‘Mijn ouders moesten alles opnieuw opbouwen: geen huis, geen werk, geen geld’


Haley, Miqueas, Denyel en Savannah  vertellen het verhaal van Wieneke Steenis
Amsterdam-Noord

Haley, Miqueas, Denyel en Savannah  van MK Oostzanerwerf in Amsterdam-Noord lopen samen naar de Openbare Bibliotheek Molenwijk. Ze zijn enorm voorbereid op het interview en hebben zelfs een heel raadspel meegenomen, dat ze speciaal voor Wieneke van Steenis hebben gemaakt. In de bibliotheek helpen ze met het klaarzetten van de thee en de koekjes. Ze ontmoeten mevrouw Steenis in de Maakplaats, die haar gamelan-spel uitstalt. Ze is geboren in 1949 in de stad Bandung op het eiland Java. Haar ouders zijn Nederlands.

Hoe was het voor uw ouders in de koloniale tijd?
‘Mijn ouders hadden een goed leven. Mijn vader werkte in de handel. Ze hadden een fijn leven, onbezorgder dan in Nederland. Maar voordat ik geboren werd, hebben mijn ouders drie zware jaren in de interneringskampen doorgebracht op Java tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was daar verschrikkelijk: mannen werden strikt gescheiden van vrouwen. Ze kregen nauwelijks eten, net genoeg om te overleven. De Japanners waren ongelooflijk streng, je moest je precies op de juiste manier buigen, niet te ver naar voren of achteren, anders kreeg je straf. Na de kampen kwam de onafhankelijkheidsoorlog en dat was een onzekere periode voor Nederlanders. Dat was ook een hele nare periode voor mijn ouders. Toen zijn we naar Nederland gevlucht. We zijn na die periode met ‘de Oranjeboot’ terug naar Nederland gekomen.’

Kun je een dag beschrijven uit je kindertijd?
‘Ik woonde in een koloniaal huis met een grote familie, omringd door tropische natuur: palmbomen, vulkanen, en een kali (gracht) voor de deur. De kali was een openbare plek waar mensen zich wasten, tanden poetsten, eten bereidden, en zelfs hun kleren wasten. Het was een levendige, sociale plek. Wat ik me ook nog heel goed herinner, is dat het in de tropen heel hard regende. Dan gingen mijn broer en ik in onze onderbroek buiten op het gras dansen en riepen we: ‘hujan, hujan!’ Dat was de regen. Ik zat altijd naast de kokkie; die kookte en zorgde voor ons. Ze haalde steentjes tussen de rijst uit. Ik weet nog dat ik op mijn duim zoog en dat ik het een heerlijke ritueel vond. Mijn vader had een vast ritme: ’s ochtends ging hij al vroeg naar kantoor en na het eten deed hij ’s middags een dutje, en in de avonduren ging hij weer aan het werk.’

Hoe was het om aan te komen in Nederland?
‘Het was een schok. We kwamen midden in de winter aan en het was koud. Mijn ouders moesten alles opnieuw opbouwen: geen huis, geen werk, geen geld. We werden opgevangen door familie, maar veel Indische mensen belandden in contractpensions of barakken, zoals Westerbork.’

 Heeft u wel eens gediscrimineerd gevoeld in Nederland?
‘Ik wist nog niet wat het woord discriminatie was toen. Nu, als ik terugkijk, wel. Ik kwam hier als achtjarige en sprak Indisch-Nederlands. Er waren veel mensen die het niet fijn vonden dat er zoveel mensen uit Indonesië kwamen. ze waren niet echt aardig tegen ons. Dat voelde je als kind. Dus ik zei niet meteen dat ik uit Indonesië kwam, want dan zeiden ze: ‘pinda’ of ‘poepchinees!’ Ja ik voelde me wel anders toen. Nu ben ik trots op mijn afkomst.’

Hadden jullie tradities meegenomen naar Nederland?
‘In ons gezin vierden we geen typische Nederlandse verjaardagen, in een kring, maar hielden we het bij gewoon rondlopen en bijpraten. Mijn moeder maakte vaak Indische gerechten, zoals sayur lodeh, een heerlijke groenteschotel met kokosmelk, of nasi met kip. Ondanks onze Indische achtergrond bleven we ook Nederlandse tradities in ere houden, zoals Sinterklaas, al pasten we die wel aan onze eigen gewoontes aan. Soms hadden we zelfs een ‘woensdag-gehaktballen dag’, maar we vonden het eigenlijk best raar om elke week op dezelfde dag hetzelfde te eten. We maakten er grapjes over, want in Nederland is het blijkbaar normaal om zo’n vaste routine te hebben, voor ons voelde dat gewoon een beetje vreemd. Bij mijn schoonfamilie in Nederland was het gebruikelijk tijdens bezoek, dat ze op een gegeven moment zeiden: ‘we gaan zo eten.’ Dat was eigenlijk een subtiele hint dat je naar huis moest. Maar bij ons thuis was het anders: als iemand langskwam, vroegen we altijd: ‘blijf je mee eten?’ Dat noemen we de Indische gastvrijheid. We kookten altijd genoeg, zodat onverwachte gasten gewoon konden aanschuiven. Wat we vooral misten, was de kampong-mentaliteit, dat dorpse gevoel waarbij je iedereen in de straat kende en er altijd een warm welkom was. Dat gemis voelden we echt.’

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892