Erfgoeddrager: Rodaina

‘Er vlogen honderden vliegtuigen over het huis die bommen lieten vallen’

Op een zomerse dag gaan Rodaina, Jinthe en Kris van’t Karregat in Eindhoven op bezoek bij Ton van Hugten (88 jaar). Ze kunnen lekker buiten zitten in een bijzondere tuin met kunstwerken van meneer Van Hugten over onderwerpen die hem na aan het hart liggen. Daar hoort ook de Tweede Wereldoorlog bij en hij kan boeiend vertellen over de dingen die hij toen meemaakte.

Kunt u iets vertellen over de radio die werd verstopt?
‘Zoals je weet waren wij in oorlog met Duitsland. Daarom waren hier veel Duitse soldaten. Daar waren wij best wel bang voor. Ze gingen bijvoorbeeld bij het winkeltje van mijn tante Bets, hier in de straat, allerlei spullen halen. En die namen ze dan mee zonder te betalen. Ook was het verboden om een radio in huis te hebben. Maar mijn vader wilde de radio niet inleveren. Hij groef een heel groot gat in de tuin en deed daar de radio in. Na de oorlog gingen we kijken of er iets van over was. En wat denk je…hij was nog helemaal in tact. Mijn vader had de radio dan ook in een zinken kist gedaan voordat hij de grond in ging!’

Was u bang tijdens de oorlog?
Ik was een kind en was me niet altijd bewust van het gevaar. Soms liep ik naar buiten en dan haalde mijn moeder mij snel weer naar binnen. Vooral mijn ouders waren bang, die wisten precies wat er gebeurde. Als kind heb je dat niet in de gaten. Regelmatig vlogen er vliegtuigen en bommenwerpers over. Op een dag vlogen er honderden vliegtuigen over het huis die bommen lieten vallen. Alle ramen waren kapot. Toen kregen we oorlogsglas. Dat was veel dunner dan normaal glas en je kon er amper doorheen kijken.’

Hadden jullie een eigen schuilkelder?
‘Als het luchtalarm afging, moesten wij zo snel mogelijk naar de schuilkelder. Er waren dagen dat het luchtalarm wel drie keer op een dag afging. Onze schuilkelder is nog steeds hier in huis te zien, want ik ben hier altijd blijven wonen. Ieder huis had toen zo’n kelder, maar er zijn er niet veel bewaard gebleven. Kom maar eens kijken.’ Meneer Van Hugten loopt naar de schuilkelder, eigenlijk een soort kelderkast met een trapje naar beneden. Hij doet voor hoe zijn moeder ging staan om hem te beschermen als ze in de schuilkelder waren. Het is wel heel krap…

Erfgoeddrager: Rodaina

‘Ik zag de oorlog als één groot avontuur’

Rodaina, Salma en Salim van Spring High zitten nog niet eens als Gerrit Kalkhoven (1924) al begint te vertellen over zijn leven tijdens de oorlog. Meneer Kalkhoven haalt een mapje tevoorschijn met zijn oude persoonsbewijs, distributiekaarten, voedselbonnen en prachtige foto’s van vroeger. Er komen koekjes op tafel en het interview kan nu écht beginnen!

Moest u onderduiken tijdens de oorlog?
‘Op een gegeven moment werd ik opgeroepen om in Duitsland te moeten werken. Daar heb ik me aan onttrokken. Ik was een schoolvriendje van vroeger tegen gekomen, Dickie, en via hem ben ik terecht gekomen bij een scheepsreder. Ik kon op een schip als matroos aan de slag. Ik moest me melden in Best, onder Nijmegen. Ik kwam daar op de werf en ik zag dat het schip helemaal onder de kogelgaten zat. De schipper kreeg opdracht om naar Engeland te varen, maar dan moesten we via de Schelde. Daar werd elke dag geschoten door Engelse vliegtuigen, daarom zag het schip er al zo uit. We gingen de Maas op en we kwamen bij Rotterdam. Dat was mijn enige kans. Ik ben gevlucht en heb eerst twee tot drie dagen in een hotel in Rotterdam gezeten. De volgende morgen deed ik mijn laarzen aan om de straat op te gaan om eten te zoeken. Ik had op een gegeven moment zo’n pijn aan mijn voeten. Toen kwam ik tot de ontdekking dat ik mijn linkerlaars aan mijn rechtervoet had en de rechterlaars aan mijn linkervoet. Ik was zo op van de zenuwen dat ik mijn schoenen niet eens normaal aan had kunnen doen.’

Heeft u wel eens razzia’s meegemaakt?
Nadat ik in Rotterdam had gezeten, ben ik teruggegaan naar mijn ouders in Amsterdam waar ik de rest van de oorlog ben gebleven. Dat was voor mij de moeilijkste tijd, want toen begonnen de razzia’s. Ik liep een keer van mijn werk naar huis met een vriendje. Onderweg was er een mevrouw en die vroeg aan ons of wij haar tas wilden dragen. Dat wilden we wel en in ruil daarvoor kregen we een appel van haar. Toen zagen we vanuit de verte dat er een razzia gaande was. Ze joegen alle mensen op. Wij zagen dat gelukkig van ver dus wij zetten die tas neer. Die vrouw was verschrikkelijk verontwaardigd want wij hadden wel die appel aangenomen maar nu lieten we haar in de steek. We liepen snel de andere kant op en zo ontsnapten we. Mijn broer was wel opgepakt voor de arbeidsinzet. Hij moest naar een strafkamp. Thuis waren we blij toen er eindelijk bericht kwam over hem. Op een dag kwam hij opeens de hoek omlopen, terwijl hij bijna vier jaar in een kamp had gezeten!’

Was u wel eens bang?
‘Nee, je was alert, verschrikkelijk alert. Je was nooit veilig op straat. Mijn moeder was altijd ongerust of ik wel thuis zou komen. Ik wilde niet thuis blijven, dat kon ik niet. Ik wilde werken, zodat ik iets te doen had. Er liep wel familie op straat en die hadden me dan weer zien lopen. Dan gingen ze langs mijn moeder om haar gerust te stellen. Omdat ik jong was, zag ik die oorlogsperiode ook als één groot avontuur. Dat wil ik eerlijk zeggen, hoor. Ik ging op pad om eten te zoeken. Dat was ook avontuur. Bij de boeren gingen we aardappels zoeken in de velden. Bij sommige boeren werden we meteen binnengelaten en kregen we te eten. Maar ik heb ook wel eens meegemaakt dat een boer zijn hond op me afstuurde. En ik ben ook wel eens terechtgekomen bij een boer waar ik ‘s nachts mocht slapen in het hooi. Ik kwam die stal binnen en de hele ruimte lag al vol met mannen. Dat bleken mannen van verzetsgroepen te zijn.’