Erfgoeddrager: Quinten

‘Mijn moeder zag elke dag kinderen op weg naar hun Joodse schooltje’

Thea Hoff komt zelf naar basisschool Het Wespennest om aan Noa, Amanda en Quinten te vertellen hoe haar jeugd in Noord was tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kinderen zijn benieuwd wat ze van de oorlog merkte en of ze gevaarlijke dingen heeft gedaan. Maar ze was nog erg jong in die tijd, vertelt ze. ‘Ik was vier jaar en ik begreep er helemaal niks van.’ Wist ze wel wat oorlog was? ‘Geen idee, maar mijn ouders hebben me het uitgelegd.’

Wat waren de spannendste momenten voor u?
‘Het luchtalarm vond ik spannend. Als het afging, moest je naar binnen, naar een schuilkelder of naar het park. Daar moest je op het gras gaan liggen. Soms duurde het een paar minuten, soms een uur of wel anderhalf uur. Je wist niet wat er gebeurde want je had geen telefoon. Nu is dat heel normaal, maar toen had je dat nog niet. Soms hoorde je schoten in de verte en dan wist je: er wordt gevochten. En dan had je de bombardementen.’


Wist u wat er met de Joden gebeurde en voelde u zelf gevaar?

‘We wisten dat wij niet opgepakt zouden worden. Maar mijn ouders hadden Joodse vrienden die wel konden worden opgepakt als ze niet zouden onderduiken. We hadden een schuilplaats voor als er iemand zou moeten vluchten, maar dat was te beperkt voor een blijvend verblijf. Toen het Joodse echtpaar uiteindelijk werd opgepakt, was ik heel verdrietig. Ik wist nog niet dat ze nooit meer terug zouden komen. Mijn moeder zag elke dag kinderen lopen die op weg waren naar hun Joodse schooltje in Floradorp. Ze liepen langs ons huis op de Kamperfoelieweg. Het waren zo’n tien, twaalf kinderen. Maar met het verstrijken van de tijd werd dat groepje steeds kleiner. Dat heeft ons erg aangegrepen.’


Wat weet u nog van de Bevrijding?

‘Ik herinner me dat ik ’s ochtends wakker werd en te horen kreeg dat Nederland bevrijd was. Ik moest juichen, maar mijn moeder werd boos. Het is niks om over t juichen, zei ze. Er zijn zoveel mensen dood gegaan, daar juich je niet over. Maar ik was toch wel heel blij.’

Erfgoeddrager: Quinten

‘De soldaten zetten ons tegen de muur en richtten hun geweren op ons’

Jan Boerman was elf toen de oorlog begon. Hij woonde tijdens de oorlog met zijn ouders en broer vlakbij het kanaal in Oud-Overdie. Aan Gylano, Quinten en Lotte van De Cilinder in Alkmaar vertelt hij over de spannende, maar soms levensgevaarlijke dingen die hij meemaakte.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Toen het begon leek er niet veel te veranderen. Er kwamen veel Duitsers de stad in, maar die gedroegen zich redelijk. Langzaam begonnen er veranderingen te komen. Zo werd onze school in beslag genomen en hadden we elke dag ergens anders les, van de juffen die nog over waren. Jonge mannen moesten naar Duitsland om te werken en de oudere mannen, zoals mijn toen veertigjarige vader, werden te werk gesteld in bunkers en bij de antitanklinie. Er werden bordjes geplaatst met ‘verboden voor Joden’ en er vonden razzia’s plaats om te controleren of er nog ergens onderduikers, Joden, jonge mannen of verzetsmensen waren, of verboden dingen zoals radio’s of een teveel aan dekens. Je mocht per gezin maar één deken en laken hebben. Mijn broer en ik hebben stiekem dekens verstopt in het wc-hok, naast de poepton. Gelukkig hebben ze die nooit gevonden bij huiszoeking.’

