Archieven: Verhalen

‘Op veel onderduikadressen werd ik slecht behandeld’

Avi, Daycia, Mia en Silvijn interviewen Jack Eljon. Vanaf school, de Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid, is het een kwartiertje lopen naar zijn gezellige huis vol met beeldjes en mooie kunstbloemen. Hij verwent de kinderen met lekkere hapjes en laat een kaart van Nederland zien, met daarop alle plaatsen waar hij ondergedoken heeft gezeten.

Hoe wist u dat de oorlog begon?
‘Ik was nog geen drie jaar oud. Ik weet dat er vliegtuigen overkwamen. Mijn vader zei onmiddellijk tegen mijn moeder: ‘Lies, nu is het menens. De Duitsers hebben Nederland aangevallen, we gaan onderduiken.’ We doken eerst onder bij Schoorl, bij vrienden met een camping. Toen ik vier was, werd het daar te gevaarlijk, omdat de Duitsers in de buurt bunkers gingen bouwen. Mijn ouders brachten me toen naar mijn tante in Haarlem. Daar bleef ik alleen achter.’

Hoe was het voor u in Haarlem?
Ik had het niet slecht in Haarlem, maar ik miste mijn ouders. Op een dag kwam er een razzia. De buren waren NSB’ers maar hadden medelijden met mij en die hebben mijn tante gewaarschuwd. Midden in de nacht ben ik toen over de schutting aan deze buren gegeven. Ik hoorde ze zeggen: ‘Heb je hem?’ ‘Ja, geef maar een zetje.’ Later hoorde ik dat maar 25 van de 937 Haarlemse Joden de razzia hebben overleefd.’ Mijn tante werd later in de oorlog opgepakt. Ze wilde naar de film en is daar zonder ster naartoe gegaan. Ze is uiteindelijk in Auschwitz vermoord.’

Waar heeft u allemaal gewoond tijdens de oorlog?
‘Ik heb op twaalf verschillende onderduikadressen gewoond. Op veel adressen werd ik slecht behandeld. In Zeist woonde ik bij een moeder met twee dochters. Ik kreeg bijna niks te eten en werd heel veel geslagen. Ik noem haar nog steeds ‘dat mens. Ik woonde er 1,5 jaar. Uiteindelijk ben ik verraden door de buren. Maar de overburen zagen hoe SS’ers aan onze deur kwamen en hebben de bakkersknecht naar mijn school gestuurd. Ik moest me verstoppen in de bakkerskar en was net op tijd weg. De Duitsers hebben toen mijn stiefmoeder onder druk gezet en zij heeft het adres genoemd van ‘mevrouw Wasch’. En dit is het allerergste, die mevrouw Wasch had een Joods meisje in huis van elf jaar! En mevrouw Wasch en dat meisje zijn allebei vermoord. Dat doet me nog steeds pijn. Maar ik kon daar niks aan doen.’

Heeft u uw ouders weer teruggevonden?
‘Dat was niet gemakkelijk. Tijdens de oorlog had ik een onderduiknaam: Henkie Mulder. Mijn tante had me verteld dat ik nooit meer mijn echte naam mocht gebruiken. Mijn ouders hadden de oorlog overleefd, maar dachten dat ik niet meer leefde, omdat mijn naam niet op de lijst stond. Op een dag werd ik meegenomen naar een gebouwtje van het Rode Kruis. Ik kwam binnen en zag heel veel vrouwen zitten. Ze waren kaalgeknipt in het concentratiekamp vanwege de luizen. Ik moest kijken of mijn moeder ertussen zat. Ik wist het meteen toen ik haar zag, ook al leken ze allemaal op elkaar. Ik was zo blij, ik had haar vier jaar niet gezien.’

Archieven: Verhalen

‘Ernst en Alfred hoorden dat NSB’ers hun ijssalon wilden vernielen’

Amira, Jenna en Levon van de Derde Daltonschool In Amsterdam-Zuid interviewen Frank Blom. Zijn nichtje Esther is er ook bij. Meneer Blom vertelt over zijn oudoom Ernst Cahn: hij was een van de eigenaren van de Joodse ijssalon Koco op de van Wouwstraat 149, waar in de oorlog verzet werd gepleegd. Meneer Blom vertelt ook nog over de onderduiktijd van zijn Joodse moeder.

Wat gebeurde er in de oorlog met de ijssalon?
‘Mijn oom Ernst en zijn compagnon Alfred Kohn waren Joods en zaten in het verzet. Op een keer hoorden ze dat er NSB’ers zouden langskomen om hun ijssalon te vernielen. Toen hebben ze een constructie gemaakt met ammoniak, een hele gevaarlijke stof die je niet moet inademen. Ze zetten de gasflessen open toen de deur werd ingetrapt, maar het bleek de Duitse politie te zijn.

