Erfgoeddrager: Juul

‘Soms geloofden mensen niet dat mijn opleiding echt was’

Yousif, Alessia, Juul en Milou hebben mooie vragen voorbereid voor Winston Gibbs, die hen vrolijk begroet. Achter in de klas hebben de leerlingen van de Troubadour in Eindhoven een gezellig hoekje ingericht, waar ze hem gaan interviewen over zijn herinneringen aan het leven op Curaçao. Eerst praten ze samen nog even over de middelbare scholen waar de kinderen na dit schooljaar naartoe gaan, daarna kan het interview echt van start.

Winston Gibbs werd in 1951 geboren in Willemstad op Curaçao en kwam op zijn 21ste naar Nederland.

Hoe bent u opgegroeid op Curaçao?
‘Ik ben opgegroeid op Curaçao in een warm en hecht gezin. Wij waren met acht kinderen: zes broers en twee zussen. Mijn vader was streng, maar rechtvaardig. Hij hield ons een beetje vrij, maar gaf ook duidelijke grenzen mee. Hij zei bijvoorbeeld: als anderen verkeerde dingen doen, dan moeten jullie daar niet in meegaan.

We woonden in de wijk ‘Steenrijk’, op een heuvel. Beneden lag Nieuw-Nederland en niet ver daarvandaan was de zee. Het leven daar was rustig en vertrouwd. Het was altijd warm, met veel zon en een vaste oostenwind.

Op school was alles in het Nederlands, want dat was toen verplicht. Ook in de pauze moesten we Nederlands spreken, anders kregen we straf. Maar in de praktijk deden we dat niet altijd, we bleven gewoon Papiaments praten. Alleen in de klas was het Nederlands.’

Wat herinnert u zich van school en regels vroeger?
‘Op school op Curaçao kwamen veel leraren uit Nederland. Dat voelde anders omdat zij andere gewoontes hadden. Als een leraar iets vroeg, reageerden wij niet altijd meteen. Ze moesten het netjes vragen, anders deden we het niet. Pas als ze het vriendelijk vroegen, deden we het. Soms zeiden wij ook dingen terug. Als ze dan vroegen ‘doe je het raam even dicht’ dan zeiden wij ‘nee, de tijd van slavernij is voorbij’. Dat kwam omdat we een sterke eigen houding hadden. Alles op school was heel gestructureerd en Nederlands georiënteerd. Dat was normaal in die tijd, maar het voelde wel streng.’

Was het moeilijk om naar Nederland te komen?
‘Voor mij was het niet moeilijk om naar Nederland te komen. Ik was voorbereid door verhalen van anderen. Mensen uit de buurt en studenten die al eerder gingen, vertelden hoe het hier was. Je moest wennen aan het weer, want in Curaçao is het altijd warm, maar in Nederland regent het veel en gaat alles gewoon door. Ook moest je hier op tijd zijn en rekening houden met regels die strenger waren dan op het eiland. Toch hielpen andere Antilliaanse studenten elkaar goed.

Wat mij opviel was dat mensen mij in het begin vaak als ‘anders’ zagen. Je moest jezelf steeds bewijzen, ook met diploma’s. Soms geloofden mensen niet dat je opleiding echt was. Dat was soms lastig en doet nog steeds pijn als ik eraan terugdenk.’

Voelt u nog verschil of discriminatie in Nederland?
‘Ja, dat voel je soms nog steeds. Niet altijd direct, maar het zit in kleine dingen. Zoals dat je soms anders wordt behandeld of dat mensen je niet meteen vertrouwen. Ik probeer daar anders naar te kijken. Als iemand niet groet, denk ik niet meteen dat het iets negatiefs is. Misschien heeft die persoon gewoon een slechte dag.

Ik heb geleerd om rustig te blijven en door te gaan. Niet alles persoonlijk te nemen, maar ook te kijken naar de situatie van de ander. Toch blijft het soms wel pijnlijk, vooral als het gaat om hoe mensen naar je kijken of je moeten bewijzen wie je bent.’

Erfgoeddrager: Juul

‘Later kreeg mijn zus een hele grote pop namens de koningin’

Juul, Nina, Fief en Jalena uit groep 7 van de Twiskeschool ontmoeten de 92-jarige Riet de Groot op school. Het is een gezellige ontmoeting. Er wordt veel gepraat over de tweede Wereldoorlog maar ook over huisdieren en poes Snoepie. Er zijn koekjes en paaseitjes; de sfeer zit er goed in.

Heeft u het luchtalarm gehoord?
‘In het begin van de oorlog als het luchtalarm afging renden we allemaal naar het Florapark, dat heet nu het Noorderpark. Dan ging iedereen aan de dijk liggen want als er een bom zou vallen, dan zat je niet in je huis. Na een poos besloot mijn moeder daar niet meer heen te gaan. We bleven vanaf toen gewoon binnen als het luchtalarm afging en gingen onder de trap zitten. Als er een huis gebombardeerd was, dan bleef de trap meestal staan dacht men. Dat is natuurlijk onzin. Ik weet ook nog wel een keer dat we aan het zwemmen waren en dat ineens het luchtalarm af  ging. We gingen er mooi niet uit, hoor.  Maar ze sloegen ons zo met een touw het water uit. We moesten dan de schuilkelder in. Die zat diep onder de grond dus je moest in je badpakje een trappetje af en dan zat je helemaal nat koud op het beton. Moet je nagaan hoe koud, dat was geen pretje.’

