Erfgoeddrager: Danté

‘De snippers lagen op de dekens’

‘Oud-onderwijzer Jaap Boots was twaalf toen de oorlog uitbrak. Aan Zeeger, David, Marit en Dante van de Matthieu Wiegmanschool in Bergen vertelt hij over de moeilijke periode die hij bewust heeft meegemaakt.

Heeft u moeten onderduiken?
‘Nee, daar was ik te jong voor. We hadden wel onderduikers in huis, en mijn broer zat in Spanbroek ondergedoken. Waarom weet ik niet. Mijn oudste broer was in Duitsland te werk gesteld. Alle jonge mannen werden opgepakt en naar Duitsland gebracht om in fabrieken te werken. Mijn broer Bertus moest glasschade verhelpen. Elke dag moest hij ramen plaatsen; er was werk in overvloed. Mijn broer vluchtte terug naar Nederland en dook onder in Avenhorn-De Goorn bij ooms en tantes die al onderduikers in huis hadden. Niemand mocht het weten. We hebben nooit huiszoekingen meegemaakt. Jan, een vriend van mijn broer, sliep in de vloer tussen de zolder en de slaapkamer.’

Kon u buiten spelen in de oorlog?
‘We voetbalden gewoon op straat, met de buurjongens. En weet je, je kon ook verliefd zijn in de oorlog. Mijn vriend en ik waren op hetzelfde meisje verliefd. Hij is met mijn vriendinnetje getrouwd. Mijn vriend wist haar binnen te krijgen door een potje te vrijen. Tot moeder zei dat het genoeg was. Ik was wel uitgenodigd op de bruiloft.’

Hoe kwam u aan eten?
‘We hadden honger. Gelukkig had mijn tante Betje een briefje voor ons waarmee we aardappelen konden ophalen in Heerhugowaard. Ik ging daar met de handkar naartoe en vertrok weer met drie, vier zakken vol. Terug, met een volle kar, was zwaar én ik kon gepakt worden. Mijn moeder was dolgelukkig met de aardappelen die we hadden gekregen. We woonden dichtbij de tuinen. Daar stonden mooie paaltjes. Mijn zussen en ik gingen wel eens ‘s nachts met een knijpkat stiekem die paaltjes weghalen voor de kachel. We legden ze op een slee en brachten ze naar de kelder. Dat was eigenlijk diefstal.’

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Ik heb gezien hoe aan de overkant van de weg op een nacht een ondergedoken jongeman door de politie de trap af werd gesleurd. En aan het eind van de oorlog schoot een Engels vliegtuig, tijdens een aanval op Duitse jachtvliegtuigen, door het dak van ons huis, vlak langs waar ik lag te slapen. De snippers lagen op de dekens. Het ergste was toen mijn zesjarige zusje blindedarmontsteking kreeg. Mijn vader ging toen op de fiets naar de huisarts in Alkmaar. Die kwam met de fiets mee naar ons huis. Ik weet nog dat de dokter zei: “Mevrouw Boots, het is te ver gevorderd om helemaal te genezen. Het is helaas te laat.” Mijn zusje is daaraan overleden.’

       

Erfgoeddrager: Danté

‘Ernst werd zwaar mishandeld, maar liet geen namen los’

IJssalon Koco aan de Van Woustraat werd gerund door twee Joodse mannen, Alfred Kohn en Ernst Cahn. De ijssalon staat bekend als een belangrijke plek waar het verzet samenkwam. Bing, Dante, Niassa en Teuntje – van de nabijgelegen 3e Daltonschool – spraken met Freerk van der Meulen en zijn neef Frank; hun opa was de broer van Ernst Cahn. Ze wisten veel te vertellen over de familie en de geschiedenis van de ijssalon. Na afloop wandelden ze naar de plaquette op de plek waar vroeger de ijssalon zat.

Wat weten jullie over het verzet in de ijssalon?
Freerk: ‘Vanaf 1941 kwamen er regeltjes voor Joden. Ze mochten niet meer naar de film of naar het park. Ze mochten heel veel niet meer. Veel mensen waren het daar niet mee eens. Zij gingen zich actief verzetten tegen de Duitsers. Dat deden ze door knokploegen op te richten. Als zo’n ploeg dan een clubje NSB’ers tegenkwam, gingen ze hen met knuppels te lijf. Ernst Cahn zat ook bij zo’n knokploeg hier in de buurt.’
Frank: ‘Koco had meerdere locaties en volgens mijn moeder hadden ze bij Koco het beste ijs uit de buurt. Schuin tegenover de locatie in de Van Woustraat had een NSB’er ook een ijswinkel, maar die liep niet zo goed omdat Koco lekkerder ijs had. Daar waren de NSB’ers natuurlijk jaloers op. De Joodse knokploeg kwam altijd samen in de ijssalon om te vergaderen. De NSB’ers kwamen regelmatig langs om te pesten. Op 19 februari 1941 dacht Ernst Cahn dat de NSB’ers weer voor de deur stonden, maar het was de Duitse politie. Ze kwamen hem en de knokploeg arresteren.’

Wat is er na de arrestatie met Ernst Cahn gebeurd?
Frank: ‘Na zijn arrestatie is Ernst naar de gevangenis in Scheveningen gebracht, waar hij is ondervraagd. Hij is ter dood veroordeeld en uiteindelijk geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte in de duinen bij Den Haag. Alfred Kohn is overleden in concentratiekamp Auschwitz.’
Freerk: ‘In de gevangenis is Ernst eerst zwaar mishandeld. De Duitsers hebben erg hun best gedaan om te weten te komen wie de andere leden van de knokploeg waren. Maar dat heeft hij niet verteld. Ernst Cahn was de eerste Nederlandse verzetsstrijder die is gefusilleerd. Ik vind dat onvoorstelbaar, ter dood veroordeeld worden zonder enige vorm van een rechtszaak.’