Toen zijn ze allebei opgepakt. Ernst heeft eerst in het Oranjehotel in Scheveningen vastgezeten. Daarna is hij ter dood veroordeeld. In de duinen bij Scheveningen is hij als allereerste verzetsstrijder van Nederland gefusilleerd. Alfred Kohn is in 1945 in Auschwitz vermoord. Er zijn straten en ook de brug tussen de Van Woustraat en de Rijnstraat is naar hem vernoemd. En er is een plaquette met hun verhaal te zien op de muur van de oude ijssalon.’

Hoe was de oorlog voor uw moeder?
‘Mijn moeder heeft van 1942 tot 1945 ondergedoken gezeten in Naarden. Ze zat op een zolder samen met een jongen die later mijn vader werd, in het huis van zijn moeder. Het grappige is dat ze verliefd op elkaar zijn geworden tijdens deze onderduikperiode. Ze zijn na de oorlog getrouwd. Die onderduik was een spannende tijd. Overdag mochten ze niet voor de ramen staan. Ze hadden een waarschuwingssysteem: als de Duitsers in de buurt waren, zou mijn opa op een bel drukken waardoor boven een lampje ging branden. Dan moesten ze zich heel stil houden.

Mijn moeder vertelde veel over hoe moeilijk het was om drie jaar muisstil te moeten zijn en je te moeten verstoppen. Maar ze was ook heel dankbaar dat er mensen waren die de moed hadden om hen te helpen. Want dat was ook gevaarlijk.’

Hoe was voor hen de Hongerwinter?
‘Tijdens de Hongerwinter was er bijna niets te eten en als je ondergedoken zat, was je afhankelijk van mensen die je stiekem bonnen gaven. Mijn moeder vertelde me dat ze een keer met haar vader, met wie ze ondergedoken zat, naar boerderijen in Amersfoort ging fietsen om eten te halen. Nu komt onze familie uit Duitsland, uit Keulen, en zoals je hier Amsterdams praat of Rotterdams, praat je daar Keuls. Op de terugweg kwamen ze een Duitse soldaat tegen die hen aanhield en vroeg naar hun persoonsbewijs. Als hij erachter zou komen dat ze Joods waren, dan zouden ze gearresteerd worden. Wat bleek: die soldaat kwam uit Keulen. Mijn opa antwoordde hem in het Keuls en dat vond die man zo leuk dat hij hen door heeft laten gaan, naar huis. Dus je moest in de oorlog soms heel veel geluk hebben.’

Archieven: Verhalen

‘Hansje en ik liepen hand in hand en hielden elkaar stevig vast’

Carel Wiemers (1935) komt helemaal met de trein uit Delft om zijn verhalen over de oorlog te vertellen aan Abel, Nina, Tonya en Riley van de Derde Daltonschool in Amsterdam-Zuid. Hij heeft als 8-jarig jongentje veel spannende en ook moeilijke dingen meegemaakt.

Welke gebeurtenis heeft veel indruk op u gemaakt?
‘In de oorlog woonde ik met mijn ouders in de Vechtstraat. Er woonden veel Joodse mensen in de buurt en ik had ook een Joods vriendje, Hans. We waren op dezelfde dag geboren en werden hele goede vrienden. Op een dag in 1943 speelden we bij hem thuis, toen Duitse soldaten binnenvielen. Met een pistool op ons gericht moesten we tegen de muur staan. Zijn moeder riep, terwijl ze naar mij wees: ‘Dat jongetje is niet van mij!’ Ze probeerde het ook te bewijzen met haar trouwboekje. De Duitsers geloofden het niet en we moesten met z’n allen naar beneden, waar de vrachtwagens stonden te wachten. Hansje en ik liepen hand in hand en hielden elkaar heel stevig vast. We beloofden elkaar dat we nooit zouden loslaten. Maar we werden opeens heel hard uit elkaar gerukt en ik werd naar de hoek van de straat gestuurd. Toen ik omkeek zag ik Hansje huilend bij zijn moeder in de wagen zitten. Dat is het laatste wat ik van hem zag. Ik zal het nooit vergeten.’

Was u bang tijdens de oorlog?
‘Als je bang bent kun je niet meer nadenken, dus ben ik nooit echt bang geweest. Maar er zijn wel spannende dingen gebeurd. Zo ben ik eens door een Duitse soldaat achternagezeten in een Duitse bunker op het Victorieplein. Ik ging daar weleens met andere kinderen doorheen wandelen. Op een dag hadden we een van de ingangen laten instorten. Toen we betrapt werden, rende iedereen weg. Maar ik was klein, kon niet zo snel, en vluchtte de gang van de bunker in. Een soldaat kwam aangerend en richtte een pistool op me. Ik dacht: ik ben pas acht, ik wil nog niet dood. Ik rende snel weg, maar struikelde over mijn eigen voeten en daardoor miste de soldaat. De kogel ging vlak over me heen. Omdat hij dacht dat ik dood was, deed hij zijn pistool weer weg. Toen stond ik snel op en rende ik weg via een ander gangetje. Eenmaal boven ben ik een winkel ingevlucht en heb ik me achter een paar moeders verstopt.’

