Erfgoeddrager: Anna

‘Op school in Paramaribo werd ik uitgelachen om mijn accent, zelfs door leraren’

Nore, Anna en Rosa interviewen de 67-jarige Sylvester Aboikoni die geboren is in het binnenland van Suriname. Hij vertelt openhartig over zijn leven, zijn familie en de geschiedenis van zijn voorouders, die sterk verbonden is met slavernij en het koloniale verleden, en hij laat zien hoe die geschiedenis nog steeds invloed heeft op zijn leven. Op 20-jarige leeftijd kwam meneer Aboikoni naar Nederland. De leerlingen van de Talisman in Eindhoven luisteren aandachtig, terwijl hij ze mooie foto’s uit het verleden toont.

Wat is uw achtergrond?
‘Ik kom uit het binnenland van Suriname en hoor bij de Saramaccaners. Dat is een van de Marron-gemeenschappen. Onze voorouders zijn gevlucht uit de slavernij en zijn diep het bos in gegaan om vrij te kunnen leven. Dat doen we al honderden jaren, met onze eigen cultuur, taal en leiders.

Leiderschap speelt een belangrijke rol speelt in mijn familie. Mijn opa was opperhoofd en een wijze leider. Hij leerde mij dat je nooit alleen staat, maar altijd onderdeel bent van een gemeenschap. Dat noemen wij Ubuntu: ik ben omdat wij zijn. Die lessen neem ik mee in zijn rol als ‘hoofdkapitein’. Dat betekent dat ik een leidende verantwoordelijkheid heb binnen onze gemeenschap, zowel in Suriname als in Nederland. Ik probeer mensen bij elkaar te brengen en zorg te dragen voor verbinding, net zoals mijn opa dat deed.’

Heeft slavernij nog invloed gehad op uw familie?
‘Ja, slavernij is heel dichtbij. De vader van mijn opa leefde nog in slavernij. Dat betekent dat het geen ver verleden is, maar iets wat maar een paar generaties achter ons ligt. De verhalen zijn altijd doorverteld.

Marrons worden vaak verkeerd begrepen. Wij worden soms ‘weggelopen slaven’ genoemd, maar dat klopt niet. Wij hebben onszelf ‘onttrokken’. Die strijd om menswaardigheid zit nog steeds in wie wij zijn. Dat heeft ook invloed op hoe ik kijk naar onrecht en discriminatie vandaag de dag.’

Hoe was het om naar Nederland te komen?
‘Dat was heel moeilijk. In Suriname kende iedereen mij. Ik was daar actief en voelde me gezien. Toen ik naar Nederland kwam om te studeren, was ik ineens niemand. Ik voelde me vaak eenzaam en had moeite met de cultuur.

Ik voelde me heel verloren. Ik liep zelfs huilend door de straten en vroeg me af wat ik hier deed. Toch heb ik geleerd om contact te zoeken met mensen en bruggen te bouwen. Dat sluit weer aan bij Ubuntu: samen red je het, alleen niet.’

Heeft u discriminatie meegemaakt?
‘Ja, veel. Op school in Paramaribo werd ik uitgelachen om mijn accent. Zelfs leraren deden soms mee. Dat deed pijn, maar het maakte me ook vastberaden om te laten zien dat ik het wel kon.

Ook in Nederland kreeg ik te maken met vooroordelen. Sommige mensen hadden meteen een beeld van mij. Ik heb geleerd om daar niet met boosheid op te reageren, maar met gesprek. Door mijn verhaal te vertellen, veranderde de houding van mensen vaak. Dat is iets wat ik altijd probeer mee te geven: oordeel niet voordat je iemand kent.’

Hoe heeft u uw vrouw leren kennen?
‘Dat is een bijzonder verhaal. Ik was met een vriend in de stad in Eindhoven. We spraken twee vrouwen aan en nodigden hen uit om naar een café te komen waar mijn vriend muziek draaide. Een van die vrouwen zei toen tegen mij: ‘Zwarte mensen werken niet’. Dat raakte me.

Later die avond kwam zij toch het café binnen. Ik negeerde haar eerst, maar ze stuurde me een drankje. Dat was haar manier om sorry te zeggen. We raakten aan de praat en leerden elkaar beter kennen.

De relatie was niet meteen makkelijk. Haar ouders wilden geen zwarte schoonzoon. Dat deed pijn, maar ik bleef rustig. Uiteindelijk wilde haar moeder met mij praten. Dat gesprek veranderde alles. Ze accepteerde mij volledig en later werden we zelfs bevriend. Dat laat zien hoe belangrijk het is om elkaar echt te leren kennen. Nu zijn we al 41 jaar samen en 38 jaar getrouwd!’

Wat wilt u dat kinderen van uw verhaal leren?
‘Dat je niet moet oordelen over mensen die je niet kent. Iedereen heeft een verhaal. Onze geschiedenis is niet alleen mijn geschiedenis, maar ook die van Nederland. Door nieuwsgierig te zijn en naar elkaar te luisteren, kun je bruggen bouwen in plaats van muren.’

Erfgoeddrager: Anna

‘Ik vond het wel een dappere actie van mijn moeder’

Meneer Piet Miedema woont tegenover basisschool CBS de Winde in Hurdegaryp. Dus Jetse, Jurre, Marijan en Anna hoeven alleen de weg over te steken om hem te interviewen. Meneer Miedema is in 1936 geboren en was 3,5 jaar toen de oorlog begon. Hij woonde tussen Buitenpost en Visvliet en had zes broers en zusjes. Meneer Miedema ging in Burum naar school. Dat was elke dag drie kilometer naar school lopen en ook weer drie terug.

