Erfgoeddrager: Julian

‘Het geslachte kalf is toen samen met mijn broer verstopt in de kelder’

Op een zonnige dinsdagochtend vertrekken Kisten, Julian en Marit al vroeg vanaf de Vossersschool op Terschelling naar het huis van Lea Ruig (88). Ze woont heel dichtbij school en heeft de deur al opengezet. De kinderen nemen plaats op de bank en mevrouw Ruig steekt gelijk van wal met verhalen. De kinderen hebben mooie vragen voorbereid die ze graag willen stellen, en na een poosje leiden ze haar dan toch door de vragen.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde in Friesland op een boerderij in de buurt van Dokkum. Ik was de jongste van zes kinderen. Mijn oudste broer was 18 jaar en zat ondergedoken in de boerderij omdat hij anders moest werken voor de Duitsers. Het was soms best spannend als er razzia’s waren. Gelukkig was er wel altijd iemand die ons waarschuwde, maar zo ineens al die soldaten in de boerderij… dat maakte veel indruk. Tijdens de Hongerwinter hebben we nog een echtpaar opgevangen dat op de grond sliep omdat er geen bedden te koop waren.’

Had u ook huisdieren in de oorlog?
‘Op de boerderij waren koeien, varkens, schapen en kippen. Deze werden geslacht zodat we zelf konden eten. Het mocht niet van de Duitsers dus als er een razzia was dan moest het vlees ook worden verstopt. Op een dag had mijn familie een kalf geslacht en was er een razzia. Toen is het geslachte kalf samen met mijn broer verstopt in de kelder, hij zat dus tussen het vlees. De Duitsers hebben hem gelukkig niet ontdekt.’

Wat voor kleding droeg u tijdens de oorlog?
‘We kregen bijna geen nieuwe kleren want die waren ook niet te koop. En omdat ik een oudere zus had, kreeg ik haar kleren of werd er iets gemaakt.’

Wat deed u tijdens de oorlog in uw vrije tijd?
‘Wij hadden heel weinig. Ik weet wel dat we in de schuur een schommel hadden. Daar heb ik uren en uren en uren op gezeten. Er was weinig speelgoed. Mijn oudste broer had later een orgel omdat hij bij ons in huis zat ondergedoken. Hij kon nergens heen en zat gevangen in huis. Zo kon hij toch nog orgel spelen.’

Erfgoeddrager: Julian

‘In de zomer verkocht ik water op de markt, we deelden het geld altijd’

In de vroege ochtend van een zonnige februaridag bellen Juliaan, Tuguldur, Julian en Haruya van basisschool Philipsdorp aan bij het huis van Yusuf Basci aan in Eindhoven. Ze worden hartelijk ontvangen. Meneer Basci schenkt Turkse thee in kleine theeglaasjes en zet zoete traktaties en gedroogde abrikozen op tafel. Daarna schenkt hij, volgens Turkse traditie, een beetje eau de cologne in hun handen. Het ruikt heel lekker, vinden de kinderen.

Meneer Basci is geboren ineen klein dorpje in het oosten van Turkije, maar toen hij 2 jaar was verhuisde hij naar Ankara, de hoofdstad van Turkije.

Hoe was uw kindertijd?
‘Ik ben opgegroeid in Turkije, in Ankara. Istanbul is groter, maar Ankara is de hoofdstad. Wij woonden in een buurt waar bijna alles nog natuur was. Veel bomen, heuvels, open plekken. Geen flats zoals hier. Wij waren eigenlijk alleen binnen om te slapen. De rest van de tijd waren we buiten. We hadden een grote tuin en overal om ons heen groeide fruit. Watermeloenen lagen gewoon op de grond, druiven, abrikozen, alles. Wij plukten wat we nodig hadden. Dat was normaal. Wij dachten niet: dit is bijzonder. Dat besef je pas later.

We waren met vijf kinderen thuis, plus mijn ouders. Maar eigenlijk was ons huis nooit leeg. De deur stond altijd open. Mensen kwamen en gingen. Mijn vader werkte bij de gemeente en hielp andere mensen aan werk. Mensen die arm waren, uit andere delen van Turkije, kwamen vaak bij ons langs. Dat hoorde erbij.

We hadden geen speelgoed zoals nu. Geen PlayStation, geen lego. Maar we misten het niet. We maakten alles zelf, van hout, metaal, fietsbanden. We maakten karretjes en skateboards, lang voordat dat woord bestond. Gewoon een plank met vier metalen wieltjes eronder. Dan gingen we van de heuvel af, keihard. We vielen vaak op asfalt. Dat deed pijn, ja. Maar beschermers? Die kenden we niet.

Als kind werkte ik ook al. In de zomer verkocht ik water op de markt. Het was heet, dus mensen hadden dorst. Het water zat in aardewerken kannen, die bleven koel. Geen plastic. Glas en klei. Gezond, echt gezond. We deelden het geld altijd samen. Wat we verdienden, was van ons allemaal.’

Wat speelde u het liefst als kind?
‘Voetbal was onze grote liefde, zoals bij bijna alle jongens. Maar een echte bal? Die hadden we bijna nooit. Plastic ballen gingen snel kapot en waren duur. Dus maakten we ballen van stof.

Toen ik 13 of 14 was, heb ik samen met andere kinderen een voetbalclub opgericht. Dat klinkt nu misschien groot, maar het begon heel klein. Er was net een moskee gebouwd in onze buurt. Wij hielpen allemaal mee. Stenen dragen, zelfs in de minaret, trap op, trap af. Dat deden kinderen gewoon.

Onder de moskee kwamen kleine winkeltjes. We hebben gevraagd: mag één winkeltje voor ons zijn, als clubruimte? En dat mocht. Onze club heette Cevislidere Spor, dat betekent ‘notenboom-sport’, omdat er bij ons een grote notenboom stond.

