels?’ Later begreep ik dat er ergens een luik was waar hij achter zat en daaroverheen zat behang. Bij razzia’s werd mijn broer Walter snel naar de buurvrouw gebracht, omdat ze bang waren dat hij iets zou zeggen over zijn oom Felix. Ik denk dat mijn ouders vaak heel bang zijn geweest.’

Wat is er met opa en oma en Jansje gebeurd?
‘Ze zijn van de Hollandsche Schouwburg naar kamp Westerbork gebracht. Een paar dagen later zijn ze met de trein naar Sobibor afgevoerd, zo noemden ze dat. Dat is een vernietigingskamp in Polen. Ze kwamen daar na drie dagen reizen aan en zijn toen meteen vergast, vermoord dus. Maar dat wisten we pas achteraf, na de oorlog. Ik heb nog brieven die mijn moeder en Felix naar Westerbork hebben gestuurd, maar die hebben zij nooit meer gelezen want toen waren ze al weg.

Van mijn familie zijn ongeveer tachtig mensen vermoord, bijna iedereen eigenlijk.’ 

Hoe bent u de geschiedenis van je familie te weten gekomen?
‘Vroeger werd er thuis nauwelijks over de oorlog gepraat. Sommige dingen zijn denk ik zó erg dat je er niet goed over kùnt praten. Maar toen mijn dochter en Walters dochter in groep 7 een project over de oorlog deden, vroegen ze: oma, jij bent toch Joods? Dat was iets waarover wij nooit met mijn moeder durfden te praten. Ze vroegen ook: heb jij een jodenster? En toen pakte mijn moeder een zwart tasje, en daar zat van alles in: haar jodenster, haar persoonsbewijzen, brieven die ze naar Westerbork had gestuurd, het poëziealbum van haar zusje Jansje.

Toen ik klein was wist ik wel dat dat zwarte tasje er was, maar wij mochten daar absoluut niet aankomen. Doordat de kleinkinderen wel vragen durfden te stellen, kwamen Walter en ik dus ook veel te weten.

Mijn moeder vertelde over de jodenster: dat ze die zelf moest kopen en eerst ook braaf droeg. Totdat haar ouders waren opgepakt. Mijn moeder is toen naar het kantoor van de Duitsers gegaan, om te proberen haar ouders vrij te krijgen. En toen siste een meneer achter haar in de rij in haar oor: ‘Ben je gek geworden dat je hier staat met een ster op! Levensgevaarlijk!’ Toen is mijn moeder snel weggegaan. Ik denk dat ze daarna de ster niet meer heeft gedragen.

Ik denk dat je aan dit verhaal goed kunt zien hoe gevaarlijk het is als we mensen apart zetten en buitensluiten. Daar moeten we echt heel erg voor oppassen.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek’

Vera, Julian en Alicia worden hartelijk ontvangen bij Tineke van der Woude-Zulver. Ze heeft een tradionele delicatesse mee, spekkoek, voor de leerlingen van De Talisman in Eindhoven en vraagt meteen of ze het kennen.

Mevrouw Van der Woude-Zulver (1926) is geboren in Indonesië. Op haar twaalfde kwam ze terecht in een Japans interneringskamp. En toen ze 20 jaar oud was kwam ze naar Nederland. Nu nog als ze beelden op televisie ziet van oorlogen, dan heeft ze daar heel veel moeite mee.

Had u veel vrienden in het kamp?
‘Ja, maar ik had alleen niet veel tijd om mijn vrienden te zien. Er was weinig tijd om samen te komen. Ieder moest eerst op appel staan, en dan stonden de anderen in een ander straatje en was het moeilijk om samen te komen. Mijn moeder was uitgesloten van corvee omdat ze drie kleine kinderen had, maar ik moest allerlei klusjes doen doen zoals een beerput leeghalen. Als het appel was afgelopen en het werk gedaan was dan kon ik ze wel zien. Nu zie ik deze vrienden nog steeds, tijdens de reünies.’

Wat is uw mooiste herinnering aan het kamp?
‘Aan het eind van de oorlog waren er continu geruchten over dat we vrij zouden zijn. Als ik daar naar zou luisteren, dan zou ik er kapot aan zijn gegaan. Op een dag was er weer een gerucht dat we vrij zouden zijn. Toen heb ik dit aan mijn Engelse leraares mevrouw Cornelissen gevraagd en zij vertelde dat dit honderd procent zeker was. Mijn moeder was destijds zo mager dat ik niet wist of ze het ging halen, maar gelukkig heeft ze het gered.’

Heeft u ooit nog iets van uw vader gehoord?
‘Na de oorlog werkte ik op een kantoor. Elke dag werden er lijsten gepubliceerd wie wie zocht. Op een dag zeiden ze dat mijn vader mij zocht. Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek. Maar ik herkende hem bijna niet meer, mijn vader was zo mager geworden. Ik kwam dichterbij en mijn vader tilde me op de vrachtwagen.

