Erfgoeddrager: Floor

‘Ik durfde niet op de eerste tank te klimmen, maar wel op de tweede’

Faye, Justin en Floor van de Trudoschool in Eindhoven worden hartelijk welkom geheten door de 85-jarige Willie van Oers en zijn vrouw. Als kind woonde hij aan de Lijmbeekstraat, waar nu de Mediamarkt staat. Hij was ook vaak bij zijn opa en oma in de Gagelstraat. Voor het raam in zijn huiskamer hangt een glazen papegaai die in de oorlog zijn staart is kwijtgeraakt bij een bombardement. Nu is hij gerepareerd. Aan de muur hangen drie grote schilderijen, die de vader van zijn vrouw kreeg in ruil voor eten.

Hadden jullie zelf genoeg te eten in de oorlog?
‘Niet altijd. Veel was op de bon, ook snoep. Omdat ons gezin groot was, ik had vijf broertjes en zusjes, kregen wij veel snoepbonnen. Maar mijn moeder ruilde die om voor bonnen voor boter, vlees en vis. Met een bon kon je eten kopen, met geld dus. Had je één vleesbon dan kon je een onsje broodbeleg kopen. Had je twee bonnen dan kon je een hele karbonade kopen. Waren je bonnen op dan ging je op de zwarte markt kopen. Met geld kon je alles kopen, maar het was wel tien keer zo duur. Een broodje kostte met een bon een kwartje, zonder bon twee gulden. En een litertje melk kostte een kwartje, maar ging je het bij de boer halen dan kostte het een gulden. Dat deden veel mensen. Maar wij niet. Wij hadden vaak geen geld. Je had in die tijd minder dan nu. Ik was tien jaar toen ik voor het eerst in mijn leven een sinaasappel zag. Die had je niet in de oorlog, ook geen bananen. Gelukkig hadden mijn opa en oma heel veel fruitbomen met ander fruit.’

Waren jullie bang?
‘Ja, we waren vaak bang. Elke keer als er een vliegtuig overkwam, wisten we niet waar die naartoe ging. Als ie dan weg was, was je erg opgelucht. Mijn vader had gezegd dat als de oorlog zou beginnen, we snel de kelder in moesten gaan. Het geluid van de bommen, dat heb ik nog in mijn oren. Dat gaat er nooit meer uit. Na het bombardement op de Philipsfabrieken zijn mensen uit onze straat verhuisd. Die waren bang om zo dicht op de Philipsfabrieken en het station te wonen. Het erge is dat ze de oorlog niet overleefd hebben door de vliegende. Alle kinderen die vroeger bij ons in het straatje woonden kwamen om.’

Herinnert u zich de Bevrijding?
‘Ja, dat was een groot feest. We mochten om de beurt bij mijn opa en oma, die achter de steentjeskerk woonden, eten.  Op 17 september 1944 was het mijn beurt. Rond half een hoorden we ineens een heleboel vliegtuigen, van die hele grote zware en sommige hadden met een kabel een zweefvliegtuig achter zich aan. Het leek als kind net alsof ze aan een touwtje vastzaten. Dat was sensatie. We hebben de hele middag zitten kijken. Achteraf bleek dat ze in Son zijn geland en dat ze helemaal vol met soldaten zaten. Die moesten te voet naar Eindhoven, dwars door de stad. De buurman klopte bij mijn opa en oma aan en zei: “De Tommies zijn op de Fellenoord.” Tegen de avond kwamen er ook grote tanks. Jongens klommen daarop, uit enthousiasme. Ik durfde niet op de eerste tank te klimmen, maar wel op de tweede.
De dag erna was er het bombardement. We zagen heel veel oranje lichtkogels. “Och kijk eens,” zei mijn moeder, “wat een mooie lichten”. Maar mijn vader vertrouwde het niet en zei dat we naar de kelder moesten. En toen begon het. Er zijn mensen uit mijn buurt bij omgekomen. De volgende dag was alles weer rustig. Mijn opa had er een handje van, die stond overal vooraan. En ik ging mee! Het was puinhoop, onder andere bij het PSV stadion. Op de hoek lag een machtige bomkrater. Ik was ook gek op treinen en ging vaak ernaar kijken. Ook daarvan was alles vernield. Seinhuisjes waren opgeblazen, alles brandde en de Duitsers hadden de wisselstukken eruit laten springen. Er kon geen een trein meer rijden. Ik mocht er eigenlijk niet komen, het was te gevaarlijk. Thuis kreeg ik dan ook op mijn donder van mijn ouders.’

