‘Ik mocht niet weten waar hij was’


Juno, Lucas, Jacky, Sparkle vertellen het verhaal van Ilse Schuurman
Amsterdam-West

Juno, Lucas, Jacky en Sparkle uit groep 8B van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam hebben mevrouw Ilse Schuurman geïnterviewd. Ze is geboren in 1937 en woonde tijdens de oorlog in Amsterdam-West, aan de rand van de stad. Ze was enig kind. Mevrouw Schuurman heeft allemaal spulletjes uit de oorlog bewaard, zoals een knijpkat en bonnenboekjes, dat was heel bijzonder.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik met mijn moeder op de veranda stond. En dat er een brandend vliegtuig overkwam. Ik was nog maar heel klein en toch zie ik dat vliegtuig voor me. En toen ik vijf jaar was, moesten de radio’s ingeleverd worden. Dat wilden mensen niet, ze wilden alles over de oorlog horen. Een oom van mij luisterde stiekem naar radio Oranje en typte het uit. Mijn vader ging dan ’s avonds stiekem de illegale krantjes rondbrengen. Dat was best gevaarlijk, want hij liep dan in het donker over straat en soms ging dan ineens een zoeklicht aan en moest hij zich verstoppen in een portiek. Ze hadden vroeger ook hele diepe kinderwagens, er lag onderin een plank met een gat, daar lag een matrasje op. Daar verborgen ze ook illegale krantjes in.’

Hoe voelde u zich tijdens de oorlog?
Wat ik wel een beetje spannend vond, waren bijvoorbeeld de razzia’s. Dus dat er mensen opgepakt werden. Dan werd iedereen gewaarschuwd. De mannen doken onder, want anders moesten ze naar Duitsland om te werken. Dus dan kwam mijn vader niet thuis ‘s avonds. Maar ik mocht niet weten waar hij was. En dan na een paar dagen kwam hij wel weer thuis. Dat was natuurlijk wel angstig, dat mijn vader er niet was. Achteraf weet ik wel waar hij geweest is. Want zijn ouders woonden in een groot huis aan de Leidsegracht. En daar waren allemaal verstopplekken. Maar als wij dat wisten en de Duitsers zouden ons iets vragen, dan werd iedereen opgepakt, natuurlijk.’

Hoe kwamen jullie aan eten en kleding?
We hadden allemaal bonnen. Iedere week werd bekend gemaakt welke bon je kon inleveren om iets te halen. Bijvoorbeeld schoenen en eten. We hebben rare dingen gegeten, zoals suikerbieten. Mijn moeder maakte suikerbietenstroop. Dat was heel vies, prikkelde op je tong. Maar als je niks hebt, eet je het toch. Vooral in de hongerwinter at je alles. Ook tulpenbollen.  Soms waren er gaarkeukens in de school, dan kreeg je aardappelschillensoep. Dat was heel erg vies.’
‘Soms ging ik ook met mijn moeder naar het land om aren op te rapen, die op het land waren achtergebleven. Dan konden we daar meel van maken. Later in de oorlog kwamen ook nog de voedselpakketten met Zweeds wittebrood. Nou, dat was net of het cake was. |dat was een traktatie.’
‘En als je schoenen te klein waren, dan sneden ze je neuzen eruit. Dan werden het een soort sandalen. Maar je kreeg hele koude voeten! Mijn moeder was gelukkig erg handig en maakte steeds van oude kleding weer nieuwe kleding. Ik had ook een mutsje van een konijnenvelletje. Dat was lekker warm, maar dat zou ik nu natuurlijk nooit meer dragen.’

Hoe bent u ziek geworden?
Ik heb een ernstige longontsteking gehad toen ik zes jaar was.  In de oorlog was er nog geen antibiotica. Ik had hoge koorts. Het heeft zes weken geduurd. Ik moest zwarte koffiedrinken als pepmiddel. Ik weet nog dat het heel erg vies was. Het was hongerwinter maar de hele buurt kwam toch iets brengen. Een beetje boter of een ei of wat anders, Ze waren heel zorgzaam. Een dag nadat ik ziek werd, was er geen stroom meer. Veel mensen zetten een fiets in de kamer. Dan moesten ze trappen en had je een klein beetje licht En mensen haalden ook de houten blokjes weg tussen de tramrails, voor in de kachel.’