Oorlog in mijn Buurt
‘Wekenlang is mijn broer verzorgd door een Duitse non’
Angelina, Carmen, Gigi, Rayan ontmoeten Els Peeters
Kaley, Lucy en Kee van basisschool de Talisman in Eindhoven hebben een bijzondere afspraak: ze gaan Charlotte Johann interviewen. In 1952, toen mevrouw Johann zes jaar oud was, vertrok ze vanuit het toenmalige Nederlands-Indië naar Nederland. Haar verhaal is indrukwekkend, niet alleen omdat ze slechtziend is, maar vooral omdat ze deze lange als jong meisje helemaal alleen heeft afgelegd.
Bij aankomst worden de kinderen warm ontvangen. In de kamer valt meteen een speciaal voorwerp op: de koffer die ze als kind meenam op de bootreis naar Nederland. Aan de muur van haar gezellige appartement hangen veel foto’s van familie.
Hoe was het leven van uw ouders tijdens de Japanse bezetting?
Ik ben geboren in 1946, vlak na de oorlog, in Nederlands-Indië. Mijn vader was een Nederlands-Indische man, wat betekent dat hij zowel Nederlandse als Indonesische roots had. In die tijd waren de verhoudingen gespannen, vooral tijdens en na de Japanse bezetting. Mensen zoals wij, met een gemengde achtergrond, werden vaak als vijand gezien.
Mijn vader heeft in de oorlog veel meegemaakt. Hij heeft gevochten en zelfs in Japanse krijgsgevangenschap gezeten. Over die periode vertelde hij niet veel. Dat zorgde ervoor dat er thuis ook veel onuitgesproken bleef.
Zelf heb ik de oorlog niet bewust meegemaakt, maar de gevolgen waren wel gevoeld. Alles stond in het teken van onzekerheid en voorzichtig leven. Zelfs iets eenvoudigs als een kind registreren bij de gemeente kon gevaarlijk zijn. Toch dacht ik daar als kind niet echt over na. Pas later besefte ik hoeveel invloed die tijd op mijn leven en dat van mijn familie heeft gehad.’
Wat gebeurde er met uw gezin na de oorlog?
‘Na de oorlog wilden Indonesiërs onafhankelijk worden van Nederland. Daardoor ontstonden er spanningen, en Nederlands-Indische families zoals de onze kwamen in gevaar. Op een gegeven moment werden wij letterlijk uit ons huis gezet.
Mijn vader had een goede baan bij de marine, en we woonden in een mooi huis. Maar dat maakte ons juist een doelwit. Ons huis werd ingenomen en wij stonden op straat. Gelukkig konden we tijdelijk bij vrienden van mijn ouders terecht. Als kind werd mij verteld dat we gingen logeren, maar in werkelijkheid waren we alles kwijt. Dat logeren duurde steeds maar kort. Na een paar maanden moesten we weer verder. Het leven was onzeker en we hadden geen vaste plek meer.’
Hoe was het om als kind alleen naar Nederland te gaan?
‘Toen ik zes en een half was, moest ik alleen naar Nederland voor een oogoperatie. Ik werd naar de haven gebracht en moest in mijn eentje aan boord van een schip. Mijn familie bleef achter. Ik begreep niet goed wat er gebeurde. Mij werd verteld dat ik ging logeren en dat er voor me gezorgd zou worden. Maar ik voelde dat er iets niet klopte, en ik was bang. Ik ben ook een hele dag zeeziek geweest.
Op het schip moest ik wennen aan alles en iedereen. Ik was omringd door vreemden en miste mijn familie enorm. Hoe langer de reis duurde, hoe sterker het gevoel werd dat ik er alleen voor stond. Mijn ouders mochten niet mee, waarschijnlijk omdat ze geen toestemming kregen. Waarom precies, dat weet ik nog steeds niet zeker.’
Hoe was het in Nederland?
‘In Nederland woonde ik lange tijd gescheiden van mijn ouders. Ik zat op een kostschool en zag hen alleen in de vakanties. Dat was heel zwaar voor mij. Ik had veel last van heimwee, zelfs lichamelijk. Het leven op school was streng en totaal anders dan het vrije leven dat ik in Indonesië kende. Het eten, de regels en het leven in grote groepen, daar moest ik aan wennen. Ik voelde me vaak ongelukkig en moest telkens opnieuw wennen na een vakantie thuis.
Toch vond ik manieren om ermee om te gaan. Ik maakte vriendinnen en probeerde mijn eigen weg te vinden, hoe moeilijk dat ook was.’
Welke moeilijke momenten heeft u als kind meegemaakt?
‘Op de kostschool had ik het soms zwaar. Zo had ik moeite met het eten, vooral met brood. Ik verstopte het en gaf het aan eendjes. Toen dat ontdekt werd, kreeg ik straf. Ik werd geslagen met een kleerhanger. Dat was een harde en pijnlijke ervaring. Ik huilde niet, ondanks de bedoeling dat ik dat wel zou doen. Ik was koppig en hield mijn gevoelens voor mezelf. Ik leerde al jong om sterk te zijn en mijn emoties niet altijd te tonen.’
Welke herinneringen heeft u aan uw jeugd?
‘Aan mijn tijd in Indonesië heb ik mooie herinneringen. We hadden een groot huis en een tuin met dieren zoals kippen, eenden en een hond. Ik kon vrij rondlopen en spelen.
In Nederland was dat anders. De huizen waren klein en ik moest me aanpassen. Toch vond ik ook daar vriendinnetjes en leerde ik mijn weg te vinden. Op de kostschool beleefden we ook avonturen. We speelden, verkenden het gebouw en haalden kattenkwaad uit.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.