Erfgoeddrager: Zoë

‘Wij stonden soms uren in de rij bij de groenteman’

Devian van De Klimop in Amsterdam-Noord kan z’n oren niet geloven als Riki Simonis zegt dat ze vroeger in de Elzenstraat op nummer 7 woonde. Hij woont zelf op nummer 5, dat is daar tegenover! Voor Alymama is het een beetje spannend. Zij woont nu 3 jaar in Nederland en komt uit Syrië, daar was het ook oorlog. Ze heeft wel veel zin in het interview, net als haar klasgenoten Zoe en Divya.

Hoe was het om de oorlog te beleven?
‘Heel raar en heel naar. Er was ineens veel minder eten. Sinaasappels, bananen, alles wat uit het buitenland kwam dat was er ineens niet meer. Dat was allemaal op de bon. Dus je kon nooit spontaan zeggen: nu wil ik een paar nieuwe schoenen, dat was er gewoon niet. Waar moest je dat vandaan halen? De Duitsers hadden een heleboel dingen uit Nederland weggehaald. Wij stonden soms uren in de rij bij de groenteman in de hoop dat we daar verse groente en aardappelen konden halen.’

Heeft u ook meegemaakt dat er bommen vielen?
‘Ik was op een zondag met mijn moeder en mijn zus naar het Vliegenbos. En toen probeerden ze de Fokkerfabrieken te bombarderen. We zijn heel snel een schuilkelder in gegaan. Die schuilkelders, moet je je voorstellen, die waren half onder de grond en een stukje erboven en dan leek het net of er een heuvel was. Daar heb ik ingezeten en het was heel eng. Ik was erg bang en dacht dat ik zou doodgaan en mijn vader nooit meer zou terugzien. Want mijn vader was met mijn broer gaan vissen.’

Wat aten jullie tijdens de Hongerwinter?
Wij hadden één groot geluk, mijn vader was kleermaker. Mijn ouders hadden kennissen in de Wieringermeerpolder en mijn vader mocht een keer per maand daarheen om kleding te verstellen en te repareren in ruil voor tuinbonen, aardappelen en tarwe. Maar dat was niet heel veel. Mijn moeder heeft ook wel hongeroedeem gekregen, dan krijg je hele dikke benen.’

At u ook tulpenbollen?
‘Ja hoor en soep van brandnetels.’

Had u ook uw ramen donker gemaakt?
‘Ja, wij moesten zwarte lappen voor het raam doen, verduisteringsgordijnen werden die genoemd. Maar wij hadden ook plakband op de ramen zitten en dat was voor als er een bom viel. Dan bleven de ramen aan elkaar plakken. Anders sprong al dat glas naar binnen en zouden we alle splinters in ons gezicht krijgen. De Duitsers liepen ’s avonds door de wijken, ik heb ze nog wel horen roepen: ‘Licht Auss!’.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Bij de elektriciteitscentrale is verschrikkelijk gevochten’

Serilio, Mats, Zoë en Rickie vinden het wel leuk dat zij, als enige groepje van basisschool Het Wespennest, met de auto naar hun interview gaan. In de auto hebben ze het over de lessen over de oorlog die ze al hebben gehad en over de mevrouw waar ze nu naartoe gaan: Riki Simonis. Ze ontvangt de kinderen in haar ruime, lichte flat, samen met haar man. De kinderen krijgen glaasjes water en koekjes en gaan lekker op de bank zitten. Voorzichtig gaan ze van start.

Woonde u met NSB-gezinnen in huis?
‘Wij woonden in West en in ons gebouw woonde op één hoog een NSB’er. Die man lette op of iedereen zijn radio wel inleverde, want je mocht geen radio hebben. Op drie hoog, naast ons, woonde nog een NSB’er. In hun raam hing een poster van de Jeugdstorm, een vereniging voor kinderen van NSB’ers. Als ik op straat speelde, zeiden ze dat ik NSB’er was. Maar dat waren de buren, niet ik. Ik heb zelfs kinderen mee naar boven genomen om te laten zien dat wij daar niet woonden.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘De eerste periode wel, van september 1944 tot maart 1945. Vanaf toen kwam er steeds minder voedsel. En er waren geen kolen om mee te koken. Je moest zeven dagen met een half brood per persoon doen. Af en toe was er wat groente en stond je in lange rijen te wachten bij de groenteboer. Je had constant honger. Voor de gaarkeukens had je bonnen en daar kreeg je eenpansmaaltijden voor. Op school kregen we om 12.00 uur soep in de gymzaal. Daar zaten aardappelschillen in, 1 doperwt misschien en er dreven brandnetels in. En tulpenbollen hebben we ook gegeten. Mensen probeerden bij de boeren van alles te ruilen voor een beetje voedsel: lakens, sieraden. Geld wilden de boeren niet hebben. Mijn ouders mochten een keer per maand in de Wieringermeer komen om eten te halen bij vrienden van mijn tante in Groningen. Mijn vader ging dan voor die mensen hun kleren verstellen en mijn moeder ging een paar dagen helpen in het huishouden en daarvoor kregen ze dan eten mee.’