Had u een lievelingsknuffel?
‘Ik had geen knuffel. Ik had helemaal niks. Wij hadden het arm. Mijn vader had voor de oorlog een stukadoorsbedrijf. Maar door crisistijd voor de oorlog is dat failliet gegaan. Hij heeft een brief geschreven naar de koningin. Hij schreef dat mijn zus zeven jaar werd. Maar dat ze haar geen pop een cadeautje konden geven. Later kreeg mijn zus een hele grote pop namens de koningin. Ik was toen twee jaar en ik kreeg toen ook een klein poppetje.’

Moest u vader ook onderduiken?
‘Nee hoewel hij half Joods was hoefde hij niet onder te duiken, maar we hadden wel een Joodse onderduiker in huis. We woonden op het Duindoornplein nummer 10 en op nummer acht woonde een buurman, dat was een NSB’er. Blijkbaar heeft die ‘m een keer gezien of gehoord, want hij is verraden. Midden in de nacht bonsden toen de Duitsers hard op de deur om hem op te halen. Hij kon hij nog maar net op tijd vluchten. Hij is via zijn slaapkamer op een platje gesprongen. Mijn vadre werd wel drie dagen meegenomen. Ze hadden geen bewijs. Ik weet niet wat ze daar precies met hem gedaan hebben maar hij was erg aangeslagen en heeft er nooit over willen praten.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘In 1944 hadden we nog maar zo weinig te eten, dat mijn broertje en ik een tijdje naar Enkhuizen moesten. Ik was heel erg mager en mijn haar zat bovendien ook nog eens onder de luizen. In Enkhuizen was wel genoeg eten. We vertrokken met veel kinderen ‘s nachts met een boot, een dekschuit. We moesten slapen op stro. Mijn broertje die 3 jaar jonger was plaste nog in zijn bed. Ik was doodsbang dat mijn broertje zou gaan plassen in zijn kleren. Dus ik was iedere keer mijn ogen aan het nathouden, zodat ik niet in slaap viel. Het was vreselijk. Toen we aankwamen moesten we ieder naar een ander gezin. Mijn broertje ging zo hard huilen, zodat we bij elkaar konden blijven. We kregen bij aankomst gelijk bruine bonen met vet spek te eten. Maar dat kon onze maag helemaal niet verdragen dus we belandden in het ziekenhuis. Daar werd ook gelijk mijn luizenprobleem aangepakt. Gelukkig was er een aardige zuster die mijn haar behandeld heeft en toen hoefde het er niet af. Na een maand Enkhuizen, kwam mijn moeder ons halen op de fiets. We zijn de hele weg terug gelopen naar Noord.’

Wat gebeurde er na de Bevrijding?
‘De Canadezen zouden de stad binnenkomen en we zouden de bevrijding vieren. Ik was toen twaalf jaar en wilde met een vriendin naar de stad om een vlaggetje te kopen om naar die Canadezen te zwaaien. We liepen door de Kalverstraat richting de Dam. Ineens hoorden we schieten, we wisten natuurlijk helemaal niet wat er aan de hand was. Alle mensen renden vanaf de Dam de Kalverstraat in. We werden helemaal onder de voet gelopen. Ik lag op de grond en mensen liepen over me heen. Ik kon mijn vriendin niet meer vinden. Er was heel veel paniek. Huilend liep ik een steeg in, wist niet waar ik heen moest en hoe ik naar huis moest.  Gelukkig was er een meneer die me naar de pont gebracht en daar wist ik de weg weer.’

 

Erfgoeddrager: Juul

‘De zusters van het klooster hebben mij geholpen om in Nederland te blijven’

Juul, Katia en Kit van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven mogen Bioly Ikele interviewen. Meneer Ikele is op zijn 24ste om politieke redenen gevlucht uit de Democratische Republiek Congo. De kinderen vragen eerst hoe het met hem gaat en hoe oud hij is. Als hij ze laat gokken, zijn ze verbaasd dat hij al 66 is, ze hadden gedacht dat hij veel jonger zou zijn. Tijdens het interview vertelt meneer Ikele hoe het was om naar Nederland te vluchten. Daarnaast bespreken ze ook welk eten ze lekker vinden, wat de kinderen willen worden en hij drukt ze op het hart dat ze alles kunnen bereiken met genoeg doorzettingsvermogen.

Hoe was het vroeger in Congo?
‘Het was hartstikke leuk. Ik kon er goed spelen, ook al hadden we niet zo veel speelgoed. Dat maakten we zelf. We bouwden een auto van luciferdoosjes, en van bierdopjes maakten we de wieltjes. Een voetbal knutselen vond ik ook erg leuk. Dat deden we met rubber of kranten, met een touwtje eromheen.