Het eerste wat hij vroeg was: waar is je moeder? Maar omdat het zo slecht ging met mijn moeder, moest ik haar daar op voorbereiden. Ook omdat hij moeilijk te herkennen was. Ik ben toen naar huis gegaan en heb gezegd dat er mannen terug waren, misschien is mijn vader er wel bij. Mijn moeder was buiten aan het breien. Ik ging daarna terug naar mijn vader toe. En ik nam hem mee naar mijn moeder. Ze vlogen elkaar niet in de armen omdat ze allebei zo beschadigd waren. Als kind was dat niet zo fijn om te zien.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Vanuit onze cultuur is ons geleerd om liever te praten over leuke dingen’

Jolie, Melda en Julian van basisschool de Talisman in Eindhoven mogen Joyce Radesy (79) interviewen. Ze is opgegroeid in Jakarta, waar ze met haar familie een fijn leven had, in een groot huis met personeel. Op 11-jarige leeftijd moest ze plotseling Indonesië verlaten vanwege de oplopende spanningen. Ze vertrok zonder afscheid te kunnen nemen van haar vriendinnen. Na een boottocht van vier weken kwam ze aan in het koude Nederland.

Haar moeder heeft veel littekens opgelopen door de oorlog, maar daarover werd nooit gesproken. Dit wordt ook wel ‘Indisch zwijgen’ genoemd.

Hoe voelde het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Het leven in Jakarta was erg goed. We woonden in een groot huis, samen met onze ouders, oma’s, ooms en tantes. Ook hadden we personeel, onder wie een huishoudster. Zij nam van veel taken in het huis van mijn moeder over. Mijn moeder wilde alleen altijd zelf koken. Onze tuin had een grote omheining van bamboe en daarbuiten mochten we niet komen. Ik heb dan ook veel in de tuin vertoefd, waar ook de melatiplant groeide. De bloemen van deze plant staan symbool voor de herdenking en worden vaak tijdens rituelen gebruikt. Ik heb hem thuis staan en hij betekent veel voor mij.

Ik zal op een Indonesische school en werd iedere ochtend door mijn oma gebracht in een driewieler. Aan het einde van de ochtend kwam ik thuis en dan ging ik altijd eerst douchen en daarna eten. Na het eten ging iedereen slapen vanwege de hitte. Als we weer wakker werden, werd er thee geschonken met lekkernijen erbij. We hadden het goed in Jakarta.

Mijn vader heeft Indisch, Indonesisch en Pruisisch bloed, en mijn moeder is half Indisch en half Indonesisch. Zelf heb ik een lichtere huidskleur dan veel Indonesische mensen. Bij de onafhankelijkheid van Indonesië mochten we kiezen of we een Nederlandse of Indonesische nationaliteit wilden hebben. Wij kozen voor de Indonesische. Maar in de politieke strijd werden we in Jakarta toch gezien als Nederlanders. Op dat moment was Nieuw-Guinea als enige nog niet onafhankelijk, en er kwam daarom een anti-Nederlandse sfeer. Dit had tot gevolg dat mijn vader werd geboycot op zijn werk. Er werden leuzen op muren gekalkt zoals ‘Nederlanders willen jullie dat wij gehakt van jullie maken?’ en ‘rot op naar je eigen land’. Ook op school zeiden klasgenoten tegen mij dat ik een wel erg lichte huidskleur had.

Door de oplopende spanningen besloten mijn ouders Jakarta te verlaten en naar Nederland te emigreren.’

Dacht u vaak aan de oorlogstrauma’s van uw moeder?
‘Mijn moeder was altijd heel angstig. Ze kon weinig hebben en raakte snel overspannen. Ik wist dat ze veel had mee gemaakt, maar erover praten dat deed ze niet. Ze zei dan altijd ‘soedah’ wat staat voor ‘laat maar’ of ‘het is goed zo’. Vanuit onze cultuur is ons geleerd om liever te praten over leuke dingen en niet te negatief te zijn.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Het geslachte kalf is toen samen met mijn broer verstopt in de kelder’

Op een zonnige dinsdagochtend vertrekken Kisten, Julian en Marit al vroeg vanaf de Vossersschool op Terschelling naar het huis van Lea Ruig (88). Ze woont heel dichtbij school en heeft de deur al opengezet. De kinderen nemen plaats op de bank en mevrouw Ruig steekt gelijk van wal met verhalen. De kinderen hebben mooie vragen voorbereid die ze graag willen stellen, en na een poosje leiden ze haar dan toch door de vragen.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde in Friesland op een boerderij in de buurt van Dokkum. Ik was de jongste van zes kinderen. Mijn oudste broer was 18 jaar en zat ondergedoken in de boerderij omdat hij anders moest werken voor de Duitsers. Het was soms best spannend als er razzia’s waren. Gelukkig was er wel altijd iemand die ons waarschuwde, maar zo ineens al die soldaten in de boerderij… dat maakte veel indruk. Tijdens de Hongerwinter hebben we nog een echtpaar opgevangen dat op de grond sliep omdat er geen bedden te koop waren.’

Had u ook huisdieren in de oorlog?
‘Op de boerderij waren koeien, varkens, schapen en kippen. Deze werden geslacht zodat we zelf konden eten. Het mocht niet van de Duitsers dus als er een razzia was dan moest het vlees ook worden verstopt. Op een dag had mijn familie een kalf geslacht en was er een razzia. Toen is het geslachte kalf samen met mijn broer verstopt in de kelder, hij zat dus tussen het vlees. De Duitsers hebben hem gelukkig niet ontdekt.’