Waar heeft u de bevrijding meegemaakt?

‘Eind maart 1945 ben ik met de nachtboot naar Lemmer gegaan, op weg naar mijn oom en tante in Groningen, om aan te sterken. Mijn broer had te horen gekregen dat ik met de boot mee kon, maar mijn ouders waren er niet. Ze waren eten aan het halen in de Wieringermeer. Mijn broer heeft mij dus op de boot gezet en ik heb mijn ouders helemaal niet meer gezien. Dat vond ik vreselijk, dat ik hen niet gedag kon zeggen. Bij die grote boot moest je naar beneden het ruim in, er lag stro waar je in moest liggen. Daar lag ik de hele nacht en dat vond ik toch wel eng. Ik was mijn vader en moeder kwijt, allemaal vreemde mensen en dan dat stro. Ik weet dat ik van angst in mijn broek heb geplast in die boot. Ik was toen 13. Tot juni ben ik in Groningen gebleven.’

Was het in Groningen veilig?
‘Nee, in Groningen is hevig gevochten en heb ik drie dagen en nachten in een schuilkelder gezeten, in een melkfabriek tegenover het huis van mijn oom en tante. Daar kon de hele straat schuilen. Eigenlijk konden we naar een ander schuiladres. Mijn oom werkte namelijk bij de elektriciteitscentrale en daar mocht hij met zijn gezin schuilen. Ik wilde daar echter absoluut niet naartoe. Ik werd ineens heel ziek, misselijk, aan de diarree. En toen zei mijn tante: ‘Dan ga ik ook niet’, en zijn wij in die melkfabriek gaan schuilen. Achteraf bleek dat een goeie keuze want bij de elektriciteitscentrale is verschrikkelijk gevochten. De Duitser wilden die centrale hebben, maar de Canadezen kwamen er ook aan. En mijn oom heeft dat hele gevecht gezien. Hij zag er verschrikkelijk uit! Hij was zo blij dat zijn vrouw en kinderen daar niet waren.’

 

 

Erfgoeddrager: Zoë

‘De politie sleepte mijn vader hardhandig naar de kazerne’

Erna van Tholl verhuisde in 1949 met het gezin waarin ze opgroeide naar Amsterdam. ‘Naarmate ik ouder word, heb ik steeds meer heimwee naar Suriname. Het zijn toch je roots.’ Haar vader, ook geboren in Suriname, heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog gewerkt op één van de KSNM schepen die de kust van Suriname beschermden tegen een Duitse aanval. Erna weet aan Zoë, Evi, Aïsha en El’Josha van basisschool De Morgenster nog veel te vertellen over de verhalen van haar vader.

Wat deed uw vader voor werk in de oorlog?
‘Mijn vader is geboren in Suriname, in 1918. Toen hij dienstplichtig was, kreeg hij een oproep dat hij zich moest melden. Hij had daar helemaal geen zin in. Toen kwam de ME, de militaire politie, en die hebben hem hardhandig naar een kazerne gesleept. Omdat hij slechte ogen had, kon hij niet in militaire dienst en moest hij andere werkzaamheden doen. Toen de oorlog uitbrak, was hij verplicht om voor de KNSM te varen. De KNSM besloot om mensen aan te nemen die afgekeurd waren voor dienstplicht. Hij was toen twintig, werd matroos op het schip en nam veel schoonmaakwerkzaamheden op zich.
De KNSM zorgde ervoor dat Suriname vanuit zee beschermd werd tegen de Duitsers. De Duitsers wisten van Suriname en de grondstoffen. Bauxiet is een grondstof uit Suriname waarvan de Amerikanen oorlogsmateriaal maakten. De bauxietfabrieken mochten dus absoluut niet in handen van de Duitsers komen. Duitse onderzeeboten gingen op weg naar Suriname om de boel kapot te schieten, maar de Amerikanen stonden aan de Nederlandse kant. Zo ontstond er ook een wereldoorlog op zee. Het schip waarop mijn vader voer, de Koningin Emma, is gelukkig nooit geraakt door een torpedo van een Duitse onderzeeboot.’