We voetbalden op het plein met de kinderen uit de buurt, en speelden ‘Hollandse leeuw’. Je begint met drie leeuwen en tien renners. De renners rennen naar de overkant en de leeuwen tikken de renners, en als je getikt bent word je ook een leeuw en mag je ook tikken. De laatste die overblijft wint.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben naar Nederland gekomen om politieke redenen. Als student was ik lid van een studentenvereniging, en samen demonstreerden we, en dat is geëscaleerd. Ik moest onderduiken en stiekem het land uit. Ik werd geholpen om te vluchten naar België, hier zou ik Frans kunnen spreken. Maar ik was bang dat ik te makkelijk gevonden zou worden in België, daarom ben ik naar Nederland gekomen. Van Congo ben ik toen naar België gevlogen en het laatste stuk deed ik met de auto. Het was ongeveer 8 uur vliegen. Ik had niet veel te doen in het vliegtuig, maar dat hoefde ook niet, ik was heel bang. Ik wist niet waar ik naartoe ging. Het was heel spannend.

In het begin was het heel moeilijk dat ik mijn familie niet kon zien, maar nu ben ik gewend. Ik ga ieder jaar heen en weer. Vroeger was het ook heel moeilijk om te bellen. Je moest al heel veel betalen voor één minuut bellen. Je moest heel snel praten. Nu met WhatsApp gaat dat veel makkelijker.’

Hoe is het gegaan toen u net in Nederland was?
‘Eerst kwam ik aan op het politiebureau en vervolgens ging ik naar Vluchtelingenwerk. Ik heb drie maanden bij een gezin ingewoond, dat was fijn. Ze accepteerden mij en ik mocht overal mee naartoe met hen.

Daarna ben ik gaan wonen in een klooster bij zusters. De zusters hadden besloten om mensen van andere landen te helpen en ik was een van de eersten die hulp kreeg. Ik dacht bij mezelf: in het klooster zijn ze streng. Maar ja, ik had geen plek, dus ik ging er wonen. Gelukkig bleek het heel goed daar te zijn, een gesprek met hen gaf me het vertrouwen.

Nederlands leren was wel een uitdaging. Ik had een vriend, die aan de TU in Eindhoven studeerde. Die bracht mij mee naar een taallab, waar ik kon studeren. Ik kon leren achter de computer. Daarmee kon ik mezelf terug horen als ik sprak en werd ik gecorrigeerd. Ik had ook iemand die me thuis bijles gaf. Ik heb er een jaar over gedaan, toen kon ik gaan studeren.

Ik mocht aanvankelijk niet in Nederland blijven, maar de zusters hebben mij geholpen. Ik studeerde en de zusters stonden garant om mijn studie te betalen. Eigenlijk wilde ik gaan studeren aan de TU, maar het toelatingsexamen was moeilijk. Het wiskunde-examen had ik gehaald, maar het natuurkunde-examen was te moeilijk. Gelukkig kon ik op het hbo beginnen zonder examen.

Eerst deed ik scheikunde in Eindhoven, dat was moeilijk voor mij. In Congo zijn mensen heel theoretisch en hier meer praktisch. Ik was goed in theorie, maar niet in praktijk. De taal was ook moeilijk. Ik moest Nederlands leren en de boeken waren in het Engels en er was ook nog Frans. Ik vond het leuk om de talen te leren, maar om in er in de studeren is ingewikkeld. Dus uiteindelijk heb ik de laboratoriumopleiding gedaan in Venlo, dat ging heel goed.’

Zou u nog een keer naar Congo terug willen verhuizen?
‘Voorgoed? Dat weet ik nog niet. Ik heb familie in Congo, mijn moeder leeft nog en mijn zusje is daar. Ik probeer wel ieder jaar een keer naar Congo te gaan. Ik moet er wel voor sparen, een vlucht naar Congo is duur.’

Hoe heeft u de mensen in Congo geholpen?
‘De zusters hebben mij geadviseerd om een stichting te beginnen, stichting Bambale. Als je een stichting hebt dan kan je de mensen helpen. Destijds probeerden we daar subsidie mee te zoeken. Dankzij mensen die ons vertrouwden en ons geld gaven, konden we andere mensen helpen. We hebben er grond mee gepacht zodat anderen konden werken en met hun verdiende geld hun kinderen naar school konden sturen.’

Wat zijn de verschillen tussen Congo en Nederland? Wat vindt u een fijner land?
‘Ik ben in Congo geboren, maar ik vind Nederland ook een mooi land. Ik woon hier al bijna 40 jaar! Dit is ook mijn land. Als ik in Congo ben zeg ik ‘Ja, ik ben thuis’ en als ik in Nederland ben, zeg ik dat ook. In Congo is het altijd warm. Er zijn maar twee seizoenen. Regen en droog seizoen. In Nederland heb je er vier. Als het warm is in Nederland, is het in Congo juist een beetje koud.’

Erfgoeddrager: Juul

‘Bij de bevrijding waren we verkleed als de prinsesjes Beatrix, Margriet en Irene’

Juul, Mila en Lara wandelen toch een beetje gespannen van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven naar de Wilgenhof, waar Pauline Spierings (87) woont. Die spanning blijkt niet nodig te zijn want ze worden allerhartelijkst ontvangen in haar appartement, waar de cake en de chocomel al klaarstaan.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Ik was natuurlijk erg jong, 2 jaar, toen de oorlog begon, maar ik weet er nog best veel van. Dat komt denk ik omdat er heel veel angst was. Angst voor de herrie, angst voor waar we moesten slapen, angst voor wat er ging veranderen, angst voor bommen (V1’s) die overvlogen en waar we voor moesten schuilen onder de struiken. Zo moesten wij slapen in de kelder van het klooster in een schuilkelder.’