Hoe bent u de oorlog doorgekomen?
‘Omdat er weinig voedsel in de stad was, ben ik naar een gezin op de Veluwe gestuurd. Steeds voor een periode, tussendoor kwam ik even terug in Amsterdam. Het was een hele lange reis, we moesten vanaf Apeldoorn wel 16 kilometer lopen om bij de boerderij te komen. Het was gelukkig een heel leuk gezin; er woonden heel veel kinderen. Toen ik een keer in Amsterdam was geweest en weer terugging naar de Veluwe in een open wagen, heel koud, kwamen we het laatste stuk van de 16 km lopen een Duitser tegen. Hij wilde dat we weer terugliepen naar Apeldoorn, maar we waren doodmoe en wilden verder. Hij was boos en streng, maar ik keek hem strak in zijn ogen. Toen veranderde er iets in zijn blik en werd hij ineens vriendelijk. Ik denk dat hij misschien ook een zoon had waar hij aan dacht. Toen liet hij ons gaan.’

Heeft u nog meer spannende dingen meegemaakt in de oorlog?
‘Nou, ik was een keer met een vriendje van de boerderij een boodschap doen. Op een landweggetje kwamen we een Duitser tegen met een Nederlands meisje. Ik zei: ‘Daar heb je weer zo’n rotmof’. Maar toen vertaalde het meisje het voor de Duitser! Wij liepen snel door maar er kwam een andere Duitser op een fiets ons tegemoet. ‘Pak ze!’, riep de eerste Duitser. Toen de tweede Duitser stopte en zijn fiets wilde neerleggen, zei ik tegen mijn vriendje: ‘rennen!’ Er was een groot korenveld naast de weg, wij sprongen over een slootje en verdwenen zigzaggend door het korenveld. We hoorden wel wat schoten maar zijn gelukkig niet geraakt. Door al deze ervaringen heb ik geleerd om niet bang te zijn. Dan kun je de juiste beslissingen nemen, daar heb ik later als journalist veel plezier van gehad.’

Archieven: Verhalen

‘De kogels hebben we in de vloer gevonden’

Brechtje, Maura, Clemens en Dien van de Rijk Kramerschool in Amsterdam-West gaan op bezoek bij mevrouw Yvonne en meneer Ruud Schildmeijer. Ze wonen op de Bloemgracht nummer 82. In dat huis vonden in de oorlog verzetsactiviteiten plaats. Op de gedenkplaat bij de voordeur staan drie namen en de tekst ‘Voor de vrijheid van hun vaderland gevallen’.

Woonde u in de oorlog ook in dit huis?
‘Nee, dit huis was in de familie. Wij wonen hier nu tweeënveertig jaar en hebben veel over het oorlogsverhaal gelezen. We hebben ook overlevenden van de families uitgenodigd en we kregen een plaquette op de muur van ons huis.’

Wat weet u van de geschiedenis van dit huis?
‘Dit is een verzetswoning geweest. In de laatste jaren van de oorlog werd het verzet in de Jordaan steeds groter en er woonden heel veel Joden. Mevrouw Ten Have woonde hier met haar drie kinderen en ze waren erg arm. De kamertjes hierboven ging ze verhuren om een beetje geld bij te verdienen. Een heleboel Joden hebben hier een kamer gehuurd en zij doken op een gegeven moment hier ook onder. Op een dag kreeg mevrouw Ten Have een bericht van Dick Wolters, iemand van het verzet. Hij was gevlucht uit de gevangenis en hij zocht een schuilplaats. Vanuit dit huis begon hij het verzet te regelen. Het was erg gevaarlijk, want hier zaten al die joodse onderduikers en Dick kwam met allemaal verzetsmensen en ze hadden al gauw een wapendepot, hier in de grote kast in de gang.’

Zat mevrouw Ten Have zelf ook bij het verzet?
Dick en mevrouw Ten Have werden verliefd en daardoor ging ze ook bij het verzet. Ze bracht krantjes rond. Die lagen onder in de kinderwagen. Haar jongste baby was een huilebalk en de Duitsers hadden geen zin in krijsende baby’s, dus kon ze gewoon haar gang gaan.’