Wat voor kleding droeg u tijdens de oorlog?
‘We kregen bijna geen nieuwe kleren want die waren ook niet te koop. En omdat ik een oudere zus had, kreeg ik haar kleren of werd er iets gemaakt.’

Wat deed u tijdens de oorlog in uw vrije tijd?
‘Wij hadden heel weinig. Ik weet wel dat we in de schuur een schommel hadden. Daar heb ik uren en uren en uren op gezeten. Er was weinig speelgoed. Mijn oudste broer had later een orgel omdat hij bij ons in huis zat ondergedoken. Hij kon nergens heen en zat gevangen in huis. Zo kon hij toch nog orgel spelen.’

Erfgoeddrager: Julian

‘In de zomer verkocht ik water op de markt, we deelden het geld altijd’

In de vroege ochtend van een zonnige februaridag bellen Juliaan, Tuguldur, Julian en Haruya van basisschool Philipsdorp aan bij het huis van Yusuf Basci aan in Eindhoven. Ze worden hartelijk ontvangen. Meneer Basci schenkt Turkse thee in kleine theeglaasjes en zet zoete traktaties en gedroogde abrikozen op tafel. Daarna schenkt hij, volgens Turkse traditie, een beetje eau de cologne in hun handen. Het ruikt heel lekker, vinden de kinderen.

Meneer Basci is geboren ineen klein dorpje in het oosten van Turkije, maar toen hij 2 jaar was verhuisde hij naar Ankara, de hoofdstad van Turkije.

Hoe was uw kindertijd?
‘Ik ben opgegroeid in Turkije, in Ankara. Istanbul is groter, maar Ankara is de hoofdstad. Wij woonden in een buurt waar bijna alles nog natuur was. Veel bomen, heuvels, open plekken. Geen flats zoals hier. Wij waren eigenlijk alleen binnen om te slapen. De rest van de tijd waren we buiten. We hadden een grote tuin en overal om ons heen groeide fruit. Watermeloenen lagen gewoon op de grond, druiven, abrikozen, alles. Wij plukten wat we nodig hadden. Dat was normaal. Wij dachten niet: dit is bijzonder. Dat besef je pas later.

We waren met vijf kinderen thuis, plus mijn ouders. Maar eigenlijk was ons huis nooit leeg. De deur stond altijd open. Mensen kwamen en gingen. Mijn vader werkte bij de gemeente en hielp andere mensen aan werk. Mensen die arm waren, uit andere delen van Turkije, kwamen vaak bij ons langs. Dat hoorde erbij.

We hadden geen speelgoed zoals nu. Geen PlayStation, geen lego. Maar we misten het niet. We maakten alles zelf, van hout, metaal, fietsbanden. We maakten karretjes en skateboards, lang voordat dat woord bestond. Gewoon een plank met vier metalen wieltjes eronder. Dan gingen we van de heuvel af, keihard. We vielen vaak op asfalt. Dat deed pijn, ja. Maar beschermers? Die kenden we niet.

Als kind werkte ik ook al. In de zomer verkocht ik water op de markt. Het was heet, dus mensen hadden dorst. Het water zat in aardewerken kannen, die bleven koel. Geen plastic. Glas en klei. Gezond, echt gezond. We deelden het geld altijd samen. Wat we verdienden, was van ons allemaal.’

Wat speelde u het liefst als kind?
‘Voetbal was onze grote liefde, zoals bij bijna alle jongens. Maar een echte bal? Die hadden we bijna nooit. Plastic ballen gingen snel kapot en waren duur. Dus maakten we ballen van stof.

Toen ik 13 of 14 was, heb ik samen met andere kinderen een voetbalclub opgericht. Dat klinkt nu misschien groot, maar het begon heel klein. Er was net een moskee gebouwd in onze buurt. Wij hielpen allemaal mee. Stenen dragen, zelfs in de minaret, trap op, trap af. Dat deden kinderen gewoon.

Onder de moskee kwamen kleine winkeltjes. We hebben gevraagd: mag één winkeltje voor ons zijn, als clubruimte? En dat mocht. Onze club heette Cevislidere Spor, dat betekent ‘notenboom-sport’, omdat er bij ons een grote notenboom stond.

We hadden geen geld. Dus gingen we langs de huizen. We wisten: deze man werkt bij de gemeente, die kan iets meer betalen. Die ander werkt in de bouw, die iets minder. Iedereen gaf wat hij kon. Zo spaarden we genoeg voor shirts en sokken. Schoenen konden we niet betalen. We kozen onze clubkleuren zelf: rood-groen. Niet zoals de grote clubs. Dat voelde speciaal. Toen we voor het eerst onze eigen shirts aantrokken… dat gevoel vergeet ik nooit. Echt nooit.

We organiseerden toernooien. Mensen kwamen kijken. Iedereen voelde zich trots, omdat ze hadden meegedaan. Dat was gemeenschap. Samen iets maken, samen plezier hebben.’

Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Toen ik ouder werd, raakte ik geïnteresseerd in politiek. Ik was jong en idealistisch. Ik wilde dat mensen gelijk behandeld werden, dat iedereen goed kon leven. Ik zat in een linkse studentenbeweging, wat verboden was in Turkije.

We organiseerden protesten en liepen ook voor andere landen, zoals Palestina en Nicaragua. Dat was gevaarlijk. Ik ben een paar keer opgepakt, maar gelukkig steeds snel vrijgelaten.

Die tijd was zwaar. Er gingen dagen voorbij dat dertig of wel veertig mensen werden gedood. Niet in een oorlog, maar door politiek geweld. Vooral linkse studenten, docenten, professoren. Mijn ouders waren bang en zeiden: als je blijft, ga je dood of de gevangenis in.

Ik ben niet als politieke vluchteling naar Nederland gekomen. Ik ben gekomen omdat ik met mijn vrouw trouwde. Maar de politiek speelde zeker mee. Het verschil met Nederland? Hier kon ik ademhalen. Vrij praten. Vrij leven. Dat kende ik niet op die manier.’

Hoe was het toen u net aankwam in Nederland?
‘Ik kwam op 9 oktober 1989 naar Nederland, met het vliegtuig, van Ankara naar Amsterdam. Vier uur vliegen, dat was alles. Maar mijn leven veranderde compleet.

Op Schiphol werd ik opgehaald en we gingen meteen naar het huis van mijn schoonouders. Ze woonden achter in de straat. In dat huis woonden zeven mensen. Drie slaapkamers. Mijn vrouw en ik sliepen twee jaar in een piepkleine kamer. Eén klein bed, een plastic kast van de V&D, meer paste er niet.

Het was vreemd. Nieuw land, nieuwe taal, nieuwe regels, alles was anders. Maar je bouwt het op, stap voor stap. Je hebt geen keuze. Je leert, je werkt, je past je aan. En langzaam wordt het ook jouw plek.’

Erfgoeddrager: Julian

‘We moesten snel inpakken en vertrokken per boot naar het eiland Biak’

Broox, Maja en Julian van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven interviewen Guus Bruno, een man met een bijzondere achtergrond. Geboren in Nieuw-Guinea, groeide hij op in een groot gezin, maar door de politieke spanningen veranderde zijn leven drastisch. Na de gedwongen migratie naar Nederland in 1951 maakte hij een nieuwe start in een onbekend land.

Hoe was uw jeugd in Nieuw-Guinea?
‘Ik groeide op in een groot gezin met negen kinderen. Helaas overleed mijn zusje op 4-jarige leeftijd aan longontsteking. Mijn oudste zus en broer moesten vluchten voor het Indonesische leger omdat ze in militaire dienst zouden worden genomen.

Op school speelde ik honkbal en softbal. Ook speelden we gatric, een lokaal spel met een grote en een kleine stok die je daarna weg moest slaan. Ik was ook bezig met zelfverdediging, zoals karate, kempo en judo. Mijn vader was instructeur in het leger. Hij gaf me het advies om altijd balans en evenwicht te vinden, zowel in sport als in het leven.

Mijn schooldag begon om half negen en eindigde om kwart voor twaalf. Daarna ging ik vaak zwemmen in de Stille Oceaan, wat heerlijk was. Het klimaat was tropisch, met temperaturen tot wel 40 graden, wat een groot verschil is met het koude Nederland.’

Waarom vertrok u naar Nederland?
‘De situatie in Nieuw-Guinea werd gespannen doordat de Indonesische president Sukarno zich tegen Nederland keerde. Nederland gaf Nieuw-Guinea op, en we werden gedwongen te vertrekken. We moesten snel inpakken en vertrokken per boot naar het eiland Biak en daarna met een vliegtuig naar Nederland. Hier, ik laat het jullie zien.

‘Het was een lange reis. We hadden een tussenstop in München, waar ik voor het eerst sneeuw zag. Het was ontzettend koud.’

Hoe voelde u zich bij aankomst in Nederland?
‘Ik had gemengde gevoelens. Ik was deels boos dat we moesten vertrekken, maar ik moest de nieuwe situatie in Nederland ook accepteren. Het leven hier was veel gehaaster dan in Nieuw-Guinea.

Mijn vader moest na onze aankomst nog een jaar terug naar het leger, daarna was hij weer bij ons. De veranderingen waren groot, maar ik leerde snel het Nederlandse systeem begrijpen doordat ik in Nederland ook naar school ging. We verbleven eerst bij een tante in Den Haag, daarna werkte mijn vader in een glasfabriek in Tiel. We hebben daar een tijdje gewoond.

Het was niet zo moeilijk om Nederlands te leren, omdat ik al op een Nederlandse school in Nieuw-Guinea zat. Ik had de taal al een beetje onder de knie.

Er was een keer een bijna-ongeluk toen ik als jongen in een dorp bij Tiel fietste. In de winter zakte ik door het ijs en belandde onder water. Gelukkig redde een vriend mij door het ijs kapot te slaan en me eruit te trekken. Mijn moeder was erg geschrokken en ik moest meteen onder de hete douche om longontsteking te voorkomen.’