Hoe wist de familie dat Ernst was gedood?
Freerk: ‘Bij hen was bekend dat hij zou worden geëxecuteerd. Voor zijn dood heeft hij nog een brief naar de familie gestuurd. We hebben een kopie van de brief. Helaas is het handschrift wat onduidelijk en slecht leesbaar. We weten dat hij afscheid nam en vertelde wat er met de ijssalon moest gebeuren. Helaas kon onze opa zijn broer niet opzoeken om afscheid te nemen. Hij was ook Joods, de kans dat hij ook zou worden opgepakt was te groot. Dat risico wilde hij niet lopen. De vrouw van Ernst heeft het hem kwalijk genomen, maar zij was niet Joods, voor haar was er geen risico.’

Hoe heeft de rest van de familie de oorlog overleefd?
Frank: ‘Onze familie was dus Joods en op straat niet echt veilig. Daarom doken ze onder. Mijn moeder zat met onze opa ondergedoken, de moeder van Freerk ergens anders. Onze opa was een beetje eigenwijs en ging soms ook gewoon de straat op. In de Hongerwinter ging hij wel eens op hongertocht. Op één van de tochten kwam ie een Duitse soldaat tegen. Oeps, zou je denken. Maar wat bleek, deze Duitse soldaat kwam net als onze opa en moeders uit Keulen. Dat schept toch een band, dus zei de soldaat: “Nou loop maar door.” Daar heeft hij wel geluk mee gehad.’

            

Erfgoeddrager: Danté

‘In mijn dekentje zat het trouwboekje van mijn ouders gewikkeld’

Lenny Bierman was acht maanden oud toen de ondergrondse haar onderbracht bij een gezin in Zaandam. Vlak daarvoor waren haar ouders tijdens een razzia meegenomen. Vrijwel haar hele familie zag ze nooit meer terug. Aan Eggo, Danté en Naomi van de 3e Daltonschool vertelt ze de bijzondere verhalen die ze heeft meegekregen.

Wat gaat er door u heen als u aan de oorlog denkt?
‘Ik heb de oorlog niet heel bewust meegemaakt. Ik ben 1942 geboren en was dus drie jaar toen het was afgelopen. Ik heb geen herinneringen aan het verdriet dat veel kinderen wel hebben gehad om het missen van hun ouders. Een ander gemis heb ik wel gehad; dat van bloedbanden, familie.
Natuurlijk heb ik wel de verhalen gehoord, over hoe het destijds met mij is gegaan. Maar ik heb een hele gelukkige jeugd gehad. Ik groeide op zonder oorlogsverleden van mijn echte ouders, die waren er niet meer. Mijn pleegouders beschouwde ik als mijn ouders.’

Waar zat u ondergedoken?
‘Tijdens een razzia in 1943 ben ik naar de bovenbuurvrouw gebracht. Vervolgens kwam de ondergrondse en ging ik naar Zaandam. In mijn dekentje zat het trouwboekje van mijn ouders gewikkeld. Daardoor weet ik hoe ze eruitzagen. De mensen die mij destijds hebben opgevangen, zijn mijn ouders geworden. Heel veel mensen in Zaandam wisten dat het niet klopte. Opeens liepen mijn pleegouders met een baby. En geen pasgeboren baby, maar een flink kindje. Niemand heeft ons ooit verraden. En er woonde zelfs een NSB’er in de straat. Het was maar goed dat mijn pleegvader net als ik donker haar had. Mensen zeiden vaak dat ik op hem leek.’

Wist u dat uw onderduikouders niet uw echte ouders waren?
‘Ik was een jaar of zes en ik had ruzie met een vriendinnetje op straat. Opeens riep ze: “Maar je woont niet eens bij je echte vader en moeder”. Toen ben ik naar huis gegaan en heb ik dat gezegd. Mijn pleegouders zeiden ‘ja, dat is zo’, en hebben het verhaal aan mij verteld. Dat hadden ze zelf sowieso al willen doen, maar ze vonden mij gewoon nog te jong.
Het werd meteen duidelijk dat mijn ouders ook nooit meer terug zouden komen. Toch heb ik dat nog lang gedacht. Het gebeurde namelijk een enkele keer dat er iemand terugkwam, uit Rusland bijvoorbeeld. Maar op een gegeven moment weet je ook dat dat helemaal niet meer kan.’

Heeft u nog contact gehad met familie die de oorlog wel heeft overleefd?
‘Een oom is teruggekomen uit een concentratiekamp. Daar heb ik wel contact mee gehad, maar dat was moeilijk. Ik was nog klein en ook waren mijn pleegouders niet zo op hem gesteld. Na de oorlog is er namelijk heel veel gedaan om de Joodse kinderen weer in Joodse gezinnen te krijgen. Mijn pleegouders wilden dat niet, die waren heel blij met mij. Daar zijn veel rechtszaken en gedoe om geweest, want mijn oom wilde dat ik in een Joods gezin zou opgroeien.
Mijn pleegouders vonden het ook heel moeilijk om over de oorlog te praten. Als ik vroeg hoe ik geboren was, zei mijn vader altijd: “Jij bent niet geboren. Jij hing aan een boom en je riep: pluk mij, pluk mij, ik zal altijd lief zijn”. Dan moesten we allemaal lachen en dan was het weer over. Dan hoefde hij er verder niet over te vertellen.’

               

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892