We hadden geen geld. Dus gingen we langs de huizen. We wisten: deze man werkt bij de gemeente, die kan iets meer betalen. Die ander werkt in de bouw, die iets minder. Iedereen gaf wat hij kon. Zo spaarden we genoeg voor shirts en sokken. Schoenen konden we niet betalen. We kozen onze clubkleuren zelf: rood-groen. Niet zoals de grote clubs. Dat voelde speciaal. Toen we voor het eerst onze eigen shirts aantrokken… dat gevoel vergeet ik nooit. Echt nooit.

We organiseerden toernooien. Mensen kwamen kijken. Iedereen voelde zich trots, omdat ze hadden meegedaan. Dat was gemeenschap. Samen iets maken, samen plezier hebben.’

Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Toen ik ouder werd, raakte ik geïnteresseerd in politiek. Ik was jong en idealistisch. Ik wilde dat mensen gelijk behandeld werden, dat iedereen goed kon leven. Ik zat in een linkse studentenbeweging, wat verboden was in Turkije.

We organiseerden protesten en liepen ook voor andere landen, zoals Palestina en Nicaragua. Dat was gevaarlijk. Ik ben een paar keer opgepakt, maar gelukkig steeds snel vrijgelaten.

Die tijd was zwaar. Er gingen dagen voorbij dat dertig of wel veertig mensen werden gedood. Niet in een oorlog, maar door politiek geweld. Vooral linkse studenten, docenten, professoren. Mijn ouders waren bang en zeiden: als je blijft, ga je dood of de gevangenis in.

Ik ben niet als politieke vluchteling naar Nederland gekomen. Ik ben gekomen omdat ik met mijn vrouw trouwde. Maar de politiek speelde zeker mee. Het verschil met Nederland? Hier kon ik ademhalen. Vrij praten. Vrij leven. Dat kende ik niet op die manier.’

Hoe was het toen u net aankwam in Nederland?
‘Ik kwam op 9 oktober 1989 naar Nederland, met het vliegtuig, van Ankara naar Amsterdam. Vier uur vliegen, dat was alles. Maar mijn leven veranderde compleet.

Op Schiphol werd ik opgehaald en we gingen meteen naar het huis van mijn schoonouders. Ze woonden achter in de straat. In dat huis woonden zeven mensen. Drie slaapkamers. Mijn vrouw en ik sliepen twee jaar in een piepkleine kamer. Eén klein bed, een plastic kast van de V&D, meer paste er niet.

Het was vreemd. Nieuw land, nieuwe taal, nieuwe regels, alles was anders. Maar je bouwt het op, stap voor stap. Je hebt geen keuze. Je leert, je werkt, je past je aan. En langzaam wordt het ook jouw plek.’

Erfgoeddrager: Julian

‘We moesten snel inpakken en vertrokken per boot naar het eiland Biak’

Broox, Maja en Julian van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven interviewen Guus Bruno, een man met een bijzondere achtergrond. Geboren in Nieuw-Guinea, groeide hij op in een groot gezin, maar door de politieke spanningen veranderde zijn leven drastisch. Na de gedwongen migratie naar Nederland in 1951 maakte hij een nieuwe start in een onbekend land.

Hoe was uw jeugd in Nieuw-Guinea?
‘Ik groeide op in een groot gezin met negen kinderen. Helaas overleed mijn zusje op 4-jarige leeftijd aan longontsteking. Mijn oudste zus en broer moesten vluchten voor het Indonesische leger omdat ze in militaire dienst zouden worden genomen.

Op school speelde ik honkbal en softbal. Ook speelden we gatric, een lokaal spel met een grote en een kleine stok die je daarna weg moest slaan. Ik was ook bezig met zelfverdediging, zoals karate, kempo en judo. Mijn vader was instructeur in het leger. Hij gaf me het advies om altijd balans en evenwicht te vinden, zowel in sport als in het leven.

Mijn schooldag begon om half negen en eindigde om kwart voor twaalf. Daarna ging ik vaak zwemmen in de Stille Oceaan, wat heerlijk was. Het klimaat was tropisch, met temperaturen tot wel 40 graden, wat een groot verschil is met het koude Nederland.’

Waarom vertrok u naar Nederland?
‘De situatie in Nieuw-Guinea werd gespannen doordat de Indonesische president Sukarno zich tegen Nederland keerde. Nederland gaf Nieuw-Guinea op, en we werden gedwongen te vertrekken. We moesten snel inpakken en vertrokken per boot naar het eiland Biak en daarna met een vliegtuig naar Nederland. Hier, ik laat het jullie zien.

‘Het was een lange reis. We hadden een tussenstop in München, waar ik voor het eerst sneeuw zag. Het was ontzettend koud.’

Hoe voelde u zich bij aankomst in Nederland?
‘Ik had gemengde gevoelens. Ik was deels boos dat we moesten vertrekken, maar ik moest de nieuwe situatie in Nederland ook accepteren. Het leven hier was veel gehaaster dan in Nieuw-Guinea.

Mijn vader moest na onze aankomst nog een jaar terug naar het leger, daarna was hij weer bij ons. De veranderingen waren groot, maar ik leerde snel het Nederlandse systeem begrijpen doordat ik in Nederland ook naar school ging. We verbleven eerst bij een tante in Den Haag, daarna werkte mijn vader in een glasfabriek in Tiel. We hebben daar een tijdje gewoond.

Het was niet zo moeilijk om Nederlands te leren, omdat ik al op een Nederlandse school in Nieuw-Guinea zat. Ik had de taal al een beetje onder de knie.

Er was een keer een bijna-ongeluk toen ik als jongen in een dorp bij Tiel fietste. In de winter zakte ik door het ijs en belandde onder water. Gelukkig redde een vriend mij door het ijs kapot te slaan en me eruit te trekken. Mijn moeder was erg geschrokken en ik moest meteen onder de hete douche om longontsteking te voorkomen.’

Hoe is uw leven in Nederland?
‘Ik heb meer dan vijftig jaar gewerkt. Ik was kraanmachinist in een staalfabriek en later als monteur bij de productie van kunststoframen. De werkcultuur was snel en efficiënt. Het tempo was hoog; alles moest snel af. Het motto was vaak ‘liever vandaag dan morgen’, heel anders dan hoe het gaat in Nieuw-Guinea.

