Oorlog in mijn Buurt
‘Dan riepen de mensen: “Onze Lieve Vrouw, geef ‘m nog een douke!”’
Gijs, Pepijn, Teun ontmoeten Carel Prinsen
Als Ruben, Max, Sem en Rens bij Joyce Djarkasi binnenkomen, staat de tafel al vol met lekkers. ‘Bij ons is het gewoonte’, zegt ze meteen. ‘Alles wat op tafel staat, mag je pakken. Liever dat het op is dan dat het blijft staan.’ De leerlingen van de Talisman in Eindhoven schuiven aan en luisteren naar haar verhaal over Suriname, haar familie en haar leven tussen twee werelden. Ze werd in 1963 geboren in Parra in Suriname. Op 19 jarige leeftijd is ze naar Nederland gekomen.
Hoe was het om tussen twee landen te leven?
‘Ik kom oorspronkelijk uit Suriname en heb daar gewoond tot mijn negentiende. Mijn ouders hebben een Javaanse achtergrond. Mijn overgrootouders zijn als contractarbeiders vanuit Indonesië naar Suriname gekomen. Over hoe het leven toen was, werd bij ons thuis niet echt gesproken. Misschien was het te pijnlijk of zat er schaamte op. Dat zie je vaker: de eerste generatie vertelt weinig, terwijl de volgende generaties juist willen weten waar ze vandaan komen.
Als kind wist ik niet beter dan dat Suriname bij Nederland hoorde. Op school leerden we alles over Nederland, maar bijna niets over ons eigen land. Pas toen ik in Nederland kwam, vond ik het vreemd dat mensen hier zo weinig over Suriname wisten.
Ik was negentien toen ik plotseling naar Nederland moest vertrekken door de revolutie. Ik kon niet eens afscheid nemen, en dat vond ik het moeilijkst. Hier moest ik wennen aan de kou, de cultuur en andere kleine verschillen. Ik was ook heel nieuwsgierig naar de winter. Ik wilde weten hoe kou voelde, dus ik heb mijn hoofd in de vriezer gestopt.
Mijn leven is nu hier, maar Suriname voelt nog steeds als thuis. Het blijft alsof ik tussen twee werelden leef.’
Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘Ik heb een hele fijne jeugd gehad. We waren met negen kinderen thuis en speelden vooral buiten. We klommen in bomen en haalden kattenkwaad uit. We hadden een grote tuin met mango’s, bananen en mandarijnen, en ik klom overal in, ook bij de buren.
Eten was bij ons iets om te delen, maar je moest er wel snel bij zijn. Als je even van tafel ging, was de kans groot dat je vlees weg was. Dus je bleef gewoon zitten.
Ik weet nog dat ik een keer in een boom zat en iets zag bewegen: een zwarte staart. Ik wist niet wat het was en kon er bijna aan trekken. Toch kreeg ik een vreemd gevoel en ben ik snel naar beneden gegaan. De volgende dag bleek het een slang te zijn.
Ik was ook best rebels. Wat niet mocht, deed ik juist wel. Ik had een jeugdliefde, Frank, maar mijn ouders wilden dat ik alleen met een Javaanse jongen thuiskwam. Dat maakte me juist eigenwijs. Jaren later vond ik hem terug en heb ik hem nog één keer gezien. Kort daarna is hij overleden. Dat was heel verdrietig.
In mijn huis nu staan veel planten. Dat is voor mij een stukje Suriname. Alleen kan ik er hier niet meer in klimmen.’
Hoe was het op school in Suriname?
‘Op school in Suriname moest ik altijd Nederlands spreken. Als ik dat niet deed, kreeg ik straf. Dan moest ik mijn hand uitsteken en kreeg ik met een liniaal slagen. Dat was toen heel normaal. Thuis sprak ik Javaans en Surinaams, maar op school mocht dat niet.
Pas later begreep ik dat dit met de koloniale geschiedenis te maken had. Op school leerden we vooral over Nederland: over rivieren, het weer en de koningin. Over Suriname zelf leerden we bijna niets.
Ik sprak meerdere talen en ging met verschillende groepen kinderen om. Toch waren er verschillen. Nederlandse kinderen zaten vaak op aparte, rijke scholen, dus die zag ik bijna niet.’
Hoe was het leven van uw familie?
‘Mijn voorouders kwamen zonder iets aan in Suriname. Ze dachten dat ze na een tijd werken weer terug zouden gaan. Dat was aan de contractarbeiders beloofd. Maar dat lukte niet meer. Ze moesten daar dus blijven toen het contract afliep en zelf een nieuw leven opbouwen. Zo is mijn familie daar ook geworteld geraakt.
Als kind merkte ik niet zoveel van verschillen tussen mensen, maar die waren er wel. Nu zie je nog steeds sporen van het koloniale verleden. In de taal, in de namen van mensen en in gebouwen. Het zit eigenlijk overal in verweven.
Toen ik naar Nederland kwam, viel me op hoe anders sommige gewoontes waren. Bij iemand thuis kreeg je één koekje, en daarna ging het trommeltje dicht. Dat vond ik heel vreemd, want bij ons thuis staat juist alles op tafel en mag je blijven eten.
Mijn ouderlijk huis staat nog in Suriname en er woont nog familie. Als ik daar ben, kennen mensen me nog. Dat voelt heel bijzonder.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.