Hoe is uw leven in Nederland?
‘Ik heb meer dan vijftig jaar gewerkt. Ik was kraanmachinist in een staalfabriek en later als monteur bij de productie van kunststoframen. De werkcultuur was snel en efficiënt. Het tempo was hoog; alles moest snel af. Het motto was vaak ‘liever vandaag dan morgen’, heel anders dan hoe het gaat in Nieuw-Guinea.

Thuis eet ik vaak Indisch omdat ik dat gewend ben. Als we aardappelen eten, heb ik snel weer honger. Maar als ik op reis ben, probeer ik ook het lokale eten, al was het in het begin soms vreemd.

Ik heb een zoon van 50 jaar en een dochter van 42 jaar. Dit is mijn tweede huwelijk; mijn vrouw heeft ook kinderen van Turkse afkomst. We hebben samen kleinkinderen. Mijn kleinzoon lijkt volgens mijn familie erg op mij. Helaas heb ik weinig contact met ze.

Ik hou van tuinieren, amateurradio, en ik plaag mijn vrouw soms voor de lol. Ik communiceer met mensen wereldwijd, vooral in het Italiaans, Spaans en Turks. Helaas is mijn antenne nu kapot, dus ben ik tijdelijk niet actief.’

Wilt u ooit nog terug naar Nieuw-Guinea?
‘Ik zou graag teruggaan, maar mijn vrouw wil bij onze kleinkinderen blijven. Ik zou alleen gaan, maar dat zou de terugkeer naar Nederland moeilijk maken, dus ik doe het niet.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Soms zaten we met z’n achten in de schuilkelder’

Jane Veltman (1936) is geboren in Makasser op Sulawesi, en verhuisde daarna naar nog heel vaak in voormalig Nederlands-Indië vanwege het werk van haar vader. Ze weet zich nog veel van die plekken te herinneren. Aan Roos, Mara, Julian en Luz van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze over haar leven.

Wat vond u ervan dat de oorlog uitbrak?
‘We hoorden op de radio dat de Japanners Indonesië waren binnen gevallen en dat ze steeds dichterbij kwamen. Ik was nog jong, nog maar 5 jaar, dus ik wist niet beter. Ik merkte wel dat mijn ouders bang waren. Buiten de stad werd gevochten en dan ging er een sirene, net zoals hier nu gaat elke eerste maandag van de maand, en moesten we de schuilkelder in.

Mijn moeder nam een blik met koekjes mee dus dat was wel fijn. We lazen daar of speelden met een popje. Soms sliepen we ook in de schuilkelder, er lagen matrassen in. Het was een soort kelder en daar hadden ze aarde en gras bovenop gelegd zodat het van bovenaf op een tuin leek. Soms zaten we met z’n achten in de schuilkelder: mijn ouders, zus en ik, mijn tante en haar twee kinderen en nog een tante. We moesten verduisterende gordijnen hebben zodat het licht van binnen niet van buitenaf te zien was voor de vijand.’

Hoe was het dat uw vader naar een apart kamp moest, en u met uw moeder en zusje naar een ander kamp ging?
‘Dat was heel eng. Mijn vader is eerst opgepakt en naar de gevangenis gebracht in Soerabaja. Tien dagen later zijn wij opgepakt. Er werd gevochten in de straat en ze zeiden dat het voor onze eigen veiligheid was. We werden in een bus en trein gestopt en ergens heen gereden, we wisten niet waar we naartoe gingen. Het was voor m’n moeder enger dan voor ons. De blonde mensen, de echt Hollandse mensen, werden naar een Jappenkamp gestuurd. De mensen van kleur toen nog niet. De Japanners waren in oorlog met Nederland en in het begin waren de meer donkere mensen nog wel veilig.

Maar toen de Indonesiërs vochten tegen de Nederlanders, werden we voor onze veiligheid in een kamp gestopt. Het was niet zo’n kamp als waar de Joden in Europa in werden gezet, maar het voelde wel als een kamp. Mijn vader heeft slechts vijftien dagen in de gevangenis gezeten, maar wilde daar later nooit over vertellen.

Toen wij naar Nederland gingen hadden ze hier ook oorlog gehad, ze zaten niet te wachten op nog meer ellendige verhalen. Iedereen wilde het eigenlijk vergeten. Nu is het 80 jaar geleden en nu vertellen we de verhalen. Nu realiseer ik mij dat ik een van de laatste ben die het nog kan vertellen. Iedereen heeft wel zijn eigen verhaal want overal gebeurde andere dingen.’

Merkte u iets van de koloniale samenleving?
‘Ja, maar je wist niet beter. Nu ik ouder ben ga ik er over nadenken en besef je dat het niet goed was. We hadden een vrouw in de keuken en een vrouw die de was deed en iemand die de tuin deed. Dat waren altijd Indonesische mensen. Indische mensen deden dat werk niet.

Mijn familie is Indisch, dat betekent gemengd Europees en Indonesisch. Europeanen kwamen naar Indonesië om te werken en soms kregen zij een Indonesische vrouw en kinderen; dat zijn Indische mensen. Indonesische mensen zijn uit Indonesië, zij werkten vaak in winkels en in huizen. Indische mensen werkten meestal op kantoor en Hollandse mensen in het bestuur.

