Erfgoeddrager: Luna

‘Jongetjes streden om wie de meeste munitie verzameld had’

Jaap Bijlsma wordt door Derek, Willem, Luna, Eva Maria en Esmaralda van de Bosschool in Bergen geinterviewd in Tha Banque, een grote galerie in de voormalige ABN AMRO in het centrum. De kinderen vinden het een interessante plek voor de ontmoeting. Aan een ronde tafel en met vlierbeslimonade kan het interview beginnen.

Hoe was uw schooltijd in de oorlog?
‘Ik heb op wel zes lagere scholen gezeten! De Duitsers namen de scholen namelijk in beslag en daardoor kregen we les op allerlei andere locaties. Dan zei mijn moeder: “In Alkmaar is een school aan de Oude Gracht; ga daar maar naartoe en bel maar aan.” Ik belde dan aan en vroeg: “Mag ik hier naar school?” Zo ging dat toen. Er kwam ook niets van leren terecht. We speelden veel buiten. Jongetjes streden om wie het snelste of sterkste was en in die tijd ook om wie de meeste munitie van de Duitsers verzameld had. Ik had het meeste van iedereen; mitrailleurkogels, een bus met dynamiet, verstopt in mijn slaapkamer. Mijn vader kwam erachter en gooide alles weg, in het water. Hij had gelijk. Het was ook erg gevaarlijk. Een keer heb ik met vriendjes een kogel in een glazen potje met een vuurtje heet gemaakt. We scholen in een kruiwagen, wachtend op wat er zou gebeuren, maar er gebeurde niks. Dus ging ik er naartoe om het vuurtje een beetje op te porren en toen explodeerde dat ding. Ik heb ontzettend geluk gehad, want het kwam niet in mijn ogen. Van een vriendje hing zijn oor er half af. Daar schrok ik enorm van. Mensen kwamen allemaal uit hun huizen. Ook een politieagent kwam erbij. Hij pakte me bij m’n arm en zei: “Heb je nog meer van die rotzooi bij je?” Ik zei van niet. Toen begon hij me te fouilleren en overal uit mijn jas en broekzakken kwamen kogels…’

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘We hadden twee Joodse onderduikers in huis; een moeder en dochter. Het meisje blondeerde haar haar zodat ze er niet Joods uitzag. Ze flirtte met de Duitse soldaten maar mijn vader vond dat veel te gevaarlijk en was daar best een beetje boos over.
Sommige Duitsers waren aardig. Zo mocht ik met eentje mee in zijn auto. Ik mocht zelfs achter het stuur zitten en sturen! Ik reed zo de berm in. Later, na een jaar of drie, werd de sfeer anders. De Duitsers verloren veel en hun gedrag werd feller. En toen kwam er de Hongerwinter. Mijn moeder stuurde me dan op pad met een melkkarretje. “Ga maar kijken of je iets kunt krijgen!” zei ze dan. Soms kreeg ik iets bij de boeren, soms niet. We aten ook bloembollen in die tijd. Die smaakten best lekker, als zoete aardappelen. En suikerbieten werden heel veel gegeten. Daar persten we met onze handen stroop uit. Van de droge suikerbiet maakte mijn moeder koekjes. Ook gingen we naar de gaarkeuken. Voor vijf bonnen kreeg je vijf scheppen varkensvoer. Dat bestond uit bieten, uien,  aardappel en soep. Niet lekker, maar ja, je had tenminste iets. Zo bleef je in leven.’

Wat weet u nog van bombardementen?
‘Ik herinner me de bommenwerpers die overvlogen. Dan gingen de luiken open en vielen de bommen eruit. Maar die bommen werden gepakt door de wind en vielen rondom ons. Iedereen vluchtte dan alle kanten op. Vaak vlogen Engelse vliegtuigen vol bommen over naar Duitsland en kwamen ze leeg weer terug. De Duitsers waren hierop bedacht dus ze waren alleen alert als ze vol heenvlogen. Maar op een dag besloten twee Engelse vliegeniers in Duitsland geen bommen af te werpen en kwamen dus vol terug. De Duitsers rekenden daar niet op. Wij stonden die dag in de tuin en plotseling zagen we recht boven ons twee Engelse bommenwerpers die grote zwarte dingen lieten vallen. Dat was wel schrikken. De wind nam de bommen mee en ze vielen op het vliegveld dat de Duitsers in beslag hadden genomen.’

