Erfgoeddrager: Bram

‘Mijn moeder verstopte het eten in de badkamer, want mijn vader had hongeroedeem en at alles op.’

Netty is 3 jaar als de oorlog begint. Ze speelt met kartonnen stroopblikken die haar moeder op elkaar stapelt en die ze vervolgens mag omgooien. Ze krijgt met Sinterklaas een poppenhuis. Haar vader heeft het voor haar gebouwd met meubeltjes, precies zoals ze die in huis hebben. Het poppenhuis blijft altijd in de familie. Ook heeft Netty honger, maar ze ziet vooral hoe haar vader lijdt onder het gebrek aan voedsel.

Moest uw vader voor de Duitsers werken?
Mijn vader wilde niet naar Duitsland toe. Hij zei ‘ik ga niet’. Hij is in bed gekropen en heeft een heel groot papier op de deur van zijn slaapkamer gehangen, waarop stond ‘Ik heb roodvonk’. Roodvonk was heel erg besmettelijk. Als je dat had, kon iedereen het krijgen. Hij had geen roodvonk, maar hij ging liggen alsof hij ziek was, met een thermometer naast zich. En toen kwamen de Duitsers boven. Ze klopten heel hard op de deur en ze zagen dat papier hangen. Ze waren zo weer beneden, want dat vonden ze heel erg. Ik stond boven. Ik kon net over de vensterbank kijken en toen zei
mijn moeder ‘weg bij die ramen, weg bij die ramen’ want ze was bang dat het hem zou verraden.

Wat is het naarste dat u heeft gegeten tijdens de Hongerwinter?
We waren met z’n vieren en er was één goudvis in een kommetje. Mijn vader was ten einde raad. Ik vergeet het nooit meer. Hij heeft het visje uit het kommetje gehaald. We hadden een klein beetje boter of margarine en we hebben het visje gebakken. Het was zo vies! En wat zat er in die vis? Graat, alleen maar graat. Dat vonden wij het ergste. Maar het is natuurlijk ook emotioneel, want je zag een mooi visje in een kommetje zwemmen en je keek er de hele dag naar. Ik had al haast geen speelgoed meer. Ik kon nog tegen het visje praten. En toen was de goudvis er niet meer.

Bent u bij de boeren geweest om eten te halen?
Mijn moeder wel, ik niet. Ik was nog te jong. Ze ging op de fiets naar de boeren, sla of bietjes halen of wat er te halen was. Als ze thuis kwam verstopte mijn moeder het eten in de badkamer, want mijn vader had hongeroedeem. Hij had zo weinig eten en vitamines binnen gekregen, dat hij helemaal was verzwakt. Hij had zoveel honger, dat hij alles opat. En dan zouden wij geen eten meer hebben. Je kunt het je natuurlijk best voorstellen, want hij zat in het leger en hij was een echte soldaat. En als soldaat moet je in goede conditie blijven. Ik denk dat het vaker gebeurde, dat mensen een soort hongeroedeem hadden en alles opaten. Niet uit egoïsme, maar omdat ze niet anders konden.

Erfgoeddrager: Bram

‘’We hebben onze huisdieren, de hond en de kat, opgegeten’’

Wies Abels woonde in de oorlog in de Florabuurt, die toen ‘De Rimboe’ werd genoemd. Haar interviewers – Aussie, Bram en Erol – wisten dat niet. De jongens hebben veel vragen bedacht over haar oorlogsjaren, maar willen niet teveel oefenen ‘want soms bedenk je tijdens een gesprek nieuwe vragen’. Het is buiten lekker zonnig en ze moeten best een stukje fietsen. Gelukkig krijgen ze van mevrouw Abels-Relleke een lekker glaasje fris, waarna ze van wal steken.

 

Wat vond u het slechtste moment van de oorlog?
“Eigenlijk de hele oorlog. Ik weet nog goed dat het begon. Mijn moeder was kleren aan het wassen in een teil met een wasbord toen alle kerkklokken begonnen te luiden. Mijn moeder riep meteen: “Oh nee, nou zal je het gaan beleven!” Ik was erg bang, en die angst is nooit meer weggegaan. Al snel na het begin van de oorlog werd mijn broer opgepakt om te gaan werken in een werkkamp. Alle jongens uit de buurt werden verzameld op een grasveld vlakbij de Binnenhofstraat en daarna naar de Pont gebracht. Hij heeft gelukkig kunnen ontsnappen door onder een van de banken te kruipen. Een stelletje dat op het bankje zat, heeft toen snel een tas ervoor gezet zodat de Duitsers hem niet konden zien. Dezelfde dag nog kwam hij thuis en is hij gevlucht naar Friesland. Daar heeft hij het tijdens de oorlog beter gehad dan wij… er was daar veel meer eten en veilige plekken om te schuilen. In mijn huis schuilden we zelf altijd onder de trap als er werd gebombardeerd, en later ook onder de brug bij het zwembad. Dat had natuurlijk geen zin, maar was het enige dat we hadden.”

Hoe was de Hongerwinter voor u?
“Die tijd vond ik erg zwaar. Er was niks te eten en we hadden altijd honger. Zelfs voor mijn pasgeboren broertje hadden we geen eten. Om voedsel te regelen, ging mijn vader af en toe met een handkar naar Friesland. Daar repareerde hij emaillen pannen van boeren in ruil voor voedsel. Ook hebben we onze huisdieren, de hond en de kat, opgegeten. Ik herinner me nog dat mijn broer een keer stekeltjes had gevonden in het Noordhollandsch Kanaal. Die hebben we toen geroosterd boven het vuur en helemaal opgegeten.”

Wat vond u het leukste moment van de oorlog?
“De bevrijding… In de oorlog was er nooit licht geweest, dus in de avonden was het donker op straat. Op een dag kwam opeens kruidenier Piet eraan gelopen, zomaar in het donker op straat. ‘Wat ga je nou doen?’, vroeg ik. ‘We zijn bevrijd!, riep hij. Er viel echt iets van me af, zo blij was ik. Iedereen kwam de straat op, veel mensen waren aan het dansen. De volgende dag gingen we naar de Dam, daar kwamen de Engelsen en Canadezen naartoe. Opeens ontstond er paniek, er werd geschoten vanuit de Grote Club op de Dam. Een paar overgebleven Duitse soldaten hadden zich daar verstopt. Een man heeft me toen geholpen en samen hebben we geschuild achter zo’n brede lantaarnpaal. Dat was heel spannend. Ook weet ik nog heel goed dat er vliegtuigen kwamen die brood en koeken naar beneden gooiden, dat is toen netjes verdeeld onder de buurt. De buren waren destijds veel liever en zorgzamer voor elkaar. Die saamhorigheid mis ik soms nog wel.”