Wist u wel dat het oorlog was?
‘Toen de oorlog begon was ik 3,5 jaar. Ik weet het nog als de dag van gister. Er gebeurden toen zo veel vreemde dingen. We moesten ons huis uit, want ze zouden de sluizen openzetten en dan zou ons huis onder water komen te staan. Dat was ingrijpend, want we moesten verhuizen naar opa en oma. De bedden en alles moest mee. Met het paard en de wagen van mijn oom vertrokken we, ik zat bovenop de bedden.’

Merkten jullie iets van de hongerwinter?
‘We waren thuis met zeven kinderen. De oudste was 21 en de jongste was in de oorlog geboren in 1943. Ook al waren we met zoveel kinderen, we hadden totaal geen honger, want hier had je veel boeren. Je kon zelf brood bakken en veel mensen hadden een eigen moestuintje. Gelukkig hadden we ook veel dieren. Daarom konden we ook wel eens stiekem een varken slachten. Het vlees ging dan in van die wekflessen. Er was een gat in de vloer gemaakt en dan ging het vlees daar in de kruipruimte. Als we weer eens wat vlees wilden, deden we het luik open. Maar je moest er zuinig mee zijn, want soms pikten de Duitser het ook in. De boeren moesten soms ook verplicht gewassen verbouwen voor de Duitsers, zoals suikerbieten.’
‘Mijn broer was zestien en die werkte bij een boer, die kreeg wel eens wat suiker mee naar huis. Als we dan koffie of theedronken, zei hij voor de grap: ‘Ik krijg extra hoor, want die suiker is van mij’. Dat heeft hij nog jaren gezegd en wij plaagden hem daar ook wel mee: ‘Hé, dat is suiker van Sietse.’
‘In de oorlog waren er veel kinderen uit Rotterdam, de zogenaamde bleekneusjes, die gingen naar het Noorden toe, omdat daar voldoende voedsel was. Zo is er ook een meisje uit Rotterdam een week of vier, vijf bij ons thuis geweest in 1943. Ze heette Leny. 30 jaar geleden heb ik haar opgespoord. Ik wist haar adres na 50 jaar nog uit m’n hoofd en zo kon ik een brief sturen naar die bewoners. Die wisten wel waar ze woonde en ze hebben de brief doorgestuurd en binnen een week belde Leny mij. Sindsdien hebben we weer contact.’

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt in de oorlog?
‘We zagen vaak Duitsers voorbijkomen in wagens. Soms vlogen er Engelse of Amerikaanse vliegtuigen over, die op de Duitsers gingen schieten. Dat gebeurde soms op weg van school naar huis, dat was drie kilometer en dat maakte het wel spannend. Soms gingen we dan thuis in de kelder schuilen wanneer er weer geschoten werd.’
‘Op een gegeven moment was er een razzia in de kerk in Burum. Het was op zondag, er was dienst. Die ochtend werd de kerk omringd door Duitsers. Alle mannen in de kerk moesten zich legitimeren. Maar er waren ook mannen die het niet vertrouwden en die zochten een schuilplek in de kerk. Onder de preekstoel zat een luik en daar gingen mannen naar binnen, maar die hebben ze wel gevonden. Deze mannen moesten toen lopend naar Zoutkamp en werden vervolgens naar Duitsland gedeporteerd om daar te werken. Een paar andere mannen in de kerk hebben ze gelukkig niet gevonden.’
‘En ik herinner me die ene keer bij ons thuis. Wij hadden een sloot met allemaal eenden. Toen kwam er een Duitse soldaat en die wilde op een eend schieten om deze later op te eten. Mijn moeder zag dat en deed het raam open en riep: ‘Sodemieter op, heb je nou nog niet genoeg van ons gevreten?!’ Die Duitser schrok en ook al verstond hij het niet, hij begreep het wel. Dus hij schoot niet op die eend. Ik vond het wel een dappere actie van mijn moeder, ook al had dat wel anders af kunnen lopen.’

 

Erfgoeddrager: Anna

In 1944 heeft de buurvrouw ons verraden en moesten we naar Westerbork’

Kees, Anna, Kiki en Isa van de Amsterdamse Asvo-school maken kennis met Wil Erents. Ze kijken nog even snel naar hun vragen en overleggen over de volgorde. Dan stellen ze hun eerste vraag. Mevrouw Erents (1944) was nog maar een baby in de oorlog en woonde met haar familie in het centrum van Amsterdam. Aan de kinderen vertelt ze haar aangrijpende verhaal.

Hoe was het leven voor de oorlog voor uw familie?
‘Mijn familie woonde midden van de Jodenbuurt op de Zwanenburgstraat. Die bestaat niet meer, maar mijn wiegje stond ongeveer op de plek waar nu de ingang is van de Stopera. Wij deden niet veel aan het joodse geloof, maar we waren Joods.

Over de oorlog weet ik vrij weinig, ik was nog een baby. Eigenlijk heb ik pas veel later van mijn oudere broer en zus dingen gehoord. Zo zijn wij door de buurvrouw in februari 1944 verraden, en toen via de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork getransporteerd.’