Heeft u spannende dingen meegemaakt?
‘Ja, heel veel. Bij een Duitse bakkerij hebben mijn broer en ik een keer op weg naar school aan de Doelenstraat twee warme broden uit een vrachtwagen weggenomen. Het was stelen, maar oh wat was mijn moeder blij! Bij de sigarenboer, de vader van een vriendje van me, was er veel ruilhandel tussen de mensen. Op een dag kwamen er soldaten binnen en de sigarenboer werd flink ondervraagd. Plotseling pakte hij mijn schooltas en begon tegen mij te schreeuwen dat ik mijn huiswerk moest meenemen en weg moest gaan, alsof hij boos was. Ik snapte er niks van, ging huilend naar buiten en keek toen in mijn schooltas. Daar vond ik allemaal vluchtbrieven, verzetskranten, en ik bedacht me hoe gevaarlijk het was als ik daarmee betrapt zou worden. Thuis raakte mijn moeder in paniek en zei me het te verstoppen. Ik begreep dat het heel belangrijk was en verstopte ze in ons wc-hok. Mijn moeder vertelde ik dat ik ze verbrand had, zo was zij weer gerust. De volgende dag bracht ik de vluchtschriften terug naar de sigarenboer en die was zo opgelucht. Ik voelde me best trots.
En een keer was ik met mijn broer en een vriendje stompen van gekapte bomen aan het zagen. Duitse soldaten zagen dat, zetten ons tegen de muur en richtten geweren op ons, terwijl ze schreeuwden. We werden meegenomen, vastgezet en op brute wijze verhoord. Mijn broertje plaste van angst in zijn broek. We waren jongetjes van tien en twaalf jaar en ze sloegen met de zweep en probeerden ons uit te horen of we verzetsmensen, joden, onderduikers of Oranjegezinden kenden. Vlak voor spertijd werden we vrijgelaten. Onze ouders waren ontzettend ongerust geweest. Zeventig jaar later vond ik op Facebook een foto van een van die wrede soldaten. Dat gezicht vergeet ik nooit meer.’

Kende u mensen die bij de NSB zaten?
‘Onze overbuurman en zijn dochters zaten bij de NSB. Hij verraadde mensen in ruil voor geld. Het ging rond dat als je zijn kinderen uitnodigde op je feestje ze chocolade zouden meenemen. Dat was nergens te krijgen, maar zij hadden dat dus wel. Het was voor kinderen een goede reden om ze uit te nodigen. Als ze dan bij iemand op een verjaardag waren, keken ze om zich heen of er iets verdachts was en gaven dat door aan hun vader. Zo is de postbode die verboden pamfletten rondbracht door hen verraden. Op een avond werd er bij de overbuurman aangebeld. Zijn vrouw deed open, we hoorden een ijselijke gil en schoten. De buurman was door verzetsmensen gedood. Enige tijd geleden sprak ik met een vrouw die ik in het verzorgingshuis had ontmoet over de oorlog en zij vertelde me dat haar broer de schutter was geweest. Die overbuurman had gedreigd nog veel meer mensen te verraden waaronder hun familie omdat zij onderduikers in huis hadden. Een van de onderduikers was een piloot. Die was op een nacht uit een neerstortend vliegtuig gesprongen. Mijn broer en ik hadden dat gezien en gingen de volgende dag op de plek waar ie was neergekomen kijken. We vonden een parachute van een soort witte zijde en namen dat mee naar huis. Mijn tante heeft daar een trouwjurk van gemaakt.’

               

Erfgoeddrager: Quinten

‘Ik moest van de soldaten met mijn Joodse vriendje mee de vrachtwagen in’

Carel Wiemers was pas vijf jaar oud toen de oorlog begon. Zo jong als hij was, is hij meerdere keren aan de dood ontsnapt. Over zijn ervaringen heeft hij een boek geschreven. Lodewijk, Quinten, Sjoerd en Zenji van de Dongeschool hoorden uit eerste hand over wat hij heeft meegemaakt en konden hem van alles vragen.

