Erfgoeddrager: Sarah

‘Na de oorlog mocht ik naar Zwitserland om bij te komen’

Els Peeters woont vlak bij de school ’t Karregat in Eindhoven. Eigenlijk zou ze de eerste les op school komen geven, maar die dag voelde ze zich niet zo lekker. Daarom is ze extra enthousiast om Isabella, Sarah en Finn alsnog thuis te ontvangen en haar verhaal te vertellen.

De kinderen hebben er zin in en voelen zich meteen welkom bij mevrouw Peeters, die vroeger onderwijzeres was. Ze kan heel goed vertellen en heeft zelfs snoepjes in huis gehaald. Maar daar moeten de kinderen nog even op wachten, want eerst luisteren ze aandachtig naar haar bijzondere verhaal. Mevrouw Peeters was 5 jaar toen de oorlog uitbrak.

Wat heeft diepe indruk op u gemaakt?
‘Ik was 8 jaar oud en kwam uit school toen ik hoorde dat mijn vader ineens was meegenomen. Die middag liep hij langs de synagoge, waar de Duitsers bezig waren het gebouw kapot te maken en de ster eraf te halen. Mijn vader zei iets in de trant van: ‘En zelfs dát maken ze kapot…’ Daarop werd hij meteen opgepakt.

Hij heeft eerst zes weken in de gevangenis gezeten en werd daarna naar concentratiekamp Vught gebracht. Mijn zusje mocht via het Rode Kruis een pakketje naar hem brengen. Mensen uit de buurt hielpen mee: de één gaf een brood, de ander wat vleeswaren. Mijn vader vertelde later dat hij alles deelde met de zes tot acht mannen met wie hij op een kamer zat. Dat voelde voor hen als een klein feestmoment.

En net zo plotseling als hij was verdwenen, kwam hij in 1943 weer thuis. Ik herkende hem bijna niet meer…’

Heeft u ook wel eens kattenkwaad uitgehaald?
‘Nou, dat deed ik vooral samen met mijn oudere broer. In de oorlog moesten alle Nederlanders hun radio inleveren. Ik zat achterop de fiets bij mijn broer, met de radio op schoot. Mijn broer gaf de radio aan de Duitsers, maar liet hem expres meteen vallen. Zo was de radio kapot en had niemand er nog iets aan. Met zulke kleine dingen lieten mensen merken dat ze het niet fijn vonden dat Nederland door de Duitsers bezet was.

Mijn broer Henk was zeven jaar ouder dan ik. Hij ging vaak met zijn vrienden op avontuur. Op een dag ontdekten ze een garage vol terreinwagens van de Duitsers. Henk vond landkaarten prachtig en die lagen in de wagens. Hij wilde een paar kaarten meenemen. Maar vlakbij een vat benzine ontstond plotseling brand. Henk moest dwars door de vlammen lopen.

Even later stond er al iemand aan de deur om hulp te halen. Mijn moeder probeerde eerst zijn brandwonden met melk te verzorgen, maar het was zo erg dat de dokter moest komen. Henk moest eigenlijk naar het ziekenhuis, maar mijn moeder durfde dat niet. Ze was bang dat het ziekenhuis aan het einde van de oorlog gebombardeerd zou worden. Daarom werd hij heel liefdevol verzorgd door een Duitse non bij ons thuis. Zij kwam elke dag lopend naar ons toe. Mijn zei moeder altijd: ‘Je kunt niet zeggen dat alle Duitsers slecht waren’.’

Hoe heeft u uw trauma verwerkt?
‘De geluiden van vliegtuigen vond ik iets vreselijks. Ze vlogen soms heel laag boven de stad, zo laag dat je de bommen onder de vliegtuigen kon zien hangen. Ik zorgde altijd dat ik zo snel mogelijk veilig thuis bij mijn moeder kwam.

Ik sliep samen met mijn zusjes in een groot tweepersoonsbed. Mijn oudste zus kwam later naar bed. Als ik het geluid van de bommenwerpers hoorde terwijl ik alleen lag, rende ik meteen naar beneden naar de huiskamer. Daar mocht ik blijven totdat de vliegtuigen weer weg waren. De hond van de buren voelde het al aankomen als er bommen aankwamen. Dan gedroeg hij zich anders.

Na de oorlog mocht ik naar Zwitserland om bij te komen van alles wat ik had meegemaakt. Een Nederlandse mevrouw die daar was gaan wonen, haalde mij op. In het begin had ik veel heimwee en wilde ik alleen maar naar mijn moeder terug. Maar later kreeg ik het daar toch fijn. Op een dag speelde ik buiten in Zwitserland, toen er ineens een vliegtuig laag overvloog. Ik schrok zo erg dat ik meteen naar mijn Zwitserse moeder toe rende. Zo bang was ik nog steeds voor vliegtuigen.