Hoe was het leven in Westerbork?
‘Omdat ik natuurlijk nog maar een baby was, weet ik zelf niet wat daar is gebeurd. Maar ik heb begrepen dat het met mij niet al te best ging, ik moest echt worden verzorgd in het ziekenhuis. Ik heb gehoord dat mijn familie toch ook een soort mazzel had, we werden niet op de trein naar Auschwitz gezet. Mijn vader was vrachtwagenchauffeur en monteur. De Duitsers konden hem goed gebruiken. Hoe mijn ouders het leven daar hebben ervaren, daar is nooit over gesproken. Toen de oorlog was afgelopen, moest ik naar Schiermonnikoog om aan te sterken. Ook daar weet ik niets meer van.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘In het huis aan de Zwanenburgstraat konden wij niet meer terecht. De Transvaalbuurt was voor de oorlog een wijk waar veel Joodse mensen woonden. Maar die kwamen niet meer terug. Er waren daardoor veel lege huizen. Ik kwam op de Louis Bothastraat 29 II te wonen. Ik ging met ontzettend veel plezier naar school, dat was een echte veilige plek. Soms werd ik uitgescholden voor vuile Jood, maar dan timmerde ik de pestkoppen op hun gezicht.

Ik woon nog steeds met ontzettend veel plezier in de wijk en ik ben elk jaar op 4 mei aanwezig op de herdenking van het ‘Buikschot’. In de oorlog was er een aanslag gepleegd aan het spoor. Ter vergelding werden er drie mannen uit de Transvaalbuurt uit de Leidsepleingevangenis gehaald en die werden neergeschoten met een buikschot op de Tugelaweg. De mensen uit de buurt moesten verplicht kijken.’

Wat doet een oorlog met een mens?
‘De oorlog geeft emoties. Ik heb nooit met mijn familie gesproken over alles wat er toen is gebeurd. Eigenlijk vind ik dat ik wel moet gaan onderzoeken, maar dat is moeilijk en emotioneel. De sfeer na de oorlog thuis was niet erg vrolijk. Mijn vader overleed al snel en met mijn moeder had ik geen fijne band. Ik vond haar chagrijnig.

Het gemis van mijn familie en vooral van mijn grootouders speelt ook een grote rol in mijn leven. Nu ben ik (over) grootmoeder en ik ben ontzettend trots op mijn nageslacht. Ik hoop ooit met een van mijn kleinkinderen mijn geschiedenis te gaan onderzoeken.’

 

Erfgoeddrager: Anna

‘De Joodse kinderen moesten aan de achterkant van de school zitten’

Noa, Anna en Catelijne komen binnen in het kleurrijke appartement van Mirjam Elias in Amsterdam-West. Ze heeft een prachtige, gele outfit aan, van top tot teen. De meiden zien een flipperkast in haar appartement en rennen er enthousiast heen. ‘Van Ronny geweest’, zegt mevrouw Elias (1950) lachend, en ze zet het oude apparaat aan. Even wordt er geflipperd, maar dan is het tijd om aan tafel te schuiven voor het interview, want ze heeft de leerlingen van de Amsterdamse Asvo-school veel te vertellen over het oorlogsverleden van haar man Ronny.

Wie was Ronny?
‘Ronny was mijn man, die helaas veel te vroeg is overleden. Ronny was niet Joods. Maar de meeste kinderen met wie hij speelde, bleken wel Joods te zijn, en toen mocht hij ineens niet meer met ze omgaan. Hij zat op de school waar vroeger de Asvo zat.

Die school is in de oorlog in tweeën verdeeld, met een muur er dwars doorheen. De Joodse kinderen moesten naar de achterkant en de niet-Joodse kinderen naar de voorkant: de achterkanters en de voorkanters. Ze gooiden briefjes naar elkaar en zongen liedjes over de muur heen. En de juffen bleven met elkaar kletsen door een deur, tot ze werden verraden en dat niet meer mocht. Toen was het echt afgesloten.

Steeds meer kinderen verdwenen van de achterkant. Ze waren ondergedoken of weggehaald met een vrachtwagen. Ronny zag dan wel eens na afloop een verhuiswagen hun huis leeghalen. De achterkanters werden na school vaak opgewacht door kinderen van de Jeugdstorm. Zij kwamen met stokken en kettingen over de brug van de Reguliersgracht de Joodse kinderen opwachten. Ronny en de andere voorkanters gingen de achterkanters helpen, en zo ontstond er een grote vechtpartij tussen de achterkanters en voorkanters tegen de kinderen van de Jeugdstorm. De voorkanters hadden allemaal stenen en takken uit het plantsoen mee. Ronny was een dromerig jongetje, maar toen was hij zo kwaad dat hij heel erg sterk werd.’

Wie was Louisa?
‘Louisa was een hele dappere vrouw, die, toen de Joden verplicht werden een ster te dragen, iets heel bijzonders heeft gedaan. Ze heeft namelijk een jurk genaaid die volledig uit Jodensterren bestond. Ze was een hele mooie, charmante vrouw, ik heb haar later zelf ook leren kennen. Tijdens een belangrijke bijeenkomst, had ze die sterrenjurk aan onder een lange jas, en toen ze op het podium stond, knoopte ze die jas heel langzaam open. Het leek bijna een striptease, en toen ineens kwam daar die jurk met ik weet niet hoeveel Jodensterren onder te voorschijn… Een ontzettend dappere daad, want ze kon zo vermoord worden. Maar ze deed het met zo veel geestkracht, het was zo’n creatieve daad van verzet, dat haar niets is aangedaan.