         

Erfgoeddrager: Floor

‘Aan de overkant stond een SS’er, die me aanhield’

Als Lieve, Benjamin, Pelle en Floor hun fietsen parkeren tegen het hek van het plantsoentje bij het veteranenhuis aan de Kamperfoelieweg, valt hen een witte betonnen zuil op met daar bovenop een feniks. Op de zuil is aan de ene kant 1940 ingekerfd en aan de andere zijde 1945. Het blijkt een oorlogsmonument te zijn, ter herdenking van de omgekomen burgers in de Tweede Wereldoorlog. Als de kinderen het veteranenhuis binnenkomen, ontvangt Aart Bax ze vriendelijk. Iedereen gaat zitten aan een grote ovale tafel en het interview kan beginnen.

Hoe ging het met uw vrienden in de oorlog? Had u veel vrienden?
‘Dat weet ik eigenlijk niet meer. Voordat de oorlog begon had ik een vriend, maar die is bij de Hitlerjugend gegaan. Toen de Duitsers binnenkwamen in 1940 hadden we spertijd: we moesten om 18 uur binnen zijn. Na die tijd mocht je niet meer op straat, tot ‘ s morgens 7 uur. We moesten zorgen dat we niet werden opgepakt, want dan zat je de hele nacht op het politiebureau. Dus waar moest je heen met een vriendje? In het begin waren de winkels en de bioscoop nog wel open. Maar later was er niks meer en kon je niets meer doen of kopen. Het was wel gezellig als we ‘s avonds stiekem via de tuintjes achter naar andere mensen gingen om spelletjes te spelen. We waren heel goed in sjoelen.’

Wat is het engste moment dat u heeft meegemaakt?
‘Als kind ben je niet zo bang. Voor mijn ouders was dat misschien anders. Bij het eerste bombardement hier in Noord, in juli 1943, zijn behoorlijk veel slachtoffers gevallen. Een broer van onze vader stond op de veranda te kijken en die zei meteen tegen mijn moeder: ‘Marie, dat feest gaat niet door, jullie gaan mee’. Dat vond mijn ouweheer geen goed idee. Hij wilde niet weg uit Amsterdam. We hebben toen wel drie maanden in Ransdorp gezeten, in een boerenschuur, totdat de koeien weer naar binnen moesten. Maar dat was de enige keer dat we vluchtten.’

Hoe heeft u de Hongerwinter overleefd?
Door jatten en roven, grof gezegd. Het voedsel was van de Duitsers, onze vijand, dankzij hen hadden we geen eten. De regering had gaarkeukens gemaakt, waar ze een soort soep kookten dat meer water dan soep was. Tulpenbollen en brandnetels heb ik nooit hoeven eten omdat ik regelmatig de provincie inging. We haalden er roomboter uit een dorp. Het verwondert me nog steeds dat we de boter telkens naar Amsterdam konden krijgen. We hadden een bakfiets met luchtbanden en een transportfiets, waar 600 pakjes roomboter inzaten. Een keer ging ik met zo’n bakfiets vol roomboter naar het centrum van Amsterdam, over de scheepsbrug over het IJ. Aan de overkant stond een SS’er, die me aanhield. Hij heeft toen zijn zakken volgeladen met roomboter en mij een schop onder me kont gegeven. Twee weken later stond die punt van zijn schoen nog in mijn kont. Ik kwam er na de oorlog pas achter dat ik in feite al die tijd ben bezig geweest met smokkelen.’

Erfgoeddrager: Floor

‘We verstopten het paard bij ons in de achtertuin’

Nel Visser is 96 jaar. Ze woont nog steeds in het huis aan Van der Meerstraat 30 waar ze in 1942 is gaan wonen. Ze groeide op in een gezin met negen kinderen. Haar vader werkte als scheepsbouwer aan het Spaarne.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
Ik was 18 toen de oorlog begon, ik zat niet meer op school en werkte op kantoor bij een groothandel in koek en snoepwaren, cacao koffie en thee. Op een gewone kantoordag waren er twee Duitse vliegtuigen boven de stad oefeningen aan het doen, in schijnaanvallen. Het ging mis en ze botsten op elkaar. De piloot wist uit het toestel te springen en kwam met de parachute naar beneden vlak voor het raam waar ik zat te werken. Hij landde precies op het hek in de voortuin! Binnen een mum van tijd kwam er een Duitse auto de Kloppersingel voorrijden en nam hem mee.’