Wat voor andere dingen zijn hier gebeurd?
Twee andere mannen die ook hier zaten, zouden het wapendepot van de Sicherheitsdienst  in de De Clerqstraat overvallen. Ze heetten Koos Stevense en Jan Keune. Ze gingen de wapens onklaar maken. Jan Keune ging posten en wist toen precies wanneer de bewakers er wel en niet waren. Ze gingen hem overmeesteren voor spertijd. Spertijd was de tijd dat je binnen moest blijven, met alle ramen geblindeerd.’
Ze hebben de bewaker vastgebonden en opgesloten in de kast, maar omdat het spertijd was moesten ze de hele nacht wachten. Ze kwamen ’s morgens heel vroeg thuis om Dick verslag uit te brengen. Die morgen werd de straat afgezet. Prikkeldraad aan beide kanten. Een grote zwarte auto kwam voorrijden. Drie mannen bonsden op de deur, mevrouw Ten Have schrok zich een ongeluk. Drie mannen in uniform stormden naar boven, gooiden de deur open en schoten ze alle drie dood. Ze gingen meteen weer weg, ze hebben het wapendepot niet eens ontdekt. Toen kwam de begrafenisondernemer en nam ze mee, daar kreeg hij geld voor. Ze hebben die mensen in een kuil gekwakt. Na de oorlog hebben die Duitsers de doodstraf gekregen.’

Waarom kwamen die Duitsers hier?
Waarschijnlijk zijn ze verraden door de meneer die op de eerste etage woonde. Beneden zat een winkel, die stond leeg. De man van de eerste etage heeft toen het hout van de vloer gestolen, dat deden de mensen om warm te blijven. Hij werd gepakt wegens diefstal. Maar hij was heel snel vrij. We denken dat hij de politie informatie heeft gegeven, zodat hij snel vrijkwam. Het was nog maar tien dagen voor de bevrijding.’

‘We hebben de oorlog niet zelf meegemaakt, want toen waren wij er nog niet. Maar mijn oma en een tante en oom waren Joods. Ze zijn in Auschwitz vermoord. Boven hebben we een mini museumpje ingericht, met foto’s, brieven en een echte knijpkat uit die tijd. De kogels waarmee geschoten is, hebben we later bij een verbouwing nog in de vloeren gevonden.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Op ons huis schenen allemaal lichten’

Alysa, Olivier, Maud, Tymen van de Rijk Kramerschool in Amsterdam-West gaan met de tram naar mevrouw Tinie IJsberg. Ze krijgen chocolademelk als ze aan zijn gekomen. Terwijl ze het opdrinken, laat mevrouw IJsberg zwart-wit foto’s zien van zichzelf als klein meisje.

Wat voor beroep had uw vader?
Mijn vader was tramconducteur, hij zat op lijn 7, die door de Kinkerstraat gaat. Mijn vader was samen met een heleboel andere mensen tegen de Duitsers. Ze hadden zich georganiseerd, maar dat was verboden. Dat deden ze dus in het geheim. Eind 1940, begin 1941, begonnen de Duitsers Joodse mensen buiten te sluiten. En nog iets later gingen ze razzia’s houden. Dat betekent dat ze een groep mensen zonder vorm van proces weghaalden en naar een kamp brachten. Daar waren mijn vader en zijn vrienden het niet mee eens. Ze zijn ’s avonds -in het geheim- bij elkaar gekomen op de Noordermarkt in de Jordaan en hebben besloten om te gaan staken.’
‘De volgende dag, toen mij vader naar zijn werk ging, vroeg hij zijn collega’s om die dag niet te werken en dat deden ze ook niet. Omdat de trambestuurders staakten, stonden de mensen allemaal te wachten bij de tram en vroegen: ‘Wat is er aan de hand?’. ‘Ja, we staken’, was het antwoord. Toen zijn veel meer mensen ook in de winkels gaan staken. Dat was de februaristaking.’
‘Een paar maanden later -op een nacht in november- werd mijn vader gearresteerd vanwege zijn aandeel in de februaristaking. Op ons huis schenen aan de voorkant en aan de achterkant allemaal lichten en toen kwam de Wehrmacht, de Duitse militairen, en die namen hem mee. Waar hij naartoe werd gebracht, werd niet gezegd.’

Is uw vader teruggekomen?
Nee. Mijn moeder kreeg bericht, dat mijn vader gevangen werd gehouden bij het Leidseplein. Mijn moeder moest iedere week zijn vuile was ophalen en zijn schone was brengen. Verder had hij met niemand contact. De gevangenen mochten ook niet met elkaar praten. Maar ze hadden er iets op gevonden. Ze smokkelden briefjes in het wasgoed en tussen de schoenzolen. Hij had geen potloden, maar die smokkelden ze ook naar binnen.’
‘Na een half jaar werd hij veroordeeld. Hij heeft de doodstraf gekregen. Toen heeft hij een afscheidsbrief geschreven. Dat mocht wel van de Duitsers. Mijn moeder kreeg later te horen dat het vonnis was voltrokken, maar wist verder niets. Ze heeft gevraagd om zijn lichaam, zodat we dat konden begraven, maar dat kreeg ze niet. Na de oorlog is het wel gevonden. Ze heeft het kunnen identificeren en het is begraven.’
‘Als kind heb ik nooit wat geweten van die briefjes, mijn moeder heeft ze allemaal bewaard. Maar de briefjes, die zij naar mijn vader schreef, hebben we natuurlijk niet. Mijn moeder heeft er nooit over gepraat, ook na de oorlog niet. Toen mijn moeder overleed, was ik al over de veertig en toen kreeg ik die map met briefjes. Toen heb ik alles pas voor het eerst gelezen.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik was 5 jaar, maar in mijn gevoel was ik wel 15’

