Erfgoeddrager: Miles

‘Pas na de onafhankelijkheid zijn Surinamers van zichzelf gaan houden’

Ingrid Sastro (1959) praat met Niké en Miles van Het 4e Gymnasium over hoe het was om als Javaanse Surinamer op te groeien in een kolonie van Nederland. Ingrid is teleurgesteld dat de jeugd van tegenwoordig – inclusief haar eigen kinderen – geen interesse meer toont in de Surinaams-Javaanse cultuur. Gelukkig doen Niké en Miles dat wel en willen zij alles horen over het geboorteland van Ingrid.

Hoe zijn uw voorvaderen in Suriname terecht gekomen?
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 kwamen de plantages in Suriname zonder arbeiders te zitten. Omdat Indonesië toen nog bezit van Nederland was, hebben ze contractarbeiders uit Indonesië naar Suriname verscheept. Op die manier zijn mijn grootouders rond 1890 als contractarbeiders naar Suriname gebracht. Eigenlijk waren ze geronseld met mooie verhalen over een mooi, ver land overzee waar je voor een gulden per dag kon werken. In 1890 was een gulden heel veel geld. Toen ze eenmaal in Suriname aankwamen, kregen ze maar tien cent per dag. Ik weet niet precies of mijn grootouders echt vrij konden leven, maar ze waren in ieder geval vrijer dan de slaven.’

Hoe was het om naar school te gaan in Suriname?
‘In die tijd had je in Suriname veel nonnen, paters en missionarissen. Hun doel was om het woord van god te verspreiden. Met name de paters gingen de plantages af en de dorpen waar veel Javanen woonden, om de mensen te motiveren om hun kind in een internaat te plaatsen. Ik was als kind onhandelbaar en mijn moeder geloofde dat als ik naar de nonnen ging het nog goed zou komen met mij. De nonnen waren heel streng, maar het niveau van de lessen was heel goed eigenlijk. Zelf waren wij niet bekeerd tot het katholicisme. Je was daar wel vrij in. In Suriname is het normaal – nog steeds – dat verschillende godsdiensten naast elkaar leven. We zijn het enige land in de wereld waar een moskee en een synagoge op dezelfde grond naast elkaar staan. Op de nonnenschool mochten we geen Surinaams praten. Het was ‘vies’ om Surinaams te praten. Pas na de onafhankelijkheid zijn Surinamers gaan leren om van zichzelf te houden.’

Heeft u wel eens last gehad van racisme of discriminatie in Suriname?
In de tijd van mijn grootouders gingen Javanen alleen met elkaar om. Je trouwde ook met iemand van je eigen bevolkingsgroep. In mijn tienertijd was ik heel rebels. Je mocht niet met creoolse Surinamers omgaan, dus ik ging natuurlijk wel met ze om. De vader van mijn kinderen is ook een creoolse Surinamer. Tussen Hindoestanen en creolen was er ook veel discriminatie. Vooral tijdens verkiezingen kwam het sterk naar voren. Je had politieke partijen gebaseerd op afkomst; er was een Javaanse, een Hindoestaanse en een creoolse partij. De Javaanse partij ging er vanuit dat alle Javanen op hun zouden stemmen en ook de andere partijen verwachtten dit van hun eigen achterban. Daar zit ook een element van discriminatie in.’

En hoe was dat in Nederland?
‘Toen ik net in Nederland woonde, werd ik door mijn collega’s ‘zulu’ genoemd. We vonden het toen grappig. Ik was jong dus ik zag het kwaad er niet van in. Eén collega noemde mij altijd ‘zwarte trut’. We zaten een keer thee te drinken toen hij het weer zei. Ik zei dat als hij mij nog één keer zo zou noemen, ik mijn thee over hem heen zou gooien. Hij zei het nog een keer en ik gooide mijn hete thee in zijn gezicht. Hij heeft het daarna nooit meer tegen me gezegd. Ook werd ik op straat een keer door een jongen bij mijn pols gepakt toen hij mij iets wilde aansmeren. Het deed pijn dus ik zei dat hij mij los moest laten. Toen liet hij mij los met de woorden: ‘Ja, want je geeft af.’ Dat heeft mij echt gekwetst.’

