Koloniale sporen in mijn buurt
‘Ons land werd stukje voor stukje afgenomen’
Lexie, Lisa, Lucas, Manar, Noera ontmoeten Martha Sabajo
Palmer, Gioia, Janne, River, Helen uit groep 8A van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam lopen naar mevrouw Lenie Oortwijn. Mevrouw Oortwijn verwelkomt de leerlingen hartelijk en zet meteen een trommel met zelfgebakken cakejes op tafel. Ze heeft veel bijzondere verhalen te vertellen over de oorlog. Verdrietige verhalen, maar ook leuke.
Met wie woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde met mijn vader en moeder vlakbij het Marine terrein. Mijn vader verkocht bloemen en trok overdag met een bloemenkar de straat op. Toen de oorlog begon, werd hij samen met zijn hele familie opgepakt, omdat zij Joods waren. Mijn moeder was geen Jodin, dus ik hoefde niet weg. Ineens waren we nog maar met z’n tweeën. Mijn moeder regelde toen dat we bij haar familie konden wonen. Een huisarts heeft haar geholpen door voor mij een ziekte te bedenken. Toen kon ik veertien dagen naar een herstellingsoord. Daar werd ik in bed gestopt, als gezond kind, dan kon mijn moeder een aantal dingen regelen. Toen zijn we verhuisd naar mijn grootvader en tante Riek in de Jacob van Lennepstraat, dat was een hele kleine woning.’
Hoe was het leven in die kleine woning?
‘Het was krap en we zaten dicht op elkaar. We woonden daar samen met mijn tante en opa en later kwam ook een oom bij ons wonen, die was ontsnapt aan de arbeidseinsatz in Duitsland. Ik zat vaak de hele dag op een tweepersoonsbed, omdat ik niet te veel geluid mocht maken. Mijn moeder werkte, ik kon niet mee naar haar werk. Tante Riek werkte op een naaiatelier. Twee keer per week ging ik met haar mee naar dat atelier. Daar zat ik op een omgekeerde prullenbak en kreeg ik soms warm eten. De vrouwen werkten voor de Duitsers, maar hielpen ook onderduikers. Als ik op het bed zat, kon ik alles horen wat de volwassenen zeiden, het was maar één kamer met een gordijn in het midden. Ze dachten dat ik het niet begreep maar ik had grote oren en het maakte grote indruk op mij.’
Waren er ook leuke dingen in de oorlog?
‘Oh zeker, zeker. Een andere oom van mij woonde ietsje verder in de straat, die kwam soms bij ons om te klaverjassen met mijn oom Ben en mijn opa, maar ze misten een vierde man. Mijn moeder hield niet van spelletjes, bovendien was ze er niet, ze werkte. En tante Riek was te dom. Ze kon het gewoon niet. Toen hebben ze mij leren klaverjassen. En het gezicht van mijn opa als hij verloor van zijn kleindochter van nog geen vijf. En de broers hadden allemaal het grootste lol natuurlijk. Dat was echt leuk! Ik vermaakte me eigenlijk best wel in Amsterdam.’
Hoe overleefden jullie de hongerwinter?
‘We hadden veel honger en toen besloot mijn moeder dat we moesten vertrekken, omdat ik anders dood zou gaan. Ze vond werk als huishoudster in Koog aan de Zaan, een dorp zo’n 30 km buiten Amsterdam. We gingen lopend, met een handkar. De man waar mijn moeder voor ging werken duwde de kar, mijn moeder liep erachter en ik zat erop. Hij werd later mijn stiefvader. Ik zat op de kar, maar moest ook lopen, want ze waren bang dat ik anders zou bevriezen. Ik wist niet waar we naartoe gingen en ik kende die man niet. Die tocht was afschuwelijk. Het was donker, het was koud en ik had kapotte schoenen. Ik ging naar een dorp dat ik niet kende. Ik was iedereen kwijt, alleen mijn moeder was er nog.’
Wat was er met uw vader gebeurd?
‘Mijn vader is via Westerbork naar Auschwitz gebracht en is daar overleden aan tyfus. Dat heb ik later gelezen in een krantenartikel. In het artikel was iemand geïnterviewd die mijn vader had gekend. Ik heb die man ook een keer gezien, dat is een apart verhaal; Ik had een keer een vergadering in Amsterdam, met een stel vrienden. En we liepen terug naar het centraal station om de laatste trein te nemen. Op het Leidseplein was een bloemenman bezig om zijn kar op te ruimen. En die die man ziet mij en hij kijkt alsof hij een spook had gezien. Hij pakte een witte chrysant uit zijn kar en gaf die aan mij. We hebben geen woord gewisseld, ik heb die witte chrysant in mijn haar gestoken. En ik dacht: ‘Dit is heel belangrijk wat er gebeurt.’ En later heb ik dat artikel in de krant gelezen, daarin had die bloemenman vertelt dat hij in Auschwitz had gezeten samen met mijn vader. Hij zei dat mijn vader, Maurits Hildesheim, daar aan tyfus was overleden.’