Waren er ook soldaten die bij jullie woonden?
‘We hadden twee soldaten die bij ons schuilden. Die woonden op zolder, Tom en Zwartie. Dat vond ik niet zo spannend. Kijk, in mijn boek heb ik nog foto’s van hen tijdens de oorlog. Dat is best bijzonder. Van Tom hebben ik ook nog een foto gekregen na de oorlog toen hij trouwde.’

Hoe voelde u zich toen Vught bevrijd werd?
‘Ook daar weet ik niet heel veel meer van. Ik kan me nog wel herinneren dat er een optocht was en dat wij hebben meegelopen. Wij waren met drie meisjes en we zaten op een boot en waren verkleed als de prinsessen, Beatrix, Irene en Margriet. We hadden speciale jurken aan in de kleuren van de vlag. Ik ben trouwens in dezelfde maand geboren als prinses Beatrix.’

Erfgoeddrager: Juul

‘Dankzij tuinman Hikspoors is er een grote catastrofe voorkomen’

Juul, Mats, Zejneb en Aleyna van basisschool De Handreiking in Eindhoven worden hartelijk verwelkomd als ze aanbellen bij het huis van Tinie Tax. Ze gaan zitten aan de ronde tafel en steken direct van wal met hun vragen. Toen de oorlog begon was meneer Tax 6 jaar en woonde met zijn ouders met hun elf kinderen aan de Eckartseweg.

Hoe begon voor u de oorlog?
‘We woonden in een boerderijtje aan de Eckartseweg. De boerderij had een grote schuur en stal, maar weinig woonruimte. We sliepen met vijf kinderen op één zolderkamertje. Er was ook een opkamer met een bedstee erin halverwege de trap. Ook hadden we een keldertje. Je kon er alleen maar krom in staan. Daarboven in dat keldertje was ook nog een slaapplaats voor twee kinderen. We hadden aan het begin van de oorlog acht kinderen. Tijdens de oorlog werden er nog twee kinderen geboren en eentje nog vlak na de oorlog.

We stonden op een dag buiten bij de waterput toen mijn vader ineens zei: de oorlog is uitgebroken. Ik besefte nog niet wat dat inhield. Mijn vader werd direct opgeroepen voor militaire dienst. Hij moest naar Alblasserdam. Van daaruit moest hij als chauffeur met een truck met soldaten naar Rotterdam rijden. Terwijl hij op weg was naar Rotterdam, kwamen de Duitse gevechtsvliegtuigen vlak boven hem gevlogen en in de verte zag hij dat de bommen op Rotterdam vielen. Hij heeft overlegd en zei het heeft geen zin om daarnaartoe te rijden, dan rijd je de dood tegemoet… Toen is hij weer naar huis gekomen.’

Kent u mensen die zijn omgekomen in de oorlog?
Eén van mijn broertjes is tijdens de oorlog overleden aan een hersenvliesontsteking. Ik herinner me nog dat we gingen kijken in het ziekenhuis. Er lag een klein meisje dat ook overleden was, naast hem. Ze leek net een engeltje. Er was een verbod om mensen te begraven. Het kistje stond buiten boven het graf, maar het mocht er niet in. Waarom weet ik niet. Mijn vader was bang dat honden het kistje zouden openbreken en mijn broertje zouden verscheuren. Hij is toen ‘s nachts opgestaan en heeft het kistje in een beveiligde ruimte gezet. Dat weet ik nog goed.’

Ging u naar school tijdens de oorlog?
‘Ik zat eerst op de school aan de Woenselsestraat. Later werd dat de school bij de Onze lieve vrouwen voor altijddurende bijstand-kerk op het eind van de Eckartseweg. Al gauw kwamen de Duitsers en die namen het gebouw in beslag. We konden niet meer naar school. Daarop kregen we tijdelijk in een zaaltje van het café les. Maar dit duurde niet lang. Toen zijn we verhuisd naar een kippenhok in de Vensstraat, waar ze tafeltjes en stoeltjes hadden geplaatst.

We konden geen kleding en schoenen kopen met geld want er was niet voldoende te krijgen voor iedereen. Maar mijn vader werkte bij een wijnhandel. Hij kreeg iedere maand twee flessen sterke drank cadeau van zijn baas. Die drank ruilde hij tegen kleding en schoenen.’

Waren er ook aardige Duitse soldaten?
‘Op een dag stond mijn moeder bij de bus te wachten met een baby op haar arm. Het was druk bij de bushalte. Toen de bus kwam aanrijden, was het dringen voor een plaatsje. Mijn moeder kon dat niet met de baby op de arm. Een Duitser die ook bij de bushalte stond, ging de bus binnen. Hij zei tegen de mensen: ‘Raus, raus, lasst zuerst die Frau mit dem Kind gehen’. Dat was wel mooi. Niet alle Duitsers waren slecht.

Mijn opa en oma, de ouders van mijn moeder, werkten in Duitsland. Mijn moeder is geboren in Duitsland uit Hollandse ouders. Ze groeide daar tot haar 13de op. Mijn moeder was daarom pro-Duits en mijn vader anti. Mijn vader zei: ‘alle Duitsers zijn slecht’, maar mijn moeder zei ‘nee hoor, er zijn ook goede Duitsers’.