Heeft u ook onderduikers gekend?
‘We hebben een onderduiker in huis gehad. Dat was Ton Drenth, we hadden hem voor de oorlog leren kennen op vakantie. Hij was opgepakt, maar wist te ontsnappen en is gevlucht. Stond hij opeens bij ons voor de deur. Hij heeft een paar weken gelogeerd, maar hij werd waarschijnlijk verraden. Op een dag lag er een geheimzinnig briefje in de bus: “de TDR zo spoedig mogelijk Haarlem verlaten. De goede politie” Snel is hij toen weer vertrokken, ze hebben hem nooit te pakken gekregen.’

Mijn zus zat in het verzet maar daar ben ik pas veel later achter gekomen, toen ze een onderscheiding kreeg. Ze sprak nooit over de oorlog. Ze heeft veel meegemaakt. Ik weet nog wel die keer dat ze overstuur thuiskwam. Ze was op de Dreef, alle mensen die daar op dat moment waren moesten toekijken hoe 15 mannen werden doodgeschoten. Het enige wat ze kon uitbrengen was ’Die ene leefde nog!’’

Kwamen er ook Duitse soldaten bij u thuis?
‘De soldaten kwamen langs om dekens te vorderen. Mijn zoon Cas was nog een baby en lag in de box. Op de bodem had ik twee dekens neergelegd, waar mijn zoontje op kon liggen. De soldaat wilde weten of ik getrouwd was en daarom liep ik naar boven om het trouwboekje te halen. Ik dacht, ‘die dekens ben ik kwijt’ maar toen ik beneden kwam zag ik de soldaat op de grond naast de box zitten. Hij huilde, ‘Thuis heb ik ook een baby’ zei hij. Hij is weggegaan en heeft geen dekens ingenomen.

Op het werk werden eerst de auto’s gevorderd en later moesten ook de paarden worden ingeleverd. We verstopten het paard bij ons in de achtertuin. Er was een grote schuur, achter de konijnenhokken. Het beest bonkte weleens tegen de muur en brieste. Na de bevrijding kwam de achterbuurman “Hadden jullie nou een heuselijk paard in de tuin?” Hij had het dus wel in de gaten gehad, maar heeft het nooit verraden.’

Hoe heeft u de bevrijding gevierd?
‘Ik was thuis met mijn pasgeboren baby. Aan de overkant op nummer 15 woonde meneer en mevrouw Breuker. Zij was Joods en hij niet. Zij was ondergedoken in Amsterdam, maar is zonder dat iemand het wist is ze weer teruggekeerd naar huis. Bij de bevrijding kan ik me nog goed herinneren, ze kwam ze heel schuchter en voorzichtig de straat op. Ze vertrouwde het nog niet. Ze heeft twee jaar in haar eigen huis ondergedoken gezeten!’

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Floor

‘Voorwaarts, voorwaarts, struikel niet, wankel niet’

Ellen Eliel-Wallach was 12 jaar toen de oorlog in Nederland begon.

Wanneer begon voor u de oorlog?
‘Voor mij begon de oorlog al veel eerder dan hier in Nederland. Ik ben geboren in Düsseldorf en ik was enig kind van hele lieve ouders. In 1936 waren er in Duitsland anti-Joodse maatregelen en mocht ik niet meer naar school omdat ik Joods was, ik werd buitengesloten. Mijn moeder wilde het land uit, maar mijn vader wilde niet omdat hij dan een tante moest achterlaten. In Keulen maakten we de Reichskristallnacht mee, dat gaf de doorslag om te vluchten. In december 1939 vertrokken we, de grenzen waren gesloten maar mensensmokkelaars namen ons mee. Ik herinner me dat ik achterop de fiets zat. Ik had pijn aan mijn voet dus ik kon niet lopen. Eén van die smokkelaars was een grote man, hij tilde me over het hek. Zo werd ik over de Nederlandse grens gedragen, op kerstavond.

