Oorlog in mijn Buurt
‘We zaten spiernaakt op de grond terwijl de Duitsers ons uitlachten’
Max, Niels, Souki ontmoeten Ina Groenteman-Rosenthal
Cyrus, Sam, Elsa en Anastacia uit groep 8a van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen mevrouw Marja Ruijterman. Bij de voorbereiding horen ze dat Marja na de oorlog is geboren, dus ze maken zich een beetje zorgen of ze wel genoeg te vertellen heeft. Het blijkt dat ze juist heel veel verhalen heeft, omdat ze haar moeder haar heel veel verteld heeft.
Waar woonde uw moeder tijdens de oorlog?
‘Mijn moeder woonde met haar zus en haar moeder op de Ten Katemarkt, vlak bij de Kinkerstraat. Ze was twaalf toen de oorlog begon. Mijn oma had een klein winkeltje met opgelapte meubels en kleden. In het eerste oorlogsjaar scheidden mijn grootouders, en mijn opa trouwde daarna met een Joodse vrouw. Mijn moeder en haar zusje bleven bij mijn oma wonen.’
Wat at uw moeder in de hongerwinter?
‘Mijn moeder at bloembollen, maar op een dag rook ze ineens vlees. Ze hoopte op iets lekkers, maar toen hoorde ze miauwen — het was de kat. Ze kon het niet eten, ondanks de honger en de wonden, die ze had door vitaminetekort. En dan het verhaal dat ik altijd onthoud; een vrouw uit Volendam kwam binnen met palingen verstopt in haar rokken en broek, omdat de Duitsers ze niet mochten zien. En die vrouw, die kwam binnen en mijn moeder dacht: ‘Wat zie ik nou?’ Wat bleek nou? Die palingen, die leefden nog en je zag dus die rok bewegen. Dat was natuurlijk om te eten. En mijn oma zei weer: ‘Je moet eten, je moet eten.’ Maar mijn moeder vond het zo vies, dat ze dat dat ook niet heeft gegeten.’
Heeft uw moeder ook fijne herinneringen aan de oorlog?
‘Mijn moeder was een keer samen met andere kinderen blokjes uit de tramrails aan het pakken, om vuur van te maken, om op te koken. Toen kwamen er opeens twee Duitsers. Eén van hen pakte mijn moeder vast. Dus ze schrok zich dood. Ze dacht: ‘Shit, nu ben ik de pineut’. En toen zei die Duitser: ‘Ga maar gauw, ik heb ook kinderen, ga rennen.’ Dus er waren ook hele goeie Duitsers die dit helemaal niet wilden.’
Had uw opa na de scheiding met je oma nog kinderen gekregen?
‘Ja, hij had nog een dochtertje Sarah gekregen. Zij was helemaal Joods, omdat zijn nieuwe vrouw ook Joods was. Toen er een razzia kwam, gaf mijn opa in paniek zijn baby aan de buren, in de hoop dat zij haar zouden beschermen. Maar de buren durfden het niet aan en gaven haar aan de Duitsers, die haar naar de Joodse crèche bij Artis brachten. Daar werd ze gered. De trambestuurder reed expres langzaam, zodat de Duitsers aan de overkant niets zagen. Zo kwam ze terecht bij een gezin in Delft en groeide op als katholiek meisje, omgedoopt tot Maria. Ze wist niet dat ze Joods was en werd wel gepest als ‘manke Jood’. Toen ze zestien was, vond ze papieren met haar echte naam, Sarah Dresden. Ze dwong haar pleegmoeder de waarheid te vertellen en reisde naar Amsterdam om haar zussen te ontmoeten.’