Zo waren ook niet alle NSB’ers slechte mensen. Sommige mensen werden alleen maar NSB ‘er om werk te krijgen. Dat noemden ze brood-NSB’ers. Twee mensen in onze straat waren zulke NSB’er. Aan het eind van de oorlog waarschuwden zij de boeren in de buurt dat de Duitsers gingen terugtrekken en alle spullen meenamen om te vluchten. Dus verstop al je fietsen en karren, zeiden ze. Maar veel buurtgenoten geloofden ze niet omdat ze NSB’er waren. Ze verstopten hun spullen niet. Toen de Duitsers kwamen en alles van hen meenamen, kwamen ze erachter dat de die mensen ze inderdaad hadden willen helpen.’

Wat weet u over de bevrijding?
‘De bevrijding op 18 september was een groot feest. Maar de Duitsers wilden nog een tegenaanval doen op de Engelsen en probeerden om vanuit Nuenen Eindhoven binnen te komen. Zo kwamen ze met hun tanks over de Soetenbeekseweg bij het ‘Hikspoor-bruggetje’ over de Dommel terecht. Daar kwamen ze tuinman Hikspoors tegen. Hij had door wat de Duitsers van plan waren en zei: ‘Jullie kunnen hier niet over want dan valt die tank in de Dommel’. Dankzij die tuinman is er een grote catastrofe voorkomen. Want als de tanks zich opgesteld hadden en ze hadden hun geschut gericht op Eindhoven, dan waren er grote brokken geweest.’

Erfgoeddrager: Juul

‘De vader kwam ons een vreselijk verhaal vertellen’

Als Vik, Juul en Odin uit groep 8 van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven binnenlopen bij meneer Guus de Kok, staan er al wat schaaltjes met hapjes uit de oorlog voor hen klaar. Zo kunnen ze ook een stukje van de oorlog letterlijk proeven. Meneer De Kok was 5 jaar oud toen de oorlog begon en kan er veel verhalen over vertellen.

Hebben jullie goed gegeten in de oorlog?
‘Ja, wij woonden wel in Eindhoven, maar meer aan de rand op de Geldropseweg. Vroeger stonden daar enkele boerderijen, waar ze koeien en varkens hielden. In oktober was het slachtmaand en dan werden er varkens geslacht. En die hingen ze dan aan een ladder. Mijn vriendje was een boerenzoon en als ik daar ging spelen, kreeg ik een pakketje vlees mee en ook reuzel. Reuzel is gesmolten vet van het varken. Wij smeerden dat op brood in plaats van boter. Als je reuzel smelt, dan krijg je kaantjes en daar kon je lekker op knabbelen, want wij hadden geen zoute pinda’s. Mijn moeder was slagersdochter en die wist wel raad met die verschillende onderdelen van een dier. Van de varkenskop maakte ze zult, dat ligt hier ook op tafel. Proef maar eens! Soms vermengden wij de reuzel met stroop en dat smeerden we ook op brood. Zult eet ik nog steeds. Als er geen vlees was, kocht mijn moeder wel eens stokvis, dat is gedroogde kabeljauw. Die liet zij weken in water en die aten we dan met boterjus en aardappelen als warm eten.’

Wat is er eigenlijk gebeurd met de aardappelboer?
Wij hadden thuis een groot gezin met zes kinderen en we hebben ook nog een tijdje een onderduiker gehad. Dat was een student rechten, die niet in de Arbeitseinsatz wilde. Dus wij hadden veel eten nodig. En vooral veel aardappels, omdat er weinig vlees beschikbaar was. In Geldrop had je de bakker, de slager en de aardappelboer. De zonen van de aardappelboer kwamen met een paard en wagen iedere week bij ons aardappels brengen. Op een gegeven moment kwamen ze niet meer. Wij wisten niet wat er aan de hand was. Maar toen kwam de vader ons een vreselijk verhaal vertellen. Zijn dochter had verkering met een Duitse sergeant. Maar haar broers haatten de Duitsers zo erg dat ze die sergeant hebben vermoord. Alle vier de broers zijn toen gearresteerd. De twee oudsten, die het gedaan hadden, zijn geëxecuteerd. De andere twee zoons zijn uiteindelijk vrijgelaten.’

Kunt u het verhaal vertellen over de Duitsers en de mop van de papegaai?
Bij onze buren kwamen regelmatig Duitse soldaten op bezoek, want ze hadden daar twee leuke dochters. De Duitse dienstplichtige soldaten waren ook maar gewone jongens, die in het Duitse leger moesten om in de oorlog te vechten. En ze misten natuurlijk ook hun familie en vrienden. Daarom zochten ze hier de gezelligheid van het familieleven op. Op een dag was mijn broer Frans ook bij de buren, toen de Duitse soldaten er waren. Eén van de Duitse soldaten vroeg aan Frans of hij een mooie mop kende. ‘Ja’, zei Frans, ‘die ken ik wel’ en hij begint te vertellen: ‘Een vrouw heeft een papegaai. Dan komt er een Duitse officier bij haar op bezoek en de papegaai zegt: ‘Hitler is dood, Hitler is dood’. Dat vindt die officier niet leuk en hij zegt tegen die vrouw:’Als hij dat volgende keer weer zegt, draai ik zijn nek om’. De vrouw moet huilen en juist komt de pastoor voorbij. Die zegt tegen haar:’Weet je wat? Ik heb ook een papegaai, laten we ruilen van papegaai.’ Zo gezegd, zo gedaan. Dan komt de Duitse officier weer op bezoek bij die vrouw en hij zegt tegen de papegaai:’Zeg het nog eens!’ Maar de papegaai zegt niks. En de officier zegt:’Durf je nog een keer te zeggen ‘Hitler is dood?’ en de papegaai zegt:’Laat ons danken’. De Duitse soldaat, waaraan Frans deze mop vertelde, moest er heel erg om lachen. Maar de buren hadden doodsangsten uitgestaan, dat de mop niet goed zou vallen bij de Duitse soldaten.’