           

Erfgoeddrager: Luna

‘Wie is er bij jullie teruggekomen, vroeg iedereen elkaar na de oorlog’

Het is maar een klein stukje fietsen vanaf Spring High naar Slotervaart en de winterzon schijnt vrolijk. Met koekjes in de hand voor hun verteller komen Sybren, Ramiro, Hugo, Luna en Madhu binnen bij Saskia van Kreveld (1952) die op haar beurt weer naast een stapel documenten en oude familiefoto’s twee mandjes met lekkernijen en colablikjes klaar heeft staan op tafel. “Oma’s mogen verwennen!”

U bent na de oorlog geboren. Waarom doet u mee met dit project?
‘Gelukkig heb ik de oorlog inderdaad niet zelf meegemaakt. Mijn vader Max was 32 toen de oorlog begon en mijn moeder Mimi 16. Zij hebben het geluk gehad dat ze op tijd gewaarschuwd werden en konden onderduiken. Mijn moeder heeft na de oorlog bijna niets willen of kunnen vertellen. Ze wilde niks meer met Duitsland te maken hebben of erover horen of praten. Mijn vader heeft mij geleerd dat niet alle Duitsers slecht waren en dat je nooit mensen over één kam moet scheren. Hij heeft jarenlang op scholen kinderen van jullie leeftijd zijn verhaal verteld. Toen hij er niet meer was – hij is 90 jaar geworden – heb ik het doorvertellen van hem overgenomen. De oorlog heeft mijn hele leven beïnvloed. Daarom doe ik mee.’

Wat is er met uw familie gebeurd in de oorlog?
‘Wij zijn Joods en bijna onze hele familie is vermoord. Mijn vader en zijn jongste broertje zijn de enigen van hun gezin die terugkwamen. Na de oorlog was het de vraag die iedereen elkaar stelde: ‘Wie is er bij jullie teruggekomen?’. Jaren later kregen wij brieven van het Rode Kruis met alle namen van onze omgekomen familieleden. Het was allemaal heel keurig bijgehouden in de kampen. Toch hebben we er nog steeds niets van geleerd; overal op aarde zijn er oorlogen gaande. Kennen jullie een oorlogskind? Ja? Dat bedoel ik! Mensen die zoiets hebben meegemaakt moeten we omarmen. Dat deed Nederland niet goed na de oorlog. Toen mijn vader ‘thuiskwam’, woonden er andere mensen in zijn huis terwijl zijn oude tapijt nog op de vloer lag. Het enige dat we nog hebben van de familie zijn een paar oude foto’s, kristal en wat zilver dat vrienden na de oorlog hebben teruggegeven. Mijn omaatje werd bijvoorbeeld nog met haar schort aan vanachter het fornuis geplukt en werd achterop de fiets afgevoerd omdat ze door de reuma niet meer lopen kon. Mensen moesten alles achterlaten en anderen pikten dat in. Mijn vader zei altijd dat de oorlog voor hem nog dagelijks speelde. Ik denk dat mijn taak in het leven is dat ik deze boodschap door moet geven, dat mensen zelf moeten nadenken, niet achter iemand aanlopen en niemand buitensluiten.’