Toen ik 54 jaar was, werd ik ziek. In Limburg ging ik in therapie, in een oud kasteeltje. Iedereen had daar een eigen plankje in de kast en kookte zijn eigen eten. Soms kookten we ook voor elkaar. Daar heb ik veel Duitse vrienden gemaakt, en die heb ik nog steeds. Na mijn pensioen ben ik er vrijwilligerswerk gaan doen.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘De Duitsers haalden mij uit mijn bedje en gooide me op de grond’

Sarah, Lana en Rutmer komen naar het huis van Marijke Ottema om haar te interviewen. Mevrouw Ottema was pas twee toen de oorlog begon maar vertelt met enthousiasme over de verhalen die haar familie haar heeft verteld. De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal over die ene dag dat de Duitsers op de stoep stonden en er twee ooms werden meegenomen.

Wat deed uw familie tijdens de oorlog?
‘Mijn opa Jaap Boersma en oma Trijntje Boersma Bosscher woonden in Oudebildtzijl, op de Aerdenplaats. Het gezin bestond uit hen, twee meisjes en drie jongens: Boukje, Rins, Gerem, Dirk en Hendrik. Halverwege de oorlog, in 1943, was de familie heel vaak bij hen. Oma Bep had sigaretten, tabak, koffie en thee in huis en pake verkocht brood. Ze konden heel veel ruilen met de boer, bakker en slager voor eten. Dus er was altijd genoeg.

Mijn vader werkte tijdens de oorlog bij het distributiekantoor in Sint Annaparochie. Hij zat daar achter de balie. Hij gaf de bonnen uit en controleerde of mensen de juiste bonnen hadden. Er waren hele ploegen mensen aan het werk, maar hij vond het een geweldige tij want er werkten leuke vrouwen. Hij ging zelfs vaak met zijn vader schaatsen naar Franeker, waar ook een vrouw van het kantoor werkte. Ondanks de akelige omstandigheden, hadden ze een hele mooie ploeg.’

Wat gebeurde er toen de Duitsers voor de deur stonden?
‘De hele familie was bij elkaar, toen Duitse soldaten langskwamen voor een huiszoeking. Ze zochten mijn ooms Germ en Dirk om ze mee te nemen naar Assen. De soldaten gooiden het huis helemaal overhoop. Ze haalden zelfs mij, toen ik een jaar oud was, uit mijn bedje en gooide me op de grond omdat ze dachten dat er misschien nog iemand het bedje onder lag. Germ vonden ze, maar Dirk zat angstig verstopt op een zolder tussen de balken. Ze hebben uiteindelijk Germ en de jongste zoon Hendrik meegenomen naar Assen, waar de mannen in een pianofabriek moesten werken.

Mijn tante Mina, de vrouw van Germ, was niet van plan om ze daar te laten. Ze ging met een oude fiets en rubberen banden alleen naar Assen. Het verhaal gaat dat ze de mannen heeft geholpen te vluchten, met gevaar voor eigen leven. Ze zijn gelukkig weer thuisgekomen. Niemand durfde daar later over te praten, maar ik wil dat wel doen.’

Heeft er nog meer familie een oorlogsverhaal?
‘Mijn schoonvader had ook een verhaal, hij is in Duitsland te werk gesteld en moest er vreselijk hard werken. Na de bevrijding is hij van Duitsland naar Jellum gelopen, bij Leeuwarden in de buurt. Met een handkar en schamele bezittingen. Dat is wel 100 kilometer! Hij kwam vermagerd en vermoeid thuis en heeft daarna heel lang in het sanatorium in Appelscha gelegen met tuberculose, een ziekte aan je longen. Dat kwam vast door de kou en de honger. Het was een vreselijke tijd voor het gezin.

Bij Jellum is nog een treinbeschieting geweest, tussen Jellum en Dronrijp. De machinist is daarbij overleden. Er waren mannen uit het verzet die een stuk rails hadden weggehaald, waardoor de trein verongelukte. Dat was griezelig want wij woonden dichtbij. Het waren rare tijden.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘Somalië was een goed land, maar door de oorlog is veel verloren gegaan’

Kai, Moayed, Isra, Levi en Sarah ontvangen de 54-jarige Qabul Salah op hun school, Philipsdorp in Eindhoven. Mevrouw Salah is geboren in Mogadishu in Somalië, en kwam in 1995 naar Nederland. Voordat ze beginnen met het interview, praten ze eerst een tijdje over van alles en nog wat. Zo verdwijnt de spanning en voelt iedereen zich op zijn gemak.

Wat gebeurde er in Somalië?
‘We woonden in Somalië in een groot huis met familie. In 1991 brak er oorlog uit. We volgden het nieuws en wisten dat er iets ging gebeuren. Mensen vluchtten van wijk naar wijk. Het was onveilig; in een land zonder regering wordt alles verwoest. Somalië was een goed land, maar door de oorlog is veel verloren gegaan. Oorlog is voor geen enkel land goed.