Hoe vond uw vader het om voor de KNSM te werken?
‘Mijn vader heeft er tijdens de oorlog het beste van gemaakt. Door de omstandigheden had hij geen keus. Het waren bijzondere en leerzame jaren, waarin hij zichzelf heeft leren redden. Hij heeft heel veel goede vrienden gemaakt op zee, want iedereen zat in hetzelfde schuitje. Hij heeft een hele goede vriend gehad, ome Piet, die een ontzettend gezellige en ook lange man was. Dat heeft mijn vader erg gesterkt. Ome Piet is later in Amerika gaan wonen. Vandaar ook dat we de link hebben tussen Suriname, Amerika en Nederland. Nu hebben we overal vrienden en familie wonen.’

Waarom ging uw vader naar Nederland?
‘Door de oorlog en het varen in de Cariben, wilde mijn vader meer zien van de wereld. Hij had een oom die met een Nederlandse vrouw was getrouwd en in Nederland woonde. Hij had mijn vader gezegd dat er altijd plek voor hem was. Toen hij eenmaal had geproefd van de zeevaart was het voor hem duidelijk: ‘Ik ga naar Nederland en ik ga het daar maken.’ Het heeft jaren geduurd voor hij weer terugging naar Suriname, zo goed had hij het hier. Hij heeft eigenlijk nooit heimwee gehad, ondanks de kou. Wij zijn in de lente aangekomen, maar toen eenmaal de herfst voorbij was, was het erg heftig. Ik ging met een pyjamabroek onder mijn lange broek naar school, zo kou had ik het.
Mijn ouders gingen op een gegeven moment op de Middenweg wonen. Er was daar een ruimte met een luik en dat was een beetje verstopt. Daar hebben ze spullen van mensen die daar in de oorlog verstopt waren gevonden, zoals een vork en een bord. Van de winkel onder ons hoorden we dat daar Joden zaten ondergedoken. Dat was wel heftig om te zien in ons eigen huis.’

    

Erfgoeddrager: Zoë

‘De blauwe lucht boven was vrijheid’

Mevrouw Wertheim heeft een heel eigen mening over hoe mensen met elkaar om moeten gaan. Zo heeft de term Combi uitgevonden, voor mensen die bij voorbeeld half Joods en half iets anders zijn, of half Indisch en iets anders. Ze had zoveel te vertellen, we hadden nog wel langer kunnen luisteren. Ze heeft ons wel een boekje en een DVD gegeven.

Hoe voelde u zich toen het oorlog werd?
“Ik vond het vreselijk leuk! Als kind weet je niet wat er gaat gebeuren. Op school kregen wij een speciale tas. Er zat bijvoorbeeld een gummetje in. Als er gebombardeerd zou worden dan moest je die tussen je tanden doen, zodat je tanden niet op elkaar klapten. Er was natuurlijk wel dreiging van te voren en mijn ouders wisten natuurlijk meer, maar ze vertelden ons niet alles. Toen de Japanners kwamen hoefden we niet meer naar school en konden we lekker spelen.”

Moest u naar een kamp?
“Eerst werden de Nederlanders in hun eigen huis en wijk opgesloten. Langzaamaan werden de mannen weggestopt in kampen en moesten ze werken. De vrouwen en kinderen werden later in kampen gestopt. Toen moest je opgeven of je Joods was, ook al had je maar één druppel Joods bloed dan moest je je opgeven. Mijn vader was Joods, mijn moeder niet. Mijn moeder stond voor een moeilijke keuze: moest ze mij en mijn broer en zus opgeven? Ze was bang dat wij dan zonder haar in een kamp terecht zouden komen. Zou ze het niet zeggen, dan kon iemand het verraden, want Wertheim is een erg Joodse naam. Ze besloot te liegen en gaf zichzelf ook op als Joods. Wij werden toen naar een Joods kamp gestuurd.”

