‘Ik voelde dat er iets ernstigs aan de hand was’


Savior, Yekta, Josephine, Ines vertellen het verhaal van Ben Bakker
Stuyvesantstraat, AmsterdamAmsterdam-West

Savior, Yekta, Josephine en Ines uit groep 8A van de Annie MG Schmindtschool in Amsterdam interviewen meneer Ben Bakker. Meneer Bakker is naar de school gekomen en de groep gaat in de docentenkamer zitten voor het interview. Meneer Bakker was nog maar een klein jongetje tijdens de oorlog, maar hij herinnert zich nog veel.

Waar woonde u tijdens de oorlog en hoe zag uw omgeving eruit?
‘Ik woonde tijdens in Amsterdam-West, in de Stuyvesantstraat. Ik was nog heel jong, een kind van vier, vijf, zes jaar. In mijn straat woonden ook NSB’ers, maar dat was eigenlijk niets bijzonders in die tijd. Ze woonden overal in de stad, je kon er niet omheen. Als kind merkte ik daar niet zoveel van. Ze lieten mij en andere kinderen met rust. Mijn ouders wisten precies wie het waren, maar daar werd thuis niet veel over gezegd. Voor mij was de buurt gewoon mijn wereld: straten, speelplekken en het Vondelpark. Toch hing er wel een vreemde spanning in de lucht, want volwassenen spraken vaak zachtjes over mensen, die waren opgepakt of niet meer terugkwamen. Als kind begreep ik dat niet echt, maar ik voelde wel dat er iets ernstigs aan de hand was.’

Wat deden uw ouders tijdens de oorlog?
‘Mijn ouders zaten in het verzet, en dat maakte ons leven gevaarlijk zonder dat ik dat als kind volledig begreep. Mijn moeder werkte als koerierster. Ze bracht bonkaarten rond en ook illegale krantjes. Die bonkaarten waren nodig om eten te krijgen, zonder die kaarten had je bijna niets. Soms vervoerde ze die krantjes zelfs stiekem onder het matrasje van mijn kleine zusje in de kinderwagen. Mijn vader was ook actief in het verzet en kwam vaak laat of helemaal niet thuis, omdat er een spertijd was en het buiten gevaarlijk was. In ons huis waren soms mannen, die ’s avonds kwamen en in de woonkamer oefeningen deden. Onder een luik in de hal lagen zelfs wapens verstopt. Voor mij waren dat ‘ooms’, maar later begreep ik dat het verzetsmensen waren. Alles moest geheim blijven, zeker omdat er ook NSB’ers in onze straat woonden.’

Hoe was uw dagelijks leven als kind?
‘Mijn dagelijks leven draaide vooral om buiten spelen en zo normaal mogelijk kind zijn. Ik ging naar de kleuterschool en speelde daarna op straat met vriendjes. We hadden weinig speelgoed, dus mijn vader maakte vaak zelf dingen voor ons, zoals poppenwagens of ander eenvoudig speelgoed. Op straat speelden we spellen zoals voetbal, pinkelen en bok-bok-berrie. Voetballen deden we op het Surinameplein, dat toen nog een zandvlakte was, met een versleten bal die bijna uit elkaar viel. Soms gingen we zelfs in onze zwembroek lopend naar het zwembad, want dan konden onze kleren niet worden gestolen. We gingen ook naar het Vondelpark om te spelen, ondanks dat daar Duitse soldaten stonden. Een keer zag ik dat daar mensen werden doodgeschoten.’

Hoe heeft u de hongerwinter ervaren?
‘Mijn vader ging met een handkar naar boeren in Noord-Holland om voedsel te ruilen voor spullen uit ons huis. Dat was gevaarlijk, want bij terugkomst, werden mensen vaak gecontroleerd en soms beroofd van hun voedsel. Mijn moeder zocht overal naar eten. We verzamelden groenteafval, gras en blaadjes om te kunnen ruilen voor melk of iets anders bij boeren in de polder. Thuis werd gekookt op een noodkacheltje, gemaakt van oude blikken en hout dat we zelf verzamelden. Soms werden zelfs houten blokjes uit tramrails gehaald om te kunnen stoken, wat levensgevaarlijk was.’