Erfgoeddrager: Miles

‘Een week na de begrafenis gingen mijn broer en ik met de boot naar Wieringenmeer’

Chenoa, Miles, Romy en Timo van de 3e Daltonschool gingen vanaf Amsterdam-Zuid met de metro naar Zuidoost voor een gesprek met Ans Odinot-Bon. Ze was nog heel jong in de oorlog, maar kon toch veel vertellen over, en laten zien uit die periode.

Waar was u toen de oorlog uitbrak?
‘Ik ben geboren in september 1940 en heb het moment dat de Duitsers Nederland binnenvielen dus niet meegemaakt. Van het laatste jaar van de oorlog kan ik me wel wat herinneren. In 1944 werd mijn iets oudere zus van zeven erg ziek en kwam te overlijden. Een hele heldere herinnering is dat ik uit boosheid toen een pop heb kapotgeslagen tegen de muur. Mijn ouders kregen rond diezelfde periode te horen dat mijn oudere broer en ik door de kerk naar buiten Amsterdam gebracht konden worden. In de stad was er erg weinig te eten op dat moment, en dus gingen mijn ouders op het aanbod in. Een week na de begrafenis van mijn zus gingen mijn broer Henk en ik vanaf Amsterdam met de boot naar Wieringenmeer, waar ik bij een boerenfamilie verbleef.’

Hoe beleefde u deze periode weg van huis?
‘Het moment dat ik bij de boer aankwam staat ook nog helder op mijn netvlies. Ik kreeg een beker hete melk, die heerlijk was om te drinken. Dat laat goed zien hoe weinig eten er aan het eind van de oorlog was in een stad als Amsterdam. Ik heb het erg fijn gehad op de boerderij en speelde veel met het dochtertje van de boer. Ook liepen er jonge mannen rond, die ik echter niet kon verstaan. Na de oorlog realiseerde ik me dat dit buitenlandse soldaten geweest moeten zijn, die zich bij de boer schuilhielden. Ik heb aan de periode buiten Amsterdam geen ellende overgehouden, hoewel je natuurlijk wel ver van je ouders bent en ik ook niet zomaar met hen in contact kon komen; geen kaartjes, geen telefoon, niets.’

Waren er mensen die u kende Joods of NSB’er?
‘Nee, maar mijn moeder is tijdens de oorlog een keer in de Mesdagstraat staande gehouden. Ze moest verplicht kijken hoe Joden uit hun huis werden weggehaald. Na de oorlog bleek ook dat de overburen van mijn ouders twee Joodse vrouwen op zolder hadden schuilgehouden. Het moet erg moeilijk zijn geweest om dat vol te houden. Omdat ik zo jong was, passeerden die spanningen van de oorlog mij enigszins, maar later leerde je meer over de mensen die de oorlog niet overleefd hebben. Mijn jongste broer is getrouwd geweest met een Joodse vrouw en ter ere van een huwelijksjubileum was er na de oorlog een groot feest. Ik kan me goed herinneren dat het een geweldig feest was, maar er heerste ook een melancholieke sfeer. De mensen die omgekomen waren en een hoop ellende hadden meegemaakt werden genoemd en besproken, waardoor ze op een bepaalde manier er toch weer even bij waren.’

Hoe beleefde u de bevrijding?
‘Er was een gevoel van vrijheid, het gevoel dat de druk er vanaf is en dat je dingen kunt doen en kan leven. Je kunt je dat tegenwoordig moeilijk voorstellen, wij vinden dat nu heel gewoon. Maar pas na de bevrijding kwam de oorlog ook echt binnen en kon je zien hoeveel schade was aangericht en hoeveel er verloren was gegaan. Dat zorgde voor veel verdriet,  ook bij mijn ouders. Toen realiseerden ze zich pas echt dat hun dochter was overleden en niet meer terug zou komen. Dat gevoel hadden veel mensen die anderen waren kwijtgeraakt ook.’