Had u een vriendje in de oorlog?
‘Hans was mijn beste maatje, we deelden zelfs onze verjaardag. Op een zondag in 1943 was ik bij hem thuis aan het spelen en ineens werd er heel hard op de deur gebonkt. Er stonden Dutise soldaten voor de deur. Hans en zijn familie waren namelijk Joods. Toen de Duitsers binnenkwamen, moesten we met z’n allen in de woonkamer tegen de muur staan. Nadat de soldaten het huis hadden doorzocht en de ouders één koffer voor hen allemaal hadden ingepakt, gingen we naar buiten, ook ik. De moeder van Hans zei nog: “Deze jongen hoort niet bij ons, hij is niet Joods.” Daar hadden de Duitsers niets mee te maken. Ik moest mee, punt. Verschillende keren heeft ze het gevraagd, het antwoord bleef nee. Ze liet zelfs haar trouwboekje zien, de soldaten keken er niet eens in. Ik moest gewoon mee naar buiten.’

Bent u uiteindelijk meegenomen?
‘Buiten stond een vrachtwagen vol mensen ons op te wachten. De ouders en broer van Hans stonden al op de vrachtwagen en het moment dat ze Hans en mij ook op de vrachtwagen wilden tillen, pakte Hans mij heel stevig vast en zei: “Carel, ik ga met jou mee naar huis.” Door twee soldaten werden we ruw uit elkaar gerukt terwijl mijn vriendje mij vast probeerde te houden. Eén van die Duitsers gaf mij een schop onder mijn kont en ik moest wegwezen. Ik weet niet waarom ik opeens weg mocht, waarschijnlijk hadden ze geen zin in drama. Eigenlijk mocht ik van de Duitsers niet omkijken, maar zodra ik de hoek van de straat om was, heb ik toch gekeken. Ik moest weten wat er met mijn vriendje gebeurde. Tranen stroomden over zijn wangen, terwijl hij bij zijn moeder op schoot zat. Dat is het laatste beeld dat ik van hem heb. Ik heb hem daarna nooit meer gezien.’

Had u honger tijdens de Hongerwinter?
‘In 1943 hebben mijn ouders mij op de trein naar de Veluwe gezet. Ik zou daar eigenlijk een paar weken blijven om aan te sterken, maar dat werd langer. Ik woonde bij een boerenfamilie die mij als een eigen zoon behandelde. Op de boerderij was genoeg eten, ik heb dan ook geen honger gehad tijdens die vreselijke Hongerwinter. Ook als mensen uit de grote stad voor eten aanbelden, gaven ze altijd iets mee. Uiteindelijk ben ik pas na de oorlog weer terug naar huis gegaan. Ik heb nog steeds contact met mijn pleegbroers en -zussen.’

Hoe wist u dat Nederland bevrijd was?
‘Op de Veluwe luisterden we stiekem naar Radio Oranje; de radio was verboden en zat goed verstopt boven het plafond. Tijdens de bevrijding reden de Canadezen voor de boerderij over de weg. We juichten, we waren ontzettend blij. We kregen ook snoepjes en koekjes van de geallieerden. Triomfantelijk reed ik met mijn zelfgemaakte fietsje het erf af richting de weg. En opeens: PANG! Er vloog zo een raket over mijn hoofd, over de boerderij. Een wraakactie van een Duitse soldaat. Ik schrok me een hoedje. Door de luchtdruk was ik van mijn fiets gevallen. Nou daar lag ik dan. Ik wist niet hoe snel ik mijzelf in veiligheid moest brengen. Ik was bang dat de oorlog helemaal nog niet was afgelopen. Gelukkig bleef het bij die ene aanval bij ons en waren we echt bevrijd.’