Iets anders wat Louisa heeft gedaan en wat heel dapper was: ze verzamelde documenten van de Duitsers die verboden waren op te rapen. Bijvoorbeeld: formulieren aan Joodse mensen, waarop stond dat ze alles moesten inleveren bij de Duitsers, en ook briefjes aan Joodse mensen waarop stond dat ze met de trein ‘mochten’ gaan. Ik zeg ‘mochten’ met nadruk, omdat het zo wreed is: ze kregen toestemming om met de trein te reizen, iets wat hen inmiddels verboden was, maar ze kregen ‘toestemming’, om vervolgens de dood te worden ingejaagd.

Omdat Louisa dit soort documenten stiekem verzamelde, is later bewezen wat er gebeurd is. Want heel veel mensen ontkenden het gewoon na de oorlog en zeiden dat het allemaal wel meeviel. Maar dankzij mensen als Louisa staat zwart op wit wat Hitler en zijn gevolg heeft gedaan.’

Wie was Willy?
‘Ronny vertelde me ooit over een jongetje in de kelder, waar hij vroeger elke dag mee speelde. Ik begreep niet wat hij bedoelde. ‘Wat deed dat jongetje in die kelder?’, vroeg ik hem. Eerst wuifde Ronnie dat weg, maar toen ik aan bleef houden viel hij op gegeven moment tegen me uit: ‘Dat jongetje was Willy en Willy zat daar ondergedoken natuurlijk!’ Toen moest ik wel even slikken.

Ronnie heeft Willy heel lang in het geheim opgezocht om samen te spelen. Ook bracht hij hem twee konijntjes, zodat Willy niet alleen zou zijn als Ronnie weer weg moest. Ze waren dikke vrienden. Het is vreselijk dat Willy uiteindelijk is vermoord, en ook nog eens op zijn eigen verjaardag. Sindsdien heeft Ronny zijn eigen verjaardag nooit meer willen vieren. Ook heeft hij heel lang niet over Willy willen praten, zo pijnlijk was het.

Toen ik mijn boek ging schrijven is hij meer gaan praten, en hebben we ook samen onderzoek gedaan. Willy bleek Willy van Biene te heten. We hebben een mooi filmpje over hem gemaakt, als een soort eerbetoon, dat staat op YouTube.’

Erfgoeddrager: Anna

‘Ik zag hoe mijn Joodse vriendje en zijn familie uit hun huis werden gehaald’

Bep Kuiper Kronen (1931) is geboren in Rotterdam. In het interview met Lume, Anna, Adem en Eva van de Vrije school Thula in Amsterdam vertelt ze over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze was toen tussen de 9 en 14 jaar oud.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik woonde toen bij mijn oma (opoe) in Rotterdam, vlakbij de Maasbruggen. Van mijn opoe moest ik altijd aangekleed naar bed want de lucht was regelmatig vol vliegtuigen en dan ging het luchtalarm. Er zou gebombardeerd kunnen worden. We moesten dan schuilen onder de trap. Het was een angstige tijd met veel bombardementen.

Zodra het luchtalarm ging, liep de buurt leeg en zat iedereen in de schuilkelder. Ik weet niet goed hoe dat eruit zag, want het was er altijd donker. Maar ik herinner me de geluiden, er waren kinderen die huilden, en er werd gepiest en gepoept, we zaten er soms wel een paar uur. Het was afschuwelijk.’

Hoe verliep de oorlog voor u?
‘Ik had een Joods vriendje dat twee huizen verderop woonde. Op een dag zei mijn oma dat ik niet meer met hem mocht spelen. Later begreep ik waarom: ze was bang dat als de Duitsers hem zouden arresteren, ze mij ook mee zouden nemen. Ik zag met eigen ogen hoe hij en zijn familie uit hun huis werden gehaald door de Duitsers. Het was verschrikkelijk om te zien.

Soms hoor ik nog dat schreeuwen van die mensen. Die moeder van dat jongetje werd aan haar haren uit het huis gesleurd. Dat is verschrikkelijk geweest.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Opoe kreeg een bonkaart en dan kon je iets van eten krijgen. Er werd een kruisje op je kaart gezet als je eten had gekregen. Mijn opoe heeft zelfs om een half brood gevochten met haar buurvrouw. Weet je, als je honger hebt, dan word je anders. Dan maken mensen ruzie met elkaar.

Een van de ergste periodes was de Hongerwinter. Ik herinner me dat ik constant honger had en huilde om eten. Mijn oma probeerde van alles, zoals plakjes suikerbiet bakken in een lege koekenpan, maar het was vreselijk.’

Erfgoeddrager: Anna

‘Iedere dag mocht ik een bordje eten naar mijn vriendinnetje brengen’

Het boek van Tine van Wijk ligt al op tafel, Spelen in het land van toen. Het is een cadeautje voor Lev, Anna, Rijk en Israa die haar komen interviewen. Of anders voor de bibliotheek van hun school, de Asvo in Amsterdam. ‘Dat komt goed uit, want we zitten in de bibliotheek’, zeggen de kinderen.