Je bent zo geboren dus je wist niet beter. We praatten niet veel met het personeel, zo noemden we ze. Mijn moeder wilde dat niet. We waren natuurlijk wel vriendelijk en beleefd tegen ze.’

Bent u nog terug gegaan naar Indonesië?
‘De oorlog begon toen ik 5 jaar was en we gingen weg toen ik 15 jaar was. We zijn met de boot naar Nederland gegaan. De reis duurde een maand. Ik ben nooit meer terug gegaan. Ik ken het land eigenlijk niet zo goed omdat we in de oorlog nergens naartoe konden, we zaten vast in de stad Soerabaja.

Ik ben ook bijna niet naar de lagere school geweest omdat het toen oorlog was. Ik begon in september met school en in februari vielen de Japanners Indonesië binnen dus toen gingen de scholen dicht. Mijn moeder heeft ons les gegeven. Toen ik naar de middelbare school ging heb ik Bahasa leren spreken, dat was vroeger de taal van Maleisië.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Niet lang daarna zijn allemaal vrienden van mijn broer opgepakt en vermoord tijdens de decembermoorden’

In de kamer van de directeur van het Wespennest interviewen Julian, Amara, Lux en Selena, Henk Bharos. (72 jaar).   Meneer Bharos vertelt veel leuke verhalen over zijn leven in Suriname en zijn komst naar Nederland, dus het uur vliegt voorbij.

Hoe was het om op te groeien in Suriname?
Ik ben de middelste tien kinderen, mijn ouders zijn gescheiden. Mijn vader is nog een keer getrouwd en toen kwamen er nog vijf bij. We groeiden op in de stad Paramaribo. Mijn vader had een bedrijf aan huis. Hij maakte pindakaas. Ik was altijd meer geïnteresseerd in het bedrijf en alle machines die daarin stonden, dan in school. Dat boeide me veel meer en er was altijd heel veel werk te doen daar. Als er machines stuk gingen, moest ik ze laten repareren en daar leerde ik veel van. Eigenlijk wilde ik liever spelen, maar achteraf is het wel heel goed geweest, want het heeft daardoor wel mijn interesse gewekt.’

Welke dingen waren echt anders in Suriname?
Ik was 21 jaar toen ik hier kwam. Ik wist eigenlijk al heel veel over het Nederland, want dat leerden wij op school. Zo kende ik alle provincies en hun hoofdstad en wist ik dat er verschillende seizoenen waren. In Suriname is het natuurlijk altijd warm. Als ik in Suriname een kaart van Nederland zag van met een kale boom erop dacht ik altijd: een kale boom is toch een dóde boom! Zo is dat in ieder geval in Suriname. In Nederland is het verplicht om je diploma te hebben als je in een zwembad wil zwemmen, dus ik ben hier op zwemles gegaan. Ik zat in een klasje met allemaal kleine kinderen van 10 of 11 jaar en ik was 21 jaar, dat was best wel een beetje raar.’

Was u ook van plan in Nederland te blijven?
‘Ik had al verteld dat mijn vader een pindakaasbedrijf had.  Nu had ik met mijn broers besloten om naar Nederland te gaan om techniek te gaan studeren. Ik wilde meer kennis opdoen over machines en techniek om dat dan weer mee terug te nemen naar Suriname. We wilden met mijn vijf broers een hele notenindustrie in Suriname oprichten. Toen ik geslaagd was voor mijn diploma bleek dat in Suriname de militairen de macht hadden overgenomen. Mijn vrienden zeiden: ‘wacht maar even met terugkomen, want hier is het nu echt te gevaarlijk’.’

Hoe werd u opgevangen in Nederland?
‘Mijn zus was al in Nederland. Ze woonde in Nijmegen, dus daar kreeg ik gewoon in een kamer in haar huis. De studie die ik wilde volgen was in Amsterdam, maar ik ben eerst een jaartje in Nijmegen gebleven en heb daar een technische opleiding gevolgd. Het jaar erop verhuisde ik naar een woning in de Bijlmer en ging naar school in Zaandam. In Nijmegen zat ik alleen maar met jongens op de school. Ik was daar nieuw en wilden ze me uittesten; úitdagen zeg maar.  Ze wilden kijken hoe sterk ik was, maar ze wisten niet dat mijn vader een worstelaar was.  Als ik iemand vasthad, liet ik niet meer los. Dankzij hem heb ik een hele krachtige hand. Ik heb het ze nooit gezegd, maar kreeg daardoor wel respect.’

U heeft ook van alles moeten achterlaten in Suriname, vond u dat lastig?
‘Het blijft niet leuk om alles achter te laten, maar ik dacht: ‘wel ik ga terug op vakantie naar Suriname’. Ik ben uiteindelijk in die 53 jaar dat ik nu hier woon, nog maar drie keer terug geweest.’