We waren illegaal, we moesten ons verstoppen voor de Nederlandse politie. Die stuurde je terug naar Duitsland. Eind januari 1940 kwamen we in Haarlem, waar de vreemdelingenpolitie soepeler was en dat vergrootte onze kansen. We woonden heel eventjes op een zoldertje in de Holsteinstraat in Haarlem Noord, maar dat was vreselijk, er was niet eens een wc. Daarna woonden we op de Coornhertstraat. Overdag ging ik naar school bij de familie Pollatz aan Westerhoutpark 14. De familie Pollatz heeft tijdens de oorlog wel 40 Joodse kinderen onderdak gegeven. Niemand in de buurt wist wat zich op Westerhoutpark 14 afspeelde.

In mei 1940 viel het Duitse leger Nederland binnen. Wij waren ineens niet meer illegaal. Dat is ook een gekke situatie. We moesten de kuststreek verlaten en na verschillende plaatsen woonden we in Arnhem. Al snel kregen we met anti-Joodse maatregelen te maken. In Arnhem werden we eind 1942 opgepakt.

Wat gebeurde er met u en uw familie?
‘In April 1943 kwamen we in kamp Westerbork. Mijn vader had in de Eerste Wereldoorlog gevochten en daarom kregen we een beetje bescherming. Ons transport werd uitgesteld. Ik werkte in het naaiatelier en moest sokken stoppen. In mei 1943 vlak voor mijn verjaardag, kwamen mijn grootouders in Westerbork aan, ze hadden zelfs een taart voor me meegenomen! Ik werd 15 jaar. Iedere dinsdag vertrokken de treinen.

We moesten op transport naar Bergen Belsen, het eerste transport met Nederlanders. We waren met 300 mensen. Ik was nog met mijn ouders. We kwamen in een barak vol schoenen. Pas jaren later heb ik me durven afvragen van wie die schoenen waren geweest. Mijn taak was aan tafel zitten en het leer lostornen, dat werd hergebruikt.

In januari 1944 kwamen we na twee dagen en twee nachten transport aan in Theresienstadt. We hoopten dat het er beter was. In Theresienstadt ben ik veel ziek geweest. Er is een Hebreeuws gezegde dat mijn motto werd en me op de been hield, ‘Voorwaarts, voorwaarts, struikel niet, wankel niet’.
Ik zorgde voor de baby’s terwijl de moeders aan het werk waren. Ik haalde emmers met warm water, om ze te wassen. Na zes weken vertrokken de moeders met de baby’s op transport.

De treinen vertrokken opnieuw. Ik zag mijn vader weggaan.
Ik moest ook op transport naar een ander kamp, mijn moeder wilde met me mee. Ik zei, ‘Niet doen! Blijf hier!’ Daarmee heb ik mijn moeders leven gered waarschijnlijk.
Ik kwam aan in Auschwitz-Birkenau. In de tijd dat ik in Auschwitz was, ben ik vijf keer gekeurd of ik geschikt was om te werken of dat ik geschikt was voor de gaskamers. Met mijn handen wreef ik hard over mijn wangen, zodat ik gezonde rode wangen had. Ik ben er doorheen gekomen.

Weer moest ik op transport naar Linz in Oostenrijk en moest werken in een celwolfabriek. We waren met 500 vrouwen en we hadden verschrikkelijke honger. We stonden onder leiding van een groep sadistische SS-vrouwen. Het was gruwelijk en afschuwelijk.’

Hoe bent u bevrijd?
Op een dag reed er een jeep met drie Amerikaanse soldaten. Ze deden het hek open, en zeiden: ’You are free’.
Een Rus en bracht een grote pan erwtensoep, die soep was het eerste eten, met een beetje gekookte rijst.’

Wanneer kwam u weer thuis?
‘Dat was een lange reis. De Amerikanen brachten ons naar een militair vliegveld. Samen met mijn vriendin Hella en nog een groep van 15 vrouwen vlogen naar Constanz aan de Bodensee. En daar werden we onderzocht op tuberculose en bespoten met ddt. Op de radio noemden ze de namen van de mensen uit Theresienstadt die nog in leven waren. Zo kwam ik te weten dat mijn moeder nog leefde.