Wanneer merkte u dat de oorlog begon?
‘We waren thuis met mijn opa en oma, vader en moeder. Ik was 3 jaar toen de oorlog begon. En later ik kreeg een zusje en een broertje. Op een gegeven moment was de oorlog er gewoon. Het eerste dat ik merkte was dat de sfeer thuis wel wat gespannen was. Mijn ouders waren natuurlijk bang, ze waren in afwachting van de oorlog. Ik wilde graag naar de kleuterschool want daar kon ik lekker spelen.’

Wilt u het verhaal vertellen over de ondergedoken auto?
‘We hadden twee auto’s begraven: onze eigen auto en een auto van een Joodse man. Dat deden we omdat alles naar de Duitsers moest. Fietsen, auto’s, alles dat ijzer was. Dus toen hebben wij ze begraven. De Duitsers hebben ze niet gevonden.

Wonder boven wonder is de meneer die hoorde bij de auto, teruggekomen. Dus die heeft zijn auto opgehaald. Ik weet nog altijd niet wie dat was. Ik zie de meneer nog voor me met een grote hoed en een lange jas. Hij stapte in de auto, zwaaide en weg was hij. Hij kwam natuurlijk uit een kamp of uit de onderduik.’

Hadden jullie honger in de oorlog?
‘Er was veel honger maar wij hadden nog geld omdat we dat bedrijf hadden en konden op de zwarte markt eten kopen. Wij hadden nog eten en een beetje hout voor de kachel. In de avond kwamen alle buren bij elkaar en mijn opa ging dan verhalen en sprookjes vertellen. We zaten allemaal met zo’n olielampje, mijn opa kon heel goed vertellen. Ik vond het prachtig, met het olielicht en al die buren. Nou, en dan ging het boem, het luchtalarm en moest je met z’n allen naar buiten, naar de schuilkamer.

Ik had een vriendinnetje dat heel erg ziek was. En zij kwam uit een gezin met vijf kinderen. Het was een arbeidersgezin, zij hadden minder geld en dus ook minder eten. Iedere dag mocht ik een bordje eten naar mijn vriendinnetje brengen. De kinderen wachtten mij al op en ritsten het bord uit mijn handen om dat naar boven te brengen en onderweg een hap te nemen.’

Klopt het dat er weleens Duitse soldaten bij jullie thuis zijn langsgekomen?
‘Op een dag werd er aangebeld en stonden er twee soldaten voor de deur. Mijn oma riep ‘Gijs, Gijs’ naar mijn vader! ‘In de aardappelkelder, in de aardappelkelder!’ We hadden zo’n luik in de keuken, daar ging mijn vader in. Want hij kon natuurlijk altijd opgepakt worden om naar Duitsland te worden gestuurd om daar te werken. De Duitsers kwamen binnen en mijn moeder maakte thee voor ze. ‘Wo ist der Mann? Wo ist der Mann?’, vroeg er een. Oh, er ist krank, im Krankenhaus, zei mijn moeder. De Duitsers werden afgeleid door mijn schattige zusje dat in de box lag, ze doorzochten het huis niet en gingen weer weg.

Mijn vader kwam uit de aardappelkelder, maar toen werd er opnieuw aangebeld. Stonden weer die twee soldaten voor de deur… Ze kwamen terug omdat een van de van die soldaten zijn geweer was vergeten die naast de box stond waarin mijn zusje lag. Mijn vader ging snel terug de aardappelkelder in. Dat was dus zo’n moment dat helemaal mis had kunnen gaan.’

Erfgoeddrager: Anna

‘Met het schip De Oranje kwamen we op kerstavond aan in Amsterdam’

Pommeline, Anna, Krijn en Taeke interviewen Inge Bruyn (1949). Zij groeide op op Java in Indonesië. Mevrouw Bruyn is al vroeg op de Willem-Alexanderschool in Bergen en heeft van alles bij zich. Fotoboeken, een houten beeld en mooie batikdoeken waarmee ze de tafel versiert, waaraan iedereen gaat zitten. De interviewers zijn heel nieuwsgierig.

Hoe was het leven voor u in Indonesië?
‘Ik groeide op in Soerabaja op Java en woonde ook in Bandung en in Jakarta. Mijn ouders hadden de Nederlandse nationaliteit. Mijn grootvader kwam ooit als militair naar Indonesië en trouwde met een inheemse vrouw, zoals zovelen. De grootvader van mijn moeders kant is ooit vanuit Kenia naar Suriname gekomen.

We woonden in een groot huis in een groot veld met heel veel personeel. Voor alles was er iemand, voor de tuin, voor de keuken, om te koken, om voor ons te zorgen, een chauffeur.. enzovoort. Op het veld woonden nog meer best wel rijke mensen. Rondom het veld was een groot hek waar we niet doorheen mochten. Daarachter was een muur en daarachter een school. Ik ging samen met de kinderen van de rijke families naar een andere school, daar werden we met de bus heengebracht.

Ik vond het helemaal niet fijn dat ik niet door dat hek mocht. Ook was ik heel nieuwsgierig naar de kinderen van de school achter de muur. Als vijfjarig meisje gooide ik daarom mijn poppen over de muur, ik dacht dat ik dan naar de andere kant mocht om mijn poppen op te halen en dan zou ik lekker kunnen spelen met die kinderen. Maar mijn moeder zei: echt niet! Het was te gevaarlijk. Mijn moeder was vooral heel bang dat ik ontvoerd zou worden en dat ze veel geld voor mij zouden vragen. Daarom mochten we ook niet met de baboe mee naar de markt. We zaten altijd achter dat hek en we konden dus alleen met de kinderen spelen die bij ons op het veld woonden.’