Thuis eet ik vaak Indisch omdat ik dat gewend ben. Als we aardappelen eten, heb ik snel weer honger. Maar als ik op reis ben, probeer ik ook het lokale eten, al was het in het begin soms vreemd.

Ik heb een zoon van 50 jaar en een dochter van 42 jaar. Dit is mijn tweede huwelijk; mijn vrouw heeft ook kinderen van Turkse afkomst. We hebben samen kleinkinderen. Mijn kleinzoon lijkt volgens mijn familie erg op mij. Helaas heb ik weinig contact met ze.

Ik hou van tuinieren, amateurradio, en ik plaag mijn vrouw soms voor de lol. Ik communiceer met mensen wereldwijd, vooral in het Italiaans, Spaans en Turks. Helaas is mijn antenne nu kapot, dus ben ik tijdelijk niet actief.’

Wilt u ooit nog terug naar Nieuw-Guinea?
‘Ik zou graag teruggaan, maar mijn vrouw wil bij onze kleinkinderen blijven. Ik zou alleen gaan, maar dat zou de terugkeer naar Nederland moeilijk maken, dus ik doe het niet.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Soms zaten we met z’n achten in de schuilkelder’

Jane Veltman (1936) is geboren in Makasser op Sulawesi, en verhuisde daarna naar nog heel vaak in voormalig Nederlands-Indië vanwege het werk van haar vader. Ze weet zich nog veel van die plekken te herinneren. Aan Roos, Mara, Julian en Luz van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze over haar leven.

Wat vond u ervan dat de oorlog uitbrak?
‘We hoorden op de radio dat de Japanners Indonesië waren binnen gevallen en dat ze steeds dichterbij kwamen. Ik was nog jong, nog maar 5 jaar, dus ik wist niet beter. Ik merkte wel dat mijn ouders bang waren. Buiten de stad werd gevochten en dan ging er een sirene, net zoals hier nu gaat elke eerste maandag van de maand, en moesten we de schuilkelder in.

Mijn moeder nam een blik met koekjes mee dus dat was wel fijn. We lazen daar of speelden met een popje. Soms sliepen we ook in de schuilkelder, er lagen matrassen in. Het was een soort kelder en daar hadden ze aarde en gras bovenop gelegd zodat het van bovenaf op een tuin leek. Soms zaten we met z’n achten in de schuilkelder: mijn ouders, zus en ik, mijn tante en haar twee kinderen en nog een tante. We moesten verduisterende gordijnen hebben zodat het licht van binnen niet van buitenaf te zien was voor de vijand.’

Hoe was het dat uw vader naar een apart kamp moest, en u met uw moeder en zusje naar een ander kamp ging?
‘Dat was heel eng. Mijn vader is eerst opgepakt en naar de gevangenis gebracht in Soerabaja. Tien dagen later zijn wij opgepakt. Er werd gevochten in de straat en ze zeiden dat het voor onze eigen veiligheid was. We werden in een bus en trein gestopt en ergens heen gereden, we wisten niet waar we naartoe gingen. Het was voor m’n moeder enger dan voor ons. De blonde mensen, de echt Hollandse mensen, werden naar een Jappenkamp gestuurd. De mensen van kleur toen nog niet. De Japanners waren in oorlog met Nederland en in het begin waren de meer donkere mensen nog wel veilig.

Maar toen de Indonesiërs vochten tegen de Nederlanders, werden we voor onze veiligheid in een kamp gestopt. Het was niet zo’n kamp als waar de Joden in Europa in werden gezet, maar het voelde wel als een kamp. Mijn vader heeft slechts vijftien dagen in de gevangenis gezeten, maar wilde daar later nooit over vertellen.

Toen wij naar Nederland gingen hadden ze hier ook oorlog gehad, ze zaten niet te wachten op nog meer ellendige verhalen. Iedereen wilde het eigenlijk vergeten. Nu is het 80 jaar geleden en nu vertellen we de verhalen. Nu realiseer ik mij dat ik een van de laatste ben die het nog kan vertellen. Iedereen heeft wel zijn eigen verhaal want overal gebeurde andere dingen.’

Merkte u iets van de koloniale samenleving?
‘Ja, maar je wist niet beter. Nu ik ouder ben ga ik er over nadenken en besef je dat het niet goed was. We hadden een vrouw in de keuken en een vrouw die de was deed en iemand die de tuin deed. Dat waren altijd Indonesische mensen. Indische mensen deden dat werk niet.

Mijn familie is Indisch, dat betekent gemengd Europees en Indonesisch. Europeanen kwamen naar Indonesië om te werken en soms kregen zij een Indonesische vrouw en kinderen; dat zijn Indische mensen. Indonesische mensen zijn uit Indonesië, zij werkten vaak in winkels en in huizen. Indische mensen werkten meestal op kantoor en Hollandse mensen in het bestuur.

Je bent zo geboren dus je wist niet beter. We praatten niet veel met het personeel, zo noemden we ze. Mijn moeder wilde dat niet. We waren natuurlijk wel vriendelijk en beleefd tegen ze.’

Bent u nog terug gegaan naar Indonesië?
‘De oorlog begon toen ik 5 jaar was en we gingen weg toen ik 15 jaar was. We zijn met de boot naar Nederland gegaan. De reis duurde een maand. Ik ben nooit meer terug gegaan. Ik ken het land eigenlijk niet zo goed omdat we in de oorlog nergens naartoe konden, we zaten vast in de stad Soerabaja.

Ik ben ook bijna niet naar de lagere school geweest omdat het toen oorlog was. Ik begon in september met school en in februari vielen de Japanners Indonesië binnen dus toen gingen de scholen dicht. Mijn moeder heeft ons les gegeven. Toen ik naar de middelbare school ging heb ik Bahasa leren spreken, dat was vroeger de taal van Maleisië.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Niet lang daarna zijn allemaal vrienden van mijn broer opgepakt en vermoord tijdens de decembermoorden’

In de kamer van de directeur van het Wespennest interviewen Julian, Amara, Lux en Selena, Henk Bharos. (72 jaar).   Meneer Bharos vertelt veel leuke verhalen over zijn leven in Suriname en zijn komst naar Nederland, dus het uur vliegt voorbij.