We kwamen Reichenau terecht, daar bleven we twee weken in een hotel. De Fransen hadden alle Duitsers van het gebied gestuurd. Ze zeiden, ‘Jullie mogen alle huizen binnengaan en neem maar wat je nodig hebt.’ In een huis vond ik een boek van Thomas Mann, ‘de Buddenbrooks.’ Voor het eerst kon ik weer een boek lezen. We ontmoetten mr. Vrolijk, hij was gijzelaar geweest, voor de oorlog werkte hij bij de rechtbank van Den Haag. Hij heeft ons tijdens de reis een beetje beschermd. Met de trein gingen we via Lyon naar Brussel. Daar trakteerde mr. Vrolijk ons op de kermis, we zaten in de botsautootjes en aten we een ijsje. Toen voelde ik me echt bevrijd.
Een vrachtwagen bracht ons naar de Nederlandse grens bij Roosendaal. De vreemdelingenpolitie vroeg naar mijn nationaliteit. Het leek me zo heerlijk om te zeggen dat ik Nederlander was, maar ik was een vluchteling. Ik had dus gelogen en ik moest in de hoek gaan staan. Daarna werd ik in een hok gezet met NSB’ers. Dat was verschrikkelijk. Mr. Vrolijk heeft mij eruit gekregen. Ik kon het adres in Arnhem noemen waar we woonden toen we werden opgepakt. Het klopte en toen mocht ik blijven. Hella kwam uit Koningsbergen, in Oost Pruisen en dat was inmiddels Russisch geworden. Zij had helemaal geen familie meer. Hella hebben ze de volgende dag al over de grens van Duitsland gezet. Omdat ze nooit in Nederland had gewoond. Het beleid was heel hard toen, heel streng.

Op 26 juni 1945 kwam ik aan in Amsterdam. Ik ging naar mijn oom op de Tweede Jan van der Heijdenstraat in Amsterdam. Oom Erwin was jarig en daar stond ik. De hele straat liep uit, er was iemand teruggekomen uit de kampen!
Mijn moeder en ik besloten in Amsterdam te blijven wonen. Bij navraag bleek dat er twee kisten van onze spullen uit Duitsland nog opgeslagen waren. Die waren ongeschonden de oorlog doorgekomen! Mijn moeder verkocht het zilver daar konden we even van leven. Van het servies heb ik de taartschoteltjes nog. Mooi wit met een gouden randje.

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Floor

‘Als ik het weer zo hoor, dan ontroert mij dit heel erg’

Meneer Daub is 91 jaar. Het valt Thimo, Marijn, Floor en Eline van basisschool Et Bruut in Zaandam op dat hij nog erg veel weet over vroeger, en dat hij goed kan vertellen. Hij is heel dankbaar dat hij aan de kinderen zijn verhalen mag vertellen, en spreekt ook vol trots over zijn schoondochter die in het onderwijs zit.


Kende u Joodse mensen?

‘Ik kende de familie Eisendrath, een joods gezin dat bij ons in de buurt woonde. Het was een doktersgezin, met twee meisjes en een jongen. Die kinderen studeerden ook. Het hele gezin is vermoord door de Duitsers. Ze moesten weg. De vader zou als laatste vertrekken, maar pleegde vlak voor vertrek zelfmoord. De anderen zijn weggevoerd naar een concentratiekamp in Duitsland, waar ze zijn omgekomen. Als je het weer zo hoort, dan ontroert mij dit heel erg. Dat mensen elkaar dit kunnen aandoen. Een mens is een raar wezen. Een oom van mij is ook in de oorlog verdwenen.’

Wat viel u het meeste op tijdens de oorlog?
‘Ik heb de soldaten zien komen. Mijn vader werd opgeroepen, maar gelukkig is hij later ook weer vrijgelaten. Ik herinner me ook nog dat de Duitsers bij ons in de kruidenierswinkel kwamen, en een van de soldaten eieren kocht die hij gewoon rauw opat. Hij slurpte ze naar binnen. Dat beeld vergeet ik nooit meer. Ik vond dat zoiets raars en smerig. Later dacht ik daar nog weleens aan: stel je eens voor dat het een eitje was met een vogeltje erin.’


Zaten er onderduikers in jullie huis?

‘Nee wij hadden geen onderduikers in huis, dat durfde je niet. Maar ik had wel voor de zekerheid een luik gebouwd in ons huis, in de kast die onder de trap zat. Daar, onder de houtenvloer, had ik een ruimte uitgegraven waar mijn vader en ik konden precies in konden, dan trok je het luik dicht. Het is een keer nodig geweest dat we ons daarin moesten verstoppen. Dat was toen de Duitsers een razzia hielden. Ze zochten mannen om in Duitsland in fabrieken aan het werk te zetten. In de fabrieken werden oorlogsmaterialen gemaakt. Natuurlijk wilden wij niet naar Duitsland.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892