Hoe was de oorlog voor uw ouders?
‘Mijn moeder en vader kwamen in een jappenkamp terecht. Dat was vreselijk voor hen. Mijn moeder moest zwaar werk doen en stond van 12.00 tot 17.00 rechtop in de brandende zon. Mijn vader werkte voor de Birma-spoorlijn die toen werd aangelegd.

Voordat de oorlog uitbrak zat mijn vader bij de marine. Toen iemand daar vroeg wie er kon koken, stak mijn vader zijn hand op terwijl hij helemaal niet kon koken… Hij kon nog geen ei bakken! Daar heeft hij goed leren koken en leerde hij veel over voedsel. Dat was ook de reden dat hij eetbare wortels herkende die groeide langs de spoorlijn die ze moesten aanleggen. Mijn vader trok ze uit de grond en zorgde er zo voor dat hij genoeg te eten binnenkreeg.’

Waarom gingen jullie weg uit Indonesië?
‘Na de oorlog barstte de onafhankelijkheidsstrijd los; Indonesië wilde onafhankelijk worden en wilde niet meer dat Nederland de baas was. Nederland wilde nog steeds de baas zijn dus dat werd een vreselijke strijd. Ik vond het normaal dat Indonesië vrij wilde zijn van Nederland, het was tenslotte hun land.

Alle Nederlanders moesten het land uit en omdat mijn beide ouders de Nederlandse nationaliteit hadden gingen ook wij naar Nederland. We reisden op een luxe schip, De Oranje, en kwamen op kerstavond aan in Amsterdam. Daar gingen we allemaal, in bussen. Toen ik al een poosje in de bus zat dacht ik: wanneer zijn we nou in Nederland? Ik zie helemaal geen sneeuw en ijs? Ik vroeg het aan mijn moeder maar die zei: we zijn allang in Nederland. Ik kon het niet geloven. In Indonesië had ik allemaal ansichtkaarten ontvangen uit Nederland met de kerst waarop sneeuw stond en schaatsende mensen…

Toen we in een contractpension aankwamen kregen we twee kleine kamertjes, er was geen eten en geen douche. We dachten: wat is dat nou? Het is kerstmis! Na de kerstvakantie moest ik naar school. De kinderen reageerden heel raar op mij. Ze zeiden: heb jij je wel gewassen want je ziet zo bruin en heb je je oogjes gewassen? Of ze vroegen of ik in een bamboehutje woonde en waar mijn bananenrokje was. Ik begreep het toen helemaal niet. Ik had er nog niet zoveel last van, vond het alleen heel raar, al die opmerkingen. Maar later in Utrecht ben ik heel veel gepest, dat was echt heel erg. Als je veel gepest wordt heb je daar heel erg lang last van, als een soort groot trauma, het werkt heel lang door in je leven.’

Hebt u nog wel sneeuw en ijs meegemaakt dat jaar?
‘Toen ik 5 jaar was en op een flat in Utrecht woonde, maakte ik mee dat het hard ging vriezen. Voor de flat was een pleintje en ik dacht: als ik daar nou wat water overheen gooi dan wordt het een ijsbaan. Dus ik haalde twee emmertjes water en gooide dat over het plein, maar dat was niet genoeg. Ik haalde nog twee emmertjes water maar het was nog steeds niet genoeg. Toen kwam er een meneer en die vroeg of hij me kon helpen. Hij pakte een tuinslang en spoot zo het hele pleintje onder water. Toen hebben we daar twee dagen op geschaatst.’

Erfgoeddrager: Anna

‘Ik had veel plaatjes van Amsterdam gezien en dat leek me wel wat’

Dylaino, Nathalie, Anna en Gwenn verwelkomen Nelson Carrilho in het kunstlokaal van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost. Ze stellen zich aan hem voor en vragen hem daarna van alles over zijn leven. Meneer Carrilho is geboren op Curaçao en verhuisde in 1964 naar Nederland met zijn ouders, broers en zus.

Hoe oud bent u en hoe was het leven op Curaçao?
‘Hahaha, hoe oud ik ben? Hmm, eigenlijk is dat geheim, maar ik ben 71 jaar. Ik groeide op op Curaçao in een warm gezin. Ik had drie broers en een zus. Mijn vader werkte bij de Shell en mijn moeder werkte thuis, dat was normaal in die tijd. Mijn vader kwam uit Suriname, mijn moeder van Barbados. We gingen naar school en kregen goed onderwijs, maar dat ging wel alleen over Nederland. Ik wist van alles over de provincies, maar over ons eigen eiland leerde ik niets. Achteraf best raar. We speelden ontzettend veel buiten, je leefde eigenlijk bijna buiten. Mijn ouders vonden dat we het beste uit onszelf moesten halen, dus moesten we hard studeren en hard werken om de top te behalen. Ook moesten we foutloos Nederlands spreken. We zijn allemaal best goed terechtgekomen.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘In 1964 werd mijn vader ontslagen en besloten mijn ouders om naar Nederland te gaan. Ik vond het wel een avontuur: ik had veel plaatjes van Amsterdam gezien en dat leek me wel wat. Ik wist dat het er koud kon zijn. We hadden een winkel in de buurt waar je warme truien kon kopen. Met die aan gingen we in de ijskast zitten om te oefenen. Natuurlijk was de realiteit anders. Jongens, wat vind ik het koud! We hadden wel mazzel, we hadden in ons huis centrale verwarming. Ik heb één keer geschaatst: op van de houten dingetjes, het was geen succes en ik heb uren op de kachel gezeten om weer een beetje warm te worden. Ik heb de kunstacademie gedaan en uiteindelijk ben woon ik alweer jaren in de Jordaan. Heel fijn, het mooiste plekje van Amsterdam.’