Hoe was het om op te groeien in Suriname?
Ik ben de middelste tien kinderen, mijn ouders zijn gescheiden. Mijn vader is nog een keer getrouwd en toen kwamen er nog vijf bij. We groeiden op in de stad Paramaribo. Mijn vader had een bedrijf aan huis. Hij maakte pindakaas. Ik was altijd meer geïnteresseerd in het bedrijf en alle machines die daarin stonden, dan in school. Dat boeide me veel meer en er was altijd heel veel werk te doen daar. Als er machines stuk gingen, moest ik ze laten repareren en daar leerde ik veel van. Eigenlijk wilde ik liever spelen, maar achteraf is het wel heel goed geweest, want het heeft daardoor wel mijn interesse gewekt.’

Welke dingen waren echt anders in Suriname?
Ik was 21 jaar toen ik hier kwam. Ik wist eigenlijk al heel veel over het Nederland, want dat leerden wij op school. Zo kende ik alle provincies en hun hoofdstad en wist ik dat er verschillende seizoenen waren. In Suriname is het natuurlijk altijd warm. Als ik in Suriname een kaart van Nederland zag van met een kale boom erop dacht ik altijd: een kale boom is toch een dóde boom! Zo is dat in ieder geval in Suriname. In Nederland is het verplicht om je diploma te hebben als je in een zwembad wil zwemmen, dus ik ben hier op zwemles gegaan. Ik zat in een klasje met allemaal kleine kinderen van 10 of 11 jaar en ik was 21 jaar, dat was best wel een beetje raar.’

Was u ook van plan in Nederland te blijven?
‘Ik had al verteld dat mijn vader een pindakaasbedrijf had.  Nu had ik met mijn broers besloten om naar Nederland te gaan om techniek te gaan studeren. Ik wilde meer kennis opdoen over machines en techniek om dat dan weer mee terug te nemen naar Suriname. We wilden met mijn vijf broers een hele notenindustrie in Suriname oprichten. Toen ik geslaagd was voor mijn diploma bleek dat in Suriname de militairen de macht hadden overgenomen. Mijn vrienden zeiden: ‘wacht maar even met terugkomen, want hier is het nu echt te gevaarlijk’.’

Hoe werd u opgevangen in Nederland?
‘Mijn zus was al in Nederland. Ze woonde in Nijmegen, dus daar kreeg ik gewoon in een kamer in haar huis. De studie die ik wilde volgen was in Amsterdam, maar ik ben eerst een jaartje in Nijmegen gebleven en heb daar een technische opleiding gevolgd. Het jaar erop verhuisde ik naar een woning in de Bijlmer en ging naar school in Zaandam. In Nijmegen zat ik alleen maar met jongens op de school. Ik was daar nieuw en wilden ze me uittesten; úitdagen zeg maar.  Ze wilden kijken hoe sterk ik was, maar ze wisten niet dat mijn vader een worstelaar was.  Als ik iemand vasthad, liet ik niet meer los. Dankzij hem heb ik een hele krachtige hand. Ik heb het ze nooit gezegd, maar kreeg daardoor wel respect.’

U heeft ook van alles moeten achterlaten in Suriname, vond u dat lastig?
‘Het blijft niet leuk om alles achter te laten, maar ik dacht: ‘wel ik ga terug op vakantie naar Suriname’. Ik ben uiteindelijk in die 53 jaar dat ik nu hier woon, nog maar drie keer terug geweest.’

Hoe is het nu met de Bharos-pindakaasfabriek?
‘Mijn vader heeft het bedrijf gegeven aan mijn jongere broertje; hij was toen 21 jaar. In die tijd leverden we ook veel pindakaas aan het leger en aan de militairen. Op een dag kwam een hoge militair vertellen dat hij minder ging betalen per pot pindakaas. Mijn broertje was woest en schreef een brief aan Bouterse dat hij wilde praten over verhoging van de prijzen. Maar tijdens het gesprek werd hij niet gehoord. Hij zei: ‘meneer Bouterse als u doorgaat, dan bent u binnenkort president van muizen en kakkerlakken’. Niet lang daarna zijn allemaal vrienden van mijn broer opgepakt en vermoord tijdens de decembermoorden. Mijn broer was gelukkig net op tijd gevlucht in het ziekenhuis waar zijn vrouw werkte.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Julian

‘Wij kregen op Curaçao vrijwel alleen maar geschiedenisles over Europa’

Dax, Noor en Julian van het Augustinianum in Eindhoven werden zeer hartelijk welkom geheten door Gisèle Mambre, in haar gezellige huis. Zij is geboren in Willemstad op Curaçao in 1970 en op haar 18de naar Nederland gekomen om de lerarenopleiding te gaan doen in Zwolle. Uiteindelijk is ze in Nederland blijven wonen en heeft hier haar leven opgebouwd.

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Ik wist als kind niet dat het een koloniale samenleving was! Er wonen op Curaçao mensen van allerlei verschillende afkomst, niet zwart, niet wit, alles door elkaar. Veel verschillende nationaliteiten. Ik ben er later achter gekomen dat huidskleur toch een rol speelt in bijvoorbeeld betere banen. Omdat wij in een kolonie leefden, kregen wij hetzelfde onderwijs als in Nederland. Het was dezelfde samenleving als in Nederland, alleen dan op een warm eiland, kleiner en met meer kleur. Wij kregen vrijwel alleen maar geschiedenisles over Europa. Dat zou ik wel willen veranderen, geschiedenis is niet alleen Europa, dat zou veel breder moeten zijn. Maar op Curaçao is al veel veranderd. De docenten krijgen meer vrijheid wat betreft de inhoud van de lessen.’