Wat deed u in het kamp?
“We deden helemaal niks in het kamp! We hadden eerst een dag per week een schooltje, maar we hadden geen papier of pen. We hadden boeken meegenomen en die hebben we in de jaren steeds geruild. We speelden veel. We hadden wel corvee, zo moesten wij de vloeren dweilen. Er was verder niks, als je wel iets had dan was je het zo kwijt, want de Japanners hielden vaak een razzia in het kamp en pikten alles in. In het begin kregen we twee keer per dag iets te eten, maar naarmate de Japanners de oorlog begonnen te verliezen kregen we steeds minder. Ik heb het laatste half jaar verschrikkelijk honger gehad. Je maag die samentrekt, dat doet gewoon heel erg pijn. Je bent er de hele dag mee bezig. We hadden geen nieuwe kleren, geen schoenen, twee jaar lang. Ik groeide niet echt veel, maar toch pasten mijn kleren niet meer.

Was u bang?
“Er waren wachtposten en we werden bewaakt door Indonesiërs die dag en nacht een mitrailleur op je richtten, dat was wel eng. Ook de Jappen waren eng. Als je er een tegenkwam moest je buigen; niet te diep, je moest het leren. Deed je het niet goed, dan kreeg je klappen. Twee keer per dag moesten we in rijen van tien mensen op appèl staan. De Japanse leiding riep dan: Kyotské! Je moest in rijen buigen.  Keré! Dan moest je die speciale buiging maken. Nouré! Rechtop staan. Jasmé! Je linkervoet naar voren. Bakaré! Dan weer naar de zaal terug. Deed je het fout dan kreeg je weer klappen. Sommige mensen vonden het zo vernederend dat ze soms gingen protesteren, maar dan kregen ze alleen maar klappen. Mijn moeder zei: doe het maar gewoon. Ze heeft zelf wel een soort stiekem protest gevoerd: ze had een Nederlandse vlag in drie banen geknipt. Daar maakte ze voor ons een broekje of een rokje van. Als mijn broer, zus en ik naast elkaar stonden was er de driekleur van de vlag te zien. De Nederlanders begrepen dat dan wel.

In het kamp was geen horizon, je keek aan alle kanten tegen een hek op. Alleen als je naar boven keek was daar de blauwe lucht, dat was voor mij vrijheid. Dat is de enige plek van vrijheid als je opgesloten zit. Ik vond het zo gemeen van de wereld dat zij ons in dit rot kamp opgesloten lieten zitten, zonder eten. Waarom kwamen ze ons niet bevrijden? Ik werd toen heel kwaad op de rest van de wereld. Ik heb toen besloten dat als ik groot zou zijn, dan zal ik er voor vechten dat dit nooit meer zou gebeuren. Onschuldige mensen, die omdat ze wit zijn of Joods zijn, gevangen zijn gezet. Iets waar ze helemaal niets aan konden doen.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Zoë

‘Gewone Duitse jongens’

Wij hebben meneer Kees Schakel ontmoet bij het oorlogsmonument van het Muiderpoortstation. Van daaruit werden in de Tweede Wereldoorlog ruim 11.000 Joden naar kamp Westerbork vervoerd. Meneer Schakel is lid van het 4 en 5 mei comité van Amsterdam-Oost. Hij vertelde ons over de oorlogservaringen van zijn familie in het dorpje Giessen-Oudekerk.

Wat heeft uw familie in de oorlog meegemaakt?
“Mijn zus stond eens als baby in een box in de huiskamer toen er een kogel door de ruit vloog, waarbij de scherven in de box vielen. Mijn ouders waren dankbaar dat er niet nog iets veel ergers gebeurd was. Ze hadden ook een onderduiker, Jacob Huisman. Hij werd gezocht omdat hij bonkaarten had buitgemaakt. Die waren erg kostbaar, je kon er voedsel mee kopen. Een keer zaten ze te eten in de keuken, toen er onverwachts iemand langskwam. De onderduiker schoot zo onder het grote tafelkleed. Mijn ouders hielden het bezoek aan de praat tot het weer opstapte. De onderduiker is nooit ontdekt.