Was er toen discriminatie vond u?
‘Ik ben erg goed opgevangen op mijn nieuwe school in Amsterdam Osdorp. Natuurlijk ben je een zwart gezin, daar waren er toen nog niet veel van. Ik heb wel meegemaakt dat toen ik eens net als mijn medeleerlingen ging collecteren voor het Rode Kruis, de deur voor mijn neus dichtging met de mededeling: ik geef niet aan zwarten. Toen ben ik ermee gestopt. Dat kwam best hard binnen. Maar ons gezin was veilig en ik werd door ze gesteund. Ik werd er me bewust van en besloot krachtig op mijn benen te staan om een stem te zijn tegen racisme.’

Hoe doet u dat?
‘Ik ben kunstenaar. Ik maak monumenten tegen racisme. Nu worden bijvoorbeeld in Italië beelden aan de kust gezet om migranten te herdenken. Je gebruikt de kunst eigenlijk om te praten. Ik zeg ermee: het zijn mensen. Ook in Amsterdam staan beelden van mij.’

Erfgoeddrager: Anna

‘In Suriname hadden we een heel groot erf waar je kon fietsen’

Nellie Bakboord arriveerde in 1965 in Nederland, ze was toen bijna 12 jaar oud. Ze kwam samen met haar moeder, broers en zussen uit Suriname; haar vader was al eerder naar Nederland vertrokken. Ze keek haar ogen uit toen ze op weg waren naar een woning die haar vader had gehuurd. Iedereen woonde hier zo dicht op elkaar… Aan Lilly, Mirla, Anna, Marta en Lucy van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze haar verhaal.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Mijn vader wilde een betere toekomst voor ons, voor zijn kinderen. Vroeger was Suriname een kolonie van Nederland en dan ging je naar Nederland. Naar het moederland, werd dat genoemd.

Ik vond het best moeilijk. Elf jaar was ik. Ik had veel vriendinnen en zwemles, ik was lid van de zwemvereniging. Ik was er niet blij mee dat ik mijn vriendinnen achter moest laten. Wat ik wel spannend vond is dat we naar een kleermaker gingen in Suriname om warme kleren voor Nederland te laten maken. En dat we naar de fotograaf gingen om een foto te laten maken voor ons paspoort. We gingen bij de Albert Cuypmarkt in Amsterdam wonen bij een hospita, daar hadden we twee kamers. Daar hebben we een jaar gewoond, daarna gingen we naar een grotere woning bij de Rai.

Het was als kind heerlijk om in Suriname te leven. We hadden een heel groot erf, waar je kon fietsen en we hadden fruitbomen. We hadden drie honden, die moesten we achterlaten. Er was ook een leguaan die we altijd wegjoegen van de groentes. Het was heel fijn om daar op te groeien.

Nadat ik was afgestudeerd ben ik teruggegaan naar Suriname en heb ik daar nog tien jaar gewoond. Ik had toen al twee kinderen, maar mijn jongste heeft de lagere school daar afgemaakt. Ik vond het belangrijk dat hij dat daar deed want hij kon er veilig spelen. Ik heb er een fijne tijd gehad. Ik verbouwde mijn eigen groenten, dat doet mijn hele familie graag.’

Waren uw voorouders tot slaaf gemaakt?
‘De oma van mijn vader is in slavernij geboren. Haar moeder was tot slaaf gemaakt op een plantage in Nickerie. Mensen waren niet vrij op de plantages, ze waren verplicht om daar te werken. Je kon niet zeggen: ik neem een paar dagen vrij. Je moest werken en als je je werk niet goed deed werd je geslagen. Dus je zorgde ervoor dat je altijd deed wat de plantagehouder zei.

Bedenk altijd, mensen waren niet vrij, dat was niet goed. Je was een bezit van de slavenhouder. Maar als iedereen doet wat de slavenhouder wil dan is de slavenhouder niet altijd een enge man of vrouw. Soms kon er een vorm van vrede zijn met elkaar, dat kreeg je een deel van de opbrengst en kon je je kinderen goed te eten geven.

Nu zijn de plantages in verval geraakt. Wat je ziet is dat de jongeren het weer nieuw leven inblazen. Je kan de plantages nu bezoeken; je leert er de geschiedenis en je krijgt een rondleiding.’

Wat vindt u belangrijk uit de geschiedenis van Suriname?
‘Ik vind het sowieso belangrijk te weten waar alle bevolkingsgroepen in Suriname vandaan komen. Als kind denk je daar niet over na, ik denk dat jullie dat ook niet doen, je zit gewoon samen in dezelfde klas. Nu ik ouder ben en ik kijk naar mijn klassenfoto zie ik Chinese kinderen, Hindoestaanse kinderen, Javaanse, Creoolse, Libanese, Syrische kinderen. Zoveel verschillende bevolkingsgroepen woonden samen in Suriname en we moeten leren van elkaar. Dat leer je pas als je ouder bent, het is het goed om belangstelling te tonen voor elkaar en voor elkaars geschiedenis. Als kind maakt het niet uit, als je samen gaat fietsen doet het er niet toe waar iemand vandaan komt.’