Ik moest vluchten naar Jemen. De meesten gingen naar Ghana of Kenia, ik koos voor Jemen. Mijn familie en foto’s van mijn ouders en familie liet ik achter. Ik kon niets meenemen, met lege handen ben ik gekomen. Jemen was geen fijn land om te blijven, de situatie was daar ook niet stabiel. Ik heb veel dingen gemist in Somalië als jonge meid. Ik wilde nog studeren.

Uiteindelijk kwam ik in Nederland in verschillende asielzoekerscentra terecht. De eerste en tweede waren fijn, maar de derde niet, omdat je met veel mensen op één kamer zat en niemand rekening met elkaar hield.’

Hoelang duurde het om Nederlands te spreken?
‘Ongeveer 1,5 jaar. In het asielzoekerscentrum heb ik het geleerd door eigen inzet en vrijwilligerswerk. Na vijf jaar kreeg ik een verblijfsvergunning en kon ik gaan werken. Ik heb mensen begeleid en gewerkt als tolk. Door vrijwilligerswerk heb ik veel vrienden gemaakt. Ik heb in Nederland tot NT2 geleerd. Ik wilde graag een mbo-opleiding doen, maar dat is niet gelukt.’

Woont er nog familie in Somalië?
Ja, mijn broer leeft nog. Eén broer. Mijn vader en andere broer zijn omgekomen tijdens de oorlog. Mijn moeder is overleden van verdriet. Ik mis mijn familie heel erg.’

Is uw leven nu beter in Nederland dan toen u hier kwam?
‘Ja, veel beter. Ik woon nu langer in Nederland dan in Somalië en voel me een beetje Nederlands.’

Als het goed gaat in Somalië, zou u daar weer willen wonen?
‘Als het goed is en mijn kinderen willen mee, dan wel. Ik wil bij mijn kinderen blijven. Misschien later met pensioen zou ik er graag op vakantie gaan.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘Veel steden zijn mooi, maar Eindhoven is mooier want daar kom ik vandaan’

Ayman, Timo, Sarah en Bram van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven wachten op Zahra Boureddaya die op bezoek komt bij hen op school. Zij mogen een interview met haar doen. Mevrouw Bouradaya is voor de liefde vanuit Marokko naar Nederland gekomen toen ze bijna 40 jaar was. Aan het begin van het gesprek hoort mevrouw Bouradaya dat sommige van haar interviewers ook familie hebben in Marokko en een beetje Marokkaans spreken. Ze vertelt, in het Nederlands, over haar verleden en laat ook wat groente uit haar moestuin zien.

Wat voor kleding maakte u vroeger in Marokko?
‘Ik maakte lange jurken met een speciale grote machine, voor feesten of verjaardagen. Ik borduurde ook en maakte truien, dat was mijn werk.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben naar Nederland gekomen voor de liefde. Ik had een man leren kennen in Marokko, mijn familie kende hem. Hij is Marokkaans, maar woonde al twintig jaar in Nederland. Hij was er destijds op vakantie.

Ik ben met de auto naar Nederland gegaan, een mooie reis van drie dagen. Zo heb ik onderweg nog veel andere mooie plekken gezien en daar lekker gegeten. Als ik nu naar Marokko ga, neem ik het vliegtuig, dat is maar drie uurtjes vliegen. Vaak ga ik alleen, soms met een vriendin, zo’n twee keer per jaar.

Ik woon nu 27 jaar in Nederland. Mijn man en ik zijn 15 jaar samen geweest, daarna zijn we gescheiden.’

Wat voor werk had uw man in Eindhoven?
‘Ik woonde eerst twee jaar in Haarlem, maar we zijn in Eindhoven komen wonen voor zijn werk bij Phillips. Haarlem was ook een hele mooie stad.

In Eindhoven ging ik twee jaar op taalles bij het ROC. We kregen les met veel vrouwen uit Turkije, Marokko en Afghanistan, maar ook met mannen. Ik heb nog steeds vriendinnen van de taalles. Ik spreek Arabisch, Berber, Frans en Nederlands, maar niet allemaal even goed.’

Waar werkt u nu?
Ik ben met pensioen, maar ik werk soms in mijn moestuin. Van mijn Spaanse buurman heb ik geleerd hoe ik dat het beste kan doen. Ik heb knoflook, prei, bieten, paprika, boerenkool en pompoen in de tuin. Voor de tomaten heb ik een kas. Ik hoef nooit naar de winkel om groente te halen.’

Zou u nog naar Marokko teruggaan?
‘Alleen op vakantie. Ik vind het er heel leuk, mooi en rustig, maar ik blijf hier in Nederland. Soms zijn de mensen aardig, soms niet. Dat is zo in Marokko, dat is zo in Nederland, dat is overal zo. Niet allemaal goed, niet allemaal slecht.