Pepijn, Faye en Elin van de Rijk Kramerschool in Amsterdam-West lopen van school langs de gracht naar het huis van meneer Stanley Lo A Njoe. Meneer Lo A Njoe woont in een leuk klein huisje met heel veel stoelen. De kinderen krijgen allemaal een bijzondere stoel om op te zitten. Ook heeft ook mooie schilderijen aan de muur, die zijn door zijn broer geschilderd.

Wat deed uw vader voor werk?
‘Mijn vader werkte bij de KNSM (Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij). Hij voer met zijn schip over de Atlantische oceaan naar Suriname. Voor de oorlog begon, hadden mijn ouders elkaar in Suriname leren kennen. Mijn moeder vroeg: ‘Hoe lang zit je in Paramaribo om in en uit te varen?” Hij zei: ‘Een of twee dagen.’ Waarop mijn moeder wilde weten hoe lang hij elke keer in Amsterdam verbleef. En dat was elke keer twee weken. Toen zei mijn moeder: ‘Wil je dan aan de kapitein vragen of je me naar Amsterdam mag brengen? Dan zie ik je meer.’ Zo zijn we een paar jaar voor de oorlog begon naar Nederland gevaren, ik was toen 2 jaar. Er waren op dezelfde boot als wij vier of vijf Surinaamse gezinnen die ook naar Nederland.’

Waar woonde u tijdens de WOII?
‘Ik woonde op de Albert Cuyp markt. Ik was nog klein, 5 jaar, maar in mijn gevoel was ik wel 15, want ik had al veel meegemaakt. Ik had geen vader en we moesten aan eten komen. Ik had een Gang van zo’n twaalf jongens en meisjes en daarmee pikten we van de markt, we gingen al die kraampjes langs. En na vijf uur mochten we alles meenemen wat niet verkocht werd van die marktkooplui; groente, fruit, luiers. En alles wat wij pikten dat brachten wij naar dominee Buskus. Hij deelde dat uit op zondags als hij aan het preken was. Dan deelde hij het eten uit aan wie geen eten had.’

Waar was uw vader tijdens de oorlog?
‘Mijn vader mocht niet overvaren tijdens de oorlog, want er waren allemaal onderzeeërs en dan zou zijn schip opgeblazen worden. Dus dat schip heeft de hele oorlog in Amerika gelegen. Ik heb mijn vader tien jaar lang niet gezien, ik zag hem pas weer toen ik 15 was. Toen heeft hij de reis weer terug gemaakt naar Amsterdam. Mijn moeder zat hier alleen en ze durfde niet alleen op straat, want Surinamers werden net als de Joden opgepakt en verhoord. Het was een barre situatie.’

Heeft u Joden gekend die weg zijn gehaald?
‘Al die marktkooplui waren Joden en die werden opgepakt door de Duitsers. En de Duitsers waren echt heel gemeen. Ze pakten zo’n marktkoopman en die verhoorden ze. Ik heb wel gezien dat ze meegenomen werden, maar niet wat daarna gebeurde. Dat hoorde ik achteraf. We brachten dus dat eten naar de kerk en daar leerde ik een verzetsman kennen. Later ben ik met zijn dochter getrouwd. Hij woonde op de Kloveniersburgwal in een prachtig huis met een achterhuis en hij had daar zestien Joden verborgen in zitten. Plus dat hij zelf nog een gezin had van tien kinderen. Dus er moest elke dag eten gebracht en gehaald worden.’

Hoe is het afgelopen met de zestien Joden?
‘De Duitsers zagen dus dat daar heel veel eten gebracht werd en toen hebben ze een inval gedaan. Ze hebben de Joden gevangengenomen. Twee konden er ontsnappen door het achterhuis en de rest werd allemaal meegenomen.’

Had u veel last van de hongerwinter?
‘Ja, we hadden geen kachel, we hadden het koud. We hadden een kachel en dat was een oude vuilnisemmer. Je had vroeger van die grote vuilnisemmers met een deksel. Van de markt pikten we al het hout wat er maar te stoken was en dat stopten we in die vuilnisemmer en dat was onze verwarming.’