Later moesten mijn ouders Duitse soldaten opnemen in huis, dat noem je inkwartieren. De frontlinie verschoof steeds meer naar de grote rivieren en mijn ouders woonden daar vlakbij. Soldaten werden daar gestationeerd om eventueel aan het front te kunnen vechten. Er waren slaapplaatsen nodig voor die jonge soldaten. Mijn vader heeft weleens verteld dat het eigenlijk gewone Duitse jongens waren, die helemaal geen zin hadden in oorlog, maar ze moesten van Hitler. Je kon eigenlijk best met ze opschieten en met ze praten.”

Had uw familie genoeg te eten om te overleven?
“Mijn ouders hadden melk van de koeien en eieren van de kippen, maar ze hadden eigenlijk behoefte aan meer, ze hadden ook die onderduiker. Voor de baby, mijn zusje, was op een gegeven moment een ledikantje nodig, daar was moeilijk aan te komen. Toen hebben mijn ouders melk en andere dingen geruild met iemand die een ledikantje over had. Dat gele ledikantje is nog steeds in de familie, de kleinkinderen van mijn ouders hebben er ook weer in geslapen. Er werd op die manier veel geruild in de oorlog.”

Hoe komt het dat u zo betrokken bent bij dit onderwerp
“Toen ik een jaar of 24, 25 was, ben ik drie jaar leraar geweest op een Amsterdamse MAVO. Ik gaf les over godsdiensten. De leerlingen vroegen aan mij of ik kon vertellen over Anne Frank. Omdat ik eigenlijk bijna niks wist over Anne Frank, ben ik me erin gaan verdiepen. Toen ik er op de MAVO over vertelde, waren de kinderen muisstil. Ik weet nog dat ik vertelde dat de douchekamer de gaskamer was en dat toen sommige leerlingen, van 13 of 14 jaar in huilen uitbarstten.

Ik kreeg steeds meer interesse in het lot van de Joden. Ik leerde steeds meer Joodse mensen kennen en zo ben ik in het 4 mei comité van Oost gekomen. Toen ik in 1999 las dat er op het station Gare de Lyon in Parijs een herdenkingsplaquette was aangebracht, ben ik naar Joke Koningh, de burgemeester van Oost, gegaan. Zodoende is het monument hier bij het Muiderpoortstation op 3 oktober 2002 onthuld, precies 60 jaar nadat de deportaties waren begonnen op 3 oktober 1942.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Zoë

‘Bij de school stonden mannen om jongens op te pakken’

Wij zijn Manal, Yassin en Zoë en wij interviewden meneer Kramer. Hij was dertien jaar toen de oorlog begon, een spannende leeftijd voor een jongen, omdat je dan bijna naar Duitsland gestuurd kon worden voor dwangarbeid. Dit heeft zijn vader vanuit het verzet gelukkig kunnen voorkomen.

Wat deed uw vader tijdens de oorlog?
“Mijn vader zat bij ‘de Ondergrondse’ of zoals we vandaag zeggen: bij het verzet. Hij heeft veel mensen geholpen tijdens de oorlog. Zo bezorgde hij Joodse families en vooral Joodse kinderen een onderduikplek. Hij waarschuwde gezinnen uit de buurt wanneer hun zonen voor dwangarbeid in Duitsland in aanmerking kwamen en hij liet weten wanneer er razzia’s zouden zijn. Mijn vader had hier verschillende informatiebronnen voor. Er was bijvoorbeeld een ‘goede’ politieagent, die hem liet weten wanneer er een razzia zou zijn. Hij was ook bevriend met Meneer Kips, die rookworsten moest leveren bij de Duitsers. Mijn vader kreeg ook worsten die hij dan aan de onderduikers gaf. Kips hoorde bij de Duitsers ook weleens iets over razzia’s en dat vertelde hij dan altijd aan mijn vader.”

Veranderde uw leven sterk tijdens de oorlog?
“Ik heb een tijdje moeten onderduiken omdat ik zestien werd en eigenlijk naar Duitsland moest om te werken voor de Duitsers. Dit wilde ik natuurlijk niet. Een timmerman heeft toen bij ons op zolder een soort hok gemaakt dat je van buitenaf niet kon zien. Hier verstopte ik me dan overdag. ’s Avonds zat ik gewoon beneden bij mijn ouders en zusje. Onze buren waren NSB’ers die wisten dat ik nog thuis was. Ze hebben me gelukkig niet verraden, de Duitsers hebben me nooit gevonden. Maar ik kon niet meer naar school, daar stonden mannen om jongens op te pakken die oud genoeg waren om tewerkgesteld te worden. Later is onze school ook gevorderd door de Duitsers.”