Eerlijk waar, ik vind in Nederland alles goed: het ziekenhuis, de huisarts… alles is goed geregeld. Marokko is mijn land, dus ik zal altijd zeggen dat het daar goed is. Je kan er fijn op vakantie en je kan er lekker eten, maar ik wóón in Nederland, en ik ga op vákantie naar Marokko.

Ik ben geboren in Taza. Taza is niet mooi, maar ik vind het mooi. Hetzelfde heb ik met Eindhoven. Ik vind veel steden in Nederland mooi, maar Eindhoven is mooier want daar kom ik vandaan. Als ik naar Marokko ga, ga ik naar mijn familie, naar mijn zus en mijn broer. Ik mis ze wel.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘Ik kwam de liefde tegen, en die nam mij mee naar Nederland’

Nicolas, Amina, Sarah, Marcello en Priya zien door het raam van hun klas al Angelica Goyenechea-Jaramillo aankomen. Ze moet even zoeken waar ze naar binnen moet in het Rapenland in Eindhoven. De leerlingen brengen haar naar het interviewlokaal en Amina en Marcello zorgen voor koffie. De 52-jarige mevrouw Goyenechea-Jaramillo heeft een vrolijke en kleurrijke uitstraling. Ze was 25 jaar toen ze vanuit Mexico naar Nederland kwam, vertelt ze aan de kinderen.

Hoe was het in Mexico?
‘Het was er heel zonnig. Het was het hele jaar door warm, maar in de winter kon het heel koud zijn. We hadden geen verwarming in huis en dan was het ’s avonds heel koud. Je had veel bergen en je kon niet verder kijken dan de horizon. We woonden in een oude stad, Mexico-Stad, met een koloniaal centrum en ook moderne gebouwen. Het was een drukke stad met wel 20 miljoen bewoners. Ik woonde in een dorp aan de rand van de stad. Tot de middelbare school liep ik naar school, daarna moest ik lange afstanden reizen met bus of metro. Alles was ver weg.

In Mexico heb je scholen met beveiliging en kun je er niet zomaar in en uit. Het is daar niet veilig zoals hier. Kinderen kunnen daar ook niet alleen naar school. Ik bescherm mijn familie voor het land waar ik vandaan kom, omdat ik hun niet wil pijn doen. Ik ben blij dat het hier in Nederland veilig is.‘

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘Een vriend van mijn zwager, mijn zus was ook getrouwd met een Nederlander, kwam naar Mexico voor een feest. Tijdens dat feest heb ik mijn liefde leren kennen. Door die liefde ben ik naar Nederland gekomen. Ik was toen 25 jaar, nog jong.

Na een paar jaar zijn we uit elkaar gegaan, omdat de relatie niet meer werkte. Ik had toen een baan genomen om zelfstandig te kunnen zijn. Ik dacht: ik ga werken en blijf hier even om te kijken of het leven in Nederland mij bevalt. Later heb ik een appartement gekocht. En daarna ontmoette ik mijn nieuwe liefde.’

Hoe was het om uw familie achter te laten voor uw liefde?
‘Het was moeilijk, vooral om mijn moeder en zus achter te laten. Ik liet mijn vertrouwde omgeving achter en ging naar een plek waar ik niemand kende. Mijn ouders waren erg boos dat ik ongetrouwd het huis uit ging. Dat hoorde volgens de traditie niet. Maar ik trok me daar niks van aan. Ik wilde voor mijn liefde kiezen, ik had een sterke wil. Mensen mogen denken wat ze willen, maar ik volg mijn eigen pad. In onze cultuur hoor je pas uit huis te gaan als je getrouwd bent.

Vorig jaar kwamen mijn tantes op bezoek. Dat was heel gezellig. We maakten samen uitstapjes naar België, Duitsland en verschillende plekken in Nederland.’

Was het moeilijk om aan een baan te komen?
‘In het begin moest ik werken bij een callcenter. Daar kreeg ik veel boze telefoontjes die ik moest oplossen, dat was niet altijd makkelijk. Mijn ex-vriend werkte bij ASML. Ik vroeg hem of hij misschien iets voor mij kon regelen bij de afdeling marketing en communicatie, omdat ik daar graag wilde werken. Via hem heb ik er een baan gekregen.

Ik heb vier jaar bij ASML gewerkt. Ik verdiende genoeg om mijn vaste lasten te betalen, en daardoor kon ik ook een hypotheek aanvragen en uiteindelijk een huis kopen voor mijzelf.’