Wat weet u over het onderduiken van uw familie?
‘Mijn halfbroer Emile, van het eerste huwelijk van mijn vader, heeft als klein kind op achttien verschillende onderduikadressen gezeten, zonder zijn ouders. Ook van mijn vader weet ik dat hij op verschillende plekken ondergedoken heeft gezeten. Telkens als hij verraden was, wist hij gelukkig op het nippertje te ontkomen. Via de ‘ondergrondse’ – een organisatie van allerlei mensen die vanuit hun overtuiging de Joden wilden helpen – kwamen mijn ouders op veilige plekken terecht. Er waren ook wel mensen die woekerprijzen, heel veel geld, vroegen voor onderduikadressen. Gelukkig niet de mensen van de ondergrondse; dat waren échte helden. Het laatste adres waar mijn vader ondergedoken heeft gezeten was in Terwolde. Daar heeft hij zich het langst verstopt en werd hij heel goed behandeld. Hij heette daar ‘Oom Henk’. In de gang zat een hele kleine schuilplek achter de schrootjes van de kapstok. Een keer werd er aangeklopt en stond er plots een ‘bruinhemd’ – een Duitse soldaat – binnen. Die man stond dus met dat dunne muurtje waar mijn vader achter zat, eigenlijk vlak voor mijn vaders neus! Zijn hart bonkte zó hard dat hij dacht dat iedereen het kon horen. Hij was nog nooit zo bang geweest. Die angst heeft hij altijd gehouden. Ook het verdriet van wat een mens een ander aan kan doen is nooit weggegaan. Toch hebben mijn ouders het gedurfd om na de oorlog weer een nieuw leven op te bouwen. In 1949 zijn zij getrouwd.’

Wie was dokter Mengele?
‘In Auschwitz was er een dokter die als ‘vriendje’ van Hitler de ruimte kreeg om onderzoek te doen op Joodse mensen. Mijn tantetje Ro zat in Auschwitz. Bij het uitladen van de treinwagons werden de mensen opgesplitst in verschillende groepen; sommige mensen werden meteen vermoord, sommigen werden te werk gesteld en anderen werden uitgekozen door dokter Mengele voor zijn gruwelijke experimenten. Bij mijn tante Rootje heeft hij allerlei dingen uitgespookt; zelf wist ze niet precies wat hij allemaal heeft gedaan. Ze heeft de details ook nooit willen vertellen. Maar na de oorlog bleek haar hele buik binnenin vernield. Ze kon geen kinderen meer krijgen en had altijd last van haar darmen. Mengele vond tweelingen ook heel interessant om hele enge dingen mee te doen. Ook onderzocht hij het Joodse volk. Maar eigenlijk bestaat dat niet; hét Joodse volk. Er zijn allerlei volkeren onder de Joden en geen vaste kenmerken. Aan iemands uiterlijk kun je dat toch niet aflezen? Dat is heel gevaarlijk. Nog steeds zijn er mensen die anderen buitensluiten op grond van hun uiterlijk, zoals meneer Baudet onlangs weer heeft gedaan. Die hebben er niks van begrepen of geleerd van de geschiedenis. Daarom nogmaals mijn boodschap aan jullie; denk na en wees lief voor een ander. Bedenk iedere avond als je in je bed ligt of je die dag goed bent geweest tegen je naasten en neem je voor open te staan voor een ander. Goh, ik lijk wel een predikant!’

            

Erfgoeddrager: Luna

Ze verwachtten niet dat de directrice zwart was.’

Joyce is geboren in Paramaribo uit een katholiek gezin van acht kinderen, vader timmerman, moeder huishoudster. Voor het interview ontvangt ze Daphne, Jara, Kelly en Luna in haar huis in Zaandam. Tijdens het interview laat ze verschillende voorwerpen zien die een emotionele lading voor haar hebben. Het interview is vrolijk en gezellig, hoewel niet alles wat Joyce heeft meegemaakt even vrolijk was.

Waarom besloot u om naar Nederland te verhuizen?

‘Ik heb gestudeerd in Suriname. Maar op een gegeven moment was er geen mogelijkheid meer om verder te studeren. Ik heb toen een jaar gewerkt en ben toen naar Nederland gekomen. Daar ben ik verder gaan studeren op een hbo-school in Limburg. Op een basisschool in Limburg was ik eerst docent en vervolgens directrice. Ik heb daar twintig jaar als directrice gewerkt. Ik woonde in Brunssum en was daar de enige zwarte. Het was in het begin eventjes wennen, maar ik ben een makkelijk mens en ik paste mijzelf aan. Ook had ik gelijk vriendinnen. Dat is iets wat ik toen erg bijzonder vond.’

Heeft u uw familie moeten achterlaten toen u uit Suriname vertrok?

