Erfgoeddrager: Amin

‘Lot en noodlot’

Wij vonden het interview met mevrouw De Ruijter erg indrukwekkend. Ze was pas twaalf toen de oorlog uitbrak, maar wist nog zoveel te vertellen. Dat vonden we heel knap. Haar broers moesten naar Duitsland om te werken, maar een van hen weigerde en moest daarom naar een concentratiekamp in Duitsland. “We hoorden niets meer van hem en hadden geen idee waar hij was”, vertelde ze.

Had u honger in de oorlog?
“Mijn vader leefde niet meer, mijn moeder moest voor mijn twee oudere broers, mij en mijn jongere zusje zorgen. We hebben erg veel honger gehad. Alles ging op de bon, maar er was te weinig voedsel, de Duitsers namen alles in. In het begin lukte het nog wel om lakens te ruilen tegen eten bij boeren in de Beemster. Maar op een gegeven moment hadden de boeren genoeg lakens en werd eten vinden steeds lastiger. Op de momenten van echte schaarste sneed mijn moeder suikerbieten in stukjes en kookte daar een klein beetje van. Er kwam een soort stroop af, dat was dan ons eten.”

Waarom waren uw broers in Duitsland?
“Alle Nederlandse mannen vanaf 17 jaar werden opgeroepen voor het arbeidsbureau, omdat alle Duitse mannen aan het front zaten. Zo moest mijn oudste broer, Joop, naar het Duitse Geesthacht, om in een fabriek munitie voor de Duitsers te maken. Mijn andere broer, Jan, werkte in het begin van de oorlog op een Rijnaak, maar dat werk was er al snel niet meer. Als mannen werkeloos werden, moesten ze zich melden bij het arbeidsbureau. Jan besloot dit niet te doen, hij wilde in het verzet. Op een dag stond de Hollandse politie voor de deur, mijn broer moest mee. Het was een formaliteit zeiden ze. Mijn moeder heeft heel lang gedacht dat hij gewoon terug zou komen. Maar Jan kwam niet terug, hij ging naar een concentratiekamp in Duitsland.”

Kwamen uw broers levend terug?
“Gelukkig wel! Het stadje waar mijn broer Joop werkte, werd gebombardeerd met fosforbommen, bommen met giftige chemicaliën erin. Hij heeft daar heel akelige dingen gezien: armen en benen die niet meer aan lichamen zaten. Joop was helemaal van de kaart. Het was zo erg, dat hij niet meer kon werken en terug naar Holland mocht. Voordat het concentratiekamp waar mijn broer Jan zat werd bevrijd, heeft hij ook heftige dingen meegemaakt. Zo wilde hij met een medegevangene ontsnappen. Ze hadden een heel plan uitgestippeld. Op het moment van uitvoeren ging het mis. De andere man ging eerst, maar hij bleef haken aan het prikkeldraad. De wachters vanaf de uitkijktoren zagen het en schoten hem dood. Jan had geen andere keus dan terug het kamp in te gaan. Voor hij stierf heeft hij het er nog één keer over gehad. Hij vroeg zich af waarom hij niet diegene was die was doodgeschoten. Hij had er zijn hele leven mee geworsteld. Ik zei dat het lot en noodlot was. Het was oorlog, iedereen vocht voor zijn eigen leven.”

Erfgoeddrager: Amin

‘Met de stencils in onze schooltasjes’

Toen de oorlog begon woonde Annie Fontijn samen met haar ouders en oudere zus Adeleide (Moppie) op hun tuinderij in de Sloterpolder. Wij zijn Amin, Ali en Edlyn en hebben haar geïnterviewd in het prachtige huis van Moppie in Amstelveen. We vonden het mooi om te horen hoe tijdens de oorlog het hele gezin meewerkte om de illegale stencils te verspreiden, ook al was dat heel gevaarlijk.

Uw vader heeft gevangen gezeten, was dat omdat hij bij het verzet zat?
“Vader had een tuinderij en liet toe dat er in de schuur varkens werden geslacht. Doordat een van die jongens de huiden vervolgens in de sloot dumpte, kwamen de Duitsers daarachter. Mijn vader heeft drie keer gevangen gezeten voor illegaal slachten en had het toen zo slecht dat hij daarna in het verzet is gegaan. Hij wilde iets doen tegen de Duitsers, en mijn moeder stond pal achter hem. 

Tijdens de oorlog verhuisden we naar de Warmondstraat. Mijn vader deed veel van zijn verzetswerk nog op de tuinderij, dus als de razzia’s (politie) in de Warmondstraat waren, deed mijn moeder een krant voor ons raam. Mijn vader wist dan dat hij weg moest blijven.” 

Was u ook bij het verzetswerk betrokken?
“In de Sloterpolder moest ik elke week een stencil ophalen bij mevrouw Korenman in de Theophile de Bockstraat. Met een schooltas het bootje in, zodat het leek alsof ik naar school ging. Maar ik ging niet naar school. Als smoes zei mijn moeder dan altijd tegen de juffrouw dat ik niet kon komen omdat ik geen schoenen had.

Op dat stencil was geschreven hoe het ervoor stond met de oorlog, en mijn vader maakte daar dan 800 kopieën van om te verspreiden. Die moesten Moppie en ik uittellen en dan – weer in onze schooltasjes – naar mensen brengen die ze gingen bezorgen. In het begin hadden deze stencils nog geen naam, maar later kwam er Het Parool boven te staan.”

Hebt u dat lang gedaan?
“Eerst vond ik het wel stoer om te doen. Ik was best een ondeugend kind op school, dus dit paste mij wel. Maar op een gegeven moment kwam de hongerwinter en kwamen er heel veel mensen naar ons voor voedsel. Die liepen soms gewoon ons huis binnen. Dat was gevaarlijk, omdat mijn vader daar het stencilwerk deed. En de juffrouw van school kwam langs om te vragen of zij voor nieuwe schoenen moest zorgen, dus mijn verzuim begon ook argwaan te wekken. Omdat mijn vader steeds nerveuzer werd wilde ik de blaadjes niet meer ophalen en Nellie Nieman, die iets ouder was dan ik, nam het over. Toch heeft mijn vader tot het eind van de oorlog zijn stencilwerk volgehouden. Het is een wonder dat we nooit gepakt zijn.”

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892