               

Erfgoeddrager: Miles

‘Mijn vader, mijn ooms en mijn opa zijn door de oorlog overleden’

Amande Kribben wordt door haar zoon naar de middelbare school Vox-klassen gebracht, in Amsterdam-Noord. Ook haar kleinzoon is mee. Naast de docentenkamer is een kamertje waar ze rustig met Miles, Mees en Ricky kan zitten voor het interview over haar verleden. De kinderen lachen als ze zegt dat haar zoon al waarschuwde dat ze flink kan uitweiden. De interviewers zijn juist blij dat mevrouw Kribben haar ervaringen zo uitgebreid weet te omschrijven. En zij vindt het fijn om haar verhaal aan jongeren door te geven. Het wordt, ondanks herinneringen aan de oorlog, een levendig gesprek met ook grapjes. Haar ‘les’ aan de jongeren is vooral: wees blij en blijf lachen. Blijf positief!

Hoe begon de oorlog voor u?
In 1942 vielen de ‘Jappen’ Surabaya binnen, en werden de mannen opgepakt. Ik was toen vijf jaar. Ook mijn vader werd opgepakt. Hij is niet meer teruggekomen uit de oorlog. Pas twintig jaar was hij. In 1945, na de oorlog met de Japanners, kwamen de Indonesiërs in opstand. Vrouwen en kinderen werden naar kampen brachten. Jongens van twaalf jaar werden bij hun moeder weggehaald. Wij zijn nooit in het kamp opgesloten. Maar om aan geld te komen, moesten wij langs de deuren met vlees dat mijn moeder had klaargemaakt.’

Hoe kwam u aan eten?
‘Om alle wijken werd prikkeldraad gespannen en daarbinnen werden de mensen uitgehongerd. Wij hadden bedienden en deze ‘baboes’ schoven voor ons eten onder het prikkeldraad door. Mijn Hollandse opa stopte met eten zodat de kinderen meer voedsel hadden. Hij was uiteindelijk erg ondervoed. Na de oorlog gingen we naar Singapore en daar is hij overleden. Mijn vader, mijn ooms en mijn opa zijn allemaal door de oorlog overleden. Wat ik heel mooi vond, was dat mijn opa met militaire eer werd begraven, met tien saluutschoten. Dat maakte veel indruk op me. Wij werden uiteindelijk bevrijd door de Gurkha’s, militairen uit India die bij het Britse leger hoorden, van die mannen met tulbanden en lange baarden.’

Hoe bent u in Nederland gekomen?
‘Na de oorlog met Japan gingen we naar Singapore, en van daaruit naar Nederland. Negen jaar was ik toen. Wat ik nooit zal vergeten was dat mijn broertje en zusje en ik op school naast elkaar werden gezet en werden voorgesteld in de klas. ‘Zwarte kindjes’ waren we. Ik weet nog dat ik dacht: ‘Ik ben toch geen koe?’

U ging weer terug naar Indonesië, maar moest het land in 1958 verlaten. Hoe was het toen u voor de tweede keer in Nederland kwam?
‘Wij kwamen met de laatste boot aan in 1958. Ik was 20 jaar. Mensen stelden me hele gekke vragen, bijvoorbeeld of er tijgers in onze tuin rondliepen. Ik antwoordde dan ‘Ja’, haha. In Indië keek ik heel erg op tegen alles wat Nederlands was. Dat viel weg toen we hier waren. Ze wisten echt niets van Indische mensen. Ik begon in te zien dat ik anders werd behandeld omdat ik een kleurtje had. Ik weet nog dat iemand me op een keer in de bus zei dat ik moest opstaan voor hem terwijl ik met vier kleine kinderen was. Toen bedacht ik: dit overkomt mij niet nog een keer. Na dat voorval ben ik een stuk minder lief en aardig geworden, maar ik kwam wel voor mezelf op. Ik ben nu heel blij als mensen in de bus of trein op mijn oude dag aanbieden op te staan of mijn tas even helpen dragen. Dat zijn eigenlijk altijd mensen met een kleurtje.’

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892