Herinnert u zich de Bevrijding nog?
“Sommige mensen bij ons op het plein hadden een radio, we luisterden samen naar de Engelse zender. Zo hoorden we wanneer de Duitsers verliezen hadden geleden, want de Duitsers zelf deden altijd alsof ze aan de winnende hand waren. Op 4 mei kwam ik ’s avonds uit mijn hok op zolder, ik zag allemaal soldaten in auto’s op straat. Het waren geen Duitsers, maar Engelsen en Amerikanen. Ze kwamen ons bevrijden. Ze reden door Nederland en zo door naar Duitsland. Op de auto’s en tanks zaten allemaal meisjes. Zelfs op de kanonnen. Dat waren dan de liefjes van de soldaten. Zo wisten we dat Nederland bevrijd was.”

Erfgoeddrager: Zoë

‘Met vader in het verzet’

Wij zijn Zoé, Miriam en Angie, 12 jaar. We interviewden Mirjam Ohringer. Als jong, Joods meisje van 15 jaar zat ze al in het verzet. Ons interview liep als vanzelf. Mirjam vertelde zo beeldend, het was alsof het verhaal zich op dat moment afspeelde. Alle drie gingen we onder de indruk naar huis.

Wat deed u overdag tijdens de oorlog?
“Ik zat op het Barlaeus Gymnasium. In 1941 moesten ik en de andere Joodse kinderen van die school af, we moesten naar een speciale Joodse school. Vanaf het begin was ik samen met mijn vader betrokken bij het verzet. We waren lid van de communistische partij, en die partij was heel actief in het verzet. Ik verspreidde illegale kranten en was tussenpersoon voor ondergedoken mensen. Al heel vroeg leerde ik om onopvallend en voorzichtig door de straten te lopen. Overal loerde de vijand. Je beefde vanbinnen, maar vanbuiten moest ik zo normaal mogelijk overkomen. Die houding leer je nooit meer af…”

Hoe heeft u als Joods meisje de oorlog overleefd?
“We moesten onderduiken. Mijn vader eerst, later ik. Mijn vaders eerste onderduikadres was Amsteldijk 18. Dat huis heeft een torentje. Een geweldige schuilpaats. Daar waren vijf onderduikers. Ze zaten ondergedoken bij een ouder echtpaar: mijnheer en mevrouw Vierveijzer. Vierveijzer was een betrouwbare familie, die hadden contact met het verzet. Maar in 1943 ging het mis. Het was zaterdag. Mijnheer Vierveijzer ging eropuit om boodschappen te doen. En mevrouw maakte het huis schoon. Ze dacht: Ik maak ook onze stoep even schoon. Maar vergat dat te melden aan de onderduikers, wat wel de afspraak was. Terwijl ze aan het schoonmaken was, kwamen er opeens twee ‘jodenjagers’ aan. Grote kerels. Ze sloeg haar hand voor haar mond van schrik. Toen die mannen haar zo zagen, wisten ze genoeg. Ze liepen zo het huis in. En vonden daar de vijf onderduikers in de woonkamer. Een geweldige vangst! Ze waren eigenlijk voor maar één onderduiker gekomen, op een andere verdieping. Per Jood kregen de jagers fl.7,50. En ze konden ook nog mevrouw Vierveijzer meenemen, als straf voor haar hulp aan onderduikers. Uiteindelijk heeft mijn vader later kunnen ontkomen aan het transport. Twee onderduikers vluchtten. De twee andere onderduikers overleefden het concentratiekamp. Mevrouw Vierveijzer kwam om op een dodenmars in 1945 van Auschwitz naar Dachau.”

Waar zat u ondergedoken?
“Ik zat in een dorpje in de kop van Noord-Holland. Aan het eind van de oorlog woonden mijn vader en ik weer samen, op de Ceintuurbaan 252. Apart van elkaar huurden we een kamer bij een echtpaar. Onder valse namen. Wientje van Duiven heette ik volgens mijn valse persoonsbewijs. Na de bevrijding zei de vrouw van ons onderduikadres: ‘Ik wist eigenlijk altijd al dat u in werkelijkheid Ohringer heet’. Ze had het al die tijd niet gezegd. Tegen niemand. Gelukkig maar.”

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892