U hebt kleine modellen van de huizen op Curaçao, gemaakt van keramiek, aan ons laten zien. In welk soort huis heeft u zelf gewoond?
‘Ik woonde in het huis van een middenstandsgezin, wij woonden in de stad. Maar er woonden ook familieleden op het platteland. Die zaten in houten huizen of in een soort hutten met een dak van maïsbladeren. Mijn voormoeders kwamen uit de slavernij en die woonden meestal in de hutten.’

Hebt u te maken gehad met discriminatie?
‘Toen ik in 1988 naar Nederland kwam, moest ik aan verschillende dingen wennen. Ik moest wennen aan dat het heel groot was. Ik moest wennen aan veel meer witte mensen. De mensen die ik om me heen zag, waren anders, zeker in Zwolle. Ik had er, zeker in het begin, geen last van dat ik tot een minderheid behoorde. Ik werd best goed opgevangen door mijn medestudenten. Ik deed intussen ook mijn best om contact te houden met Curaçao. Ik heb wel tussen die twee werelden gewoond, maar ik ervoer het niet als vervelend. Toen ik later in Amsterdam woonde, heb ik wel eens meegemaakt dat iemand iets vervelends tegen me zei. Maar het valt best mee en je moet het niet op jezelf betrekken. Eén keer vond ik het wel vervelend. Toen ik een nieuwe functie kreeg, zei iemand: je hebt een voorkeursbehandeling gehad. Dat vond ik niet fijn, want ik was gewoon aangenomen omdat ik de geschikte kandidaat was.

Soms willen mensen zomaar mijn haar aanraken. Dat gebeurt nog steeds en dat vind ik niet kunnen. Af en toe zeggen mensen tegen mij: wat spreek je goed Nederlands. En dan moet ik uitleggen dat ik van een Nederlands eiland kom, Curaçao. Die onwetendheid van mensen vind ik echt irritant.’

Wat vind u van het feest Keti Koti?
‘Op 1 juli wordt herdacht dat de slavernij is afgeschaft in 1863. Het betekent letterlijk: verbroken ketenen. Dat is voor mij een belangrijke feestdag. Ik doe er vanalles aan. Ik werk voor een culturele beweging die heet Theater voor Keti Koti.

Een andere belangrijke dag voor mij is 17 augustus. Dan wordt de Curaçaose vrijheidsstrijder Tula herdacht. Tula heeft op Curaçao in 1795 de opstand geleid van de tot slaaf gemaakte mensen. Hij is daarvoor vermoord. Hij vond de vrijheid zo belangrijk dat hij zijn leven ervoor gaf. Ik heb een theatermonoloog geschreven over Tula. Tula van Curaçao en Anton de Kom uit Suriname zijn twee vrijheidsstrijders. Daar wordt nu wat meer aandacht aan besteed in de geschiedenislessen. Premier Rutte heeft het ook over Tula gehad tijdens zijn toespraak.

Ik heb meegedaan aan een onderzoek ‘Wie zijn mijn voorouders’ van de Volkskrant. Er was eerder sprake van een connectie van mijn familie met Tula. Maar die connectie is niet uit het onderzoek gekomen. Ik heb wel namen gekregen van drie vrouwen, waar ik vanuit kom, een moeder, dochter en een grootmoeder, mijn zogenaamde voormoeders. Ik wil dat verder onderzoeken, maar dat is heel lastig, omdat er haast geen archief is. En ik kan het ook niet meer aan mijn tante vragen, want zij is aan het dementeren.’

Erfgoeddrager: Julian

‘In de verte zagen we de bommen vallen op Amsterdam-Noord’

Samiwa, Lukki en Julian hebben zin in het interview, maar vinden het tegelijkertijd spannend en stellen het aanbellen een beetje uit. Dan drukt Samiwa op de bel en doet Corry van Markestijn de deur open. Ze heet de leerlingen van de Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid van harte welkom en vertelt dat ze niet zo goed geslapen heeft omdat ze niet weet of ze de antwoorden op de vragen wel weet. De leerlingen denken van wel.

Hoe wist u dat de oorlog was begonnen?
‘Ik was nog maar 4 jaar toen de oorlog begon en kwam uit een groot gezin met zeven kinderen. Ik was de op één na jongste. We woonden in het centrum bij de Kattenburgerstraat. Op een dag, toen we speelden op het plein vlakbij de Marinekazerne, hoorden we ineens een heel gek geluid. Ik dacht dat het auto’s waren, waarvan alle banden sprongen. Ik was nog te klein om te beseffen dat het oorlog was, maar mijn broers en zussen pakten me vast en riepen: naar huis, naar huis, de oorlog is begonnen!

Mijn broers en zussen hadden in hun kamer een grote kaart van Europa aan de muur met allemaal punaises, waarmee ze bijhielden tot waar het Duitse leger was gekomen. Dan kwam er steeds weer een punaise bij. Ik begreep er niets van, maar vond het prachtig als er weer een punaise in werd geprikt.’

Zat uw vader in het verzet?
‘Nee, maar mijn vader deed wel dingen die niet mochten. Hij had een grote bakfiets met bloemen om te verkopen. Die bakfiets bracht hij daarna naar zijn loods waar hij hem stalde. In die loods hadden ze een deel afgebakend en in de ruimte erachter zat een Joods gezin ondergedoken. Later zijn ze opgepakt omdat iemand ze verraden had, we hebben nooit geweten wie dat was.

Op een avond was mijn vader na spertijd nog straat om voor eten voor ons allemaal te zorgen. Hij werd aangehouden en de Duitsers schoten een kogel dwars door zijn kuit. De kogel ging er aan de ene kant in en aan de andere kant weer uit. Ze namen hem mee en zetten hem gevangen in Vught. We wisten helemaal niet wat er met onze vader was gebeurd. Via-via zijn we er na een tijdje achtergekomen dat hij in Vught zat. Na zes weken kwam hij opeens weer thuis. Met een kale kop, want de Duitsers hadden zijn haar eraf geschoren. Ik weet nog dat we allemaal met open mond zaten te kijken, en toen begon een van ons heel hard te lachen, daarna lachten we allemaal mee. We vonden het prachtig: onze vader terug en zijn kale kop!’