 

Archieven: Verhalen

’Na de vakantie staat er een muur in de school’

Damin, Olivia en Anna van de Rijk Kramerschool uit Amsterdam-West gaan op bezoek bij mevrouw Mirjam Elias. Mevrouw Elias heeft de oorlog niet meegemaakt, maar ze was getrouwd met fotograaf Ronald Sweering. Hij is hoofdpersoon Ronny uit het boek ‘Het Verlaten Hotel’, dat mevrouw Elias heeft geschreven. De juf van groep 7 is het boek aan het voorlezen in de klas.

Kunt u vertellen waar het boek over gaat?
‘Het is 1940. Ronny woont met zijn ouders en zusje in Atlantic, hun hotel in Amsterdam. Sinds de oorlog is uitgebroken, gebeuren er vreemde dingen. Ronny’s vader voert voortdurend geheimzinnige gesprekken. Het is een broeinest van het verzet. En Ronny’s vader houdt in zijn hotel mensen verborgen. Dat is heel gevaarlijk en Ronny was natuurlijk altijd heel bang dat er iets ergs zou gebeuren. Hij besluit zelf ook een verzetsgroep op te richten, op school, om zijn Joodse vriendjes te beschermen.’

 Waarom richtte Ronny die verzetsgroep op?
‘Ook op school is alles anders. Na de vakantie staat er ineens een muur in de school. Voortaan is er sprake van voorkantkinderen en achterkantkinderen. Ronny zit aan de voorkant en zijn joodse vrienden aan de achterkant. Steeds weer verdwijnen er kinderen van de achterkant. Steeds is er eentje minder. Ronny begrijpt er niets van: waarom dóén volwassenen hier niets tegen? Je matti moet naar de achterkant. Samen spelen mag niet meer. Huh? Op een dag ontdekt Ronny dat er een Joodse jongen is ondergedoken aan de overkant van het hotel. Willy is zijn naam en Ronny sluit vriendschap met hem en na schooltijd spelen ze stiekem met elkaar. Zelfs zijn beste vrienden mogen hier niets van weten. Door verraad wordt Willy opgepakt en op zijn twaalfde verjaardag vermoord in Polen.’

Hoe is Ronny erachter gekomen wat er met Willy is gebeurd?
‘Ronny heeft heel lang met het gemis van Willy moeten leven en na vijftig jaar is hij op onderzoek uitgegaan. En zo kwam hij achter de volledige naam van zijn verdwenen en vermoorde vriend: Willy van Biene. Ronny had er nooit meer over had gepraat, hij had alles verdrongen omdat het te erg was.’
‘Als mensen heel nare dingen meemaken, kunnen ze het moeilijk vinden erover te praten, soms hebben ze zelfs geen herinnering meer. Gelukkig heeft hij het mij toch kunnen vertellen en daarom kunnen jullie het lezen en deze verhalen doorvertellen, zodat we nooit zullen vergeten wat er gebeurd is.’

Hoe wist u hoe u Willy moest beschrijven, u hebt hem niet gekend?
‘Het was een hele speurtocht. Later ontmoetten we familieleden, neefjes en nichtjes van Willy en toen had ik een idee hoe hij was en ik ben meteen gaan schrijven. En de volgende morgen las ik het Ronny voor en hij zei: ‘Oh, ik zie hem weer voor me, zo was hij echt!’ En hij begon zich heel veel te herinneren.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Hij was eerst woest’

Ava, Puk, Jazz en Vincent gaan op bezoek bij mevrouw Mirjam Elias. Ze woont in een heel mooi huis met veel ramen en een flipperkast. Op de tafel ligt het boek ‘Het Verlaten Hotel’ dat ze heeft geschreven. Daarin vertelt ze wat haar man Ronnie als kind heeft meegemaakt tijdens de tweede wereldoorlog.

Wanneer vertelde Ronnie zijn verhaal aan u?
‘Ik wilde een boek schrijven over het hotel van Ronnies ouders, zij zaten in het verzet. Ronnie vertelde mij steeds kleine stukjes over de oorlog.  Bijvoorbeeld dat er op zijn school ineens een muur was gebouwd. de joodse kinderen werden apart gezet, ze zaten aan de achterkant. En op een dag had Ronnie het ineens over zijn Joodse vriendje Willy. Hij had dat nog nooit aan iemand verteld en wilde er eigenlijk niet over praten.’

Waarom wilde uw man niet over Willy praten?
‘Hij had alles verdrongen, omdat het te erg was. Willy was ondergedoken in een kelder tegenover het hotel. Hij was pas 12 en Ronnie was 8. Ronny speelde vaak op straat en op een dag had Willy op het kelderraam; ‘dag Ronnie’ geschreven. Zo heeft Ronnie hem ontdekt en begon hun geheime vriendschap. Ronnie ging vaak stiekem bij Willy spelen, zelfs zijn beste vrienden Louise en Kees, wisten het niet. Ronnie wist dat hij gevaar liep en Willy ook. Toch bleef Ronnie gaan.  Toen ik het boek schreef, ben ik op zoek gegaan naar Willy.’