Hoe is het nu met de Bharos-pindakaasfabriek?
‘Mijn vader heeft het bedrijf gegeven aan mijn jongere broertje; hij was toen 21 jaar. In die tijd leverden we ook veel pindakaas aan het leger en aan de militairen. Op een dag kwam een hoge militair vertellen dat hij minder ging betalen per pot pindakaas. Mijn broertje was woest en schreef een brief aan Bouterse dat hij wilde praten over verhoging van de prijzen. Maar tijdens het gesprek werd hij niet gehoord. Hij zei: ‘meneer Bouterse als u doorgaat, dan bent u binnenkort president van muizen en kakkerlakken’. Niet lang daarna zijn allemaal vrienden van mijn broer opgepakt en vermoord tijdens de decembermoorden. Mijn broer was gelukkig net op tijd gevlucht in het ziekenhuis waar zijn vrouw werkte.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Julian

‘Wij kregen op Curaçao vrijwel alleen maar geschiedenisles over Europa’

Dax, Noor en Julian van het Augustinianum in Eindhoven werden zeer hartelijk welkom geheten door Gisèle Mambre, in haar gezellige huis. Zij is geboren in Willemstad op Curaçao in 1970 en op haar 18de naar Nederland gekomen om de lerarenopleiding te gaan doen in Zwolle. Uiteindelijk is ze in Nederland blijven wonen en heeft hier haar leven opgebouwd.

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Ik wist als kind niet dat het een koloniale samenleving was! Er wonen op Curaçao mensen van allerlei verschillende afkomst, niet zwart, niet wit, alles door elkaar. Veel verschillende nationaliteiten. Ik ben er later achter gekomen dat huidskleur toch een rol speelt in bijvoorbeeld betere banen. Omdat wij in een kolonie leefden, kregen wij hetzelfde onderwijs als in Nederland. Het was dezelfde samenleving als in Nederland, alleen dan op een warm eiland, kleiner en met meer kleur. Wij kregen vrijwel alleen maar geschiedenisles over Europa. Dat zou ik wel willen veranderen, geschiedenis is niet alleen Europa, dat zou veel breder moeten zijn. Maar op Curaçao is al veel veranderd. De docenten krijgen meer vrijheid wat betreft de inhoud van de lessen.’

U hebt kleine modellen van de huizen op Curaçao, gemaakt van keramiek, aan ons laten zien. In welk soort huis heeft u zelf gewoond?
‘Ik woonde in het huis van een middenstandsgezin, wij woonden in de stad. Maar er woonden ook familieleden op het platteland. Die zaten in houten huizen of in een soort hutten met een dak van maïsbladeren. Mijn voormoeders kwamen uit de slavernij en die woonden meestal in de hutten.’

Hebt u te maken gehad met discriminatie?
‘Toen ik in 1988 naar Nederland kwam, moest ik aan verschillende dingen wennen. Ik moest wennen aan dat het heel groot was. Ik moest wennen aan veel meer witte mensen. De mensen die ik om me heen zag, waren anders, zeker in Zwolle. Ik had er, zeker in het begin, geen last van dat ik tot een minderheid behoorde. Ik werd best goed opgevangen door mijn medestudenten. Ik deed intussen ook mijn best om contact te houden met Curaçao. Ik heb wel tussen die twee werelden gewoond, maar ik ervoer het niet als vervelend. Toen ik later in Amsterdam woonde, heb ik wel eens meegemaakt dat iemand iets vervelends tegen me zei. Maar het valt best mee en je moet het niet op jezelf betrekken. Eén keer vond ik het wel vervelend. Toen ik een nieuwe functie kreeg, zei iemand: je hebt een voorkeursbehandeling gehad. Dat vond ik niet fijn, want ik was gewoon aangenomen omdat ik de geschikte kandidaat was.

Soms willen mensen zomaar mijn haar aanraken. Dat gebeurt nog steeds en dat vind ik niet kunnen. Af en toe zeggen mensen tegen mij: wat spreek je goed Nederlands. En dan moet ik uitleggen dat ik van een Nederlands eiland kom, Curaçao. Die onwetendheid van mensen vind ik echt irritant.’

Wat vind u van het feest Keti Koti?
‘Op 1 juli wordt herdacht dat de slavernij is afgeschaft in 1863. Het betekent letterlijk: verbroken ketenen. Dat is voor mij een belangrijke feestdag. Ik doe er vanalles aan. Ik werk voor een culturele beweging die heet Theater voor Keti Koti.

Een andere belangrijke dag voor mij is 17 augustus. Dan wordt de Curaçaose vrijheidsstrijder Tula herdacht. Tula heeft op Curaçao in 1795 de opstand geleid van de tot slaaf gemaakte mensen. Hij is daarvoor vermoord. Hij vond de vrijheid zo belangrijk dat hij zijn leven ervoor gaf. Ik heb een theatermonoloog geschreven over Tula. Tula van Curaçao en Anton de Kom uit Suriname zijn twee vrijheidsstrijders. Daar wordt nu wat meer aandacht aan besteed in de geschiedenislessen. Premier Rutte heeft het ook over Tula gehad tijdens zijn toespraak.