Was u weleens bang?
‘Op een dag ging mijn moeder met mij en nog een paar kinderen voor onze buurman die heel erg stotterde, een treinkaartje kopen bij het Centraal Station. Toen we vlakbij het station waren, ging het luchtalarm af. We schuilden in het halletje van een caféetje naast de Sint Nicolaaskerk en zagen zo voor ons in de verte die bommen vallen op Amsterdam-Noord. Steeds drie tegelijk.’

Hoe herinnert u zich de Hongerwinter?
‘Wij hadden een slaapkamer met een ruimte eronder, waar we allemaal zuurblikken vol met bonen hadden. We aten dus altijd hetzelfde. Dan dacht ik: oh, moeten we weer bonen eten? Terwijl er allemaal mensen waren die helemaal niets hadden. Ook vriendinnetjes van school hadden soms heel weinig te eten thuis. Mijn broers en zussen en ik mochten allemaal om de beurt iemand meenemen van school om bij ons bonen te komen eten.

In die laatste winter was er niets meer om te stoken dus de mensen haalden overal hout vandaan. Tegenover ons was de straat afgezet met prikkeldraad, en uit de huizen daarachter ging iedereen stiekem hout halen. Raamkozijnen, deurposten en alles wat maar hout was werd weggehaald. Eens viel er een schoorsteen om die bovenop mijn vriendinnetje terechtkwam. Ze was meteen dood. Ze was nog maar 10 jaar. Mijn moeder maakte me wakker om het te vertellen.’

Hoe vierde u uw verjaardag in de oorlog?
‘Verjaardagen werden niet zo gevierd in de oorlog. Maar mijn 9de verjaardag ben ik nooit vergeten. Van mijn tante die altijd zat te breien, kreeg ik een rode tas met daarin allemaal gekleurde bolletjes wol. De hele tas zat er vol mee en ik zie hem nog zo voor me. Met die bolletjes heb ik poppekleertjes gehaakt. Ik denk dat ik nog nooit zo blij ben geweest met een cadeau.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Wij dachten: Duitsland moet wel helemaal kapot zijn nu’

In de stromende regen rijden Cas, Noah Vos, Nienke en Julian met de auto naar Frans Busselman. Frans en de fotografe staan hen al op te wachten en iedereen heeft er veel zin in. Frans woonde tijdens de oorlog in Amsterdam en vertelt de kinderen graag over zijn ervaringen. Twee van hen woonden vroeger in Amsterdam, vlak bij waar Frans toen woonde. Ze speelden zelfs op dezelfde pleintjes.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Eigenlijk begon de oorlog veel eerder dan 1940. Ik zag mijn ouders de jaren daarvoor steeds zorgelijker kijken. En ik hoorde ze dingen zeggen als: “Dat zal toch niet hier komen?” Zij hadden ook al eerder een oorlog meegemaakt, die van 1914-1918, waarin Nederland neutraal bleef. Ze dachten dat dat wel weer zo zou zijn. Maar dat hadden ze mis. Aan het begin van de oorlog rommelde het nog een beetje, Er was nog vlees bij de slager, er was nog brood bij de bakker, je kon nog naar je voetbalclubje. Ik wilde heel graag voetballen, maar je kon pas op voetbal als je twaalf jaar was en ik was pas tien. Ik heb toen gewoon gezegd dat ik twaalf was. Ik was de snelste van iedereen! Aan het einde van de oorlog konden we niet meer trainen, omdat we geen materiaal hadden. We konden geen schoenen meer kopen en liepen daarom vaak op klompen. Daar konden we niet op voetballen.

Waar zat u op school?
‘Ik zat op school aan de rand van de Jordaan. Het was een hele strenge school. Op een dag werd de  hoofdonderwijzer door twee mannen weggehaald. We begrepen er op dat moment niets van. Hij was Joods en werd dus gewoon opgepakt door de Duitse soldaten. Hij heeft de oorlog niet overleefd. Later in de oorlog konden we vaak niet naar school, omdat er bijna geen eten meer was en we op zoek moesten naar eten in de polder. Omdat de tocht te lang was om in één keer te maken – de boeren dichter bij huis hadden al snel niks meer voor ons – sliepen we onderweg in hooibergen. Bij de boeren ruilden we spullen die we hadden voor eten. Ook had je een gaarkeuken waar je met je pannetje naartoe kon. Daar werd het eten verdeeld; iedereen kreeg heel weinig. Je had in die die tijd maar één gedachte; hoe kom je aan eten? We aten bloembollen en suikerbieten. En we hadden nog een probleem: we hadden geen gas en licht. Om licht te krijgen gooiden we in een kommetje een paar druppels lampenolie, wat bleef drijven. Dan deden we daar een pitje in, zoals van een waxinelichtje, en dat staken we dan aan. Bij dat lichtje probeerde ik te lezen.’

Was u bang in de oorlog?
‘In 1941 en 1942 bombardeerden de Engelsen Duitsland. ‘s Nachts vlogen duizenden vliegtuigen over en daar gingen de Duitsers met hun afweergeschut op schieten, bijgelicht door enorme schijnwerpers. Ik kon dan geen oog dicht doen. Je zag flitsen van de schijnwerpers en hoorde het lawaai van de vliegtuigen: boem boem knal shhht. Ik was bang. Stel je voor dat ze een vliegtuig raakten, dan donderde dat op onze huizen! Het werd steeds erger, omdat ook Amerika ging meedoen en het leger in Engeland stationeerde. De Amerikanen vlogen met vliegende forten; zo noemden we die omdat ze zo groot waren. Elke nacht vlogen ze over ons heen. Wij dachten: Duitsland moet wel helemaal kapot zijn nu.’

Wat deed uw moeder in de oorlog?
‘Mijn moeder was kostuumnaaister en maakte van oude kledingstukken nieuwe kleding. Niet alleen voor ons maar ook voor veel andere mensen. De vrouwen waren heel actief in de oorlog. Zij gingen vaak eten halen bij de boeren. Dan trokken ze lange broeken aan, omdat ze dan stiekem eten in de broekspijpen konden doen. Het was in die tijd heel bijzonder, een vrouw in een lange broek. Door het hele land waren controleurs die je aanhielden als ze je zagen fietsen. Dan moest je je tassen laten zien. Je mocht namelijk geen eten halen bij de boeren. Al het eten moest naar de Duitsers. Maar die dames die het in hun broekspijpen hadden verstopt en geen tassen bij zich hadden, die hadden niets, dachten ze.’