Heeft u alles alleen gedaan?
‘In het leven doe je niets alleen. Dat betekent dat je altijd mensen om je heen hebt. Je moet gebruik maken van je wilskracht, doorzetten en bij je eigen wil blijven, en niet opgeven. Zo kom je bij mensen die je ook kunnen helpen. Soms heb je pech in het leven, en niet iedereen heeft meteen geluk.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘We zagen Engelse voertuigen over de Stratumsedijk Eindhoven inrijden’

Joos, Laris, Sarah en Noëmi van De Handreiking in Eindhoven interviewen de 91-jarigige Lou Jansen. Het zonnetje schijnt lekker naar binnen en meneer Jansen heeft genoeg te vertellen. Ze vragen van alles over wat hij als jongetje heeft meegemaakt in de oorlog.

Vond u het een spannende tijd?

‘Als kind kreeg je weinig mee van de oorlog. Wij konden nog gewoon buitenspelen maar we moesten wel improviseren. Van natte proppen papier en dikke elastieken maakten wij zelf een voetbal. We deden landje pik en knikkerden. Maar we hadden geen glazen knikkers, die waren er bijna niet meer. We maakten zelf knikkers van klei en die schilderden we. En hoepelen met een velg van de fiets zonder spaken erin. We deden het met wat er was. Wij speelden op straat en hebben ons best wel vermaakt.’

U vertelde dat de ramen eruit gingen door de bombardementen.

‘We zijn in 1943 verhuisd op doktersadvies omdat bij ons steeds de ramen eruit vlogen. We hebben geen bommen op het huis gehad, maar door de luchtdruk van de bommen dichtbij vlogen de ramen eruit. Wij woonden vlakbij de Philipsfabrieken die het doelwit waren van de bommenwerpers. We zijn toen naar Stratum verhuisd en bij een tante gaan wonen, totdat we in mei 1945 een eigen huis kregen.’

Heeft u het 50-jarig jubileum van Philips gevierd?

‘Ja, dat was in 1941 en dat was prachtig. Om 12.00 uur ging de hele fabriek uit. Iedereen droeg een oranje bloemetje. De Duitse schildwachten kregen een bloemetje in de loop van het geweer en die dachten dat de oorlog voorbij is en gingen mee. Maar ’s avonds kregen we de Duitse politie op onze nek want het kon niet dat er feest gevierd werd in Eindhoven. Ze reden met overvalwagens in colonne door de stad en keken of er nog onruststokers op straat waren.’

Hoe was de bevrijding?

‘Vanuit het zuiden kwamen de Engelsen, vanuit het noorden de Amerikanen. We zagen de Engelse voertuigen over de Stratumsedijk Eindhoven in komen en zagen mensen juichen. Ik was 10 dus ik had het nog niet meteen in de gaten. ’s Avonds werden vanuit vliegtuigen lichtkogels afgevuurd. Mijn vader had zes weken in Berlijn gewerkt voor Philips en wist daardoor wat lichtkogels waren. Iedereen dacht dat het vuurwerk was voor de bevrijding, maar mijn vader stuurde ons zo snel mogelijk naar binnen. Wij waren net binnen en toen viel de eerste bom al. Lichtkogels zorgden ervoor dat de stad werd verlicht en de bommenwerpers hun doelen konden zien.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘Op de boot was het heerlijk’

Eliza, Timur, Sarah en Adriano, leerlingen van de Sint Antoniusschool in Amsterdam-Centrum, gaan met de tram naar meneer Frank van den Berg om hem te interviewen. Meneer Van den Berg ontvangt hen met een brede glimlach. Op de tafel heeft hij al foto’s en boeken uitgestald om tijdens het gesprek te laten zien.

Wat voor werk deed uw vader?
‘Mijn vader was een zendeling en wilde het Christendom naar Nederlandse Indië brengen. Dat was en is een Moslimstaat. Vroeger dachten wij in de westerse wereld dat mensen in andere landen gelukkiger konden worden met ons Christelijk geloof. Ik ben geboren in een ziekenhuis in de buurt van Malang, in Nederlands-Indië. We hebben toen nog negen maanden in een mooi wit huis op Malang gewoond. Mijn vader nam altijd foto’s, maar er zijn niet veel foto’s van mij, want hij is opgepakt toen ik vijf maanden oud was. Hij is in het kamp overleden en ik heb hem nooit meer gezien. Ik was 9 maanden toen ik samen met mijn moeder werd geïnterneerd door de Japanners. Alle Hollanders werden in kampen opgesloten achter prikkeldraad. Dat heeft tweeënhalf jaar geduurd, tot mijn vierde jaar. Doordat ik zo jong was, heb ik aan deze periode geen actieve herinnering, maar mijn moeder heeft er later over verteld.’