Erfgoeddrager: Juul

‘We moesten vluchten uit Venlo, maar konden Fikkie niet meenemen’

Juul, Elise, Levi en Ralf zijn leerlingen van basisschool de Wilderen. Hun school bevindt zich op fietsafstand van het huis van Louis en Yvonne Kuyper. Ze kijken er naar uit om meneer Kuyper te interviewen over de oorlog, maar vinden het ook wel spannend. Ze zijn heel benieuwd of hij weleens een echt bombardement heeft gezien. Het hartelijke welkom van het echtpaar stelt ze al snel op hun gemak. Meneer Kuyper was 2 jaar toen de oorlog begon en woonde destijds in Venlo. Toen iedereen moest vertrekken uit het grensgebied, belandden ze in Berlicum.

Wat is uw meest verdrietige herinnering aan de oorlog?
‘Gelukkig heb ik geen familieleden verloren. Wel zijn we onze hond kwijtgeraakt. We moesten vluchten uit ons huis in Venlo, maar konden onze hond Fikkie niet meenemen. Daarom moesten we hem doodschieten. Zelf heb ik het gelukkig niet gezien maar ik krijg nog steeds een ontzettend naar gevoel als ik daaraan denk. Maar hem achterlaten en laten verhongeren was nog erger geweest.

Wat ik me ook levendig kan herinneren is het zien van een man die op straat onder schot werd gehouden. Deze Nederlandse man probeerde te vluchten en kreeg daarom een geweer op zich gericht door een Duitser. Als hij zou bewegen zouden ze schieten. Gelukkig bleef hij staan.’

Heeft u weleens een bomexplosie gehoord?
‘Explosies waren op een gegeven moment een dagelijkse gang van zaken, vooral ’s nachts. Wij woonden aan de Duitse grens bij een vliegveld waar veel bombardementen plaatsvonden omdat dit een strategische plek was. In het begin was het natuurlijk enorm beangstigend en spannend, maar het went ook. Overdag konden we gelukkig wel gewoon buiten spelen.’

Waarom pakten de Duitsers eigenlijk alle fietsen af?
‘Een fiets is uiteraard een vervoersmiddel en de Duitsers wilden ons zoveel mogelijk beperken en op dezelfde plek houden. Zonder fiets was je natuurlijk veel minder mobiel en minder snel. Vervoer was sowieso schaars in die tijd.’ 

Hoe merkten jullie dat de bevrijding begonnen was?
‘Wij waren toen in Leeuwarden en verbleven bij een nicht van mijn vader die een steenfabriek had. Voor de veiligheid sliepen we in een steenoven van de fabriek. Op een ochtend hoorden we een hoop kabaal en stormden er militairen met geweren binnen. Deze mannen spraken Engels en geen Duits. Dit was dus erg goed nieuws omdat dit aantoonde dat de bevrijding begonnen was. Ik kan het me toch niet herinneren als een vreugdig tafereel. Als kind besef je niet in wat voor bizarre tijd je toen eigenlijk leefde. De Nederlanders waren natuurlijk ontzettend opgelucht, maar de Duitsers werden niet altijd even vriendelijk afgevoerd. Ondanks alles maakte dat geen fijne indruk op mij. Er waren voor mijn gevoel ook geen feesten of festiviteiten.

Toen wij terugkwamen in Venlo bleek dat ons hele huis leeggeroofd te zijn en waren alle houten meubels opgestookt. We moesten toen echt weer met helemaal niets beginnen.’

Erfgoeddrager: Juul

‘Een man riep door de straat: Vlaggen naar binnen, Duitsers op komst!’

Het is een zonnige maar koude vrijdagmorgen in januari. Janne, Luuk en Juul van basisschool De Talisman zijn op weg naar de Margrietstraat in Stratum waar ze Jeanne van Hoof gaan ontmoeten. De 85-jarige mevrouw Van Hoof verwelkomt de kinderen in haar huis, waar zij al 60 jaar woont. In haar authentieke huis zijn volop herinneringen te zien van haar leven. Zo laat zij de fototoestellencollectie zien van haar overleden echtgenoot en mogen de kinderen aan de tafel schuiven waar zij in de oorlogsjaren met haar familie aan zat.

Hoe was uw leven toen u jong was?
‘Ik woonde op de Prins Hendrikstraat in het centrum van Eindhoven. Mijn vader was banketbakker. Daarom hadden we altijd roomboter in huis, een enorme luxe in de oorlog. In de ruime bovenwoning sliep ik met vier zussen op één kamer. Het was altijd gezellig thuis, er mocht van alles en er werd veel gedanst.’