                 

Erfgoeddrager: Quinten

‘De boot die mijn ouders nèt niet namen werd gebombardeerd’

De ouders van Tali Schipper vluchtten tijdens de oorlog uit Amsterdam naar Suriname, omdat ze Joods waren. Daar werd hij in 1944 geboren. Voorafgaand aan het interview bespraken Quinten, Tim, Thankgod en Natan van basisschool De Morgenster hoe vluchtelingen nu in Nederland worden opgevangen: in asielzoekerscentra en detentiecentra. Hoe zou de familie in Suriname opgevangen zijn? ‘We zijn u erg dankbaar dat we u mogen interviewen,’ begint Thankgod het gesprek. De heer Schipper zit aan het hoofd van de tafel, met koffie voor hem, met om hem heen zijn vier jonge interviewers. ‘Mogen we beginnen met vragen stellen?’

Waarom zijn uw ouders gevlucht?
‘Mijn ouders woonden met hun zoontje boven hun eigen juwelierszaak op de Nieuwendijk in Amsterdam toen de oorlog uitbrak. Op een avond in 1941 liep mijn vader over de Dam. Een Joodse vriend sprak hem aan: ‘Bernard het wordt te gevaarlijk voor ons hier, we moeten zorgen dat we hier wegkomen.’ Die avond nog huurde mijn vader een vrachtwagen en reed langs de hele familie. Zijn zus ging mee, met haar twee kinderen, maar de familie van mijn moeder geloofde dat het goed zou komen, en bleven.’

Hoe ging de vlucht?
‘Mijn vader had een goede vriend in IJmuiden, een kleermaker, die ervoor kon zorgen dat ze illegaal met een vrachtboot naar Engeland konden ontkomen. Mijn vader werkte op het dek, mijn moeder zat tussen de vracht met haar zoontje van tien dagen. In Londen kochten ze boottickets naar ‘de Oost’, Indonesië. De boot zou vanuit Edinburgh vertrekken. Onderweg in de trein sprak mijn moeder met een kapitein die haar sterk afraadde om naar Indonesië te gaan: ‘U moet naar de West gaan, daar is het veiliger.’ Mijn moeder geloofde hem en heeft mijn vader gesmeekt de tickets om te ruilen. Ze besloten naar Suriname te gaan. De boot waarop mijn ouders naar Indonesië zouden zijn gegaan werd uiteindelijk gebombardeerd.’

Hoe werden ze opgevangen in Suriname?
‘In Paramaribo werd de familie meteen opgevangen en opgesplitst: mijn tante bleef in Paramaribo, maar mijn ouders en broer moesten verder varen, via de rivier Cottica naar de plaats Mungo. Daar woonden ze in een groot huis en daar ben ik geboren. Mijn ouders werkten allebei in het warenhuis Kersten. Naast ons woonden andere vluchtelingen: de familie Simons, ouders en een baby. De ouders moesten op een dag naar Paramaribo en mijn ouders pasten op hun baby. De ouders verdronken. Mijn vader heeft de baby toen naar familie in Brazilië gebracht. Met de baby moest hij het oerwoud door tot aan de grens. De baby werd uiteindelijk geadopteerd door de familie Grosman. Jaren later in Amsterdam zat ik op de middelbare school naast Paul Grosman. Ik nam hem mee naar huis, mijn vader keek hem aan en zei: ‘Jij bent niet Paul Grosman. Jij bent Paul Simons!’ Het was een trieste, hernieuwde ontmoeting.’

Bleven jullie na de oorlog in Suriname?
‘Op een goede morgen trof mijn moeder een slang in het bad. Dat was meteen het einde. ‘Ik wil hier onmiddellijk weg!’ zei ze. De oorlog in Europa was voorbij. Toen zijn ze terug gegaan. Het was 1947 toen ze in Amsterdam aankwamen. De hele familie van mijn moeder was vermoord. In ons huis op de Nieuwendijk woonden andere mensen ‘Dit is ons huis,’ zeiden ze tegen mijn vader, en toonden hun papieren. Alles wat mijn ouders ooit hadden gehad in Amsterdam was verdwenen. ‘Laat maar gaan,’ zei mijn vader als wij daar later nog eens over begonnen. Het leven ging verder. Nooit spraken mijn ouders meer over de oorlog, daar wilden ze niets meer van weten.’

    

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892