‘Ik heb mijn familie achtergelaten in Suriname, mijn vader, mijn moeder en al mijn broers en zussen. Ik vond dat echt heel moeilijk, maar ik had een visie die mij op de been hield: ik ga hard werken en ook voor hen zorgen. Ik vond het dus wel naar om hiernaartoe te komen, maar ik deed het ergens voor, namelijk het helpen van mijn vader en moeder. Door veel geld te verdienen kon ik ze allemaal daar ondersteunen. Gelukkig kwam een van mijn broers een jaar later in Amsterdam wonen, dat vond ik heel prettig. En mijn vader en moeder zijn na vijf jaar later hiernaartoe gekomen, met alle andere broers en zussen. Wij zijn toen in Limburg gaan wonen.’

Hoe was het om de eerst getinte directrice te zijn van een basisschool in Limburg?

‘De Limburgers zijn hele lieve mensen en ze waren heel geïnteresseerd in mij als persoon. En ze vingen me goed op. Maar ik had toch het gevoel dat ik harder moest werken, mezelf meer moest bewijzen. Een voorbeeld uit de tijd dat ik als directrice werkte: als er ouders kwamen met kinderen om zich in te schrijven, dan liepen ze mijn kantoor voorbij als ze mij zagen zitten. En als ze het niet konden vinden, liepen ze terug, keken ze nog een keer naar binnen. In de deuropening vroeg ik dan wie ze moesten spreken. Als antwoord zeiden ze dat ze de directrice moesten hebben. Als ik dan zei dat ik dat was, keken ze altijd een beetje raar uit hun ogen, of zeiden: ‘Oh?’ Ze verwachtten niet dat de directrice zwart was.’

 

 

Erfgoeddrager: Luna

‘Kinderen in de klas zeiden dat ik ongeluk bracht’

Wij interviewden Rietje in cafe Hegeraat op de Noordermarkt. Na afloop hebben wij haar allemaal even een knuffel gegeven.

Hoe begon de oorlog?
‘Er waren ineens een heleboel soldaten met grote laarzen aan, op straat. Dat was heel angstig, omdat ik nog klein was. De familie kwam bij elkaar bij mijn oma op de hoek van de Goudsbloemstraat. Ze waren met zes zussen en twee broers. De man van mijn tante Bet, was zeeman op de grote vaart en kon dus niet meer terug naar Nederland, hij is de hele oorlog weggeweest. Als kind besefte ik eigenlijk niet hoe erg het was, maar zag dat iedereen om mij heen in paniek was. Mensen waren in tranen, ze waren in de war, omdat Nederland eigenlijk neutraal was.’

Ging u naar school in de oorlog?
‘Ja. Ik zat op school op de Lindengracht. Als er vliegtuigen overvlogen en er werd gebombardeerd, dan zat de meester onder de tafel en wij onder de banken. Dat hielp dus helemaal niets. Als er granaten insloegen, dan vloog het glas naar binnen.

Ik had een vriendinnetje en die kwam voor het eerst op school. Het was een heel schattig meisje en ze kwam naast mij zitten in de klas. We werden echt vriendinnen. Op een ochtend was ze er niet. Ze was ziek geworden en omdat er geen medicijnen in de oorlog waren is ze overleden. Dat was een hele klap voor mij. Ik mocht naar haar begrafenis. Daarna kwam er een ander meisje naast mij zitten. Met haar was ik ook vriendinnetjes. Mensen hadden niet echt een gasfornuis in de keuken en zij was buiten op een primus een pannenkoekje aan het bakken, toen is dat ding in de brand gevlogen en dat meisje ook. De meester heeft op school gebeden dat ze mocht overlijden, omdat ze anders een monster zou zijn. Ze is toen ook doodgegaan. Vanaf die dag wilde niemand meer naast mij zitten. Ze zeiden dat ik ongeluk bracht.’

Heeft u iets gemerkt van haat tegen Joden?
‘Mijn oom was half Joods, zijn vader was Joods, zijn moeder niet. Toch moest hij een ster dragen. In het begin was er niet zoveel aan de hand, maar later moesten hij en zijn vader ook onderduiken.’

