Oorlog in mijn Buurt
‘’Dapi was een onschuldig jochie, wat was er op tegen om met hem te spelen?’’
Gijs, Jo, Lava ontmoeten Ria Schifflers, 4 jaar toen de oorlog begon
Misha, Mila, Lisa en Sincere uit groep 8B van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen meneer Cor Bongers. De familie van meneer Bongers woonde in de oorlog aan de Aalsmeerweg, zijn vader had een schoenmakerij. Meneer Bongers was een jaar toen de oorlog begon.
Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Wat het eerst in mij opkomt, is een herinnering van toen ik een jaar of vier was. Ik kwam thuis van buiten spelen, moest even een plasje doen en toen stond mijn vader stond vreselijk te huilen. Hij werd getroost door mijn moeder en een buurman. Het is een vreselijk gezicht als je je vader zo verschrikkelijk ziet huilen. Het is alsof de wereld vergaat. Dat vergeet je niet snel.’
‘Mijn vader had geen werk, want door de oorlog hadden mensen geen geld om hun schoenen te laten repareren. Zo kwam er geen geld meer binnen voor ons gezin. Omdat we zo’n honger hadden, besloot mijn vader zijn schoenpoetsmachine bij de boeren te ruilen voor een zak koren, zodat we broden konden bakken en te eten hadden. Hij laadde zijn machine op een fiets met houten banden en is twee dagen bij verschillende boeren langsgegaan. Uiteindelijk was er een boer die waarschijnlijk medelijden had en wel wilde ruilen. Mijn vader ging blij naar huis. Maar bij het dorp Sloten was een grenspost. Daar werd mijn vader aangehouden door soldaten. Hij moest de zak koren inleveren. Hij had dus twee dagen gesjouwd met die machine en kwam met lege handen thuis. En we hadden zo’n honger. Daarom moest hij zo huilen.’
Wat voor spelletjes deden jullie tijdens de oorlog?
‘Op een dag was ik soldaatje aan het spelen met mijn vriendjes, ik was de commandant. De Duitsers, die voorbij reden, vonden het waarschijnlijk een grappig gezicht. Een van hen gooide een brood naar mij. Ik ving het op en was zo blij, ik rende met het brood in mijn handen naar huis en riep heel hard mijn moeder. Maar vlakbij ons huis hoorde ik ineens iets achter me en toen pikte een grote man het brood uit mijn handen. Dat was zo erg. Ik moest zo huilen, ik was nog dagenlang ontroostbaar. Maar dat doet honger met mensen. Het is een verschrikkelijk gevoel. Dat doet ontzettende pijn.’
Hoe was de hongerwinter voor uw familie?
‘In mei 1944 kreeg ik een broertje. Dat was in de Hongerwinter. Mijn moeder was zo vermagerd, dat ze geen borstvoeding kon geven. In de oorlog stierven veel baby’s door gebrek aan borstvoeding. Een groep vrouwen heeft toen geregeld dat baby’s per schip naar pleeggezinnen in Friesland konden, waar nog wel eten was. Mijn broertje is toen meegegaan. Mijn moeder heeft echt een offer gebracht. Er waren wel honderd baby’s aan boord. Halverwege de tocht kwam er echter een vreselijke storm. Er was al een baby overleden. De kapitein durfde niet verder te varen naar Friesland en ging toen bij Enkhuizen aan wal. Een dorpsomroeper in Enkhuizen heeft toen omgeroepen: ‘Wie kan er een baby verzorgen?’ Binnen anderhalf uur waren de baby’s verdeeld onder de mensen van Enkhuizen. Mijn broertje Jos kwam bij de familie Kofman terecht, palingvissers van beroep. Hun dochter Fie van elf heeft voor mijn broertje gezorgd. Hij kreeg daar flink te eten, er was genoeg paling.’
Hebt u uw broertje ooit terug gezien en hoe was dat?
‘Hij is daar tot na de bevrijding gebleven. Twee weken na de oorlog heeft mijn vader een handkar gehuurd en gingen mijn andere broertje en mijn moeder daarin naar Enkhuizen. Ik moest ernaast meelopen. Zeventig kilometer wandelen was dat. Halverwege die tocht mochten we bij een boer overnachten. Daar sliepen ook nog Duitse soldaten in het hooi, die zelf ook lopend naar huis moesten. We moesten heel stil zijn, want we waren bang dat de Duitsers boos zouden worden. Toen we in het huis, waar Jos woonde, aankwamen, zat hij op tafel en keek met grote ogen naar mijn moeder. Hij herkende haar! We mochten twee weken blijven logeren bij hun buren, om aan te sterken, we waren zo mager! We kregen toen aardappelen in roomboter gebakken. Dat smaakte lekkerder dan een taartje nu. Na die weken zijn we, met mijn jongste broertje, naar huis gegaan.’