Kende u NSB’ers?
‘Bij ons in de straat was een NSB-echtpaar. Hun dochter liep in uniform; een zwart rokje en een schuin petje met rood erin. Als ik als jongen een meisje leuk vond en mijn ouders wisten dat haar ouders NSB’ers waren, kwam ze er niet in. Dat was voor die kinderen vreselijk. Mijn buurmeisje was verliefd op een Duitse soldaat. Zij is na de oorlog kaalgeschoren. Dat is een zwarte bladzijde in de geschiedenis. Mensen die dat deden waren vaak mensen die zelf in de oorlog niets uitgevoerd hadden.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Tijdens de Bevrijding was er een groot feest op de Dam. We stonden daar mannetje aan mannetje. Ineens werd er vanuit een gebouw vol Duitsers geschoten op de menigte. Ze schoten niet rechtstreeks op de mensen, maar er brak paniek uit en iedereen rende gillend weg. Mensen vielen, het was echt een puinhoop! Ik kon gelukkig wegkomen.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Ze schreef: zorg dat het kind wegkomt’

De kinderen beklimmen de steile trap van het huis van Max Arian. Zijn vrouw ontvangt ASVO-leerlingen Lavinia, Julian en Astrid, want Max is nog niet thuis. Even later komt hij de trap op stommelen met tassen vol lekkers en als iedereen zit te smikkelen begint het gesprek. Max beantwoordt rustig alle vragen en benadrukt vaak de goede dingen die hij als onderduikjongetje heeft meegemaakt. Het ontroert hem nog zichtbaar.

Wat herinnert u zich van de oorlog
‘Helemaal niks! Aan het eind van de oorlog was ik wel vijf, maar soms weet je niet of je je iets echt herinnert of omdat het je verteld is. Ik herinner me wel zeker een wenteltrap…
Mijn vader was nog een jongeman in de oorlog. Hij was klein en licht en hij bokste graag. Hij raakte betrokken bij een vechtpartij met de WA, de knokploeg van de NSB. De jongens van de boksschool pikten het namelijk niet wat die mannen deden. Mijn vader kreeg daarbij een dolk in zijn rug en moest naar het ziekenhuis. Eén van de WAers, Hendrik Koot, is daarbij gedood. Mn vader is verhoord, maar er gebeurde verder niks. Een jaar later gingen ze het opnieuw onderzoeken en toen hebben ze hem opgepakt. Hij is op transport naar Auschwitz gezet en daar vermoord. Ik was twee, dus ik herinner me dat niet.’

Hoe ging het verder met uw moeder?
‘Mijn moeder moest zich zoals zoveel Joodse mensen voor transport melden bij de Hollandsche Schouwburg. Mijn oom zei haar dat ze over de schutting kon klimmen en dat deed ze, maar ze werd weer opgepakt. Toen schreef ze hem een briefje: zorg dat het kind wegkomt. Dat kind was ik. Mijn moeder werd op de trein naar Westerbork gezet. Daar vond ze op de wc een witte jas, die iemand van de Joodsche Raad, dat het transport organiseerde, voor haar verstopt had. Ze moest rustig uitstappen en naar een andere trein gaan. Dat lukte, en toen kwam ze in de onderduik. Ik werd naar de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg gebracht. Die wenteltrap die ik me herinnerde was in dat gebouw. Later heb ik die nog eens gezien. Vanaf daar ben ik door verzetsmensen weggehaald. Ik kwam in Heerlen terecht bij tante Lies en ome Hal, hele lieve mensen. Ik had daar een pleegzusje, Fien. Ik mocht bij haar in bed slapen. Dat voelde heel veilig.’

Wat is het engste dat u heeft meegemaakt?
‘In juni 1944 was er een oploop; een aardappelhandelaar had mensen in de straat verraden. De buren wisten niet dat ik Joods was. Mijn pleegouders hadden gezegd dat ik een weesje uit het gebombardeerde Rotterdam was. De buurvrouw, die bij de NSB zat, zei tegen tante Lies: “Zorg dat Maxje veilig is!” Maar ik was al veilig, want Fien nam me mee naar een korenveld en daar verstopten we ons in een greppel. Ik weet niet of ik bang was, misschien dacht ik wel dat we verstoppertje speelden. En Fien zorgde voor me, dus ik hoefde niet bang te zijn. Achteraf was ik wel bang voor Fien, die toen pas twaalf was. Het is zon krankzinnig idee dat de Duitsers zelfs op jacht naar kleine kinderen waren. Dat kun je je toch niet voorstellen?’

Wanneer zag u uw moeder weer?
‘Op een dag, ik was lekker aan het spelen, kwam ze naar Heerlen. Ze herkende me meteen. Ik haar niet. Maar ik was voorbereid. Mijn pleegouders waren verstandig. Ik noemde hen oom en tante en ze hebben altijd gezegd dat ik een moeder had. En toen mijn moeder me meenam, zeiden ze: “Zien we jullie gauw weer terug?” Ze zeiden júllie en niet ‘je’. Later hoorde ik van Fien dat zij en tante Lies de hele dag hebben gehuild, zo erg vonden ze het dat dat kleine jongetje weer weg moest. Ze huilden terwijl het ook een heel gelukkig iets was. En dat is zo gebleven. Vanaf toen had ik twee families. Ik was wat dat betreft een echte geluksvogel. En ik ben geen uitzondering gelukkig!’

