‘Jongens, jullie moeten stil zijn want de Duitsers kunnen jullie horen’


Rutger, Jelte, Deega en Silvia vertellen het verhaal van Klaas Oosterbaan
Friesland

Op een ochtend in mei bezoeken Rutger, Jelte, Deega en Silvia van ‘t Fonnemint in Sint Annapaorchie het appartement van Klaas Oosterbaan in Friesland. Het is een mooi appartement met antieke meubels. Er is een klok die elk kwartier geluid maakt. De kinderen zijn direct geïnteresseerd in de oude distributiebonnen en de enveloppen uit de oorlogstijd. Meneer Oosterbaan vertelt dat hij als vierjarige al herinneringen heeft aan de oorlog. De kinderen luisteren aandachtig en stellen tussendoor veel vragen over de angst en de slimme manieren waarop mensen overleefden. Het gesprek eindigt met warme chocolademelk en slagroom.

Hoe was het om als kind de oorlog mee te maken?
‘Ik ben in 1941 geboren en de oorlog eindigde in 1945. Ik was dus pas vier jaar oud en toch weet ik nog dingen uit die tijd. Dat moet zo indrukwekkend geweest zijn, dat een kind van vier dat onthoudt. Als je vader en moeder bang zijn, dan is dat voor een kind heel moeilijk. Dat voel je wel.

Mijn moeder zag de Duitsers aankomen. Mijn vader wilde weg, want hij dacht dat ze voor hem kwamen. Ik weet nog dat ik aan de rok van mijn moeder trok omdat ik bang was. Uiteindelijk kwamen de soldaten alleen om eieren te halen. Vergeet een ding niet, jongens, in de oorlog waren er ook Duitse soldaten voor wie het allemaal niet zo moest.

Ook waren er een keer Duitsers op ons erf een kalf aan het slachten, want ja, zij moesten ook eten. En wij als kinderen kwamen daar. ‘Wat gebeurt daar?’, vroegen we. Maar zij zeiden dat we weg moesten gaan.’

Hoe hielpen mensen elkaar tijdens de oorlog?
‘Iedereen kende iedereen, vooral hier op het platteland. En als het dan mensen waren waarvan ze vrij zeker waren dat ze aan dezelfde kant stonden, dan bedoel ik aan de Nederlandse kant, hielp je elkaar. In die tijd werden vooral jonge mannen, maar ook wel oudere mannen, door de Duitsers gevraagd, of eigenlijk gedwongen om hen te helpen om bijvoorbeeld in een fabriek in Duitsland te werken. Veel mannen dachten daarom: ik moet een plekje hebben waar ze me niet kunnen vinden.

We woonden aan de Oude Bildtdijk en daar zat een soort zolder boven, waar vooral ’s nachts jongens schuilden. Je had destijds ook aardappelbulten op het land, bedekt met riet. Ze hebben wel eens zo’n bult nagemaakt en ook daarin kropen mannen. Ze maakten ook wel eens een beetje lol en lawaai. Als mijn vader dat hoorde, dan ging hij erheen en zei: jongens, jullie moeten stil zijn want de Duitsers kunnen jullie horen.’

Wat is iets dat indruk heeft gemaakt op u?
‘We kregen evacuees in huis. Dat waren mensen die door de oorlog of door armoede geen huis meer hadden. Wat indruk maakte, was dat die mensen weer naar huis gingen. Ze moesten naar Bemmel, tussen Arnhem en Nijmegen, want daar kwamen ze vandaan. Maar er lagen hier en daar nog mijnen. Een van de kinderen is toen op een mijn gestapt en overleden. Hadden ze de oorlog overleefd, alles was goed gegaan, en dan overleed er alsnog iemand tijdens de vrede door de gevolgen van de oorlog.’