Ik heb meegedaan aan een onderzoek ‘Wie zijn mijn voorouders’ van de Volkskrant. Er was eerder sprake van een connectie van mijn familie met Tula. Maar die connectie is niet uit het onderzoek gekomen. Ik heb wel namen gekregen van drie vrouwen, waar ik vanuit kom, een moeder, dochter en een grootmoeder, mijn zogenaamde voormoeders. Ik wil dat verder onderzoeken, maar dat is heel lastig, omdat er haast geen archief is. En ik kan het ook niet meer aan mijn tante vragen, want zij is aan het dementeren.’

Erfgoeddrager: Julian

‘In de verte zagen we de bommen vallen op Amsterdam-Noord’

Samiwa, Lukki en Julian hebben zin in het interview, maar vinden het tegelijkertijd spannend en stellen het aanbellen een beetje uit. Dan drukt Samiwa op de bel en doet Corry van Markestijn de deur open. Ze heet de leerlingen van de Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid van harte welkom en vertelt dat ze niet zo goed geslapen heeft omdat ze niet weet of ze de antwoorden op de vragen wel weet. De leerlingen denken van wel.

Hoe wist u dat de oorlog was begonnen?
‘Ik was nog maar 4 jaar toen de oorlog begon en kwam uit een groot gezin met zeven kinderen. Ik was de op één na jongste. We woonden in het centrum bij de Kattenburgerstraat. Op een dag, toen we speelden op het plein vlakbij de Marinekazerne, hoorden we ineens een heel gek geluid. Ik dacht dat het auto’s waren, waarvan alle banden sprongen. Ik was nog te klein om te beseffen dat het oorlog was, maar mijn broers en zussen pakten me vast en riepen: naar huis, naar huis, de oorlog is begonnen!

Mijn broers en zussen hadden in hun kamer een grote kaart van Europa aan de muur met allemaal punaises, waarmee ze bijhielden tot waar het Duitse leger was gekomen. Dan kwam er steeds weer een punaise bij. Ik begreep er niets van, maar vond het prachtig als er weer een punaise in werd geprikt.’

Zat uw vader in het verzet?
‘Nee, maar mijn vader deed wel dingen die niet mochten. Hij had een grote bakfiets met bloemen om te verkopen. Die bakfiets bracht hij daarna naar zijn loods waar hij hem stalde. In die loods hadden ze een deel afgebakend en in de ruimte erachter zat een Joods gezin ondergedoken. Later zijn ze opgepakt omdat iemand ze verraden had, we hebben nooit geweten wie dat was.

Op een avond was mijn vader na spertijd nog straat om voor eten voor ons allemaal te zorgen. Hij werd aangehouden en de Duitsers schoten een kogel dwars door zijn kuit. De kogel ging er aan de ene kant in en aan de andere kant weer uit. Ze namen hem mee en zetten hem gevangen in Vught. We wisten helemaal niet wat er met onze vader was gebeurd. Via-via zijn we er na een tijdje achtergekomen dat hij in Vught zat. Na zes weken kwam hij opeens weer thuis. Met een kale kop, want de Duitsers hadden zijn haar eraf geschoren. Ik weet nog dat we allemaal met open mond zaten te kijken, en toen begon een van ons heel hard te lachen, daarna lachten we allemaal mee. We vonden het prachtig: onze vader terug en zijn kale kop!’

Was u weleens bang?
‘Op een dag ging mijn moeder met mij en nog een paar kinderen voor onze buurman die heel erg stotterde, een treinkaartje kopen bij het Centraal Station. Toen we vlakbij het station waren, ging het luchtalarm af. We schuilden in het halletje van een caféetje naast de Sint Nicolaaskerk en zagen zo voor ons in de verte die bommen vallen op Amsterdam-Noord. Steeds drie tegelijk.’

Hoe herinnert u zich de Hongerwinter?
‘Wij hadden een slaapkamer met een ruimte eronder, waar we allemaal zuurblikken vol met bonen hadden. We aten dus altijd hetzelfde. Dan dacht ik: oh, moeten we weer bonen eten? Terwijl er allemaal mensen waren die helemaal niets hadden. Ook vriendinnetjes van school hadden soms heel weinig te eten thuis. Mijn broers en zussen en ik mochten allemaal om de beurt iemand meenemen van school om bij ons bonen te komen eten.

In die laatste winter was er niets meer om te stoken dus de mensen haalden overal hout vandaan. Tegenover ons was de straat afgezet met prikkeldraad, en uit de huizen daarachter ging iedereen stiekem hout halen. Raamkozijnen, deurposten en alles wat maar hout was werd weggehaald. Eens viel er een schoorsteen om die bovenop mijn vriendinnetje terechtkwam. Ze was meteen dood. Ze was nog maar 10 jaar. Mijn moeder maakte me wakker om het te vertellen.’

Hoe vierde u uw verjaardag in de oorlog?
‘Verjaardagen werden niet zo gevierd in de oorlog. Maar mijn 9de verjaardag ben ik nooit vergeten. Van mijn tante die altijd zat te breien, kreeg ik een rode tas met daarin allemaal gekleurde bolletjes wol. De hele tas zat er vol mee en ik zie hem nog zo voor me. Met die bolletjes heb ik poppekleertjes gehaakt. Ik denk dat ik nog nooit zo blij ben geweest met een cadeau.’