Wat vertelde uw moeder?
‘We zaten met drie gezinnen in een kamer op dat kamp en als er een Japanner binnen kwam, moesten de vrouwen diep buigen. Als ze dat niet deden, werden ze geslagen of meegenomen en soms ook vermoord. Maar soms hadden de vrouwen niet snel genoeg in de gaten dat er een Japanner binnen kwam en dan riep ik in het Japans: ‘Kirie!’ Dat betekent ‘buig’. Ik was heel alert.’
‘Toen we uit het kamp waren, zijn we met een grote oceaanstomer terug naar Nederland gekomen. Mijn jongste herinneringen zijn van de boot. Op de boot was het heerlijk. Ik maakte papieren scheepjes die ik kon laten varen in de goot van het overtollig zeewater. Ik heb van de boot later een model gevonden om met papier na te bouwen.’

Hadden jullie veel meegenomen naar Nederland?
‘Toen we in Nederland kwamen, hadden we helemaal niks: zes zilveren lepeltjes en de fotoboeken. In die boeken kon ik zien hoe mijn oudere broers een mooi leven hadden in het huis op Malang met een tuin en paardrijden, zwembaden en een kerstboom van een houten staketsel omwikkeld met bladeren, want dennenbomen hadden we niet. Ik was wel jaloers op dat mooie leven voor de oorlog. Ik ben later wel als toerist terug geweest naar mijn geboorteplaats Malang en heb het huis gezien. Er woonden Chinezen in.’
‘In Nederland aangekomen, kregen we na een paar weken een te kleine woning in Amsterdam -West aan de Hoofdweg. Toen ik tien was, kregen we een grotere woning in Zuid. Ik kreeg een eigen kamer en hoefde geen kamer meer met mijn broer te delen.’
‘Ik had blond haar en blauwe ogen maar op school, in Nederland, werd ik toch vreemd gevonden, omdat ik uit Indië kwam. Ik werd katjang genoemd, wat pinda betekent. Ik vond het niet zo erg. School vond ik niet echt leuk, huiswerk en ik waren geen goeie combinatie. Toch kwam het wel goed, ik heb rechten gestudeerd hier aan de universiteit en ben rechter geweest.’

Erfgoeddrager: Sarah

‘Laat geen plaats voor discriminatie in je hart’

Sarah, Pep, Jet en Fien uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam West wachten op meneer Abdeslam Mimouni. Sarah is zijn kleindochter. Het is best speciaal dat ze haar opa gaat interviewen. Hij kwam in 1971 vanuit het Marokkaanse Al Hoceima via Corsica en Frankrijk naar Nederland. Vijfendertig jaar werkte hij hier in een melkfabriek. Abdeslam voelt zich Amsterdammer en daarna pas Nederlander.

Hoe leefde u in Marokko?
Ik ben de jongste uit een gezin van zeven kinderen; voor mij kwamen twee zussen en vier broers. We gingen vaak naar zee, want die was dichtbij. Elke dag vis eten en lekker in de natuur. Omdat ik uit een arm gezin kom, moest ik op mijn twaalfde naar een internaat. Dat lot trof kinderen uit arme gezinnen in die tijd nu eenmaal. Daar kreeg ik ook eten en drinken. Vanuit daar heb ik de middelbare school doorlopen. Ik had echt zin om te studeren en haalde goede cijfers. Ik kreeg uitstel van dienstplicht. Ga eerst maar studeren, zeiden ze. Het jaar erop kreeg ik bericht dat ik toch het leger in moest. Via iemand die ik kende in Frankrijk kreeg ik een arbeidscontract om daar te werken.

Wat dacht u toen u voor het eerst naar Nederland kwam?
Nederlanders zijn open en er valt goed met ze te praten. Mijn woonsituatie was in het begin niet optimaal en ik had ook geen vrienden in het pension waar ik woonde. Er was een man die me altijd stoorde. Iemand waarschuwde me ook voor die man. ‘Hij wil je in de gracht gooien’, zei hij. ‘Let op met wie je loopt!’ Ik moest kiezen met wie ik omging. Toen nam ik de beslissing om naar Amsterdam te gaan. Ik kwam in de Marnixstraat te wonen. Naast me woonde een Egyptenaar. Die wist wel een baantje voor me. De volgende dag kon ik beginnen in de melkfabriek naast de Albert Cuypstraat. Het was daar altijd heel druk op straat. De fabriek moest op zeker moment sluiten, omdat de omwonenden hun de wijk niet geschikt vonden voor industrie. De fabriek verhuisde naar Oost. Tot we daar ook weg moesten en de fabriek naar Hilversum verkaste. In totaal heb ik vijfendertig jaar bij die melkfabriek gewerkt. Toen ik daar ontslagen werd, moest ik nog vier jaar tot mijn pensioen. De uitkeringsinstantie zei dat ik dan maar als vrijwilliger aan de slag moest.’