Heeft u iets meegekregen van het verzet?
‘Mijn ooms waren communist en hadden illegale krantjes. Op een nacht hadden ze op alle peperbussen op de Lindengracht, aanplakbiljetten van het verzet geplakt. Toen zijn de Duitsers gekomen in overvalwagens en vroegen wie dat gedaan had. Niemand zei natuurlijk iets. Toen gingen ze alle huizen in, trappen op en brachten alle mannen naar buiten. Die moesten met hun nagels alle pamfletten van die peperbussen afkrabben. Hun nagels zaten helemaal onder het bloed. De Duitsers onderzochten meteen alle huizen of er nog onderduikers zaten.’

Hoe was het in de hongerwinter?
‘Aan het eind mocht een groep Amsterdammertjes naar Texel om aan te sterken.
Mijn moeder bracht mij naar dekschuiten achter het Centraal. Ik voelde mij heel alleen en moest huilen. Op Texel werden we ondergebracht bij mensen. Maar op Texel brak een zwaar gevecht uit, wat ze nu de Vergeten Oorlog noemen. Op het eiland zaten Russen (Georgiërs) die met de Duitsers hadden gevochten. Toen de Duitsers de oorlog aan het verliezen waren, moesten de Georgiërs met de Duitsers vechten tegen de Geallieerden, maar dat wilden ze niet meer en zijn in opstand gekomen. Er ontstond een bloedig gevecht. Ik moest mij verstoppen en mocht niet meer naar buiten. Er was helemaal geen communicatie tussen Amsterdam en Texel, dus mijn moeder wist helemaal niet dat er zo erg gevochten werd.  De Texelaars, die Georgiërs in huis verstopten, werden ook doodgeschoten. Deze strijd begon in april en eindigde pas nadat iedereen in Nederland al bevrijd was. Ik heb de bevrijding in Amsterdam dus niet meegemaakt. Ik was pas in juni thuis. Er zijn heel veel Georgiërs en Texelaren doodgegaan. Ook vier van de Amsterdammertjes die naar Texel waren gekomen om aan te sterken, werden gedood.’

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Luna

‘De vloeipapiertjes waarop we boodschappen aan m’n vader schreven, heb ik nog steeds’

Emy Roël was zeven jaar toen de oorlog begon en veel herinneringen. Onder andere aan haar vader, die als verzetsman werd opgepakt en vermoord. Maar ook aan de lieve reactie van haar klasgenootjes. Aan Ilias, Jamill en Luna van de Olympiaschool vertelt ze over de oorlog die bij de start nog niet tot haar doordrong.

Was u wel eens bang tijdens de oorlog?
Het begin van de oorlog maakte niet zoveel indruk, we hadden als kinderen nog niets door. We gingen gewoon naar school en speelden buiten. Het besef kwam later pas, toen er meer Duitsers op straat waren. Zo stond er bij de tramhalte op Ferdinand Bolstraat een hele grote mitrailleur. Dat ding zie ik nog altijd voor me, zo groot en angstaanjagend. Toen was de oorlog voor mij pas echt begonnen. Later in de oorlog vielen er wel eens bommen bij ons in straat, dan vluchtten wij naar mijn opa en oma op de Prinsengracht, zij hadden een schuilkelder. Tegenover ons in de straat woonden ook Joodse mensen waaronder een jongen van een jaar of 11. Ik heb nog gezien hoe zij door de politie werden opgepakt en in een wit Volkswagenbusje werden afgevoerd. Een beeld dat ik nooit van mijn leven zal vergeten, het was afschuwelijk. Bang dat onze vader niet terug zou komen, zijn we geloof ik nooit echt geweest. Mijn moeder was er altijd heilig van overtuigd dat hij zou terugkomen. Zij was een ontzettend positieve vrouw en die instelling is mij altijd bijgebleven en heb ik zelf ook overgenomen.

Wat deed uw vader in het verzet?
Mijn vader zat bij het verzet via de kerk waar wij iedere zondag naartoe gingen. Dat was de kerk aan de Pienemanstraat. Niet alleen mijn vader had zich hierbij aangesloten, ook zijn vrienden, onze buren en de buren van zijn vrienden. Het was een vrij grote groep. Toen ze startten, hadden ze ook niet het idee dat de oorlog zo lang zou duren. Mijn vader heeft eigenlijk nooit iets voor het verzet gedaan. Het was nog redelijk in het begin van de oorlog toen de groep werd opgepakt. Waarschijnlijk zijn ze verraden. Helaas is nooit achterhaald door wie.

