Oorlog in mijn Buurt
‘’Joodse vriendinnetjes met wie mijn moeder altijd speelde, waren plotseling verdwenen’’
Jelke, Luisandro, Mika, Zara ontmoeten Hans Notmeijer over zijn ouders 6 en 10 jaar toen de oorlog begon
Lente, Lena, Merel en Vasiliy van De Troubadour in Eindhoven hebben achter in de klas, bij het bankje aan het raam, een gezellig hoekje ingericht voor hun interview met de 79-jarige Joyce Radesey. Met enthousiasme beginnen ze het gesprek. Het ijs is snel gebroken.
Mevrouw Radesey is geboren in Jakarta, waar ze een fijne jeugd had met haar familie in een groot huis met een tuin en veel bediendes. Toch waren de sporen van de oorlog altijd voelbaar. Haar moeder had veel angsten overgehouden aan de oorlogsjaren. Daarom mochten Joyce en haar zusjes nooit buiten de muren van de tuin spelen. Ook buiten die tuin waren de spanningen zichtbaar.
In Indonesië groeide de haat tegen Nederlanders. Als kind begreep ze daar weinig van. Pas veel later besefte ze dat die spanningen de reden waren voor haar plotselinge vertrek uit Indonesië. ‘Eigenlijk waren wij in die tijd ook vluchtelingen’, vertelt ze. ‘We moesten alles achterlaten en opnieuw beginnen in Nederland.’
Hoe was uw leven in Indonesië?
‘Ik had als kind een heel fijn leven in Indonesië. Ik woonde met mijn ouders, zusjes, twee oma’s, ooms en tantes in een groot huis in Jakarta. Rondom het huis lag een grote tuin met fruitbomen en bloemen die heerlijk roken. Daar speelde ik iedere dag met mijn zusjes. Mijn moeder was door de oorlog erg bang geworden, daarom mochten wij niet buiten het hek van de tuin spelen. Toch voelde die tuin voor mij als een veilige plek.
Ik ging naar school, had vriendinnen en dacht helemaal niet na over oorlog of politiek. Pas later begreep ik dat er steeds meer spanningen waren tussen Indonesië en Nederland. Op straat zag ik leuzen tegen Nederlanders op de muren staan, maar als kind wist ik niet goed wat dat betekende.
Op een dag stond er ineens een busje voor ons huis. Zonder voorbereiding moesten we onze spullen pakken. Ik wist niet waarom we weg moesten en ook niet waar we naartoe gingen. Ineens werd ik uit mijn leven weggerukt.
Het ergste vond ik dat ik nergens afscheid van kon nemen. Niet van mijn school, niet van mijn vriendinnen en ook niet van mijn oma die achterbleef in Indonesië. Haar heb ik nooit meer teruggezien. We moesten alles achterlaten. Zelfs mijn favoriete spullen bleven daar. Als je plotseling moet vluchten, denk je niet na over wat je mee wilt nemen. Dat gevoel draag ik nog altijd met me mee.’
Hoe was de reis naar Nederland?
‘De reis naar Nederland duurde vier weken. Vanuit Jakarta vertrokken we met een grote boot naar Europa. We sliepen met het hele gezin in een kleine hut. Vanaf het moment dat ik op de boot stapte tot we in Nederland aankwamen, heb ik veel gehuild. Ik was verdrietig omdat ik mijn land, mijn familie, mijn vriendinnen en mijn oma had achtergelaten. Het voelde alsof ik mijn hele jeugd achterliet.
Toch gebeurden er onderweg ook bijzondere dingen. Er werden feestjes georganiseerd op de boot. Ik herinner me nog een feest voor de verjaardag van prinses Beatrix. Iedereen trok mooie kleren aan, er waren spelletjes en lekker eten.
Maar de reis was ook zwaar. De zee was soms heel onrustig en ik werd erg zeeziek. Na vier weken waren we blij dat we eindelijk in Nederland aankwamen.’
Hoe was het om in Nederland aan te komen?
‘Toen we in Nederland aankwamen, sneeuwde het. Dat had ik nog nooit gezien. Ik zei tegen mijn moeder: ‘Het lijkt wel of er witte watten uit de lucht vallen’. Dat moment ben ik nooit vergeten. We werden eerst opgevangen in een groot opvanghuis. Met het hele gezin sliepen we in één kamer, samen met mijn oma. Alles was anders dan in Indonesië. Het was koud, het eten was vreemd en we moesten wennen aan nieuwe regels. In Indonesië douchten we vaak meerdere keren per dag, maar hier mocht dat bijna niet.
Mijn ouders kregen weinig hulp. Ze moesten zelf ontdekken hoe alles werkte in Nederland. Gelukkig kreeg mijn vader vrij snel werk. Daardoor konden we verhuizen naar een gewoon huis. In die straat wilden de buurkinderen meteen met ons spelen. Toen begon ik me langzaam meer thuis te voelen.’
Was het moeilijk om naar een Nederlandse school te gaan zonder dat je de taal sprak?
‘Ja, dat was heel moeilijk. Ik sprak helemaal geen Nederlands, omdat ik in Indonesië op een Indonesische school had gezeten. Toch moest ik hier meteen naar school. In de klas kon ik de lessen soms een beetje volgen, maar ik durfde niets te zeggen. Ik kon geen vragen stellen en ook niet uitleggen wat ik voelde. Daardoor werd ik heel stil en onzeker.
Ik weet nog dat ik het in Nederland ontzettend koud vond. Daarom trok ik een lange broek aan naar school. Maar dat mocht eigenlijk niet. Ik moest een rok dragen. Uiteindelijk mocht ik wel een broek aan, maar alleen met een rok eroverheen. Dat vond ik heel ongemakkelijk.
Na school maakte ik huiswerk in de kleine kamer van het opvanghuis. Mijn vader hielp mij ’s avonds laat met Nederlands leren. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Langzaam maakte ik vriendinnen en leerde ik de taal beter spreken.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.