Heeft u hem gevonden?
Het was een hele zoektocht. We vonden oude foto’s die Ronnie ooit had gemaakt van het huis van Willy en toen hadden we het huisnummer. Later ontmoetten we zijn neefjes en nichtjes. Willy bleek te zijn vermoord op zijn verjaardag.  Uiteindelijk vonden we een foto van Willy toen hij 6 jaar was. Toen had ik een idee hoe Willy was en ik ben meteen gaan schrijven.’

Hoe vond Ronnie het boek?
‘Toen Ronnie ontdekte dat ik in mijn boek over Willy had geschreven, was hij eerst woest; het was zijn geheim. Maar later begreep hij dat kinderen hier veel van kunnen leren. Als mensen heel nare dingen meemaken, vinden ze het moeilijk om over te praten. Gelukkig is het toch gelukt, het is belangrijk dat kinderen weten wat er in de oorlog is gebeurd.’

 

Archieven: Verhalen

‘Een voddenkar redde mijn leven’

Hedda, Trystan, Qxaxia van De Rijk Kramerschool in Amsterdam-Oud-West interviewen mevrouw Marja Ruijterman. Zij heeft de oorlog niet zelf meegemaakt, maar vertelt de verhalen door van haar moeder, die twaalf was toen de oorlog begon en toen in Amsterdam-West woonde. Marja heeft foto’s op haar laptop meegenomen en een doos met waardevolle spullen uit die tijd.

Uit wat voor gezin komt uw moeder?
‘Mijn moeder had een Joodse vader en een niet-Joodse moeder en was daarom officieel niet Joods. Op een dag scheidde haar ouders, mijn opa van mijn oma. Daardoor groeide mijn moeder en haar zus op zonder vader. Haar vader trouwde opnieuw met een Joodse vrouw, samen kregen zij een dochter, Sara. Tijdens een razzia werd het gezin van haar vader opgepakt. Ze zijn alle drie in Sobibór vergast. Nog eens dertig familieleden van de vader van mijn moeder zijn vergast. Baby Sara, haar halfzusje dus, heeft het overleefd.’

Hoe heeft Sara het overleefd?
Net voordat mijn opa was opgepakt, is baby Sara aan de buren gegeven, in de hoop dat zij voor haar zouden zorgen totdat ze terug zouden komen. Maar die buren waren bang geworden, omdat het was in die tijd heel gevaarlijk om een Joods kindje in huis te hebben en daarom hebben ze de baby aan de Duitsers gegeven. En de Duitsers hebben de baby weer naar de Joodse crèche gebracht. Uit die crèche zijn heel veel kinderen gered door mensen die helden waren. Zo ook mijn tante, het baby’tje, die is bij een gezin terecht gekomen en zij is daar opgegroeid. Ze zag er heel Joods uit en werd als kind ook vaak uitgescholden op straat. Maar ze wist niet dat ze Joods was. Dat ontdekte ze pas op haar zestiende. Toen is ze haar halfzussen, mijn moeder en haar zus dus, gaan opzoeken. Op een dag werd er aangebeld. Mijn moeder ging naar beneden en ik hoorde heel veel enthousiast geschreeuw. Ze kwam met iemand boven, haar zusje Sara! We hebben altijd contact gehouden.’

Zijn er nog andere familieleden die de oorlog hebben overleefd?
‘Mijn tante Engeltje was de enige overlevende uit het concentratiekamp Westerbork. Ze had zich kunnen verstoppen in een voddenkar. Dat is een kar met allemaal oude spullen erop. Na de oorlog werd ze gek in haar hoofd. Tante Engeltje was erg verdrietig dat haar hele familie was vermoord. Dat kon ze niet aan. Ze liep na de oorlog altijd door Amsterdam heen met heleboel tasjes en soms kwamen we haar tegen. Ik was toen nog een klein meisje. Dan begon ze eerst heel lief te praten en kreeg ik een zoen op mijn wang en dan opeens begon ze te schelden, alsof wij de nazi’s waren alsof wij haar familie hadden vermoord. Ze kon niet meer goed denken. In haar huis had ze allemaal beeldjes staan, die hadden allemaal een naam van haar verloren familie. Die stofte ze af en praten er mee. Na haar dood vonden ze een bundeltje gedichten van haar met onder andere een bericht aan haar broer Sem, mijn opa. Hij stond vroeger voor zijn werk op het Waterlooplein met vodden. Dat werk vond zij toen te min. Op het briefje na de oorlog stond geschreven: Sem, 1000 maal excuses dat ik je minachtte om jouw voddenkar. Een voddenkar redde mijn leven.’