Vindt u Nederland leuker of Marokko?
‘Het land waar je geboren bent, zit in je hart. Van dat land hou je. Als het moeilijk is om daar te leven, zoek je een andere plek. Dat gebeurde bij mij. Het was leuk in Marokko. Ik heb er mijn studie afgemaakt. Maar als je in Marokko jong bent en je hoopt iets te bereiken, dan is dat lastig, dus zocht ik een andere plek. Frankrijk en Nederland in mijn geval. Ik ging hard werken. Een keer per jaar ging ik naar Marokko. In het begin leefde ik celibatair. Ik kon pas trouwen als ik een groter huis had. Ik vroeg mijn aanstaande bruid of ze mij naar Nederland wilde volgen. Ik wilde haar niet achterlaten en in mijn eentje in Amsterdam wonen. Dat is geen leven. Gelukkig wilde ze dat. In 1972 zijn we getrouwd en al snel kwamen er kinderen en werd ons huis te klein. Waar mijn kinderen geboren zijn, is mijn land en dat is Nederland. Maar ik hou ook van Marokko. Inmiddels leef ik langer in Nederland dan in Marokko.’

Heeft u ooit te maken gehad met discriminatie?
‘Discriminatie is overal. Je moet ermee leren leven. Ik kom van Afrika naar Amsterdam. Mijn kinderen zijn Amsterdammers. We moeten samen zien te leven, als Amsterdammers, Nederlanders. Of ik nou uit Afrika kom of niet, dat maakt niets uit. In mijn hart ben ik Amsterdammer, Nederlander. Iedereen die hier woont heeft een huis en kinderen. En iedereen heeft zijn rechten en plichten. Discriminatie mogen we nooit toestaan. We moeten hier rust voor ons hart vinden om in vrede te leven. We zijn elkaars gelijken. Overal zijn slechte en goede mensen. Ik zag ooit door ons keukenraam een buurvrouw allemaal rommel in de tuin gooien. Ik zei er wat van tegen haar. Ze zei dat we terug naar ons land moesten. Ze spuwde een lading haat over me heen. Mijn vrouw zei dat ik het raam dicht moest doen. Toen ik dat deed zag ik andere buren kijken waar dat geluid vandaag kwam. Twee dagen later wilden buren mijn handtekening. De buurvrouw die met spullen smeet, was niet alleen lastig voor ons maar voor de hele buurt. Zij moest daar weg. De goede mensen overwonnen. Mijn advies is om geen plaats voor discriminatie te laten in je hart. Laten we ons tegen de haat wapenen en het geluk vooropstellen. Als je gelukkig en tevreden bent, wordt het leven veel gemakkelijker. Maar je moet eerst wel hard werken en studeren. Dat staat voorop!’

Erfgoeddrager: Sarah

‘Ik kwam hier samen met mijn grote liefde en voelde me meteen thuis’

Loa, Sarah en Chloe interviewen Jezus Vicente Rufo Arriero in zijn bloemenwinkel in Bergen. Hij heeft een prachtige, kleurrijke bloemenwinkel in het centrum, maar als interviewlocatie blijkt het wat te onrustig. Gelukkig kunnen de leerlingen van de Bosschool naar de Art Gallery Tha Banque om de hoek. Na wat geharrewar over waar ze gaan zitten, neemt iedereen plaats aan tafel tussen de kleurrijke kunstwerken en kan het interview beginnen. De Spaanse Jezus Vicente Rufo Arriero (60) kwam in 1991 naar Nederland.

Hoe was het leven in Spanje?
‘Ik woonde langs de langste rivier van Spanje bij Toledo, waar het in de winter heel koud is en in de zomer heel warm en droog. Er zijn veel historische steden en de architectuur is prachtig. Spanje zelf heeft veel mooie natuur, mooie stranden en veel oude kastelen, het leven is heel fijn daar.

Waarom kwam u naar Nederland?
‘Toen ik op vakantie was op Mallorca ontmoette ik op een boot Renée, hij was de kapitein van het schip waar ik een reisje op maakte en ik werd heel verliefd op hem. Renée werkte voor een Nederlands bedrijf en werd ingezet als kapitein over de hele wereld. We waren zo verliefd dat ik besloot om naar Nederland te verhuizen.’

Toen u hier aankwam, was u toch anders omdat u uit een ander land kwam en de taal niet sprak. Hoe was dat?
‘Ik kwam hier samen met Renée, mijn grote liefde, en voelde me meteen thuis. We konden wonen op de zolder van zijn ouders en zijn familieleden waren hele lieve, warme mensen. Ik vond het wel moeilijk om de taal te leren, daarom ben ik drie jaar naar school gegaan in Alkmaar om Nederlands te leren spreken, lezen en schrijven. Aan het eten moest ik ook wennen, maar de moeder van Renée kookte heel lekker. Stoofvlees, aardappelen en spruitjes… Als zij kookte was het heerlijk.’