Heeft u daarna nog contact gehad met uw vader?
Ik was negen toen het allemaal gebeurde, nog heel jong. Voor hij verdween, heeft hij nog een tijdje in de gevangenis gezeten. Mijn moeder mocht dan bij hem op bezoek en dan nam ze een nieuwe pyjamabroek voor hem mee. In de band van de pyjamabroek had ze vloeipapiertjes genaaid. Op deze kleine papiertjes hadden wij als familie boodschappen geschreven. Deze papiertjes heb ik nog steeds. De tekst is ondertussen wat vervaagd, maar ik kan me nog goed herinneren dat op één van de papiertjes die ik van mijn vader had gekregen stond dat ik als oudste kind goed voor mijn broertjes en zusjes moest zorgen. Toen mijn vader verdween, deden mijn moeder en tante – het zusje van vader – heel geheimzinnig. Ze zeiden dat hij een tijdje op vakantie was. Ik en mijn broertjes en zusjes snapten dat niet zo goed. De dag dat hij is vermoord is de ergste dag van mijn leven. We woonden op twee hoog, en ik was thuis toen ik de deur opendeed en een Duitse agent door het trappenhuis hoorde schreeuwen dat mijn vader was overleden. Ja, dat hakte er toen flink in. Op school werd ik door mijn juf de klas uitgestuurd om op de klok te kijken hoe laat het was. Ik vond dat zo gek, ik kon nog geen klokkijken. Toen ik terug de klas in kwam lag mijn tafeltje vol met gummetjes, blocnootjes en pennetjes. Die had ik, als een soort steunbetuiging, van mijn klasgenootjes gekregen.

Erfgoeddrager: Luna

‘Maak geen ruzie, want dat is een oorlog in het klein’

Bram Claassen zat op de Van Rijnschool en was zeven jaar toen de oorlog uitbrak. Aan Ensar, Joaquin, Luna en Bieke van de Rosa Boekdrukkerschool vertelt hij over de onderduiker in huis, over wat je kunt doen als je honger hebt en aan de prettige tijd in Friesland.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
Het luchtalarm ging af. Mijn moeder en ik hingen uit het raam en opeens zei ze: Bram, het is zover, het is oorlog. Ik was zeven, ik wist niet wat dat was. Wel dat mijn vader soldaat was, maar oorlog? Wat gebeurt er dan? Nou, dat merkte je snel. Als er bommen vielen, moest je schuilen. We hadden goed contact met de benedenburen die alle buren van 1, 2 en 3 hoog vertelden dat ze – als het luchtalarm klonk – bij hen konden komen. Dat gebeurde vaak. Ik zag ook vliegtuigen en dat er geschoten werd. Zo’n luchtgevecht vond ik toch wel eng.  En eng was ook die keer dat er olietanks in de brand stonden in Noord. De lucht kleurde de hele nacht oranje! Nederlandse soldaten hadden dat gedaan, zodat de Duitsers die olie niet konden gebruiken.

Wat vond u het spannendste?
We hadden stiekem een radio. Daarop luisterde m’n vader naar berichten uit Engeland, om te horen wat er allemaal gebeurde in oorlogstijd. Spannend was ook het suikerbieten stelen op het platteland bij Sloterdijk, samen met mijn vriendjes. Kwajongensstreken waren dat, zoals ook de konijnenkeutels die ik als dropjes uitdeelde. Nee, m’n ouders aten ze niet op. En spannend was ook toen m’n vader op een dag een jongeman mee naar huis nam. Zeventien jaar was hij en hij zei dat ie Nico de Jong heette. Een Joodse jongen, maar hij droeg geen ster. Hij moest bij ons onderduiken. Hij speelde  graag toneel, ook met de ramen open, als mijn ouders er niet waren, naar de buurt toe. Toen werd het te gevaarlijk voor ons ook. Hij is ergens anders ondergebracht. Later zag ik ‘m in een film, hij was acteur geworden! Z’n echte naam bleek Dick Scheffer.

