Oorlog in mijn Buurt
‘Passen op de spullen van onderduikers’
Livia, Nienke, Soraya, Tijs ontmoeten Bep Semeijns 8 jaar toen de oorlog begon
De voorouders van Peter Rufi kwamen uit Europa, maar gingen in 1800 naar Nederlands-Indië om te werken en vestigden zich daar. Meneer Rufi is dus een zogeheten Indo. Toen hij 3 jaar was, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen de Japanners het huidige Indonesië binnen. Samen met zijn moeder en zusje van 1,5 verbleef hij 3,5 jaar in een kamp, gescheiden van zijn vader die in een ander kamp werd geplaatst. Na de oorlog is het gezin herenigd. Meneer Rufi deelt zijn verhaal met Emma, Lana en Ruben van basisschool de Talisman in Eindhoven.
Hoe was het om in een kamp te zitten?
‘Kijk, als je thuis bent, dan weet je dat je de deur uit mag, tot aan de straat bijvoorbeeld. In het kamp was dat hetzelfde. We woonden in een barak en je kon overal naartoe, maar nooit verder dan het hek van prikkeldraad, wachters hielden ons in de gaten. Er waren ook andere kinderen in het kamp en we gingen één keer per dag naar een soort schooltje. Dan deden we spelletjes of zongen we liedjes. Buiten dat uurtje was er echt niets te doen, je hing alleen maar wat rond en je hield je wel gedeisd want er waren veel mensen die je in de gaten hielden.’
Klopt het dat u pepers had gestolen van de Japanners?
‘Ik had mijn moeder horen praten over het klaarmaken van lekker eten. Hiervoor had ze lombokjes (pepertjes) nodig, maar die had ze niet. Om mijn moeder blij te maken ben ik die toen voor haar gaan stelen in het tuintje van de nonnen, maar ik werd betrapt. Ik kreeg boze woorden van moeder-overste en daarna bracht ze mij naar het huis van de Japanse commandant. Deze man liep altijd met een stok door het kamp en gaf een tik of een pak rammel als je iets niet goed deed. Ik vond die stok vreselijk. Ze liet me in het huis van deze commandant in de hoek wachten tot hij binnen zou komen. Ze wist wel dat hij er die dag niet was, maar ik heb lang staan bibberen. En dat was mijn straf.’
Wat zag u toen u uw vader zijn eigen graf zag graven?
‘Voordat we in dat kamp terechtkwamen, hadden de Jappanners mijn vader gearresteerd. Hij had brandstof in de fik gestoken om te voorkomen dat de Japanners die konden gebruiken voor hun tanks. Hij kreeg straf en zou onthoofd worden. Verschrikkelijk natuurlijk! Wij moesten erbij staan, terwijl ik te klein was om het goed te beseffen. Mijn vader groef zijn eigen graf en nam afscheid van ons. Hij werd geblinddoekt, knielde voor zijn graf, kreeg een klap met het zwaard in zijn nek en viel in het graf. We dachten dat hij dood was. Mijn moeder huilde verschrikkelijk, dat vond ik nog het ergste.
De volgende dag moesten we naar de haven en daar zag ik opeens mijn vader. ‘Daar loopt papa’ zei ik, ‘ik dacht dat hij dood was?’ En mijn moeder dacht dat natuurlijk ook. Dus ik vond het erg verwarrend, maar ze was ook erg blij. Ze hadden dus gedaan alsof ze hem onthoofden, maar ze hadden hem alleen met de platte kant van het zwaard in zijn nek geslagen. Hierdoor viel hij in het graf, maar was hij slechts bewusteloos. Zelf dacht hij ook dat hij zou sterven, maar realiseerde zich later in zijn cel dat hij nog leefde.’
Wat voelde u toen de oorlog voorbij was?
‘Toen was ik al bijna 7. Het was aangrijpend en spannend. We moesten ons verzamelen voor het huis van de commandant. Er was een soort podium en daar klom de Hollandse kampcommandante op. Naast haar stond de Japanse commandant voor wie ik zo bang voor was. En deze commandant deed iets wat hij nooit deed; hij boog voor ons. Normaal was het zo dat als er een Japanner langskwam, wij voor hen moesten buigen, dus ik vond dat heel raar.
We hoorden dat de Amerikanen bommen hadden gegooid op Hiroshima en Nagasaki. Mij zei dat niets maar het moest vast verschrikkelijk zijn. De vrouwen van het kamp waren echter erg blij dat dit gebeurd was want hierdoor was de oorlog voorbij en waren we weer vrij.
Wat is dat ‘vrij’? Ik wist helemaal niet wat dat was. Iedereen begon te huilen, te juichen en te schreeuwen. Dus ik dacht; dit hoort erbij, dus ik deed driftig mee, geen idee waarom. Men zong het Wilhelmus, dat had ik nog nooit gehoord want dat mochten we niet zingen, maar ik probeerde toch mee te zingen. Toen kwam er een vlag tevoorschijn: rood, wit blauw en die werd in de mast gehesen. Iedereen was blij, we waren bevrijd en de oorlog was voorbij.’
Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.