Hoe was uw leven met Renée?
‘Renée en ik zijn getrouwd in 1988. We hebben samen heel veel gereisd en we hebben heel veel plekken op de wereld gezien. Als Renée ging varen, ging ik hem opzoeken: in Miami, de Cariben, Turkije. De mooiste reis was toen we samen de oceaan overstaken van Amerika langs Miami, de Azoren, Gibraltar, langs de kust van Griekenland en Turkije, dat was prachtig. Renée kreeg twee jaar geleden plotseling een hartaanval en is overleden.’

Wat zijn de verschillen tussen de Spaanse en Nederlandse cultuur? Wat mist u hier?
‘Het eten en de mensen zijn een beetje anders. Spanjaarden zijn extrovert en gastvrij en mensen leven in Spanje veel buiten omdat het klimaat warmer is, dus dan is het gemakkelijker contact te maken met elkaar.’

 

Erfgoeddrager: Sarah

‘Vanwege de slootjes was het veilig bij ons’

Wan van Buuren woonde in de oorlog op een boerderij in de Sloterpolder, op een plek waar nu de A10 in het westen van de stad ligt. De buurman was Sam van den Broek, de vader van de later beroemd geworden Dirk. Als Yassin, Tuana, Samuel en Sarah hem interviewen op de Multatulischool in Amsterdam-West, is ook zijn vrouw mee. Zij woonde tijdens de oorlog in Rotterdam.

Hoe vond u het om in de oorlog op te groeien?
‘Dat was een hele beleving. Mijn vader was groentetuinder. De Sloterpolder bestond vooral uit slootjes. Onze boerderij was alleen via een boot bereikbaar. De vader van de later bekende Dirk van de Broek was veeboer, hij had onder andere koeien, en zijn weiland grenste aan onze tuin. In die tijd had je geen telefoon en het hebben van een radio was door de Duitsers verboden. Alles wat wij wilden weten, moesten we van andere mensen horen. Dus als er iets gebeurde in de polder, bijvoorbeeld als iemand ziek was, moesten we heel snel naar de stad fietsen. Daar konden we telefoneren met een dokter.’

Kende u onderduikers?
‘Mijn vader had twee onderduikers; mannen die niet voor de Duitsers wilden werken. Omdat ze niets te doen hadden, speelden ze met ons kinderen. Aan een kist maakten ze twee wielen en dan reden ze mij rond de tafel. Dat was heel leuk. En ze maakten koordjes voor ons om mee touwtje te springen. Na de oorlog hebben we nog lange tijd contact gehouden. Onderduiken ging goed bij ons vanwege de ligging tussen al die slootjes. Mensen werden bij ons niet snel gevonden. Ook lieten de Duitsers de tuinders met rust, omdat zij eten hadden. Maar het was toch heel gevaarlijk. In het laatste jaar kwam er een Joodse man aan de deur. Mijn vader durfde hem niet binnen te laten. Als de Duitsers hoorden dat je Joden verborg, werd je meteen opgepakt. Dat was een nare situatie toen.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Door Dolle Dinsdag, in het najaar van 1944, dacht men dat de oorlog snel voorbij zou zijn. Mijn vader had de gewoonte dat hij aardappels kocht in het najaar, en hij kocht dat jaar ook zeventig kilo tarwe als reserve. Iedereen verklaarde hem voor gek. “De oorlog is bijna afgelopen, over een paar weken merk je er niks meer van,” zei men. Maar toen begon juist de ellende. De Hongerwinter was zo erg! Wij hadden veel graan, dat mijn moeder maalde en waar zij brood van maakte. Mensen gingen dood van de honger. Ook de postbode belde bij ons aan voor twee sneetjes. Later, in het voorjaar, kwamen er voedseldroppings. Pakketten met eten werden uit vliegtuigen gegooid. Bij mijn oom, die een paar honderd meter verderop woonde, viel zo’n pakket op het land
Een man die bij hem werkte, heeft dat aan de politie doorgegeven. Mijn oom was toen zo kwaad hem. Hij heeft hem ontslagen. “Je hoeft hier niet meer te komen werken als je mij niet meer vertrouwt”. Zo ging dat in die moeilijke tijd.‘

Dan hebben we nog een vraag aan uw vrouw, hoe beleefde u de oorlog?
‘Ik kom uit Rotterdam en die stad is plat gebombardeerd. Ik ben in de oorlog geboren en herinner me vooral dat ik in een kapotte stad speelde. Als kind speel je gewoon door. Dat was hartstikke spannend. In Rotterdam was het ook erg tijdens de Hongerwinter. Mijn ooms moesten helemaal naar Zeeland lopen om eten te halen. En een zus van mijn moeder is helemaal naar Groningen gefietst, op houten banden, en daar is ze gebleven, omdat de mensen daar meer eten hadden. Dat kan je je nu niet voorstellen. Nu pak je de telefoon en je bestelt wat. Na de oorlog moest alles weer opgebouwd worden. Niet zeuren, niet praten, maar werken. Aan de slag!’