Wat voor effect heeft het gehad op de rest van uw leven?
‘Goh, dat is een grote vraag, ik weet niet of ik die kan beantwoorden. Ik heb zoveel geluk gehad. Het is wel zo dat veel van de ondergedoken kinderen nogal stil waren. Je wist ergens wel dat je niet te veel aanwezig moest zijn. Zelfs in de treinen waren de kinderen stil, ze huilden weinig. Waarschijnlijk is dat instinct. Als je erover na gaat denken is de moord op de Joden iets ontzettend vreselijks. Ik heb wel hulp gehad van een psychiater. Maar ik ben tot de conclusie gekomen dat je je het niet kunt voorstellen. Mijn oma was bijvoorbeeld heel vrolijk, ook al had ze veel mensen verloren. Ik snap niet hoe dat kan, maar blijkbaar kunnen we in ons hoofd muurtjes zetten. Ik wil geen slachtoffer zijn. Je moet wel weten wat er is gebeurd en het je blijven herinneren, maar ook weten dat er altijd goede dingen gebeuren.’

De kinderen gaan na het gesprek lopend terug naar school. Ze zijn erg onder de indruk van Max’ begrip en vooral van zijn positieve instelling om zo overal toch ook het mooie van in te zien. De volgende dag laat meester Bart weten dat ze er nog vol van zijn.

Erfgoeddrager: Julian

‘Opeens stond er: Voor Joden verboden’

Rosa Wertheimer-Bokkie woont sinds kort in verzorgingshuis Beth Shalom, al had ze liever thuis willen blijven wonen, zelfs nu ze bijna honderd is. Over de oorlog praten vindt ze niet makkelijk, omdat ze ASVO-leerlingen Amelia, Julian en Rafael niet met de verhalen wil belasten. Ze heeft in haar lange leven niet vaak over de oorlog gepraat. Dat deed je toen niet, en wie wilde luisteren? Haar eigen familie bestond niet meer en ze moest haar leven opnieuw uitvinden. Vanwege de oorlog in Oekraïne, de ellende die toch wel heel dichtbij komt, besluit Rosa de kinderen haar verhaal wel te vertellen.

Hoe wist u dat het oorlog was en wat voelde u toen u dat hoorde?
Tja, de Duitsers hadden geen briefje gestuurd van te voren. Mijn vader vertelde dat het oorlog was.
 Ik was toen achttien. Ik voelde niks. Het was alsof je het niet echt beleefde, alsof het iets uit een boek is. Het is de eerste keer dat je zoiets meemaakt, je weet nog niks van de gevolgen, je bent blanco. Je voelt je er ook nog niet bij betrokken. Op een gegeven moment kwam er iemand van de Stadsreiniging op het werk en die zei: “We staken!” Ik wist eerlijk gezegd helemaal niet waarom, terwijl het al een tijd oorlog was. Maar we leefden in die tijd betrekkelijk geïsoleerd. We hadden toen geen telefoon, geen televisie, alleen distributieradio; dat was een speaker, geen radio. We waren lang niet zo goed op de hoogte als jullie nu zijn.’

Wanneer merkte u dat het foute boel was?
Ik denk twee jaar na het begin. Er kwamen allerlei maatregelen en dan ben je er ineens wél bij betrokken. Als je niks voelt van geboden en verboden gaat er een hele hoop langs je heen. Ik ging vaak in het weekend met m’n vrienden naar de jeugdherberg. Ineens stond er een bord: ‘Verboden voor Joden’. De WA kwam midden in de nacht controleren en toen moest ik eruit. Mn vrienden waren solidair en zijn met me meegegaan. Later werd mn vader opgepakt. Mijn moeder was jong gestorven, dus toen waren mijn zusje en ik alleen. Thuis aangekomen was alles weg, gepulst. De buurvrouw zei dat ze zouden terugkomen om ons op te halen. Maar, waar moest je naartoe? Via een vriendin vonden we een benedenhuis, verwaarloosd en vol beestjes. Mijn zusje werkte bij een bedrijf waar ze een sperrung had, een tijdelijke vrijstelling van deportatie. Ik had dat niet en ben ondergedoken. Mijn zusje wilde niet onderduiken, waarom weet ik niet. Ze is uiteindelijk opgehaald en in Sobibor vermoord. Mijn ouders, alle ooms en tantes ook. Ik ben de enige die is overgebleven, de enige die de naam Bokkie nog draagt. Met die naam werden we geplaagd. Kinderen riepen: mn vader had twee Bokkies, twee Bokkies zonder staart, en daar ging ie mee uit wandelen in de Kalverstraat! Dat liedje vergeet ik nooit. Maar dat was lol voor hen.’

Waar zat u ondergedoken?
Bij de ouders van een vriendin. Ook na de oorlog heb ik daar nog jaren gewoond. Ze hadden een schuilplaats voor me gemaakt, een ruimte in een zolderkamer, achter een luik. Ze hadden een belletje gemaakt en als ze één keer belden, bijvoorbeeld omdat er bezoek was, moest ik me verstoppen in de klerenkast. Als twee keer belden moest ik achter het luik. Ik was niet bang, ik hoopte alleen maar dat ik mn plas zo lang kon ophouden. Als er een razzia was, haalde de vader me uit bed en moest ik in de kruipruimte onder de vloer. Daar zat ik dan de hele nacht, dat was verschrikkelijk.’

Wat vond u van de NSB?
Ik had er geen connectie mee. Maar onlangs kwam ik hier op het Gelderlandplein een mevrouw tegen die uit een NSB-gezin komt, vertelde ze me. Ik weet echt niet waarom ze dat zei, maar goed, we zijn heel vriendelijk met elkaar. Waarom ook niet, zij kan het ook niet helpen. Je kiest je eigen ouders niet uit, en ook je achtergrond niet.

Hoe heeft u verder kunnen gaan met uw leven?
‘Ik heb mn diplomas gehaald en gewerkt. Je wéét het wel, wat er allemaal gebeurd is, maar je gaat het niet koesteren, want als je het koestert dan kun je net zo goed een plekje aanvragen in een psychiatrische inrichting. Je moet toch verder. Het is een ervaring die je helaas hebt moeten meemaken.’

Het is stil in de auto op de weg terug naar school. De kinderen zijn diep onder de indruk. Ik vond haar erg dapper,” klinkt het van de achterbank. De anderen knikken instemmend.

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892