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘In 1941 hoorde ik voor het eerst dat ik Joods ben’

Nora, Boris, Dex en Faizalina van de Rijk Kramerschool in Amsterdam-West lopen van hun school naar mevrouw Marian Smook. Ze is in 1932 geboren. Ze was dus al zeven toen de oorlog uitbrak en heeft veel herinneringen. Haar moeder was Joods.

Wist u dat u Joods bent?
‘Ik wist helemaal niet dat mij moeder uit een Joodse familie kwam. Mijn vader was niet Joods, maar hij ging bij mijn moeder weg. In 1941 hoorde ik voor het eerst dat ik Joods ben. Ik werd door de Duitsers ingedeeld bij een groep mensen die vermoord moesten worden. Ik zat op de Anne Frank school, maar die heette toen nog niet zo. Wat erg was, is dat er steeds minder kinderen naar school kwamen. We wisten niet waarom. We hoorden het woord “weggehaald”. We wisten wel dat dat iets heel ergs was. De klassen werden steeds leger. Mijn ooms waren ook weggehaald, we hoorden er nooit meer iets van, verdwenen. Ook mijn grootouders waren weggehaald. Op een bepaald moment heeft het hoofd van de school gezorgd dat wij met een groepje ‘hongerkinderen’, mee mochten naar Overijsel. Hongerkinderen waren kinderen die weinig eten hadden. Bij boeren in het oosten van Nederland was meer eten en ze konden die kinderen wel wat eten geven.’

Hoe ging u naar het Oosten van Nederland?
‘Met mijn broertje en zusje en heel veel andere kinderen gingen we in een dekschuit. Dat was een boot om spullen te vervoeren, maar nu gingen wij erin. We zijn weggegaan in de winter, ‘s nachts in het geheim, want het mocht eigenlijk niet van de Duitsers. We zaten op stro en kregen een homp brood, daar waren we heel blij mee. We kwamen aan in Kampen. Daar werden we weer op stro gelegd om te gaan slapen. De volgende ochtend kwamen auto’s en werden we naar Ommen gebracht. In Ommen werden we naar een school gebracht, waar we uitgeput gingen zitten. Eén voor één kwamen dorpsbewoners een kind uitzoeken. Je zat zenuwachtig te wachten of je gekozen zou worden of niet.’

‘Mijn zusje werd meteen uitgenodigd door een stel dat een winkeltje had in het dorp. Zij hadden zelf geen kinderen en vonden het leuk om voor een kind te zorgen. Ik werd ook uitgenodigd. Door een familie die drie grote zonen hadden en een dochter met het syndroom van Down. Ze hoopten dat ik vriendinnetjes met haar zou worden. Het was akelig dat zij verdrietig was, maar ik wilde heel graag bij de andere kinderen horen en niet met het kindje met het syndroom van Down spelen. Die ouders werden boos en ik werd buitengezet. Toen heb ik heel hard staan gillen en toen kwam een buurman naar mij toe en die zei: ‘Je mag over tien dagen bij ons in huis.’ Met dat gezin heb ik het einde van de oorlog meegemaakt. Op 11 april zijn we bevrijd in Ommen.’

‘De vader van het gezin waar ik zat, had een schuilkelder in de tuin gegraven. Een kuil met planken erop en gras eroverheen. Op een avond kwamen veel vliegtuigen en er reden tanks. Die moesten de brug over. Maar de Duitsers hadden de brug opgeblazen. Ook hadden de Duitsers de bomen omgehakt. Die lagen over de weg zodat de tanks daar niet konden rijden. Er kwam hulp van vliegtuigen. Toen het even stil was, gingen we naar de schuilkelder. Maar we waren zo zenuwachtig dat we steeds moesten plassen. Dat was heel eng, want dat kon niet in de schuilkelder, dat zou te vies worden. Dan moest je hopen dat als je buiten plaste er niet net een bombardement zou zijn.’

Wanneer zag u uw moeder weer?
‘Aan het einde van de oorlog wist ik niet of mijn moeder nog leefde. Ik kon geen contact met haar hebben, want ze zat ondergedoken. In mei kon ze ons voor het eerst met een brief bereiken en pas in augustus kon ze naar ons toe komen om ons te halen.’
‘In die tijd hadden de vrouwen in Ommen een donker schort voor en hun haren in een knot en klompen aan. Mijn moeder was een chique Amsterdamse dame, dus ik vond haar een veel mooiere vrouw dan die vrouwen in Ommen. In mijn hoofd had ik haar in de loop van de jaren alsmaar mooier gemaakt en toen ze kwam, herkende ik haar niet. Ze was zo vermagerd en grijs geworden. Ik wilde niet bij die vreemde mevrouw horen. Dus ik ging Ommens dialect praten. Dat moet mijn moeder heel verdrietig hebben gemaakt.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892