Heeft u in een schuilkelder gezeten?
‘Bij ons in de straat zijn vijf bommen gevallen in de oorlog. Gedurende een bombardement gingen wij samen met mijn ouders op de overloop staan van ons huis. Mijn vader wilde nooit naar een schuilkelder omdat vlakbij, in de Heilige Geeststraat, een vrouw was gestorven tijdens een bombardement in een schuilkelder. Dit had veel indruk gemaakt op mijn vader.’

Was u bang in de oorlog?
‘Ik was nog best jong, maar ik was me er zeker wel van bewust dat het oorlog was. Een bombardement was zo erg… Ik kan nog levendig herinneren dat de muren op en neer gingen, net als bij een aardbeving. De jaloezieën van de overburen lagen bij ons op het balkon. Nu is er in de Prins Hendrikstraat nog een opening in de straat te zien waar dat huis heeft gestaan. Die opening werd later onder buurtgenoten ‘het kapotte huis’ genoemd.’

Hoe was de bevrijding?
‘Ik was 6 jaar was toen de oorlog was afgelopen. Ik herinner me nog goed dat wij met het hele gezin naar de markt gingen want daar was het feest. Later heeft vader de ramen aan de voorkant van het huis versierd met vlaggetjes. Toen kwam er een man door de straat rennen, die riep: ‘Vlaggen naar binnen, Duitsers op komst!’. Mijn vader heeft, ROOEFFF, alle slingers weggehaald bij het raam. Iedereen dacht dat er vrede was, en toch ging het nog mis in de binnenstad van Eindhoven.’

Erfgoeddrager: Juul

‘Ik was niet bang en gooide het blikje naar de Duitse soldaten’

Na even zoeken naar het juiste adres komen Juul, Aidan en Lotte aan bij het huis van Gerard Bechtold. Zijn vrouw staat al op ze te wachten. De leerlingen van De Talisman in Eindhoven gaan met meneer Bechtold aan de grote tafel bij het raam zitten. Ze kijken uit op een mooie tuin. Nadat de kinderen limonade en koekjes gekregen hebben, begint het interview.

Wat zijn u eerste herinneringen aan Duitse soldaten?
‘Ik herinner me nog dat er een Duitser met een motor met zijspan de Floralaan inreed. Ik had een blikje in mijn hand en mijn vriendjes stookten me op om het blikje naar de Duitse soldaten te gooien. We waren echte kwajongens. Ik was niet bang en gooide het blikje naar hen. Het kwam recht in het gezicht van de Duitse soldaat in het zijspan. Ze keerden direct om met de motor en kwamen achter me aan. Ik had klompen aan en rende, zo hard als je kan rennen op klompen, naar de Edelweissstraat. Snel de klompen uitgedaan… Ik rende voor mijn leven, door een hele rij achtertuinen. Tenslotte klom ik over de schutting naar onze tuin. Daar stond mijn vader me al op te wachten. Hij haalde me meteen naar binnen.’

Kende u ook Joodse mensen in de oorlog?
‘Mijn vader was politieagent. Dat was best moeilijk in de oorlog want veel mensen bij de politie waren bij de NSB. Naast ons woonde ook NSB’ers. Die waren heel bang voor mijn vader. Mijn vader luisterde stiekem naar de radio. Die zat in een luik in de grond. Elke avond ging dat luik open en luisterde mijn vader naar de Engelse zender. De buurman wist dat maar durfde niets te zeggen.

We hadden ook Joodse onderduikers in huis. Die sliepen bij ons boven. Op een gegeven moment kregen onze onderduikers in de gaten dat naast ons NSB’ers woonden en dat mijn vader politieagent was en toen zijn ze gevlucht. Ze waren bang dat mijn vader hen zou verraden. Na de oorlog zijn hun kinderen ons nog komen bezoeken.’

Wat herinnert u zich nog van het Sinterklaasboombardement op 6 december 1942?
‘Eindhoven werd die dag gebombardeerd door de Engelsen. We hoorden heel veel vliegtuigen overvliegen. Er kwamen drie bombardementen vlak achterelkaar. Na het eerste bombardement liep ik met mijn vader en moeder naar de stad om te kijken wat er gebeurd was. Heel veel mensen liepen naar de stad. De hele Demer was platgebombardeerd. We zagen een hele hoop mensen dood op de weg liggen. Dat was verschrikkelijk. Op dat moment kwam er weer een bombardement, waarop we terug naar huis zijn gevlucht.’

Zijn er ook mensen omgekomen in de oorlog die u kende?
‘Ja, twee kinderen uit de straat. Tegenover de Floralaan was een schietberg. Onderaan die berg was een hele diepe betonnen kuil. De Duitsers doken in de kuil als er gevaar was. Een jongetje uit de Distelstraat was van de berg naar beneden gevallen, in de put. Hij was dood. En een ander jongetje uit mijn buurt is door een tank overreden. Ik zag het gebeuren, het was verschrikkelijk. Ik denk er nog steeds vaak aan.’

