Erfgoeddrager: Ronja

‘In dat keldertje is mijn broer gaan zitten, met het vlees van het kalfje erbij’

Op hun school, ’t Hunnighouwersgat op Terschelling, bereiden de kinderen hun vragen nog kort voor en na een ritje van 10 minuten komen Tess, Phileine en Ronja aan op West. Daar spelen ze nog even in de speeltuin die tegenover het huis van Lea Ruig (1937) ligt. Een snoepje om het feest compleet te maken en precies om 9 uur stappen ze binnen in de zonnige woonkamer van mevrouw Ruig.

Kende u ook mensen die ondergedoken zaten?
‘Mijn broer moest onderduiken omdat hij anders naar Duitsland zou worden gestuurd om daar te werken voor de Duitsers. Op een dag was er een razzia. Mijn broer verstopte zich. Ze hadden kort voor de razzia nog een kalfje geslacht in de kelder, wat ook niet mocht natuurlijk. In dat keldertje is mijn broer gaan zitten, met het vlees van het kalfje erbij.

Op een dag kwam er ook een commandant langs en die vroeg om het trouwboekje. We waren thuis met zes. Mijn oudste zuster heette Trientje en mijn oudste broer heette Auke. Toen de commandant vroeg naar het tweede kind, antwoorde mijn vader: ‘Dat is ook een meisje en die is nu niet thuis want die zorgt voor haar oma omdat zij ziek is’. De commandant geloofde dit en zo werd mijn oudste broer dus niet bekend bij deze commandant.’

Ging u nog naar school tijdens de oorlog?
‘We gingen nog naar school, alleen tijdens de Hongerwinter was het te koud en bleven we thuis. Er was geen brandstof om de kachel te stoken. Ik vond het niet leuk dat ik niet naar school kon want we hadden thuis ook niks te doen. Ik heb mezelf leren lezen met hulp van mijn moeder, broers en zussen want ik mocht wel boekjes ophalen van school.’

Hoe vierde u de bevrijding?
‘Ik ging met mijn familie lopend naar Dokkum en vierde daar feest. Op de terugweg mocht ik gelukkig achterop de fiets want ik was nog klein en het was een eind lopen.’

Heeft u nog een boodschap voor ons?
‘Ik vind het vreselijk dat er nog steeds oorlogen zijn en dat houdt me erg bezig. Het is een rotzooi. Vreselijk en ook de kinderen die dit treft. We hebben er weinig van geleerd.’

Erfgoeddrager: Ronja

‘We stonden een week stil met de trein en dronken slootwater’

Diandro, Seth en Ronja van de Oscar Carré gingen in Amstelveen op bezoek bij Ina Groenteman-Rosenthal. Zij woonde tijdens de oorlog met haar familie in de Tweede Jan Steenstraat 90. In haar huis in Amstelveen hangen veel foto’s van familieleden, en staan veel mooie menora’s. Mevrouw Groenteman-Rosenthal was drie jaar oud toen de oorlog uitbrak en werd in 1943 tijdens een razzia opgepakt en naar een kamp gebracht. 

Wat weet u nog van het leven in Amsterdam tijdens de oorlog?
‘Ik was natuurlijk erg jong, maar ik heb toch nog wel herinneringen aan het begin van de oorlog. In onze straat woonden heel veel joodse mensen. Alle joodse mensen die ouder waren dan zes jaar moesten verplicht een gele ster dragen. Ik vond het jammer dat ik zelf geen ster mocht dragen, want ik vond die ster prachtig. Ik draag nu ook nog een kettinkje met een ster, net als mijn kleindochter. Ik ben er heel trots op.’

 Hoe was het in kamp Westerbork?
‘Iedereen sliep heel dicht op elkaar, in stapelbedden. Ik wilde na de oorlog ook nooit meer in een stapelbed liggen, omdat het me deed denken aan die verschrikkelijke kampen. We kregen heel weinig eten, alleen wat brood zonder beleg en een klein beetje koolraap. Ook leerden we er liedjes en de hora dansen van Hans Krieg, een aardige joodse man daar.’

Hoe was de tocht naar Bergen Belsen?
 ‘Dat was verschrikkelijk. We zaten met heel veel mensen uit verschillende landen dicht op elkaar in een beestenwagen en er was geen eten of wc. Na twee dagen kon de trein niet verder omdat de brandstof op was. We stonden toen een week stil en konden alleen maar slootwater drinken. Eigenlijk was dat water best lekker, want we hadden verder niks. Vrijdag 13 april in 1945 was een dag die ik nooit meer zal vergeten. Het was heel zonnig en de Amerikanen kwamen ons bevrijden. Door het slootwater dat we hadden gedronken, kregen we tyfus. We moesten naar het ziekenhuis in Duitsland. Het duurde nog twee maanden voordat we weer in Amsterdam waren. In september 1945 ging ik pas voor het eerst in mijn leven naar school. Ik was toen al bijna 9 jaar oud en moest heel veel leerstof inhalen.’