Waar bent u het meest trots op?
Op mijn vader. Die kon zo veel. Zo bouwde hij voor de onderduiker een kast om hem als het nodig was in te verbergen. Hij regelde ook voldoende eten en drinken voor ons. Helaas moesten we ons konijn ook afmaken en opeten, omdat er geen eten meer voor ‘m was en we zelf honger hadden. Op het balkon vingen we met een zelfgemaakte val en broodkruimels vogeltjes om te eten. Op een dag kreeg ik te horen dat ik naar Friesland mocht. Samen met nog meer kinderen, zonder ouders, ging ik in een vrachtwagen en deels per boot naar een gezin met drie kinderen. Hier bleef ik een half jaar  wonen en kreeg ik goed te eten. Ze zeiden dat ik nog eens met mijn ouders terug mocht komen. M’n vader had onze fietsen, die de Duitsers wilden, verborgen. Dus konden we op de fiets, met mijn moeder achterop, naar Friesland. Van Amsterdam naar Oosterbierum is meer dan 100 kilometer en dat deden we in 4 dagen tijd. Mijn vader werkte daar, ik ging naar school (waar ze gewoon in het Nederlands les kregen) en pas een half jaar na de oorlog gingen we weer naar huis. Overigens waren we in Friesland eerder bevrijd. Vanuit Harlingen zagen we in april van 1945 de Canadese soldaten voorbij komen. Ik kreeg een chocoladereep van een van hen. Ik wil jullie niet bang maken met dit hele verhaal, maar zorg dat er geen oorlog meer komt. Als jullie ruzie hebben, niet gaan vechten, hoor. Ruzie is een oorlog in het klein!

Fotografie: Shirley Brandeis

Erfgoeddrager: Luna

‘Politiebureau: fietsendieven en katten in de boom in oorlogstijd’

Op het politiebureau Pieter Aertszstraat werkte de grootvader van Peter Kroesen. Kroesen is archivaris bij het Stadsarchief Amsterdam. Luna, Anna en Dries bezochten Peter in het Stadsarchief en interviewden hem over de gebeurtenissen in het politiebureau tijdens de oorlog. In het Stadsarchief Amsterdam zijn alle politierapporten uit die jaren in te zien.

Kwamen er ander soort aangiften op het bureau tijdens de oorlog?
“Politiebureau Pieter Aertszstraat was een klein politiebureau. In de oorlog ging het gewone werk gewoon door. Er werden aangiftes gedaan van tasjesdieven, fietsendieven. Maar er kwamen in de oorlog ook aangiften van Joodse mensen die werden aangevallen op straat. Een aangifte die later bekend is geworden is de aangifte van Anne Frank. Op 14 april 1942 kwam zij bureau Pieter Aertszstraat binnen en deed er aangifte van haar gestolen fiets.”

Heeft uw grootvader wel eens verhalen verteld over het werk tijdens de oorlog?
“Mijn grootvader werkte op het bureau samen met agent Blonk. Een agent die door een trap van een paard een misvormd gezicht had gekregen. Daardoor werd hij door veel agenten met de nek aangekeken, ‘Met een kop als een zigeuner kan je geen promotie maken!’ zeiden ze. Maar mijn grootvader en Blonk waren goede vrienden. In de oorlog kwamen de vrienden tegenover elkaar te staan. Want mijn opa ging bij het verzet en Blonk werd actief in de NSB en werkte voor de Duitsers.”

Werden ze vijanden van elkaar?
“Nee. Het contact bleef goed tussen Blonk en mijn grootvader. Blonk gaf mijn opa nooit aan. En hij gaf stiekem ook tips: ‘Over twee weken gaan we daar en daar Joden oppakken.’ Hij hielp het verzet dus eigenlijk ook.

Na de oorlog werd Blonk berecht in de rechtbank. Mijn grootvader getuigde. Hij zei dat Blonk zeker fout was geweest, maar dat hij ook veel levens had gered.” 

Politiearchief Pieter Aertszstraat: Aangifte van Anne Frank van haar gestolen fiets
In het Stadsarchief

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892