Hebben uw ouders de oorlog meegemaakt?
‘Jazeker, mijn vader heeft voor Nederland meegevochten in Indonesië. Omdat Suriname een Nederlandse kolonie was werd er ook in Suriname gezocht naar jonge mannen die voor Nederland wilden vechten en dat heeft mijn vader gedaan. We werden grootgebracht als Nederlanders dus het was logisch dat we meevochten. We spraken ook Nederlands thuis. Mijn jongste broer heeft een boek geschreven over mijn vader in die tijd. Niet alleen mijn vader maar meer familieleden hebben getekend om te vechten in de oorlog. Gelukkig ken ik zelf geen Surinamers die zijn omgekomen in de oorlog. Surinamers hebben echt een rol gespeeld in de Tweede Wereldoorlog en dat wordt niet altijd genoemd.’

Viert u Ketikoti?
‘Ja, ik vier het zeker, ik vier de vrijheid en de afschaffing van de slavernij. Ik ben al bijna zestig jaar in Nederland. Vroeger werd Ketikoti maar in kleine kring gevierd, nu is dat veel groter. Je kan nu ook op veel plekken in Nederland een gratis heri heri maaltijd halen

Maar eerst wil ik, voordat we vieren, de periode van de slavernij herdenken. Eerst er bij stilstaan wat er is gebeurd, hoe onze voorouders onder barre omstandigheden een weg hebben moeten vinden in het leven. Dat mag niet los gezien worden van elkaar, vertel elkaar wat er is gebeurd en brand een kaarsje voor onze voorouders. En dan de volgende dag een mooie jurk aan, muziek en goed eten.’

Erfgoeddrager: Anna

’Na de vakantie staat er een muur in de school’

Damin, Olivia en Anna van de Rijk Kramerschool uit Amsterdam-West gaan op bezoek bij mevrouw Mirjam Elias. Mevrouw Elias heeft de oorlog niet meegemaakt, maar ze was getrouwd met fotograaf Ronald Sweering. Hij is hoofdpersoon Ronny uit het boek ‘Het Verlaten Hotel’, dat mevrouw Elias heeft geschreven. De juf van groep 7 is het boek aan het voorlezen in de klas.

Kunt u vertellen waar het boek over gaat?
‘Het is 1940. Ronny woont met zijn ouders en zusje in Atlantic, hun hotel in Amsterdam. Sinds de oorlog is uitgebroken, gebeuren er vreemde dingen. Ronny’s vader voert voortdurend geheimzinnige gesprekken. Het is een broeinest van het verzet. En Ronny’s vader houdt in zijn hotel mensen verborgen. Dat is heel gevaarlijk en Ronny was natuurlijk altijd heel bang dat er iets ergs zou gebeuren. Hij besluit zelf ook een verzetsgroep op te richten, op school, om zijn Joodse vriendjes te beschermen.’

 Waarom richtte Ronny die verzetsgroep op?
‘Ook op school is alles anders. Na de vakantie staat er ineens een muur in de school. Voortaan is er sprake van voorkantkinderen en achterkantkinderen. Ronny zit aan de voorkant en zijn joodse vrienden aan de achterkant. Steeds weer verdwijnen er kinderen van de achterkant. Steeds is er eentje minder. Ronny begrijpt er niets van: waarom dóén volwassenen hier niets tegen? Je matti moet naar de achterkant. Samen spelen mag niet meer. Huh? Op een dag ontdekt Ronny dat er een Joodse jongen is ondergedoken aan de overkant van het hotel. Willy is zijn naam en Ronny sluit vriendschap met hem en na schooltijd spelen ze stiekem met elkaar. Zelfs zijn beste vrienden mogen hier niets van weten. Door verraad wordt Willy opgepakt en op zijn twaalfde verjaardag vermoord in Polen.’

Hoe is Ronny erachter gekomen wat er met Willy is gebeurd?
‘Ronny heeft heel lang met het gemis van Willy moeten leven en na vijftig jaar is hij op onderzoek uitgegaan. En zo kwam hij achter de volledige naam van zijn verdwenen en vermoorde vriend: Willy van Biene. Ronny had er nooit meer over had gepraat, hij had alles verdrongen omdat het te erg was.’
‘Als mensen heel nare dingen meemaken, kunnen ze het moeilijk vinden erover te praten, soms hebben ze zelfs geen herinnering meer. Gelukkig heeft hij het mij toch kunnen vertellen en daarom kunnen jullie het lezen en deze verhalen doorvertellen, zodat we nooit zullen vergeten wat er gebeurd is.’

Hoe wist u hoe u Willy moest beschrijven, u hebt hem niet gekend?
‘Het was een hele speurtocht. Later ontmoetten we familieleden, neefjes en nichtjes van Willy en toen had ik een idee hoe hij was en ik ben meteen gaan schrijven. En de volgende morgen las ik het Ronny voor en hij zei: ‘Oh, ik zie hem weer voor me, zo was hij echt!’ En hij begon zich heel veel te herinneren.’

 

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892