Wat is u het meest bijgebleven aan de oorlog?
‘Ze hebben mijn vader opgepakt en naar Duitsland gebracht. Daar heeft hij een half jaar gezeten. In de Floralaan woonde een Duitse commissaris. Die heeft bij ons aangebeld en gezegd dat mijn vader dood was. We waren heel verdrietig. Maar na een half jaar kwam hij weer aanzetten. Levend! Mijn moeder heeft hard gehuild, ze was zo blij. Hij heeft niets over die periode verteld.’

Erfgoeddrager: Juul

‘Net daarna sloeg al het glas uit de keukenramen’

Piet Hoppenbrouwers heeft zich extra mooi aangekleed voor het interview met Juul, Stijn en Farah van de Floralaanschool in Eindhoven. Het interview begint in de woonkamer tussen de schilderijen van Piets vader, die kunstschilder was. Halverwege bekijken ze op zolder de verzameling iconen, kunstwerken en boeken. Daar gaat het gesprek over de oorlog, die begon toen Piet zes jaar was, verder.

Had u familie die is opgepakt?
‘Ja, mijn ome Sjef. Hij was mijn vaders broer en was getrouwd met een zus van mijn moeder. Hoe vind je dat? Hij was een lolbroek met een grote mond en kon met één oog huilen en met het andere tegelijk lachen . Hij was directeur van een gebouw waar de bonnen werden geregeld; in een zijstraat van het Stratumseind. Toen hij weigerde het gebouw aan de Duitsers af te staan, is hij opgepakt en naar Duitsland gestuurd om te werken. Pas een jaar na de oorlog kwam hij terug. Eerst was er een groot feest, maar de volgende dag kwam de kater. Zijn vrouw dacht dat hij nooit meer terug zou komen en had inmiddels een ander. Ome Sjef is toen naar Den Haag gegaan. Later is hij nog getrouwd. Bij de familie was hij niet meer welkom. Bij mij wel. Ik keek daar anders tegen aan.’

Kende u Joodse mensen?
‘We hebben een keer na zangles van de kerk een jongen huilend aangetroffen bij het gastankstation voor bussen. Hij zat helemaal vast in prikkeldraad. Het was John, de zoon van dokter Slager, die woonde op de Wal. We hebben hem losgemaakt en naar huis gebracht. Een dag of twee later is het hele gezin weggevoerd naar Auschwitz. De moeder is daags voor de bevrijding overleden. John en zijn vader en zusje zijn via omzwervingen weer in Nederland aangekomen. Dat heb ik pas een paar jaar geleden ontdekt. John blijkt, net als zijn vader, dokter te zijn geworden. Toen we hem recentelijk opspoorden en contact wilden opnemen, bleek hij helaas al te zijn overleden. Voor de deur van hun ouderlijk huis ligt nu een struikelsteen voor zijn moeder. Ik heb nog contact gehad met de vrouw van John en haar verteld over het prikkeldraadverhaal. Zij kende dat verhaal nog niet.’

Wat weet u nog van het bombardement na de bevrijding?
‘We zijn bevrijd op maandag en op dinsdagavond kwam er een tegenaanval van de Duitsers op de corridor waar de geallieerden reden. Die colonne van Engelsen reed die dinsdag na de bevrijding nog steeds door onze straat. Wij stonden te kijken, toen opeens iemand vanuit de colonne “Hé, Hoppenbrouwers!” naar mijn vader riep. Het was een bekende van hem uit Eindhoven, die in het Britse leger bij de Prinses Irene Brigade zat. Mijn vader had al iets gemerkt, ze deden nogal nerveus, en vroeg hem wat er aan de hand was. Hij antwoordde: “Er is iets op komst.” Op een gegeven moment stopte de hele rij van tanks, vrachtwagens en Rode Kruis-wagens voor onze deur. Het affuit met kanon richtten ze naar het Hikspoorsbruggetje. Het verhaal gaat dat de Duitsers Eindhoven weer in wilden, maar bij dat bruggetje stopten, omdat een boer had gezegd dat ze daar niet overheen konden. Stel dat ze dat wel hadden gedaan en het kanon bij ons voor de deur hadden gezien, dan waren wij natuurlijk weggeweest.
Nog diezelfde avond zagen we opeens allemaal lichtkogels. Het leek wel vuurwerk. Maar het kwam van de Duitsers, bedoeld om bij te lichten, zodat ze zagen waar ze bommen konden droppen. Mijn broer zag het en riep mijn vader naar de keuken om mee te kijken. Maar die trok mijn broer snel naar de huiskamer en net daarna sloeg al het glas uit de keukenramen. Als mijn broer was blijven staan, had hij niet meer geleefd. We hebben tot het eind van het bombardement in de gang gestaan. Die nacht mocht ik van mijn vader even buiten kijken. Op de hoek van de straat, tegenover de kerk, was de boekwinkel weggevaagd. De boeken brandden zoals bij een kampvuur, met snippers in de lucht. Dat was eigenlijk een heel mooi schouwspel, die vlammetjes zo zwevend in de nacht. Tegelijkertijd hoorde ik de kapelaan roepen: “Zijn er nog gewonden? Zijn er nog gewonden?” Die wilde de stervenden snel nog zegenen. Ik hoorde ze roepen: “Ja, hier… Ja, hier!” Ik schiet daar soms nog wakker van.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892